Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 15 februari 2000

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, gedingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-antwerpen-2000-02-15-b0cc

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
15 februari 2000

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

132 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 15.02.2000

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

Zitting van 15 februari 2000 - EINDARREST

Inzake : 1992/AR/747

M. C.,

thans wonende te 2060 Antwerpen, D••••••• ••;

appellant

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 24 december 1991;

vertegenwoordigd door Mr. J. D. loco Mr. B. C., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

geïntimeerde

vertegenwoordigd door Mr S. V. D. loco Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

Overwegende dat wat de voorgaande procedure en feitelijkheden betreft kan verwezen worden naar hetgeen daaromtrent werd uiteengezet in het tussenarrest d.d. 19 april 1999 van deze kamer van het Hof;

Overwegende dat de BTW-administratie door aan te geven dat de vastgestelde overtredingen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken ten deze op voldoende wijze motiveerde waarom zij de in de tabellen A tot J van de bijlage van het K.B. nummer 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW niet toepasselijk achtte; dat er dan ook geen aanleiding bestaat om geïntimeerde op te leggen een mogelijke beslissing van de directeur B.B.I. voor te brengen; dat derhalve noch de bestreden dwangbevelen noch het eraan gehecht proces-verbaal nietig zijn en geen schending van artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 aangetoond is;

Overwegende dat ten deze genoegzaam vaststaat dat in hoofde van appellant de wil tot het niet aangeven of onjuist belasten van de verhandelde goederen duidelijk aanwezig was; dat appellant niet strafrechtelijk vervolgd werd deze vaststelling niet in de weg staat; dat appellant wetens en willens deelnam aan het mechanisme van de BTW-fraude; dat de beweringen van appellant omtrent de wijze van verhandeling van de goederen volstrekt ongeloofwaardig zijn nu vaststaat dat de door hem opgegeven bestemmeling onbestaande was, appellant geen enkele uitvoerverrichting aangegeven had aan de Administratie van Douane en Accijnzen en diverse voorgelegde uitvoerbewijzen vals of onbestaande zijn; dat het in casu niet ging om loutere onzorgvuldigheden of nalatigheden; dat noch artikel 1349 e.v. B.W. noch de artikelen 64, § 1 en 59 § 1 W.BTW geschonden werden;

Overwegende dat ten deze de redelijke termijn om over de opgelegde boete een gerechtelijk oordeel te bekomen niet overschreden werd nu de gerechtelijke procedure haar gebruikelijke rechtsgang kende nadat zij door appellant in 1990 aangevat werd en appellant steeds binnen redelijke termijnen kon bekomen dat de gevatte rechters zich over de diverse opgeworpen problemen uitspraken; dat de dwangbevelen na het gevoerde onderzoek binnen redelijke termijn uitgevaardigd werden;

Overwegende dat de in deze opgelegde administratieve geldboete te aanzien is als een strafsanctie in de zin van-artikel 6 E.V.R.M. en artikel 14 van het BUPO-verdrag nu zij iedere BTW-plichtige treft, een verplichting of een verbod inhoudt dat bij niet nakoming gesanctioneerd wordt, door twee maal de ontdoken belasting te omvatten niet het oogmerk heeft de eventueel geleden schade te herstellen doch erop gericht is herhaling te vermijden en het voorgevallen verboden gedrag te bestraffen en zeer zwaar is in omvang; dat de afweging van deze elementen aangeeft dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven;

Overwegende dat de artikelen 70, 72 en 84. W.BTW de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden nu zij in die zin dienen geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen een bij dwangbevel gevorderde administratieve geldboete aanhangig is, toegestaan is met volle rechtsmacht controle uit te oefenen op de door de fiscus genomen beslissing een bepaalde fiscale geldboete met repressief karakter op te leggen;

Overwegende dat de gevorderde administratieve geldboete geen schending uitmaakt van het europees rechtelijk evenredigheidsbeginsel, nu de Belgische wetgever door zulke sanctionering een correcte toepassing van de BTW-reglementering wenst af te dwingen en deze niet kennelijk onredelijk is met enig door het E.G.-Verdrag gesteld doel en de markt daarbij niet verstoord wordt;

Overwegende dat er ten deze geen aanleiding bestaat om appellant geen geldboete op te leggen; dat de wil tot het niet aangeven of onjuist belasten van de verhandelde goederen duidelijk aanwezig was in zijnen hoofde;

Overwegende dat in deze, gelet op de omvang van de vastgestelde fraude, een administratieve geldboete gelijk aan 100 % van de ontdoken belasting verantwoord was voor wat betreft het dwangbevel R.C.I.V. …, zijnde een bedrag van … BEF;

Overwegende dat appellant geen middelen meer aanvoert van aard om zijn verzet tegen het dwangbevel R.C.I.V. … genoegzaam te staven;

Overwegende dat, gelet op het wederzijds ongelijk van beide partijen, de gerechtskosten ten laste blijven van de partij die ze gemaakt en/of begroot heeft;

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep als volgt gegrond;

Verklaart het ingestelde verzet deels gegrond in die zin dat de in het dwangbevel R.C.I.V. … gevorderde geldboete in hoofdsom verminderd wordt tot … frank;

Verklaart het verzet voor het overige ongegrond;

Verwijst elk van de partijen in de gerechtskosten die ze zelf gemaakt en/of begroot heeft.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van vijftien februari tweeduizend

waar aanwezig waren :

de heren :

E. H., Raadsheer, wnd Voorzitter

J. E., Raadsheer

P. B., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier

G. V. P. B.

J. E. E. H.

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te .ANTWERPEN

VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken

Door de FOD bijgevoegde beslissing

heeft het volgend arrest gewezen :

Zitting van 19 april 1999 – Dwangbevel

Inzake : 1992/AR/747

M. C.,

thans wonende te …, …;

appellante

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 24 december 1991;

vertegenwoordigd door Mr. B. C., advocaat te …, …;

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, Op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijk Directeur van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

geïntimeerde

vertegenwoordigd door Mr S. V. D. loco Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

Overwegende dat wat de voorgaande procedure en feitelijkheden betreft kan verwezen worden naar hetgeen daaromtrent werd uiteengezet in het tussenarrest d.d. 17 oktober 1995 van deze kamer van het Hof; dat bij voormeld arrest het hoger beroep wat betreft de voorgehouden verjaring ongegrond werd verklaard en dat partijen werden uitgenodigd ten gronde te argumenteren; dat het debat voor zoveel als nodig wordt hernomen wat betreft de geschilpunten waarover in voormeld arrest nog niet werd geoordeeld;

Overwegende dat op 3 mei 1996 een partij B.V.B.A. C., met H.R. Antwerpen in aanvraag en met maatschappelijke zetel te …, … vierde verdieping, stelt dat zij het geding zoals voorheen gevoerd door C. herneemt; dat geïntimeerde zich hiertegen verzet;

Overwegende dat B.V.B.A. C. voorhoudt dat zij als rechtspersoon werd opgericht op 30 april 1996 en dat haar zaakvoerder C. op 2 mei 1996 besliste (bedoeld wordt dat de vennootschap, vertegenwoordigd door haar zaakvoerder besliste ...) dat de vennootschap alle verbintenissen dewelke C. als natuurlijk persoon in naam en voor rekening van de vennootschap had aangegaan, inzonderheid deze die onrechtstreeks het voorwerp uitmaken van het geschil met de BTW-administratie, overneemt; dat daartoe wordt verwezen naar artikel 13bis Venn.Wet.;

Dat, waar voormeld wetsartikel bedoeld is als bescherming voor derden te goeder trouw, de persoon die voorhoudt verbintenissen aan te gaan voor rekening van een vennootschap in oprichting (een promotor), zelf persoonlijk gebonden is en dat dit persoonlijk engagement slechts teniet wordt gedaan wanneer achteraf op wettige wijze door de vennootschap deze verbintenis wordt over genomen; dat, los van de vraag of C. al dan niet indertijd met de diensten van de BTW heeft gehandeld voor rekening van een vennootschap in oprichting, dient aangenomen dat de beweerde oprichting van de B.V.B.A. C. dateert van 30 april 1996 met een beweerde overname door die vennootschap op 2 mei 1996, hetgeen meebrengt dat de termijn van twee jaar na het ontstaan van de verbintenis en binnen dewelke de vennootschap waarvoor men beweerde te handelen diende opgericht is overschreden gezien de belastingschuld dateert van 1990 en betrekking heeft op handelingen daterend van 1985; dat derhalve het wettelijk substitutiemechanisme niet eens meer toepasbaar kan zijn en dat derhalve de beweerde promotor C. zich niet meer kan bevrijden van zijn persoonlijke 'gehoudenheid op basis van voormeld wetsartikel; dat derhalve geïntimeerde terecht de B.V.B.A. C. niet wenst te erkennen als haar debiteur; dat geen andere rechtsgronden door deze vennootschap worden ingeroepen om voor te houden dat niet C. doch wel zijzelf gehouden zou zijn lot de verbintenissen ten overstaan van de BTW-administratie; dat geïntimeerde ook geen vordering tegen deze vennootschap formuleert;

Overwegende dat, niettegenstaande de voormelde akte van gedinghervatting, partij C. nog wel degelijk in het geding aanwezig is als procespartij hetgeen ook blijkt uit het feit dat in de aanvullende beroepsbesluiten van 26 juni 1998 wordt vermeld dat, in ondergeschikte orde, alle middelen en argumenten ook dienen aanzien als herhaald en hernomen in zijn persoonlijke naam;

Overwegende dat appellant niet voldoende aantoont dat er enige strafrechtelijke klacht tegen hem zou hangende zijn en dat alleszins geïntimeerde in zijn bundel geen gebruik maakt van stukken die uit enig gerechtelijk dossier ten laste van appellant zouden voortkomen zodat er geen aanleiding bestaat om geïntimeerde op grond van artikel 877 Ger.W. te bevelen welkdanig stuk nog voor te leggen terwijl appellant niet in zijn rechten van verdediging wordt geschonden door de wijze waarop geïntimeerde tot uitwisseling van de stavingsstukken is overgegaan;

Overwegende dat geïntimeerde genoegzaam aantoont dat zijn taxatie louter steunt op eigen onderzoek van zijn diensten en niet op enig gegeven dat vanuit de Nederlandse fiscale administratie zou zijn overgemaakt op een met de Internationale belastingsverdragen of andere volkenrechtelijke rechtsbronnen strijdige Wijze; dat alzo niet is aangetoond dat geïntimeerde zijn taxatie zou heb.: ben gesteund op onwettig bekomen bewijselementen;

Overwegende dat uit voldoende stukken, uitgaande van appellant zelf, blijkt dat deze zelf heeft erkend menigvuldige roerende goederen zelf te hebben aangekocht en te hebben verkocht met levering en met de zelf vermelde clausule dat deze verhandelingen geschiedden met vrijstelling van BTW; dat diverse leveringsbonnen door appellant persoonlijk "voor ontvangst van de goederen" werden ondertekend; dat appellant blijkens diverse stokken en de daarop voorkomende kwijtingen persoonlijk diverse goederen heeft betaald; dat appellant op diverse facturen van hem uitgaande een eigendomsvoorbehoud te zijnen voordele bedong; dat appellant aan de controlerende diensten zelf heeft verklaard dat door hem aangekochte goederen naar Nederland werden uitgeoerd hiermee zijn handelsactiviteit erkennend; dat appellant, minstens ten tijde van het opmaken van die geschriften handelaar zijnde, niet thans en zoveel jaren later en voor het eerst, tegen zijn eigen geschriften in kan argumenteren; dat derhalve geïntimeerde wel degelijk mag steunen op het wettelijk vermoeden zoals voorzien in artikel 64, § 1 W.BTW. en dat appellant er niet in slaagt het tegendeel te bewijzen derwijze dat appellant wel degelijk dient aanzien een bedrijvigheid te hebben gevoerd die er een was van het verkrijgen of produceren van goederen om ze te verkopen onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt;

Overwegende dat het vermoeden conform artikel 64, § 1 W.BTW geen wettelijk vermoeden van schuld in strafrechtelijke betekenis inhoudt doch enkel een regeling van burgerrechtelijke bewijsvoering in fiscale aangelegenheden tot het heffen van belastingen waarbij uitgegaan wordt van de eigen gedraging van de belastingplichtige aan wie elk wettig verweermiddel behouden blijft zodat derhalve die wetsbepaling niet strijdig overkomt met artikel 6 E.V.R.M. noch met artikel 14 van het BUPO-verdrag;

Overwegende dat appellant tot de nietigheid van de opgelegde geldboete besluit, o.m. aanvoerend dat die boete het karakter heeft van een straf die werd opgelegd met miskenning van het vermoeden van onschuld (wat hij hieruit afleidt dat ze werd gevestigd louter op grond van een wettelijk vermoeden) en zonder dat het bestaan van enig opzet in zijnen hoofde werd aangetoond (hieruit afleidend dat de fiscus de op hem rustende motiveringsplicht miskende);

Overwegende dat de procedureregeling het aan de partijen niet toeliet bij het uiteenzetten van hun argumentatie rekening te houden met het arrest van het hof van cassatie d.d. 5 februari 1999 en het arrest van het arbitragehof d.d. 24 februari 1999 nummer 22/99;

Overwegende dat de goede rechtsbedeling vereist dat aan de partijen de kans zou worden geboden over de geldboete standpunt in te nemen in het licht van deze arresten; dat het past om die reden de debatten te heropenen;

Dat de partijen hun besluiten en hun dossiers ter griffie moeten neerleggen uiterlijk drie weken voor de datum waarop de zaak opnieuw voor pleidooien wordt vastgesteld;

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak;

Gelet op art. 24 der Wet van 15 juni 1935;

Herneemt het geding omtrent de geschilpunten waarover nog niet werd geoordeeld in het arrest d.d. 17 oktober 1995 en dit arrest verder uitwerkende,

Verklaart de akte van gedinghervatting vanwege de B.V.B.A. C. zonder voorwerp;

Vooraleer verder te oordelen,

Beveelt de heropening der debatten teneinde partijen toe te laten te concluderen omtrent de opgelegde boete in het licht van de arresten van het hof van cassatie en van het arbitragehof voormeld;

Stelt te dien einde de zaak vast op de zitting van deze kamer van 30 november 1999 te 11.30 uur (Waalse Kaai te Antwerpen - zaal C) waarbij partijen hun conclusies en dossiers ter griffie moeten neerleggen uiterlijk drie weken voor de hierboven bepaalde datum;

Kosten voorbehouden.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van negentien april negentienhonderd negenennegentig, waar aanwezig waren :

de heren·:

E. H., wnd. Voorzitter

J. E., Raadsheer

P. B. Raadsheer

mevrouw G. V. Griffier.

V. B.

E. H.

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN,

recht doend in burgerlijke zaken,

heeft het volgend arrest gewezen :

Zitting van 17 oktober 1995 : Dwangbevel

In zake : A.R. 747/92

M. C., bedrijfsleider, wonende te …, …;

appellant, tegen een vonnis gewezen op tegenspraak op 24 december 1991 door de zestiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen;

vertegenwoordigd door Meester B. C. loco Meester V. D., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting en-Domeinen, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, met kantoren te 2000 Antwerpen, Rijnkaai 37;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. V. L. d. J., advocaat te …, …;


Gelet op het beroepen vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen dd. 24 december 1991 waarbij, alvorens recht te doen over de grond van het verzet dat appellant op 17 augustus 1990 had gedaan tegen twee te zijnen laste uitgevaardigde dwangbevelen van de ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, werd gezegd voor recht dat de betekening van deze dwangbevelen aan appellant op 20 juli 1990 de verjaring v:an de vordering van geïntimeerde geldig heeft gestuit en dat deze vordering derhalve niet door verjaring is uitgedoofd, en waarbij de zaak voor het overige naar de bijzondere rol werd verzonden;

Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 26 februari 1992;

Gelet op de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 18 september 1995;

Overwegende dat het doel en de grondslag van het verzet van appellant zowel in feite als in rechte blijken uit de inleidende akte van verzet dd. 17 augustus 1990, het tussenvonnis dd.20 juni 1991 en het beroepen vonnis; dat het Hof hiernaar verwijst;

Dat appellant eist dat zou gezegd worden voor recht dat de vorderingen van geïntimeerde. opgenomen in de betwiste dwangbevelen, uitgedoofd zijn door verjaring, minstens dat deze dwangbevelen van nul en generlei waarde zouden verklaard worden en dat hij zou worden ontslagen van de betaling van de gevorderde BTW, administratieve boeten en intresten;

Dat geïntimeerde concludeert tot de bevestiging van het vonnis a quo; Dat partijen vooreerst uitspraak vragen over de kwestie van de verjaring alvorens verder over de grond zal worden geoordeeld;

Overwegende dat appellant het beroepen vonnis aanvecht met betrekking tot de beslissing dat de vordering van geïntimeerde tot de betaling van de betwiste BTW-schuld niet verjaard is; dat geïntimeerde daarentegen het oordeel van de eerste rechter bijtreedt;

Overwegende dat de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten luidens art. 81, 1ste lid W.BTW verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan;

Dat de BTW-vordering in kwestie ontstaan is op 20 juli 1985, zijnde de dag waarop de termijn voor het indienen van de BTW-aangifte verstreek en waarop de verschuldigd geworden BTW moest zijn voldaan;

Dat geïntimeerde de dwangbevelen van 3 mei 1990 aan appellant liet betekenen, bij gerechtsdeurwaardersexploot op 20 juli 1990 om 10u40;

Dat appellant aanvoert dat de verjaringstermijn moet worden gerekend van de dag waarop de vordering is ontstaan zodat, volgens hem, de verjaring bereikt was op 20 juli 1990 en de voormelde betekening geen nuttige stuiting was; dat geïntimeerde laat gelden dat de dag, waarop de verjaringstermijn een aanvang nam niet mag worden meegerekend en dat de verjaring slechts zou verworven zijn bij het verstrijken van de laatste dag van de verjaringstermijn; dat de verjaring door de voormelde betekening alsdan, volgens geïntimeerde, nuttig werd gestuit;

Dat de bewoordingen van art. 81, 1ste lid, W.BTW, meer bepaald : “… te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan.” geen van het gemeen recht afwijkende regeling inhoudt; dat de dag, waarop de verbintenis is aangegaan of zoals te dezen, de vordering is ontstaan, niet in de verjaringstermijn begrepen is; dat de verjaring intreedt wanneer de laatste dag van de vereiste tijd verlopen is (art. 2261 BW); dat de verjaring te dezen verworven kon zijn op 20 juli 1990, meer bepaald bij het verlopen van deze dag, zodat de betekening gedaan in de loop van deze dag, te weten om 10u40, nog een nuttige daad van stuiting was;

Dat het ongerijmde van het standpunt van appellant overigens blijkt uit de vaststelling dat de verjaring van de vordering van geïntimeerde reeds een aanvang zou genomen hebben alvorens deze ontstond; dat appellant immers zijn aangifte- en betalingsplicht nog kon nakomen in de loop van 20 juli 1985 en dit tot het verstrijken van deze dag, terwijl appellant voorhoudt dat de verjaringstermijn reeds begon te lopen bij de aanvang van deze dag.

Dat het hoger beroep ongegrond is;

Overwegende dat appellant eveneens heeft gevorderd de dwangbevelen van nul en generlei waarde te verklaren; dat de eerste rechter deze eis nog niet beoordeelde; dat het geschil zelf door het hog9r beroep 1068, bij het Hof aanhangig is gemaakt; dat partijen de zaak verder in staat van wijzen dienen te stel­ len wat betreft de grond van de betwisting; dat de zaak naar de bijzondere rol ve�zonden wordt;

OM DIE REDENEN

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Bevestigt het beroepen vonnis;

Verzendt de zaak naar de bijzondere rol in afwachting van verdere instaatstelling;

Houdt de beslissing over de gedingkosten aan;

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van :

ZEVENTIEN OKTOBER NEGENTIENHONDERD VIJFENNEGENTIG

waar aanwezig waren :

L. J., Voorzitter;

E. H., Raadsheer;

F. P., Raadsheer;

S. C., Griffier;

S. C. F. P.

E. H. L. J.

De gegevens van een partij die de FOD Financiën leesbaar liet (privéadres) zijn hier door punten vervangen. De tekst is nergens anders gewijzigd.