---
title: "Bewijs, controlemaatregel · Rechtbank van eerste aanleg, 6 september 2004"
description: "Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding. Rechtbank van eerste aanleg (België), 6 september 2004."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-kortrijk-2004-09-06-3568"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Datum**

6 september 2004

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

367 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Kortrijk d.d. 06.09.2004

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER FISCAAL MET EEN RECHTER, RECHTSPREKEND IN BURGERLIJKE ZAKEN.**

Vonnis van **06/09/2004**

In de zaak AR nr. **96/41242/A** - c2z

**M. M.**, wonende te …, …

**eiseres,**

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. **K. G.** loco Mr. **P. D.**, advocaat te …, …, (ref. …).

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**,

vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens kantoren zijn gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op vervolging en benaarstiging van :

1\. de heer ontvanger van de BTW, 1° BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoren zijn gevestigd te 8500 Kortrijk; Berverlaai 14

2\. de heer Hoofdcontroleur van de BTW II, Controle Kortrijk, wiens kantoren zijn gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31

**verweerder,**

vertegenwoordigd door en pleitend Mr. **F. W.**, advocaat te …, …, (ref. 948/G).

## I. Vorderingen en standpunten

**A. M. M.**

**1.** Bij dagvaarding betekend op 2 mei 1989 aan de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk en de hoofdcontroleur van de BTW II Controle te Kortrijk, leidde **M. M.** de zaak in.

Zij vorderde :

\- in hoofdorde :

\- de dagvaarding en het verzet ontvankelijk te verklaren te verklaren en gegrond;

\- te zeggen voorrecht dat de kennisgeving, betekeningen dwangbevel nietig zijn en geen gevolgen mogen kennen;

\- te zeggen voor recht dat deze minstens onwettelijk en ongegrond zijn met hetzelfde gevolg;

\- subsidiairlijk :

\- de boeten nietig te verklaren, minstens kwijt te schelden;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

**2.** Bij conclusie neergelegd ter griffie op 9 juni 1998 breidde **M. M.** haar vordering uit.

Zij vorderde :

\- in hoofdorde:

\- de dagvaarding-verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- te zeggen voor recht dat de kennisgeving, betekening en dwangbevel nietig zijn en geen enkel gevolg mogen kennen;

\- de aanslag (kennisgeving, betekening en dwangbevel incluis) nietig te verklaren, minstens onwettelijk en ongegrond;

\- ondergeschikt :

toepassing te willen maken van artikel 871 en 877 Ger. W. en de voorlegging te bevelen van het volledig fiscaal dossier van **M. M.** en ook van het dossier der NV **B. A.-K.**;

\- subsidiairlijk :

\- de boeten nietig te verklaren, minstens kwijt te schelden;

\- dientengevolge te zeggen voor recht dat **M. M.** niets hoeft te betalen, terwijl de Administratie alle betaalde of aangezuiverde sommen moet terugbetalen, verhoogd met de moratoire rente à 9 %;

\- de Administratie te veroordelen tot de kosten.

**3.** Bij conclusie neergelegd ter griffie op 10 juni 2003 handhaafde **M. M.** haar vordering.

**4.** Bij conclusie neergelegd ter griffie op 19 februari 2004 handhaafde **M. M.** haar vordering.

**B.** De Belgische Staat.

1\. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 13 januari 1997 nam de Belgische Staat een standpunt in ten opzichte van de vordering.

De Belgische Staat vroeg

\- het verzet van **M. M.** ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

\- **M. M.** te veroordelen tot de kosten van het geding.

**2.** Bij conclusie neergelegd ter griffie op 6 december 2000 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

**3.** Bij conclusie neergelegd ter griffie op 8 september 2003 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

**4.** Bij conclusie neergelegd op de zitting van 1 maart 2004 handhaafde de Belgische Staat zijn standpunt ten opzichte van de vordering.

## II. Feitelijke gegevens

**1.** **M. M.** baatte het café **O.** te … uit.

Als herbergierster was zij BTW-belastingplichtige.

Zij was onderworpen aan de forfaitaire regeling voor caféhouders bedoeld bij [artikel 56, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56).

**2.** Ambtenaren van de BTW voerden een controle van de boekhouding van de NV **B. A.-K.** uit.

**3.** Uit de boekhouding van deze vennootschap bleek dat **M. M.** een regelmatige afneemster van deze brouwerij was.

**4.** Op 30 mei 1986 maakten de ambtenaren een proces-verbaal van de controle bij de NV **B. A.-K.** en de navolgende verrichtingen op.

**5.** Dit Proces-Verbaal vermeldt onder meer :

> "Als bijlage bij onderhavig proces-verbaal zijn fotocopies van de leveringsbonnen gehecht die werden aangetroffen met als vermelding van plaats van levering : café **O.** te ….
>
> Als medecontractant is op de leveringsbonnen vermeld :
>
> ofwel **M. M.**, … te …
>
> ofwel café **O.**, … te …
>
> ofwel **M.**, … te …
>
> ofwel **M. M.**, … te …
>
> ofwel **M. E.**, … te ….
>
> Als bijlage bij onderhavig proces-verbaal zijn eveneens, ten titel van voorbeeld, fotocopies van twee facturen gehecht die betrekking hebben op voormelde leveringsbonnen.".

**6.** Op 11 juni 1987 startten ambtenaren van de BTW een controle van de boekhouding van **M. M.**.

**7.** Op 23 januari 1989 maakten zij een proces-verbaal van deze controle en de navolgende verrichtingen op.

**8**. Dit proces-verbaal vermeldt onder meer :

> "Uit voormelde vaststellingen blijkt overduidelijk dat de leveringsbons, zogezegd ten name van een particulier, gehecht aan voormeld proces-verbaal van 30 mei 1986, wel degelijk betrekking hebben op mevrouw **M. M.**.
>
> Gelet op de verpakking van sommige goederen (bier in vaten), de hoeveelheden en in het bijzonder de correlatie die werd aangetoond tussen deze leveringsbons, zogezegd ten name van een particulier, en de Ieveringsbons die werden voorgelegd door mevrouw **M. M.**, kan van aankopen voor privédoeleinden geen sprake zijnen is het duidelijk dat de bedoelde aankopen bestemd waren voor haar zelfstandige activiteit van café-uitbaatster. De leveringsbons, zogezegd ten name van een particulier, werden daarentegen aangewend in het kader van een fraudesysteem die het de afnemer mogelijk maakte om een deel van zijn aankopen voor beroepsdoeleinden buiten zijn boekhouding te houden.
>
> Vermits deze aankopen, zogezegd ten name van een particulier, niet werden aangetekend in haar boek voor inkomende facturen noch opgenomen werden in het stuk dat bij haar periodieke BTW-aangiften was gevoegd en waarin haar omzet werd berekend volgens de forfaitaire grondslagen van aanslag voor caféhouders, werd de overeenstemmende omzet niet aangegeven, noch de verschuldigde BTW afgedragen aan de Schatkist.
>
> Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat mevrouw **M. M.** verschuldigd is aan de Belgische Staat, Administratie van de BTW, registratie en domeinen :
>
> 1) de som van ... 134.314 BEF, \[thans 3.329,56 euro\] als belasting over de toegevoegde waarde;
>
> 2) een geldboete gelijk aan het dubbel van de ontdoken belasting op grond van [artikel 70, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70). Die geldboete wordt verminderd tot ... 67.000BEF \[thans 1.660,89 euro\].
>
> Ingevolge de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 wordt deze verminderde boete met 50 % verhoogd bij betekening of notificatie van een dwangbevel;
>
> 3) de interesten bedoeld in en te berekenen volgens [artikel 91, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)."

**9.** Op 8 februari 1989 vaardigde de waarnemend Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk 1 ste kantoor een dwangbevel uit.

**10.** Dit dwangbevel vermeldt onder meer :

> "Om deze redenen
>
> is er verschuldigd aan de Belgische Staat, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de ondergetekende ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te 8500 Kortrijk ... door **M. M**. ... :
>
> als belasting over de toegevoegde waarde ... 134.314 F \[thans 3.329,56 euro\]
>
> als geldboete krachtens artike170, § 1 van het BTW-Wetboek : ... 100.500 F \[thans 2.491,33 euro\]
>
> samen ... 234.814 F \[thans 5.820,89 euro\].
>
> Tot betaling van welke bedragen vermeerderd met :
>
> 1° de interest van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1987
>
> 2° de moratoire interest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de kennisgeving van dit dwangbevel, ingevolge [artikel 91, § 4 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91),
>
> 3° de vervolgingskosten ...".

**11.** Op 15 februari 1989 viseerde en verklaarde de gedelegeerde Inspecteur te Brugge, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de BTW-administratie te Brugge, dit dwangbevel uitvoerbaar.

**12.** Op 21 maart 1989 werd dit dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend aan **M. M.**.

## III. Argumentatie van de partijen

**A.** **M. M.**.

**1.** De argumentatie van **M. M.** ontwikkeld in de dagvaarding, kan weergegeven worden als volgt :

## I. Wat betreft het dwangbevel, de kennisgeving en de betekening ervan

Het ter kennis gegeven dwangbevel wordt voor eensluidend verklaard door de Ontvanger.

Hij is niet bevoegd om dat te doen, voor zover het gaat om de uitvoerbaarverklaring ervan.

Het betekend dwangbevel is niet voor eensluidend verklaard.

Het staat niet vast dat het ter kennis gegeven of betekend stuk werkelijk overeenkomt met het origineel van het dwangbevel.

Dit brengt de nietigheid van betekening en kennisgeving mee en zodoende wordt de verjaring, niet gestuit voor het jaar 1984.

De uitvoerbaarheidsformule werd niet ingevuld. Twee uitvoerbaarheidsformules in één authentieke akte inlassen en de ene invullen en de andere niet, neemt de bewijskracht van de authentieke akte weg.

Dwangbevel en betekening en kennisgeving zijn dus ook nietig.

De uitvoerbaarheidsformule zou zijn ondertekend door de gedelegeerde inspecteur. Dit wordt betwist. Een dergelijke delegatie kan voor een authentieke akte ook niet worden gegeven door een niet-gepubliceerde delegatie of niet-authentieke akte. Opnieuw brengt dit nietigheid mee.

Uitvoering is dan ook uitgesloten.

## II Wat betreft de schending van [artikel 84 Wetboek BTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84)

De aanslag is een administratieve rechtshandeling die moet zijn voorafgegaan door "het horen" van de belastingplichtige ("hoorplicht") en daaraan correspondeert "de motivering" die toelaat dat de belastingplichtige zich verdedigt.

Nu blijkt uit de hoger in de dagvaarding weergegeven feiten dat **M. M.** zich niet naar behoren heeft kunnen verdedigen.

[Artikel 84 Wetboek BTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) is een bijzondere uitdrukking van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging, net zoals, artikel 251 WIB. Dit artikel werd dan ook geschonden met de nietigheid van de onderhavige aanslag (dwangbevel) tot gevolg.

## III. Wat betreft het zogenaamd tekort aan omzet

Er wordt een beroep gedaan op gegevens van een boekhouding van derden die als juist wordt voorgesteld door de Administratie.

Niet alleen heeft **M. M.** geen controle over die boekhouding en kan ze niet nagaan of de beweringen der Administratie juist zijn of niet door andere gegevens van diezelfde boekhouding worden tegengesproken, maar ze wil niet belast worden op een boekhouding die blijkbaar onjuist is en de belastingontduiking van de NV **B. A.-K.** impliceert. Zij wijst die gegevens af als volkomen onjuist en onbetrouwbaar. Overigens zijn de gevoerde redeneringen niet gegrond en logisch onjuist. Er werd onder meer gesteund op het leeggoed ...

Frappant is ook dat de bons door de Administratie voorgelegd, werden "gearceerd”…

Trouwens, hoe kan de Administratie op grond van dezelfde gegevens tot drie verschillende cijfers en voorstellen komen ?

Er werd op willekeurige wijze getaxeerd.

Het PV heeft maar bewijskracht voor de vaststelling "propriis sensibus" door de verbalisanten verricht en niet voor de afleidingen of interpretaties.

De Administratie heeft ook nooit gesteld dat onze boekhouding onjuist zou zijn of geen bewijskracht zou hebben. Ze geldt dus nog steeds als bewijs.

## IV. Wat betreft de kosten \[bedoeld wordt wellicht : boeten\]

Deze worden betwist.

Ze moeten uitgesproken worden door de rechter, omdat ze een strafkarakter hebben (artikel 6.1 E.V.R.M.).

Ze zijn ook nietig, omdat de vaststelling der boeten niet werd gemotiveerd zoals door artikel 109 Wet 4.8.1986 werd voorgeschreven.

Tenslotte, de boete verhogen omdat de belastingplichtige voor de rechter gaat, is een schending van het algemeen rechtsprincipe dat verbiedt dat de rechtstoegang zou worden belemmerd en zijn bijzondere uitdrukking vindt in artikel 1023 Ger. W .

## V. Verjaring

Deze is verworven, minstens gedeeltelijk en werd niet gestuit.

**2.** De argumentatie van **M. M.** ontwikkeld in haar conclusie neergelegd ter griffie op 9 juni 1998, kan samengevat worden als volgt :

I. Wat betreft de nietigheid van kennisgeving van dwangbevel en van de betekening van dwangbevel en van het dwangbevel zelf, samen met de mede betekende en/of mede ter kennis gegeven Processen-Verbaal d.d. 23.1.1989 en 30 mei 1986.

De grondvoorwaarden der authenticiteit kunnen geëxpliciteerd als volgt :

\- een handtekening van een daartoe door de wet uitdrukkelijk bevoegd verklaard persoon, die door zijn handtekening laat weten dat hij inderdaad wettelijk bevoegd is of minstens toelaat ditte controleren en meteen de ondertekende inhoud tot de zijne maakt en zodoende het bestaan, de echtheid en de juistheid ervan bewijst;

\- vormvereisten ten einde te verzekeren dat de bijvoegingen, schrappingen en wijzigingen wel degelijk afkomstig zijn van de ondertekenaar zelf en niet door onbevoegden werden aangebracht.

De eerste voorwaarde kan dan nog worden geëxpliciteerd als volgt :

\- de handtekening moet uitgaan van een "daartoe" door de wet bevoegd verklaard persoon die binnen zijn bevoegdheid moet handelen.

\- de Wet moet dus die persoon aanduiden en bevoegdheid verlenen.

A. Het ter kennis gegeven en betekend afschrift van dwangbevel en van de erin geïntegreerde processen-verbaal d.d. 23.1.89 en d.d. 30 mei 1986 zijn eensluidend verklaard door de BTW-Ontvanger **J. C.** te Kortrijk die daartoe wettelijk geen bevoegdheid heeft gekregen, zodat de inhoud van het dwangbevel en bedoelde processen-verbaal zelf niet is gekend en er aldus voor **M. M.** geen dwangbevel met processen-verbaal bestaat.

1) Wat betreft het dwangbevel

a) Voor zover eensluidend verklaard door de BTW-Ontvanger.

Voor zover het dwangbevel zogenaamd ter kennis werd gegeven, is de kennisgeving nietig en het dwangbevel niet gekend en in die zin nietig, omdat de BTW-Ontvanger **J. C.** die voor eensluidend heeft verklaard, daartoe wette/ijk niet bevoegd en niet bekwaam was; …

b) Wat betreft het zgn. betekend dwangbevel.

De conclusie is en blijft dat het betekend dwangbevel niet voor gelijkluidend is verklaard door de gerechtsdeurwaarder, zodat het dwangbevel voor **M. M.** niet bestaat of nietig is.

Dit heeft.de onmogelijkheid tot invorderen tot gevolg bij ontstentenis van uitvoerbare titel en sluit de stuiting der verjaring van de invordering uit.

2) De mede ter kennis gegeven en mede betekende processen-verbaal d.d. 23.1.89 en 30.5.1986 zijn onbestaande en nietig, omdat ze werden voor gelijkluidend verklaard door de BTW-Ontvanger die daartoe wettelijk niet bevoegd en bekwaam is verklaard en voor zover het mede betekend PV d.d. 23.1.89 voor eensluidend zou zijn verklaard door de gerechtsdeurwaarder, is het eveneens nietig, omdat het werd vergeleken niet met het origineel, maar met het zgn. door de BTW-Ontvanger voor gelijkluidend verklaard afschrift ervan dat nietig is.

a) Wat betreft de ter kennis gegeven PV's

Het afschrift van de PV's moet, net zoals het afschrift van het dwangbevel, voor eensluidend worden verklaard.

Dit is effectievelijk ook gebeurd voor de ter kennis gegeven PV's en wel op alle bladzijden van die PV's, doordat de BTW-Ontvanger op iedere bladzijde onder de formule "Voor echt verklaard afschrift. De Ontvanger" zijn handtekening heeft aangebracht.

Het blijkt evenwel dat de BTW-Ontvanger daartoe niet wettelijk bevoegd en bekwaam werd verklaard, zodat die handtekening en meteen de voorgelijkluidend verklaring als onbestaande en nietig moet worden beschouwd en meteen voor **M. M.** het bestaan en de inhoud van het dwangbevel niet vaststaan.

b) Wat betreft de medebetekende PV's.

Uit het voor gelijkluidend verklaard afschrift van PV opgemaakt door de instrumenterende gerechtsdeurwaarder zelf blijkt nu dat hij niet heeft vergeleken met het origineel, maar met een afschrift opgemaakt door de BTW-Ontvanger en door deze laatste voor gelijkluidend verklaard.

Er is geen authentieke zekerheid dat dit laatste afschrift overeenkomt met het origineel, omdat de BTW-Ontvanger daartoe wettelijk niet bevoegd en bekwaam was verklaard, zodat het evenmin vaststaat dat het afschrift van de gerechtsdeurwaarder overeenkomt met het origineel.

De conclusie is en blijft dat die betekende PV's voor **M. M.** niet bestaan en evenmin hun inhoud is gekend.

B. Het bewijsaspect van de authenticiteit impliceert dat de delegatie van de bevoegdheid van de Directeur om de uitvoerbare akte authentieke bewijskracht te verlenen door visum en ondertekende uitvoerbaarverklaring op authentieke wijze wordt bewezen, anders is het authentiek karakter van het dwangbevel niet verzekerd.

Het dwangbevel is niet ondertekend door de persoon die wettelijk bevoegd werd gemaakt om het uitgevaardigd dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

Zodoende bestaat er geen uitvoerbare titel ... en zijn uitvoering en stuiting van de verjaring uitgesloten.

II. Schending van artikel 84 W.BTW dat een particuliere uitdrukking is van het algemeen rechtsbeginsel van de rechten van verdediging of/en van het a.b.b.b. van de "hoor- en motiveringsplicht".

Kennelijk is de onderhavige aanslag (dwangbevel incluis) nietig, omwille van de schending van het genoemd a.b.b.b.

…

Conclusie : nietigheid van aanslag en dwangbevel, wat executie uitsluit.

III. Ten gronde

A. De Besluiten of het Besluit dat de Opsporings- en Documentatiediensten van de BTW (te Hasselt) opricht en/of organiseren of organiseert, werd niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, zodat het onderzoek en bepaald het PV : **C. R.** d.d. 30.5.1986 niet tegen **M. M.** kan worden aangevoerd, wat het PV d.d. 23.1.1989 alle grond ontneemt.

Het gevolg van de ontstentenis van bewijs van publicatie in het BS van de Besluiten of Wetten die bovengenoemde kwesties regelen, is de nietigheid van bedoelde Dienst met het gevolg dat al wat de Hoofdcontroleur **C. R.** of zijn ondergeschikte hebben gedaan of verricht, nietig is en niet tegen **M. M.** kan worden aangevoerd.

Dit voert tot de nietigheid van onderhavige aanslag (dwangbevel en kennisgeving en betekening incluis).

B. De argumentatie der Administratie (dit een redenering door vermoedens zijnde) vertoont structurele fouten die haar alle bewijskracht en zelfs bewijswaarde ontnemen.

1) Wat betreft het PV **C. R.** d.d. 30.5.86.

a) Kennelijk gaat het om een opeenstapeling van vermoedens, wat juridisch-logisch als een nietige bewijsvoering door rechtspraak en rechtsleer wordt afgewezen.

b) Iedere redenering door vermoedens op zich zelf voldoet niet aan de essentiële voorwaarden van een redenering door vermoedens, zoals geëist door artikel 1349 B.W.

2) Wat betreft het PV d.d. 23.1.1989.

a) Dit PV d.d. 23.1.89 steunt kennelijk op de argumentatie en het PV d.d. 30.5.86.

Indien de grondslag waardeloos is en bewijskracht en bewijswaarde mist, dan is ook de bovenbouw (PV d.d. 23.1.89) waardeloos.

b) Het PV d.d. 23.1.89 meent een correlatie te hebben ontdekt tussen de regelmatige en de zwarte leveringen en maakt een tabel daarvan op.

Eigenaardig genoeg is die correlatie niet meer te vinden na 13.7.84 (12.11.84 uitgezonderd).

De vraag is in hoeverre het PV moet worden geloofd.

…

De conclusie is opnieuw dat de bewijsvoering der Administratie te kort schiet.

C. De Administratie doet een beroep op artikel 1353 B.W. : gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens of m.a.w. ernstig, nauwkeurig en met elkaar overeenstemmend.

De aangevoerde vermoedens zijn maar "overeenstemmend" omdat de Administratie het te bewijzen feit (zwarte aankopen) vóór-onderstelt, wat neerkomt op een zuivere "petitio principii".

D. Niet-voorleggen van het volledig dossier van **M. M.** en van het volledig dossier van de NV **B. A.-K.**.

Het is duidelijk dat de taxatie steunt op het dossier N.V. **B. A.-K.**, waarvan **M. M.** slechts een echo kon opvangen langs een PV **C. R.**, dat dan nog een subjectieve versie geeft van de verklaringen van de verantwoordelijke die niet nader wordt geïdentificeerd.

Dit kan niet en maakt schending van het algemeen rechtsprincipe van de rechten van verdediging uit.

Het volledig dossier dient voorgelegd; de Administratie draagt de bewijslast.

E. Willekeurigheid van de aanslag die blijkt uit het feit dat voor dezelfde omzet en hetzelfde jaar en dezelfde belastingplichtige drie verschillende voorstellen werden gedaan door de Administratie.

## IV. Wat betreft de boeten

A. Ontstentenis van motivering

De wettelijke boete ten bedrage van 268.628 F \[thans 6.659,11 euro\] werd in het betekend PV verminderd tot 67.000 F \[thans 1.660,89 euro\], maar in het betekend dwangbevel en exploot van gerechtsdeurwaarder weer verhoogd tot 100.500 F \[thans 2.491,33 euro\] omwille van het feit dat de zaak voor de Rechtsmacht werd gebracht.

Voor die 67.000 F \[thans 1.660,89 euro\] wordt geen enkele motivering gegeven. In het bedoeld PV wordt de verhoging van 50 % verantwoord door een algemene verwijzing naar het KB nr. 41, maar van de boete zelf is geen sprake.

Om tot éen motivering te komen, had de Administratie nauwkeurig moeten verwijzen naar een bepaald artikel of nummer of passus in dit KB nr. 41. Dan ware een discussie mogelijk geweest en had **M. M.** zich kunnen verdedigen.

Conclusie : nietigheid der boeten. Wanneer de 67.000 F \[thans 1.660,89 euro\] niet is verantwoord, kan ook de verhoging niet overeind blijven.

Schending van het a.b.b.b. van de hoor-en motiveringsplicht en van artikel 109 W. 4.8.1986.

B. De onderhavige boeten hebben een strafkarakter en moeten door de Rechtsmacht worden beoordeeld. Schending van artikel 6.1. E.V.R.M.

**3**. De argumentatie van **M. M.** ontwikkeld in haar conclusie neergelegd ter griffie op 10 juni 2003, kan samengevat worden als volgt :

De taxatie steunt op processen-verbaal van ambtenaren van de belastingadministratie die ook bepaalde 'derden' hebben ondervraagd, namelijk personen van de NV **B. A.-K.**. Deze gegevens worden in casu gebruikt als bewijs. Inhoudelijk gaat het echter om een getuigenverhoor en niet om het verzamelen van inlichtingen.

In casu werden de voorwaarden tot geldigheid zoals bepaald in de artikels 325 en 326 WIB niet vervuld, hetgeen de nietigheid van het getuigenverhoor tot gevolg heeft.

**4.** De argumentatie van **M. M.** ontwikkeld in haar conclusie neergelegd ter griffie op 19 februari 2004, kan samengevat worden als volgt :

De boete opgenomen in het dwangbevel van 8 februari 1989 bedraagt 100.500 BEF \[thans 2.491,33 euro\].

Deze boete bestaat uit twee 'componenten'.

Vooreerst is er een boete van 67.000 BEF \[thans 1.660,89 euro\], verschuldigd volgens [artikel 70, § 1 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70).

Deze boete werd verhoogd met 50 % - dus 33.500 BEF \[thans 830,44 euro\] - omdat moest overgegaan worden tot het uitvaardigen van een dwangbevel ([artikel 2 KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) van 30.01.1987).

A. Omtrent de boete van 67.000 BEF \[thans 1.660,89 euro\] wordt gesteld dat deze niet gemotiveerd is.

In het dwangbevel ... werd gesteld dat de boete, die verschuldigd is krachtens [artikel 70, § 1 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), verminderd werd overeenkomstig [artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987.

Dit [artikel 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) verwijst voor de verminderde boete, die bepaald is bij [artikel 70, § 1 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), naar een tabel A waar voor allerlei soorten overtredingen een verminderde boete is bepaald. Het is ... niet in te zien onder welke rubriek de huidige vermindering tot 67.000 BEF \[thans 1.660,89 euro\] (= 50 % van de BTW-rechten die 134.314 BEF \[thans 3.329,56 euro\] bedragen) zou kunnen ressorteren, laat staan dat dit zou vermeld zijn .als motivering (cfr. Hof van beroep Gent, 20 maart 1996, FJF 96/214).

De boete is derhalve onwettig wegens het ontbreken van een motivering.

B. Omtrent de verhoging met 50 %

Vooreerst is het duidelijk dat de verhoging met 50 % van de belastingverhoging onwettig is als de 'basisboete' onwettig is wegens gebrek aan motivering.

Bovendien is het - in subsidiaire orde - zo dat deze verhoging met 50 % indien een dwangbevel moet uitgevaardigd worden, op zichzelf onwettig is, daar ze een ontoelaatbare hinder vormt voor de belastingplichtige om de vordering van de BTW-administratie te betwisten voorde rechtbank (Zie daaromtrent : L. Vandenberghe, 'Verhoging van de boete in geval van dwangbevel : motivering vereist', AFT, nr. 37 van 24 oktober 2002, blz. 37/1 tot 37/3).

Daarover lijkt in de huidige stand van. rechtspraak en rechtsleer geen betwisting meer te zijn.

**B.** De Belgische Staat.

**1.** De argumentatie van de Belgische Staat ontwikkeld in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 13 januari 1997, kan samengevat worden als volgt :

1\. Commentaar van de Belgische Staat op het feitenrelaas van **M. M.**.

2\. Aangaande het dwangbevel, de kennisgeving en de betekening ervan.

a) voor eensluidend verklaarde afschriften.

De BTW-Ontvanger is bevoegd, om het dwangbevel authenticiteit te verlenen en derhalve ook een afschrift ervan voor eensluidend te verklaren.

b) aangaande de uitvoerbaarheidsclausule.

Overeenkomstig [artikel 85, § 1, eerste lid BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) wordt het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar.

…

Geen enkele tekst bepaalt een nietigheid in verband met het niet schrappen van een formule van uitvoerbaarverklaring.

c) aangaande de delegatie tot uitvoerbaarverklaring.

Geen enkele bepaling van het W.BTW regelt de delegatie, noch de vormvoorwaarden van het dwangbevelen zijn afschriften.

In casu werd op 2 mei 1988 machtiging verleend door de Gewestelijke Directeur aan de heer Inspecteur **G. T.** om alle dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

3\. Vermeende schending van artikel 84 W.BTW.

Artikel 84 W.BTW legt geen enkele verplichting op aan de Belgische Staat.

De rechten van verdediging van **M. M.** zijn gevrijwaard door de mogelijkheid waarover zij wettelijk beschikt om zich te verzetten tegen de uitvoering van het dwangbevel.

**4.** Bewijs van meeromzet.

a) Onder de bewijsmiddelen waarover de Administratie beschikt om de verschuldigdheid van de BTW aan te tonen, doet de Belgische Staat een beroep op de toepassing van artikel 59, § 1 W.BTW.

Ingevolge de bepaling van dit artikel 59, § 1 kunnen overtredingen van de bepaling van het Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de Administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën.

b) De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. De elementen van het proces-verbaal waaraan deze wettelijke bewijswaarde verbonden is (alle materiële feitelijke vaststellingen), moeten dan ook door de rechters als waarachtig worden beschouwd.

c) De Belgische Staat verwijst voor de vaststellingen van de verbalisant naar zijn proces-verbaal van 23 januari 1989.

De verbalisant doet verder een beroep op een aangehecht proces-verbaal opgesteld door de Opsporings- en Documentatiediensten van de BTW te Hasselt waarin vastgesteld wordt op welke wijze de NV **B. A.-K.** dranken leverde aan haar klanten, hoe er afgerekend werd en wat er precies geleverd werd aan **M. M.** in het bijzonder ...

d) Ingevolge de bepaling van artikel 59, § 1 is het de Belgische Staat toegelaten met behulp van vermoedens de verschuldigdheid van de BTW ingevolge meeromzet aan te tonen.

Krachtens artikel 1350 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit.

Naast wettelijke vermoedens mag de Belgische Staat ook een beroep doen op feitelijke vermoedens, d.i. vermoedens die niet bij welzijn ingesteld en die enkel door de rechter aanvaard worden als zij gewichtig, bepaald en met elkaar overeenstemmend zijn.

Er is een ernstig vermoeden van afname in het "zwart";'

De Belgische Staat wijst nog op recente rechtspraak luidens dewelke het wel mogelijk is om mede op basis van door een leverancier opgemaakte stukken aan te tonen dat de afnemer effectief leveringen heeft ontvangen en betaald. Er moet evenwel een geheel van gegevens voorhanden zijn die samen in dezelfde richting wijzen. In casu is hieraan zeker voldaan.

**5.** Aangaande de boeten

Volgens constante rechtspraak met betrekking tot de fiscale boeten bestaat de enige taak van de rechter erin zich te vergewissen of ze wettelijk verschuldigd zijn en juist werden bepaald.

**6.** De verjaring

Het opgestelde proces-verbaal bestrijkt de belastbare handelingen gedurende de periode van 1 januari 1984 tot 31 december 1984. Krachtens [artikel 81, eerste lid BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en van de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar. De verjaringstermijn begint te lopen op de dag waarop de vordering is ontstaan.

De vordering ontstond, gelet op de gecontroleerde periode vanaf 1 januari 1984, in casu op 20 april 1984 (aangifte eerste kwartaal 1983 \[bedoeld wordt wellicht : 1984\], in te dienen uiterlijk op 20 apriI1984). De hogergenoemde vordering, waarvan de verjaring ondertussen werd gestuit door de kennisgeving van het dwangbevel op 21 maart 1989, verjaarde dus ten vroegste op 20 april 1989.

Hiermee wordt aangetoond dat de verjaring nog niet was ingetreden, doch rechtsgeldig werd gestuit door de betekening van het dwangbevel.

**2.** De argumentatie van de Belgische Staat ontwikkeld in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 6 december 2000, kan samengevat worden als volgt :

I. Aangaande de door **M. M.** opgeworpen nietigheid van het dwangbevelen de processen-verbaal wegens miskenning van authenticiteitsvormvereisten.

A. De totstandkoming van het dwangbevel wordt geregeld door artikel 85 W.BTW :

a) het wordt uitgevaardigd door de met invordering belaste ambtenaar (d.i. de BTW-Ontvanger) bij gebrek aan voldoening van de BTW, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren.

b) het wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de BTW of door de \[door\] hem aangewezen ambtenaar ... Andere specifieke vormvoorschriften worden door de BTW-Wetgeving niet gesteld ...

Het dwangbevel is regelmatig, wanneer het door zijn inhoud of door het proces-verbaal waarnaar het verwijst het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingplichtige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen.

B. De kennisgeving en de betekening van het dwangbevel word\[en\] geregeld respectievelijk door artikel 85, § 1 W.BTW en artikel 85, § 3 W.BTW.

a) De kennisgeving van het dwangbevel gebeurde bij een ter post aangetekende brief op 20 februari 1989.

**M. M.** moet zelf toegeven dat de wetgever niet heeft geregeld, alleszins niet expliciet heeft aangeduid wie er nu bevoegd is om het afschrift van het dwangbevel ter kennis te brengen aan de belastingplichtige.

Het is vrij voor de hand liggend dat het iemand van de BTW administratie moet zijn die nauw betrokken is bij het uitvaardigen en viseren en uitvoerbaar verklaren van het dwangbevel dus de ontvanger en de gewestelijke directeur of de door hem aangewezen ambtenaar.

Zeker nu de wetgever terzake niets bepaald heeft, kan de stelling van **M. M.** niet gevolgd worden dat "de BTW-ontvanger wettelijk onbevoegd is" om het dwangbevel voor eensluidend te verklaren.

b) Het dwangbevel werd tevens betekend bij toepassing van artikel 85, § 3 door gerechtsdeurwaarder **J. V. N.-S.**.

De formule van eensluidend verklaring die werd aangebracht en ondertekend door de gerechtsdeurwaarder ... biedt de waarborg dat de originelen van dwangbevel en processen-verbaal de handtekeningen dragen van de betrokken ambtenaren zonder dat de belastingplichtige verplicht wordt daarvoor elders opzoekingen te doen.

II. Aangaande de voorgehouden nietigheid wegens schending van artikel 84 W.BTW en van het algemeen rechtsprincipe van de rechten van verdediging en vermeende schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De procedure van minnelijke regeling is inzake BTW niet verplicht....

III. Aangaande de vermeende nietigheid van de 0.D.D.

De (re )organisatie van de opsporings- en documentatiedienst is ... bij KB geregeld en is dus geenszins onwettig.

## IV. Aangaande het bewijs door vermoedens

…

## V. Subsidiair : aangaande het PV van 23 januari 1989

Algemeen geldt ... dat een proces-verbaal bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen.

## VI. Aangaande de vraag tot voorlegging van het fiscale dossier en het strafdossier

In casu stelt **M. M.** dat haar rechten van verdediging zijn geschonden ingevolge de niet-voorlegging van het administratieve dossier m.b.t.. haarzelf en van het (straf)dossier van de NV **B. A.-K.**.

Deze stellingname wordt ontkracht door de algemene rechtspraak.

a) M.b.t. voorlegging administratief dossier.

b) M.b.t. voorlegging strafdossier.

**3.** De argumentatie van de Belgische Staat ontwikkeld in zijn conclusie neergelegd ter griffie op 8 september 2003, kan samengevat worden als volgt :

**M. M.** doet omtrent het zogenaamd aangewende 'getuigenverhoor' een hele theorie uiteen die volgens de Belgische Staat op niets berust en volstrekt niet ter zake is.

De Belgische Staat heeft in geen enkele administratieve fase getuigen verhoord.

**4.** De argumentatie van de. Belgische Staat ontwikkeld in zijn conclusie neergelegd op de zitting van 1 maart 2004, kan samengevat worden als volgt :

1\. Algemene aard van een fiscale administratieve geldboete

De verplichting tot betaling van een fiscale administratieve geldboete vindt haar oorsprong in de wet en is verbonden aan het materieel feit van de overtreding ...

De administratieve geldboeten bepaald bij artikel 70 W.BTW zijn krachtens de uitdrukkelijke wil van de wetgever geen strafsancties (de strafrechtelijke sancties op BTW-overtredingen zijn bepaald in de artikelen 73 e.v. W.BTW); de bedoelde administratieve geldboeten strekken er in hoofdzaak toe dankzij een gepaste vergoeding de rechten van de schatkist te vrijwaren ...

2\. In casu : toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW.

De overtreding die in casu het opleggen van een administratieve boete \[ver\]rechtvaardigde, was het niet aangeven door **M. M.** van een belangrijk deel van haar gerealiseerde omzet.

De verschuldigde BTW op deze niet-aangegeven omzet bedraagt 134.314 BEF (thans 3.329,56 euro).

Bij toepassing van artikel 70, § 1 werd **M. M.** een administratieve boete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Gezien het in casu handelt om een overtreding begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken, kon **M. M.**in principe geen aanspraak maken op de van rechtswege verminderde geldboetes vastgesteld bij het KB nr. 41 van 30 juni 1987.

Bij toepassing van artikel 84, tweede lid W.BTW werd de verschuldigde geldboete door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge billijkheidshalve gebracht op 50 % van de verschuldigde BTW-rechten, zijnde 67.000 BEF (afgerond op het lager duizendtal), thans 1.660,89 euro.

3\. Aangaande de boeteverhoging ingevolge betekening dwangbevel.

[Artikel 2 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) schrijft voor dat bij betekening of kennisgeving van een dwangbevel de gevorderde geldboete verhoogd wordt met 50 %.

In onderhavig geval bedraagt de boete opgenomen in het dwangbevel van 8 februari 1989, 100.500 BEF of thans 2.491,33 euro.

Het automatisch karakter van deze boeteverhoging wordt in de huidige rechtspraak inderda.ad in vraag gesteld, doch onwettig is ze niet.

De Belgische Staat verwijst naar het arrest van het [Hof van Cassatie van 25 april 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-verplichtingen-vrijwillige-betaling-aangifteplicht-cassatie-brussel-2002-04-25-6de7) (Rechtskundig Weekblad 2003-2004 nr. 25).

## IV. Procedure

Mr. **K. G.** loco Mr. **P. D.** voor de eiseres **M. M.**,

Mr. **F. W.** voor de verweerder de Belgische Staat verschenen in openbare terechtzitting.

De raadslieden zetten de zaak uiteen.

De debatten werden gesloten.

De raadslieden legden elk een dossier neer.

De zaak werd in beraad genomen.

De stukken werden ingezien.

## V. Beoordeling

**A.** Voorafgaande opmerking.

Ingeval de Rechtbank nog maar een fractie van het formalisme van **M. M.** aan de dag zou leggen, zou haar conclusie neergelegd ter griffie op 10 juni 2003 zeker uit de debatten geweerd moeten worden.

**M. M.** beschikte overeenkomstig de beschikking van 7 april 2003 in toepassing van artikel 750, § 2 Ger. W. slechts over een termijn tot en met 7 juni 2003 voor een antwoord op de conclusie van de Belgische Staat neergelegd op 6 december 2000.

Artikel 750, § 2 Ger. W. bepaalt onder meer : "In dat geval wordt door de voorzitter gehandeld overeenkomstig artikel 747, § 2, vierde tot zesde lid. Artikel 747, § 2, zesde lid Ger. W. bepaalt onder meer : "Onverminderd de toepassing van de uitzonderingen bedoeld in artikel 748, §§ 1 en 2, worden de conclusies die zijn overgelegd na het verstrijken van de termijnen bedoeld in het voorgaande lid, ambtshalve \[onderstreping door de Rechtbank\] uit de debatten geweerd.”.

De uitzonderingen bedoeld in artikel 748, §§ 1 en 2 zijn hier niet van toepassing.

**B.** Nietigheid van de kennisgeving van het 'dwangbevel en van de betekening van het dwangbevel en van het dwangbevel zelf en de medebetekende en mede ter kennisgegeven processen-verbaal van 23 januari 1989 en 30 mei 1986 ?

**1.** Nietigheid van het dwangbevel en de processen-verbaal omdat de BTW-ontvanger niet bevoegd was om die stukken eensluidend te verklaren ?

Het dwangbevel en de processen-verbaal zijn niet nietig omdat zij door de BTW-ontvanger voor eensluidend verklaard werden.

Geen enkele rechtsnorm bepaalt dat de BTW-ontvanger niet bevoegd is om die stukken voor eensluidend te verklaren.

Daarenboven bewijst **M. M.** niet dat haar belangen geschaad werden.

**2.** Nietigheid van het dwangbevel omdat er een uitvoerbaarheidsformule niet geschrapt werd ?

Het dwangbevel is niet nietig omdat er een uitvoerbaarheidsformule niet geschrapt werd.

Geen enkele rechtsnorm bepaalt dat een dwangbevel nietig is omdat er een uitvoerbaarheidsformule niet geschrapt werd.

Daarenboven bewijst **M. M.** niet dat haar belangen geschaad werden.

**3.** Nietigheid van het dwangbevel omdat de delegatie van de bevoegdheid van de Directeur om het dwangbevel authentieke bewijskracht te verlenen, niet bewezen is ?

De Inspecteur was ingevolge de delegatie door de Directeur bevoegd om het dwangbevel uitvoerbaar te verklaren.

De wet schrijft geen vorm voorwaarden voor het verlenen van deze delegatie voor.

Daarenboven bewijst **M. M.** niet dat haar belangen geschaad werden.

**C.** Nietigheid van het dwangbevel omwille van schending van [artikel 84 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) ?

De Belgische Staat heeft [artikel 84 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) niet geschonden.

Artikel 84 verplicht de Belgische Staat niet om een minnelijke regeling met de belastingplichtige na te streven.

De rechten van verdediging van **M. M.** zijn gevrijwaard, want zij kan haar argumenten voorleggen aan de rechter.

**D.** Nietigheid van de Opsporings- en Documentatiedienst van de BTW te Hasselt omdat zijn oprichting niet gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad ?

De Opsporings- en Documentatiedienst van de BTW is niet nietig. De organisatie van deze dienst werd bij Koninklijk Besluit geregeld.

Daarenboven bewijst **M. M.** niet dat haar belangen geschaad werden.

**E.** Voorleggen van het volledig dossier van **M. M.** en van het volledig dossier van de NV **B. A.-K.** ?

De administratie moet het volledig dossier van **M. M.** en het volledig dossier van de NV **B. A.-K.** niet voorleggen. De rechten van verdediging van **M. M.** zijn niet geschonden.

**F.** Geldigheid van de ondervragingen van bepaalde personen van de NV **B. A.-K.** ?

De ondervragingen van bepaalde personen van de NV **B. A.-K.** gebeurden geldig.

Die ondervragingen zijn geen getuigenverhoren.

Daarenboven bewijst **M. M.** niet dat haar belangen geschaad werden.

**G.** Verjaring ?

De vordering van de Belgische Staat is niet verjaard. De verjaring werd geldig gestuit.

De Rechtbank onderschrijft de argumentatie van de Belgische Staat.

De processen-verbaal bestrijken de belastbare handelingen gedurende de periode van 1 januari 1984 tot 31 december 1984.

Krachtens [artikel 81, eerste lid BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) verjaart de vordering tot voldoening van de BTW, van de interesten en van de administratieve geldboeten door verloop van vijf jaar.

De verjaringstermijn begint te lopen op de dag waarop de vordering ontstaan is.

De vordering ontstond op het ogenblik dat de aangifte voor het eerste kwartaal van 1984 ingediend moest worden, hetzij op 20 april 1984. De vordering kon dus ten vroegste verjaren op 20 april 1989.

De verjaring werd evenwel gestuit door de kennisgeving van het dwangbevel op 21 maart 1989.

Overigens werkt **M. M.** in haar conclusies het argument van de verjaring niet uit.

**H.** Het bewijs door vermoedens.

Na de behandeling van de zaak op de terechtzittingen en grondig onderzoek van het dossier is de Rechtbank van oordeel dat de stelling van de administratie dat **M. M.** zwarte aankopen verricht heeft, bewezen is.

De door de administratie voorgebrachte argumentatie voldoet aan alle voorwaarden van het bewijs door vermoedens.

**M. M.** slaagt er niet in om de stelling van de administratie te weerleggen.

**I.** De geldboete.

**1.** De geldboete van 100.500 BEF, thans 2.491,33 euro, bestaat uit 2 delen : de (verminderde) boete van 67.000 BEF, thans,1.660,89 euro, en de verhoging ervan met 50 %, hetzij 33.500 BEF, thans 830,44 euro.

**2.** De (verminderde) boete van 67.000 BEF, thans 1.660,89 euro.

De (verminderde) boete van 67.000 BEF, thans 1.660,89 euro, is onwettig, want noch de processen-verbaal, noch het dwangbevel bevatten een motivering van de hoogte van de boete (Gent, 20 maart 1996).

De boete werd niet verminderd in toepassing van [artikel 84, tweede lid van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84).

Het dwangbevel vermeldt dat de boete verminderd werd overeenkomstig [artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987.

Een loutere ,verwijzing naar [artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 volstaat echter niet.

De administratie heeft niet aangegeven op welke tabel, afdeling en onderverdeling van de bijlage bij dit artikel zij zich gebaseerd heeft om de hoogte van de geldboete te bepalen.

De rechten van verdediging van **M. M.** zijn geschonden.

**3.** De verhoging van 33.500 BEF, thans 830,44 euro.

De verhoging van 33.500 BEF, thans 830,44 euro, is eveneens onwettig. De 'basisboete' is immers onwettig.

Overigens heeft de administratie ook niet gemotiveerd waarom zij in het huidig geval de boete verhoogd heeft.

Een loutere verwijzing naar [artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art2) van 30 januari 1987 volstaat niet.

**J.** Besluit.

Het dwangbevel wordt hervormd als volgt :

**M. M.** is verschuldigd .aan de Belgische Staat Administratie van de BTW, registratie en domeinen :

\- BTW : 134.314 BEF, thans 3,329,56 euro;

\- geldboete : vervalt;

\- interest op het bedrag van de BTW van 134.314 BEF, thans 3.329,56 euro: 0,80 % per maand vertraging vanaf 21 januari 1987;

\- moratoire interest op de geldboete : vervalt;

\- vervolgingskosten: pro memorie.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

wijzende op **tegenspraak**,

Hervormt het dwangbevel, uitgevaardigd op 8 februari 1989 door de waarnemend Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Kortrijk 1 ste kantoor, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 15 februari 1989 door de gedelegeerde Inspecteur te Brugge aangewezen door de Gewestelijke Directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge en betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot op 21 maart 1989 aan **M. M.** als volgt :

Zegt dat **M. M.** verschuldigd is aan de Belgische Staat Administratie van de BTW, registratie en domeinen :

\- BTW : 134.314 BEF, thans 3.329,56 euro (drieduizend driehonderd negenentwintig euro zesenvijftig cent);

\- geldboete : vervalt;

\- interest op het bedrag van de BTW van 134.314 BEF, thans 3.329,56 euro (drieduizend driehonderd negenentwintig euro zesenvijftig cent) : 0,80 % per maand vertraging vanaf 21 januari 1987;

\- moratoire interest op de geldboete : vervalt;

\- vervolgingskosten : pro memorie.,

Zegt dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Kortrijk, in openbare terechtzitting, op **zes september tweeduizend en vier**.

Aanwezig :

**C. V.**, alleenzetelend rechter,

**I. D.**, adjunct-griffier.

**I. D.** **C. V.**

## Aangehaalde teksten

8

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 5 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 4 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 4 voorkomens

[KB nr. 41 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 3 voorkomens

[WBTW art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) 2 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 2 voorkomens

[WBTW art. 56](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-56) 1 voorkomen

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2008-11-18-5570) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, bewijs, controlemaatregel, werkingssfeer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-gent-2003-10-14-968f) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 4 gemeenschappelijke bepalingen
