---
title: "22 maart 2001 · Bewijs, controlemaatregel · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 22 maart 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-gent-2001-03-22-7c8f"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

22 maart 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

98 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 22.03.2001

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## DERDE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 22 MAART 2001

Algemene rol nummer : **89/1163/A**

In de zaak van :

**De NV C. T.**, met maatschappelijke zetel, te …, …, ingeschreven in het HR van … onder het nr. …,

**eiseres,**

voor wie optreedt mr. **S. S.**, met kantoor te …, …,

**tegen :**

**de Belgische Staat**, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, met kantoren te 9000 GENT, Ramen nr. 1,

**verweerder,**

voor wie optreedt mr. **S. V. R. v. N.**, 2 de advocaat te …, …,

werd de zaak door de partijen in haar geheel hernemen voor deze samenstelling van de rechtbank en werden de partijen gehoord in hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van donderdag 08 maart 2001, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

De stukken werden ingezien, in het bijzonder :

\- de dagvaarding d.d. 23 maart 1989,

\- de conclusies genomen namens de eiseres en op de griffie neergelegd op 09 oktober 1990, 17 september 1992, 22 september 1997;

\- de conclusies genomen namens de verweerder en op de griffie neergelegd op 31 mei 1990, 19 juni 1991, 07 maart 1995,

\- het schriftelijk advies van substituut procureur des konings **J. V. D. F.** d.d. 09 november 2000 en bevestigd op de terechtzitting van 08 maart 2001.

\- de repliek op het advies door de eiseres neergelegd op de griffie op 10 januari 2001,

\- de repliek op het advies door de verweerder neergelegd op de griffie op 08 februari 2001.

## *De vorderingen*

De eiseres doet verzet tegen het dwangbevel op 06 februari 1989 uitgevaardigd door de Ontvanger van het 1 ste BTW-ontvangkantoor te Gent, op 08 februari 1989 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen en aan de eiseres betekend per exploot van 16 februari 1989 en waarbij de eiseres zou verschuldigd zijn : … frank BTW, … frank geldboete, … frank intrest en nog te verhogen met de intrest op de BTW, geldboete en vervolgingskosten.

De vordering strekt ertoe, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad :

\- het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren,

\- te zeggen voor recht dat het proces-verbaal opgesteld op 19 augustus 1988 door **D. M.**, Hoofdcontroleur bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen en het daaropvolgend dwangbevel 06 februari 1989, betekend bij exploot van 16 februari 1989, nietig zijn en derhalve de eiseres te ontslaan van alle vervolgingen,

\- de verweerder te horen veroordelen tot de terugbetaling van … frank en … frank, zijnde bedragen die ten onrechte werden aangerekend op de betwiste vorderingen alsook van alle bedragen die door de verweerder nog wederrechtelijk zouden worden toegerekend, te vermeerderen met de wettelijke moratoire intresten vanaf de data van toerekening,

\- voorbehoud te verlenen aan de eiseres tot het vorderen van een schadevergoeding,

\- de verweerder te horen veroordelen tot de betaling van de gemaakte kosten en de kosten van het geding.

## *De relevante feiten en het standpunt van de partijen*

De eiseres is een kleinhandel van confectie van dames-, heren- en kinderkledij zodat zij onderworpen is aan de BTW wetgeving en geregistreerd staat onder het nr. ….

**D. M.**, hoofdcontroleur bij de BBI Gent, 5de inspectie, oefende bij de eiseres voor de periode tussen 1984 en 1986 op 18 januari 1988, 1 en 11 februari 1988 controles uit. Hij stelde diverse overtredingen vast. In essentie zou uit een hoeveelheidscontrole moeten blijken dat er omzettekorten werden vastgesteld door een berekening op basis van gekende aankopen en stockevolutie en met toepassing van de zogeheten gemiddelde prijzen.

De eiseres betwist het dwangbevel en zij laat samengevat de volgende argumenten gelden :

a) De PVBA **C. T.** werd bij notariële akte van 07 november 1987 omgevormd tot een naamloze vennootschap, zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 03 december 1987 zodat de omvorming tegenstelbaar was aan de verweerder. Derhalve kon op 19 augustus 1988 geen geldig proces-verbaal worden opgesteld tegen de PVBA **C. T.** zodat het proces-verbaal nietig is zoals ook iedere latere rechtshandeling en akte, zo onder meer het aangevochten dwangbevel.

(b) De controle vond kennelijk zijn oorsprong in een klacht uitgaande van een voor de eiseres onbekend persoon aangezien de verweerder weigert hierover uitleg te verschaffen. Deze klacht is een lasterlijke aantijging. De verweerder wordt gesommeerd de klacht te ontkennen of te bevestigen en in het laatste geval ervan mededeling te doen zodat de eiseres strafklacht kan neerleggen. Immers, zo deze klacht lasterlijk zou blijken, dan zijn de controle en de daaropvolgende vordering nietig omdat zij in dat geval gesteund werden op een misdrijf.

(c) Zelfs zo de beweerde overtredingen op de BTW-wetgeving niet direct gebaseerd zijn op manifeste inbreuken of beweerde frauduleuze handelingen, dan is het evident dat de houding van de verweerder en diens weigering rekening te houden met de weerleggingen door de eiseres, geïnspireerd is door deze aantijgingen.

(d) Eén en ander moet met de nodige gestrengheid worden beoordeeld nu de verweerder niet alleen 1 miljoen frank vorderingen formuleert in het kader van de BTW-wetgeving, maar ook in het kader van de vennootschapsbelasting absurde aanslagen vestigde en ondertussen beslag liet leggen op een belangrijke partij verkoopsgoederen waardoor de eiseres zelfs in haar bedrijfsuitoefening wordt tegengewerkt.

(e) Verder wordt in het voormelde proces-verbaal enkel gezegd dat de boekhouding op sommige punten niet voldoende gedetailleerd zou zijn wat deze boekhouding haar bewijskracht niet ontneemt.

(f) Bovendien wordt de verweerder gesommeerd de gegevens van de hoeveelheidscontrole voor te leggen zodat de eiseres de inhoud zou kunnen beoordelen.

(g) De verweerder roept geen onjuistheid of inbreuk in ten aanzien van de aankopen of de stock.

(h) Het door de verweerder ingeroepen vermoeden overeenkomstig [artikel 64, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) moet gesteund zijn op feiten en een hoeveelheidscontrole is niet een dergelijk feit. Bovendien is dit vermoeden vatbaar voor tegenbewijs op haar beurt te leveren door vermoedens.

(i) De verweerder kan niet nog een ander vermoeden inroepen want vermoeden op vermoeden is uitgesloten op gevaar af dat tot een arbitraire toepassing van de fiscale wetten zou worden overgegaan. Daaraan bezoldigt de verweerder zich door zich te steunen op een "gemiddelde verkoopprijs" om het omzettekort te staven. Deze toegeeflijkheid diende alleen om de tekortkomingen in de bewijsvoering van de verweerder te camoufleren.

(j) De vordering is arbitrair en vooringenomen want (1) de hoeveelheidscontrole gebeurde op het bureel en niet ter plaatse zonder enige inspraak en vraagstelling nopens de specifieke kenmerken van de bedrijfsuitoefening, (2) waardeloze stukken werden niet in de inventaris geboekt hoewel deze stukken aanwezig waren en konden gecontroleerd worden, wat werd geweigerd, (3) er werd geen rekening gehouden met een verliespercentage aan diefstal, (4) de aanvankelijke vooropgestelde tekorten werden door de verweerder zelf gereduceerd wat aantoont dat hij zelf het absurde van de situatie inzag.

De verweerder concludeert tot de ongegrondheid van het verzet en argumenteert samengevat als volgt :

(a) Tijdens de gecontroleerde periode 1984 tot 1986 bestond de NV niet. Het dwangbevel werd echter opgemaakt op naam van de NV. Aldus werd zowel in het dwangbevel als in de betekening de schuldenares in haar actuele rechtsvorm aangeduid zodat de procedure rechtsgeldig verricht werd. De omzetting van PVBA in NV is slechts een wijziging van de juridische vorm van de bestaande rechtspersoon zonder oprichting van een nieuwe vennootschap. Bovendien zorgde de eiseres zelf voor verwarring zoals blijkt uit de door haar gevoerde briefwisseling.

(b) Bij de controles wordt gebruik gemaakt van de bewijsmiddelen, controlemiddelen en rechten van onderzoek zoals voorzien door het BTW-wetboek. In casu werd het onderzoek gevoerd volgens de normale procedure en het is niet gesteund op gegevens voortgebracht door derden. Er is dan ook geen sprake van een misdrijf dat aan de basis zou liggen van het uitgevoerde onderzoek.

(c) De boekhouding was onvoldoende gedetailleerd om de bestemming van de aangekochte goederen te kunnen bewijzen want de verantwoordingsstukken omtrent de afgedankte, gedeclasseerde, beschadigde, teruggenomen, gestolen, onverkoopbare, weggeschonken, gecombineerde en tot werkkleding aangewende stukken ontbraken. Essentieel is dat de voorgelegde stukken oprecht en juist zijn zodat een grondige controle mogelijk is. Uit een nazicht bleek dat de eiseres niet alle belastbare verrichtingen had aangegeven zodat de boekhouding niet oprecht en zeker ontoereikend was en derhalve door de verweerder als bewijsmiddel werd geweerd. Op grond van [artikel 59, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) werd getracht de verschuldigdheid van de belasting aan te tonen.

(d) De vaststellingen van de BBI ambtenaar leveren het bewijs op zolang de eiseres het tegendeel niet bewijst. Daartoe is vereist dat zij het vastgestelde verschil in hoeveelheid gefundeerd weerlegt in plaats van met niet gestaafde beweringen.

(e) De verweerder steunt zich op de hoeveelheden zoals die blijken uit de boekhouding. Er werd overgegaan tot de telling van het aantal kledingstukken in voorraad in het begin en op het einde van elk gecontroleerd jaar en van het aantal aangekochte en van de verkochte kledingstukken. Er werd aldus vastgesteld dat het aantal uit de zaak verdwenen artikelen merkelijk hoger lag dan de artikelen teruggevonden op de verkoopbons. De boekhouding verschafte geen verklaring voor dit tekort zodat het vermoeden van [artikel 64, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) werd toegepast en de bewijslast werd omgekeerd.

(f) De eiseres kan zich niet beperken tot loutere beweringen. Zij zal aan de hand van stukken moeten aantonen dat de goederen nog in haar bezit zijn of een bestemming kregen die de belasting niet opeisbaar maakte.

## *Bespreking*

## Over de exceptie van nietigheid van het proces-verbaal van 19 augustus 1988 en de daaropvolgende akten

Het feit dat het proces-verbaal van 19 augustus 1988 werd opgesteld tegen de PVBA **T.** en niet tegen de NV **T.** leidt niet tot nietigheid van het proces-verbaal en de daaropvolgende akten en rechtshandelingen.

Noch het proces-verbaal, noch het dwangbevel zijn aan specifieke vormvereisten onderworpen. Zelfs indien men toepassing maakt van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, dan nog is de vermelding van de onjuiste rechtsvorm geen nietigheidsgrond zoals voorzien door artikel 862 Ger.W. zodat een belangenschade meet worden aangetoond.

Van enige belangenschade is geen sprake omdat de voorliggende stukken aantonen dat de eiseres zich van in den beginne kon verdedigen en ook daadwerkelijk verdedigde tegen de aanspraken van de verweerder zonder dat de verkeerde vermelding van de rechtsvorm haar in haar verdediging schaadde. Integendeel, de verweerder werpt in dit verband terecht op dat de eiseres zelf regelmatig nog gebruik maakte in haar briefwisseling van de oude rechtsvorm.

De exceptie faalt.

## Over de beweerde klacht van een onbekende

De verweerder ontkent formeel dat het onderzoek startte op aangeven van een onbekende.

De rechtbank vond in de voorliggende stukken geen enkele aanwijzing dat het onderzoek startte op aangeven van een derde. De eiseres .maakt deze bewering evenmin geloofwaardig.

## Aldus faalt ook deze argumentatie

Over de regelmatigheid van de gevoerde boekhouding

De ambtenaar die het onderzoek voerde, stelde een kwantitatief verschil vast tussen het aantal verkochte stuks en het aantal stuks vermeld op de aankoopfacturen, gecorrigeerd met de voorraadwijziging. Aan de hand van de stukken kon de rechtbank vaststellen dat dit kwantitatief verschil blijkt uit de boekhouding zelf zodat het niet kan beschouwd worden als een deductie van de ambtenaar zelf.

Zoals de Procureur des Konings terecht opmerkt, kan dit vastgestelde verschil in principe slechts als oorzaak hebben dat bepaalde verkopen niet werden geboekt dan wel dat de inventaris onjuist is. Beide oorzaken zijn fundamentele gebreken die verhinderen dat een nauwkeurige inkomstenberekening kan worden gemaakt en die de bewijslast van de boekhouding aantasten.

Bij gebrek aan verifieerbare gegevens die de verschillen aantonen, kan er niet anders dan besloten worden dan dat de boekhouding als ondeugdelijk en niet bewijskrachtig moet worden beschouwd.

Dit gebrek aan verifieerbare gegevens blijkt als volgt :

\- de afgedankte en gedeclasseerde stukken werden niet vermeld in de jaarlijkse inventaris zoals toch voorgeschreven door artikel 7 van de wet van 17 juli 1975 en artikel 18 tweede alinea van het KB. van 08 oktober 1 976,

\- het aantal door ongeval beschadigde stukken wordt ofwel niet bewezen ofwel verschilt dit aantal met deze opgegeven door de eigenares van het gebouw,

\- de giften en tombola's zijn niet bewezen,

\- omtrent de werkkledij van het personeel werden geen verantwoordingsstukken voorgelegd, noch wordt de samenstelling van de in rekening gebrachte bedragen verantwoord,

\- De stukken verloren door diefstal of zware beschadiging werden niet verantwoord.

In dat geval kan de verweerder zich steunen op de vermoedens teneinde de meeromzet te bepalen. Zoals reeds geargumenteerd, werd een vermoeden niet uit een ander vermoeden geput want het kwantitatief verschil blijkt uit de boekhouding zelf.

## Over de waarde van de aangebrachte vermoedens en het aangebrachte tegenbewijs

De hoeveelheidscontrole leerde de verweerder dat het aantal uit de zaak verdwenen artikelen merkelijk hoger ligt dan de artikelen teruggevonden op de verkoopbons. De boekhouding verschafte hierover geen verklaring.

Het behoort aan de eiseres aan de hand van bewijskrachtige gegevens aan te tonen dat de goederen nog in haar bezit zijn of dat ze een bestemming kregen die de belasting niet opeisbaar maakte.

Inzake de afgedankte en gedeclasseerde stukken negeerde de eiseres de duidelijke bepalingen van de boekhoudwet waardoor zijzelf iedere verificatie onmogelijk maakte. Het gegeven dat de stukken nog aanwezig zijn, maakt het niet mogelijk na te gaan of de aanwezige stukken werden afgedankt of gedeclasseerd in de gecontroleerde jaren.

Inzake het aantal door ongeval beschadigde stukken is er inderdaad geen reden de verklaring van de eigenares van het gebouw te verkiezen boven deze van de eiseres. Maar ook hier bleef de eiseres in gebreke een inventaris van de goederen of een ontvangstbewijs van de goederen over te leggen.

Inzake giften en tombola's volstaat een loutere bewering niet. De eiseres kon geen bewijskrachtige gegevens voorleggen op het ogenblik van de controle. De nu voorliggende verklaringen dateren van na de controle en bevatten geen nadere gegevens over het aantal stuks zodat niet kan worden nagegaan of de goederen afkomstig zijn van de verkoopbare voorraad, dan wel uit de onwaarde stocks.

Eenzelfde redenering geldt voor de werkkledij van het personeel. Ook hier kon de eiseres op het ogenblik van de controle geen enkel bewijskrachtig gegeven voorleggen.

Ook inzake de stukken, verloren door diefstal, beperkt de eiseres zich tot het voorleggen van statistische gegevens. Nochtans gebiedt de wet op de jaarrekeningen om diefstallen, zodra deze vastgesteld zijn, op de rekening 664 "andere uitzonderlijke kosten" te boeken met verantwoordingsstukken. Zelfs al kan aanvaard worden dat in dit verband het voorleggen van verantwoordingsstukken moeilijk is en dat het onbegonnen werk is voor iedere diefstal een proces-verbaal te laten opmaken, toch zou het bijhouden van de diefstallen op de voornoemde rekening een controle mogelijk gemaakt hebben. De loutere statistische gegevens die de eiseres voorlegt, zijn niet zonder meer toepasselijk op de winkel van de eiseres.

Een zelfde redenering geldt inzake de zwaar beschadigde stukken; geen bewijskrachtige gegevens liggen voor.

Inzake het maken van sets was het voor de eiseres perfect mogelijk de etiketten van de samengevoegde kledingstukken bij te houden en aldus het aantal sets te achterhalen. Dit gebeurde niet zodat de eiseres iedere controle onmogelijk maakte.

Ook inzake het proces met een leverancier liggen geen bewijskrachtige gegevens voor.

Het verzet is ontvankelijk, maar niet gegrond.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**DE RECHTBANK**, recht doende op **tegenspraak**,

Met inachtneming van de artikelen 2, 24, 34, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken en het voormeld advies van het Openbaar Ministerie,

**Verklaart het verzet ontvankelijk, maar wijst het af als niet gegrond,**

Veroordeelt de eiseres tot de betaling van de kosten van deze aanleg,

Begroot deze op heden als volgt :

1) aan de zijde van de eiseres op :

\- dagvaardingsstukken ; … frank

\- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … frank;

2) aan de zijde van de verweerder op :

\- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … frank;

Aldus gewezen en uitgesproken, telkens in aanwezigheid van eerste substituut procureur des Konings **N. V. A.** op **donderdag tweeëntwintig maart tweeduizend en één** in openbare terechtzitting door de derde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waar aanwezig waren :

**D. V. D. B.**, rechter, bijgestaan door

**E. B.**, griffier.

**E. B.** **D. V. D. B.**

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 2 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetberekening, Onttrekking, Bewijskracht van de boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetberekening-onttrekking-bewijskracht-boekhouding-sociale-hof-van-beroep-gent-2022-06-14-170e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-bewijskrachtige boekhouding, Herberekening van het omzetcijfer, Feitelijke vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskrachtige-boekhouding-herberekening-omzetcijfer-feitelijke-rechtbank-luik-2022-05-19-1c7a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Caféhouders](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-cafehouders-kennisgeving-hof-van-beroep-luik-2019-06-21-20d8) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetverhoging, Vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetverhoging-vermoedens-vermoeden-hof-van-beroep-antwerpen-2022-03-29-4427) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale geldboete, Evenredigheid, Genaderecht, fiscale boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10) 2 gemeenschappelijke bepalingen
