---
title: "9 februari 2007 · Bewijs, controlemaatregel · Rechtbank van eerste aanleg te Leuven"
description: "Bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België), 9 februari 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-leuven-2007-02-09-ec1b"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Leuven

**Datum**

9 februari 2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

78 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Leuven d.d. 09.02.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG LEUVEN, AFDELING BURGERLIJKE RECHTBANK, 10 de kamer

**Vonnis : 09 februari 2007.**

**Eindvonnis.**

**De Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, tiende kamer, spreekt het volgende vonnis uit.**

Rolnummer : **05/728/A**

In de zaak van :

**P. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de Kruispuntbank voor ondernemingen onder het nummer …

**eiseres,**

ter zitting vertegenwoordigd door meester **D. B. L.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de heer Minister van Financiën wiens kabinet gevestigd is te Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Leuven, met kantoor te 3001 Leuven (Heverlee), Philipssite 3A bus 2

**verweerster,**

ter zitting vertegenwoordigd door meester **C. M.** loco meester **d. N. E.**, advocaat te …, ….

De rechtbank doet uitspraak in deze zaak die op de zitting van 12 januari 2007 in beraad werd genomen.

De procedure verliep met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

De rechtbank nam onder meer kennis van :

\- het verzoekschrift op tegenspraak ter griffie neergelegd op 21 maart 2005;

\- de conclusies van partijen en de door hen neergelegde stukken;

\- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De advocaten van partijen werden gehoord op de openbare zitting van 12 januari 2007.

## I. FEITEN EN VOORWERP VAN DE VORDERING

**1.** De BVBA **P.** (hierna : eiseres) baat het Mexicaans restaurant "**V. C.**" uit te …, ….

In haar hoedanigheid van restaurantuitbaatster is eiseres belastingplichtige in de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : BTW).

**2.** Op zondag 12 oktober 2003 zou **D. B.**, inspecteur bij de Lokale Opsporingsdienst van de Inspectie Mechelen, in het gezelschap van een andere persoon in het restaurant "**V. C.**" een maaltijd hebben genuttigd.

Bij het afrekenen van de maaltijd, die contant werd betaald, zou aan **D. B.** een kassaticket zijn overhandigd waarop de genuttigde maaltijden in detail zouden zijn weergegeven. Er zou hem echter géén BTW-ontvangstbewijs zijn afgeleverd.

Hiervan werd door **D. B.** proces-verbaal opgesteld op 5 november 2003.

**3.** Op basis van het proces-verbaal van 5 november 2003 werd door **E. L.**, waarnemend eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor Leuven 1, op 6 mei 2004 een tweede proces-verbaal opgesteld, waarbij werd vastgesteld dat eiseres wegens de vastgestelde overtreding een (verminderde) geldboete verschuldigd is van 50,00 euro.

Eiseres werd hiervan in kennis gesteld bij aangetekend schrijven van 7 mei 2004 (waarin per vergissing melding wordt gemaakt van een boete van 500,00 euro).

Op 10 mei 2004 verzond het BTW-controlekantoor Leuven 1 aan eiseres een betalingsbericht met bijgevoegd overschrijvingsformulier.

**4.** Op 4 juli 2004 diende eiseres, via haar accountant, bij de gewestelijke directie te Mechelen een verzoekschrift in tot kwijtschelding van de geldboete.

Per brief van 20 december 2004 liet **L. L.**, waarnemend directeur, aan eiseres weten dat haar verzoek om kwijtschelding van de geldboete niet kon worden ingewilligd.

**5.** Op 21 maart 2005 legde eiseres ter griffie een verzoekschrift op tegenspraak neer.

Eiseres vraagt om de beslissing van de gewestelijke directie te Mechelen nietig te verklaren, minstens te zeggen voor recht dat de geldboete van 50,00 euro, opgelegd door het BTW-controlekantoor Leuven 1 bij proces-verbaal van 6 mei 2004, niet verschuldigd is, en verweerster te veroordelen tot de gerechtskosten.

## ll. BEOORDELING

**1.** Het verzoekschrift werd naar vorm en tijd regelmatig neergelegd.

De vordering van eiseres is ontvankelijk.

**2.** De rechtbank is niet bevoegd om administratieve beslissingen nietig te verklaren.

Zij beperkt zich dan ook tot de beoordeling van de vraag of eiseres de opgelegde boete al dan niet verschuldigd is.

**3.** Volgens [artikel 22, § 1, eerste lid, 2° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art22) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, is de belastingplichtige verplicht om aan zijn klant een rekening of een ontvangstbewijs uit te reiken (onder meer) voor het verschaffen van maaltijden en van dranken die bij die maaltijden worden verbruikt, door de exploitant van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt.

De rekening of het ontvangstbewijs moet worden uitgereikt op het tijdstip waarop de dienst is voltooid ([art. 22, § 4 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art22)).

**4.** Overtredingen van de bepalingen van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën (art. 59, § 1, eerste lid W.BTW).

Deze processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen (art. 59, § 1, tweede lid W.BTW).

**5.** In de voorliggende zaak wordt niet betwist dat eiseres onderworpen is aan de verplichting bedoeld in [artikel 22, § 1, eerste lid, 2° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art22).

In het proces-verbaal van 5 november 2003, opgesteld door inspecteur **D. B.**, werd vastgesteld dat bij zijn bezoek aan het restaurant "**V. C.**" op 12 oktober 2003 wel een kasticket maar géén BTW-ontvangstbewijs werd overhandigd.

**6.** De bewijskracht van dit proces-verbaal wordt niet ondergraven door het feit dat de optredende inspecteur in het gezelschap was van een andere persoon, die in het proces-verbaal niet nader wordt geïdentificeerd.

Aan de bewijskracht van het proces-verbaal wordt evenmin afbreuk gedaan door de vermelding dat het overhandigde kasticket "in bijlage" zou worden gevoegd, terwijl deze bijlage in werkelijkheid ontbreekt. Er bestaat trouwens geen enkele discussie over welke maaltijd precies aan **D. B.** werd verstrekt: eiseres brengt zowel het dubbel van het kasticket als het dubbel van het overeenstemmende BTW-ontvangstbewijs (met nr. …) bij. Dit wordt door verweerster niet betwist.

Het niet afleveren van een BTW-ontvangstbewijs is een vaststelling die de optredende ambtenaar persoonlijk en door eigen zintuiglijke waarneming heeft kunnen doen. Met betrekking tot dit materieel feit geldt het proces-verbaal van 5 november 2003 dan ook tot bewijs van het tegendeel.

**7.** Eiseres brengt een ondertekende (maar niet gedateerde) schriftelijke verklaring bij van **F. V.**, de ober die blijkbaar de maaltijd in restaurant "**V. C.**" op 12 oktober 2003 aan **D. B.** heeft geserveerd en afgerekend (zie de vermelding "SWA" op het dubbel van het kasticket).

**F. V.** verklaart dat er steeds (aan de kassa of aan tafel) werd afgerekend op basis van een kassaticket waarop alle verbruikte goederen in detail stonden vermeld, en dat er na ontvangst van de gelden van de klant onmiddellijk een BTW-ontvangstbewijs (tevens bewijs dat de rekening betaald is) ter beschikking werd gesteld. **F. V.** "is dan ook de mening toegedaan dat aan de heer **B.** een BTW-ontvangstbewijs ter beschikking is gesteld".

Dergelijke verklaring afkomstig van een persoon die banden heeft of had met de belastingplichtige, volstaat evenwel niet om de objectieve vaststellingen van een beëdigd ambtenaar te weerleggen. **F. V.** geeft overigens terecht slechts zijn "mening" weer: het is immers niet uitgesloten dat bij de afrekening van de consumptie van **D. B.** in restaurant "**V. C.**" op 12 oktober 2003 - in afwijking van de gebruikelijke werkwijze - toch géén BTW-ontvangstbewijs werd overhandigd en dat dit **F. V.** is ontgaan of dat hij dit niet meer weet.

**8.** Om dezelfde reden kunnen geen besluiten worden getrokken uit de door eiseres geschetste gebruikelijke werkwijze als dusdanig, zoals bevestigd door de verklaring van **F. V.**.

De rechtbank heeft geen reden om te betwijfelen dat eiseres aan haar klanten normaal gezien een BTW-ontvangstbewijs uitreikt zodra de genuttigde maaltijd is betaald.

Dit sluit evenwel niet uit dat in een aantal gevallen - al was het per vergissing of uit onachtzaamheid - géén BTW-ontvangstbewijs wordt overhandigd nadat de klant zijn maaltijd heeft betaald, zoals bijvoorbeeld werd vastgesteld door **D. B.** op 12 oktober 2003 blijkens het proces-verbaal van 5 november 2003.

**9.** Eiseres brengt het dubbel bij van het kasticket én van het BTW-ontvangstbewijs die naar aanleiding van de consumptie van **D. B.** op 12 oktober 2003 werden opgesteld. Verweerster betwist overigens niet dat eiseres naar aanleiding van deze consumptie een kasticket heeft uitgereikt en een BTW-ontvangstbewijs heeft opgesteld.

Uit het enkele feit dat met betrekking tot een bepaalde maaltijd een BTW­ontvangstbewijs werd opgesteld, volgt echter niet noodzakelijk dat dit stuk ook daadwerkelijk aan de klant werd uitgereikt bij de voltooiing van de verstrekte dienst, dit wil zeggen uiterlijk bij het afronden van de betaling van de genuttigde maaltijd.

[Artikel 22, § 1, eerste lid, 2° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art22) schrijft wel degelijk voor dat de exploitant van een inrichting waar regelmatig maaltijden worden verbruikt, een ontvangstbewijs moet uitreiken aan de klant. De exploitant dient dit uit eigen beweging te doen en uiterlijk bij het voltooien van de verstrekte dienst.

Uit het proces-verbaal van 5 november 2003 blijkt dat er op 12 oktober 2003 aan **D. B.** in het restaurant "**V. C.**" op geen enkel moment een BTW-ontvangstbewijs werd uitgereikt.

**10.** De rechtbank neemt aan dat eiseres er allicht geen enkel voordeel bij heeft om een BTW-ontvangstbewijs op te stellen zonder dit ook daadwerkelijk aan de klant uit te reiken.

Dit neemt evenwel niet noodzakelijk weg, zoals hoger reeds aangestipt, dat op het ogenblik van de betaling - al was het per vergissing of uit onachtzaamheid - mogelijk géén BTW-ontvangstbewijs werd opgesteld en uitgereikt.

Zelfs indien eiseres dit achteraf zou hebben willen rechtzetten door alsnog een BTW-ontvangstbewijs in te vullen, was zij niet meer in staat om dit (nog tijdig) aan **D. B.** uit te reiken, zodat de overtreding die werd vastgesteld in het proces-verbaal van 5 november 2003 is komen vast te staan.

**11.** Eiseres is gerechtigd om het tegenbewijs van een vaststelling uit een proces-verbaal te leveren met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen.

Uit het bovenstaande volgt echter dat, in de voorliggende zaak, eiseres géén gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens aanreikt op grond waarvan met zekerheid kan worden besloten dat, in weerwil van hetgeen vermeld staat in het proces-verbaal van 5 november 2003, aan **D. B.** bij zijn bezoek aan het restaurant "**V. C.**" op 12 oktober 2003 wel een BTW-ontvangstbewijs zou zijn uitgereikt.

**12.** De geldboete is bijgevolg verschuldigd zoals bepaald in het proces-verbaal van 6 mei 2004.

De vordering van eiseres is ongegrond.

### Beschikkend gedeelte

## III. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

De vordering is ontvankelijk maar **ongegrond**.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot de kosten en stelt deze als volgt vast :

\- voor eiseres : 60,73 euro (rechtsplegingsvergoeding);

\- voor verweerster : 60,73 euro (rechtsplegingsvergoeding).

Dit vonnis is uitgesproken in eerste aanleg tijdens de gewone en openbare terechtzitting van de **twaalfde kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op **vrijdag 09 februari 2007**.

De rechtbank bestond uit :

Mevrouw **K. G.**, alleen zetelend rechter.

Mevrouw **J. C.**, griffier.

**J. C.** **K. G.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 1 art. 22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 4 voorkomens
