Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 12 november 2009

Zoeken

Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-hasselt-2009-11-12-f2b9

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
12 november 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

103 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 12.11.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE A.R. nr. 08/184/A

NV S., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer ….

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. S. H., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….

EN IN ZAKE A.R. nr. 08/399/A

NV S., met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer ….

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. S. H., advocaat te …, ….

tegen :

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

IN ZAKE AR nr. 08/184/A

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22.01.2008;

- de conclusies, aanvullende conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies en stukken van eiseres.

IN ZAKE AR nr. 08/399/A

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.02.2008;

- de conclusies, aanvullende conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder;

- de conclusies en stukken van eiseres.


I. FEITEN EN VOORGAANDEN

IN ZAKE AR nr. 08/184/A

De NV S. is ingevolge de door haar uitgeoefende beroepsactiviteit van uitbating van een restaurant "van het traditionele type" geregistreerd als BTW-belastingplichtige (BTW-nummer …) en zodoende onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering daarvan genomen besluiten.

Op 10.09.2007 hebben ambtenaren bij de Administratie van de Ondememings- en Inkomstenfiscaliteit, verbonden aan de Inspectie Plaatselijke Opsporingen van Hasselt, zich aangemeld bij eiseres. Zij werden ontvangen door de heer M. B., afgevaardigd bestuurder van eiseres en verzochten hem het afspraken en reservatieboek voor te leggen. De heer M. verklaarde in het bezit te zijn van een reservatieboek maar weigerde het voor te leggen en beriep zich op het recht op privacy. Hiervan werd een proces-verbaal van vaststelling opgesteld op 12.09.2007 (zie stuk 1, bundel verweerder).

Bij brief van 07.11.2007 heeft de e.a. inspecteur a.i. van de BTW-controle te Bree meegedeeld aan eiseres dat de gedane vaststelling een inbreuk van de bepalingen van het BTW-wetboek uitmaakt waarvoor er overeenkomstig art. 70, § 4 W.BTW een geldboete verschuldigd is. Aangezien het om een eerste overtreding betrof werd er evenwel beslist geen geldboete op te leggen (zie stuk 2, bundel verweerder).

Bij brieven van 12.11.2007 en 26.11.2007 verzocht de raadsman van eiseres hem het artikel van het BTW-wetboek mee te delen waaruit blijkt dat er een overtreding werd begaan door eiseres (zie stuk 3, bundel verweerster).

Bij brief van 05.12.2007 heeft de e.a. inspecteur a.i. van de BTW-controle te Bree hieromtrent nadere inlichtingen verschaft (zie stuk 4, bundel verweerder).

Bij brief van 07.02.2007 tekende de raadsman van eiseres bezwaar aan bij de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW stellende dat men niet kon akkoord gaan met de zienswijze van de administratie (zie stuk 5, bundel verweerder).

Bij brief van 07.01.2008 deelde de administratie aan de raadsman van eiseres mee dat de administratie bij haar standpunt bleef.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22.01.2008 stelde eiseres een vordering in rechte in.

IN ZAKE AR nr. 081399/A

Op 10.13.2007 heeft een ambtenaar van de Administratie van de Ondernemings- Inkomstenfiscaliteit en verbonden aan de Inspectie Plaatselijke Opsporingen van Hasselt zich aangemeld bij eiseres. Hij werd ontvangen door de heer B. M., afgevaardigd bestuurder van eiseres en heeft hem verzocht op grond van artikel 61 W.BTW om het afspraken- en reservatieboek voor te leggen. De heer M. bevestigde dat hij over een dergelijk boek beschikte maar weigerde om dit voor te leggen. Hieromtrent werd een proces-verbaal van vaststellingen opgesteld op 07.01.2008 (zie stuk 8, bundel verweerder).

Bij brief van 15.01.2008 heeft de e.a. inspecteur a.i. van de BTW-controle te Bree meegedeeld aan eiseres dat de gedane vaststelling een inbreuk van de bepalingen van het BTW-wetboek uitmaakt waarvoor er overeenkomstig art. 70, § 4 W.BTW en het KB nr. 44, afd. I, rubriek XVI een verminderde geldboete van … euro verschuldigd is (zie stuk 9, bundel verweerder).

Namens eiseres werd er bij aangetekende brief van 23.02.2008 bezwaar ingediend tegen deze geldboete (zie stuk 9, bundel verweerder).

Bij directorale beslissing van 12.02.2008 werd aan de raadsman van eiseres meegedeeld dat de administratie bij haar standpunt blijft (zie stuk 11, bundel verweerder).

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.02.2008 stelde eiseres een vordering in rechte in.

II. SAMENVOEGING

Partijen verzoeken de rechtbank de zaken met A.R. nr. 08/184/A en 08/399/A samen te voegen en er in één vonnis uitspraak over te doen gelet op de samenhang.

Ter wille van een goede rechtsbedeling past het op dit verzoek in te gaan.

lIl. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

1.2. Wat betreft de vordering tot schadevergoeding

Bij conclusies vordert eiseres de toekenning van … euro provisionele schadevergoeding omdat zij van oordeel is dat de handelswijze van verweerder m.b.t. de vaststelling van 13.12.2007 een schadeverwekkend feit is overeenkomstig art. 1382 BW.

Overeenkomstig art. 700 Ger. W. worden hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de rechter gebracht, onverminderd de bijzondere regels inzake vrijwillige verschijning en rechtspleging op verzoekschrift.

De artikelen 860 en 861 Ger.W. kunnen niet worden toegepast op de schending van deze regel die onder de rechterlijke organisatie ressorteert (zie Cass., 27 mei 1994, R.W.,1994-95,1017).

Bijgevolg moet een vordering in de regel door middel van een dagvaarding bij gerechtsdeurwaardersexploot worden ingesteld en mag het verzoekschrift slechts gebruikt worden wanneer de wet het toelaat of voorschrijft. Wanneer geen wettelijke afwijking is voorzien, is een gedinginleiding anders dan via dagvaarding of vrijwillige verschijning ongeldig en is de vordering aldus ontoelaatbaar (zie tevens Rb. Antwerpen, 3 maart 2006, monKEY.be; Rb. Antwerpen, 21 oktober 2005, Fiscoloog, nr. 1014, p. 13-14; Rb. Brussel, 24 juni 2005, Fiscoloog, nr. 1004, p. 13).

De vordering tot betaling van een schadevergoeding is een hoofdvordering.

Er is geen wettelijke afwijking voorzien voor een vordering tot betalen van een schadevergoeding zodat deze hoofdvordering bij dagvaarding of bij vrijwillige verschijning diende te worden ingesteld.

Deze vordering is dan ook ontoelaatbaar.

1.2.

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de overige vordering.

De vordering is voor het overige dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

2.1. Art. 60, § 1, eerste lid W.BTW

Eiseres is van oordeel dat zij het reservatieboek niet moet voorleggen omdat het stuk geen deel uitmaakt van de boekhouding en dat nergens in het BTW-wetboek wordt bepaald dat een reservatieboek moet worden bijgehouden.

Art. 60, § 1 W.BTW bepaalt :

"de boeken, facturen en andere stukken, waarvan dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt, uitgereikt of ontvangen gedurende zeven jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun sluiting wat boeken betreft, op hun datum wat facturen of andere stukken betreft of op het jaar waarin het recht op aftrek is ontstaan in de gevallen bedoeld in art. 58, § 4, 7°, tweede lid, indien het gaat om stukken bedoeld in art. 58, § 4, 7°, vierde lid"

Op grond van art. 60, § 1 W.BTW dienen de boeken en de stukken, waarvan het wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, opmaken of het uitreiken voorschrijven bewaard te worden.

In het tweede lid van art. 60, § 1 W.BTW wordt bovendien bepaald dat de belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen tot die verplichting ook gehouden zijn ten aanzien :

- van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen;

- van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de afgifte en tot de levering van goederen;

- van de rekeninguittreksels;

- van de betalingsstukken;

- alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.

Eiseres erkent dat zij in het bezit was van een reservatieboek.

Terecht stelt eiseres dat het "reservatieboek" geen deel uitmaakt van de verplichte boekhouding en dat de BTW-wetgeving niet uitdrukkelijk haar verplicht dit bij te houden maar als er één wordt bijgehouden, zoals in casu, dat moet het worden bewaard op grond van art. 60, § 1, tweede lid W.BTW

Art. 60, § 1, tweede lid W.BTW bepaalt immers uitdrukkelijk dat de belastingplichtige alle boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid moet bewaren en niet enkel de boeken en stukken waarvan het BTW-wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken ervan voorschrijven.

Op grond van art. 61, § 1 W.BTW diende eiseres het reservatieboek dat zij bijhield te overleggen aan de administratie.

Het argument van eiseres dat in het reservatieboek ook privé-afspraken en privé-bezoeken van derden werden genoteerd die niets met de activiteiten van eiseres te maken hebben, doen geen afbreuk aan haar wettelijke verplichting.

2.2. In ondergeschikte orde : vordering tot kwijtschelding van de opgelegde boete

Eiseres streeft in ondergeschikte orde de kwijtschelding van de opgelegde geldboete na.

Verweerder wijst erop dat de in art. 70 W.BTW opgelegde administratieve boeten van rechtswege worden opgelopen door het loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouw aanwezig was.

Eiseres heeft een overtreding begaan op grond van art. 61, § 1 W.BTW zodat de verminderde geldboete haar terecht werd opgelegd.

Deze boete is evenredig met de door eiseres begane overtreding.

De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

In casu wordt gevorderd dat er geen redenen zijn om een geldboete ten bedrage van … euro op te leggen en in onder geschikte orde om deze boete kwijt te schelden.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank: bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN :

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Voegt de dossiers met AR 08/184/A en AR nr. 08/399/A samen,

Verklaart de vordering van eiseres tot schadevergoeding ontoelaatbaar,

Verklaart de overige vorderingen ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op … euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 12.11.2009, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De Heer L. P., griffier.

L. P. M. C.