Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 17 december 2004

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-dendermonde-2004-12-17-71e0

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
17 december 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

53 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Dendermonde d.d. 17.12.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

Zitting van 17 december 2004 - 9e Kamer – B.Z.

V. B. H., destijds zelfstandig bakker te …, thans wonende te …, …;

Eiser, verschijnende door mr. W. W. loco mr. J.-P. W. , advocaat te …, …;

tegen :

ONTVANGER VAN HET BTW-KANTOOR WETTEREN, gevestigd te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93;

Verweerder, verschijnende door D. B. loco mr. F. V., advocaat te …, …;

DE RECHTBANK VERLEENT VOLGENDE VONNIS :

Gelet op het verzetsexploot van 8 mei 1991 en het tussenvonnis van 16 juni 2003.

Bij brief van 29 augustus 1990 deelde de 5° inspectie BBI Gent aan eiser op verzet mee, dat naar aanleiding van een controle bij NV M. A., onregelmatigheden zouden zijn vastgesteld terzake toepassing van de BTW.

Op 9 september 1988 werd door de gerechtelijke politie een zoeking uitgevoerd bij de NV M. A..

Er werden twee kasboeken in beslag genomen bij Mevr. V. waarin diverse kontante uitgaven en ontvangsten waren vermeld.

Op basis daarvan maakte D. M., hoofdcontroleur van de BTW, ter beschikking gesteld van de BBI, een ontwerp-proces-verbaal, waarbij deze stelt dat na vergelijking van de officiële boekhouding met de in beslag genomen schriftjes, zou zijn gebleken dat de gegevens ervan niet strookten met het officiële kasboek van NV M. A..

Mevrouw V. verklaarde desbetreffend dat er inderdaad verkopen werden gedaan zonder dat er verkoopfacturen werden opgesteld, omdat ze bij sommige klanten zelf de kontante betalingen voor deze leveringen ging ophalen.

Mevrouw V. stelt dat ze uit de kasboeken de vermelding "V. B. H" herkende als aanlegger op verzet.

Derhalve besloot de heer M. tot het bestaan van volgende niet-aangegeven meeromzetten in hoofde van eiser op verzet :

- 1986 : … + 6 % = … bfr. te betalen BTW (… euro)

- 1987 : … + 6% = … bfr. te betalen BTW (… euro)

Eiser op verzet betwist de vorderingen omdat deze arbitrair zouden zijn. Naar aanleiding van het opgestelde proces-verbaal deelde de gevolmachtigde boekhouder van eiser op verzet mee niet zinnig tot reactie te kunnen overgaan, tenzij nadat hij inzage had verkregen van-de door de BBI ingeroepen stukken en verklaringen.

De BBI repliceerde hierop bij brief van 1 oktober 1990 dat "inzage van een gerechtsdossier persoonlijk is en niet kan worden doorgegeven".

Het is een elementair recht van de belastingplichtige om inzage te verkrijgen van de stukken welke lastens hem worden ingeroepen en welke de administratie als element gebruikt voor taxatie.

Bij aangetekend schrijven van 29 november 1990 drong de boekhouder nogmaals aan op het bekomen van een kopie van de ingeroepen stukken en verklaringen.

De heer M. deelt bij brief van 3 december 1990 mee geen inzage van stukken uit een gerechtsdossier te kunnen doorgeven.

De gewestelijk directeur beslist inmiddels de argumenten van de boekhouder niet bij te treden.

Aanlegger op verzet ontvangt een betalingsbericht voor … bfr. (… euro).

Vervolgens richt de boekhouder van aanlegger op verzet zich tot de directie Gent met verzoek de oncontroleerbare beweringen van de heer M. te toetsen aan de boekhouding van eiser op verzet.

Op 2 april 1991 veegt de gewestelijk directeur van de BBI de opmerkingen van aanlegger op verzet van tafel.

Terecht voert eiser op verzet aan dat het proces-verbaal op zich geen bijzondere bewijskracht bezit in de zin van art. 59, § 1 W.BTW, doch het proces-verbaal slechts bewijskracht geniet wat betreft de vaststellingen die de verbalisant zelf deed.

Enkel gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens kunnen immers in aanmerking worden genomen, niet echter een opeenstapeling van vermoedens hetgeen zou leiden tot een arbitrair bewijs.

Het strafdossier waarnaar verweerder op verzet refereert betreft een onderzoek naar het gebruik en de verwerking van hormonen in veevoeder; het onderzoek betreft niet de aankopen van bloem zonder factuur.

Uit verhoor van J. V. H. blijkt dat deze vanaf april 1982 tewerkgesteld was bij NV M. A. te … en van in den beginne verantwoordelijk was voor de ontvangsten en betalingen en hij daarvan een dagboek bijhield, nl. de schriften (PV nr. 8894 p.1).

Er werden evenwel geen verdere vaststellingen gedaan betreffende de inhoud van de kasboeken.

Evenmin werd C. A., noch iemand anders ondervraagd omtrent de inschrijvingen in deze ontdekte kasboeken.

Anderzijds zouden de "kasboeken'', welke verweerder inroept als belangrijke stukken ter staving van zijn beweringen, zijn bijgehouden door de heer V. H., welke evenmin specifiek met betrekking tot de beweerde "zwartleveringen" werd verhoord.

Terecht merkt aanlegster op dat de uit het strafdossier bekomen gegevens nooit daadwerkelijk aan haar boekhouding werden getoetst en door de administratie nooit werd aangetoond dat door aankoop van bijproducten als gist, vet, zout, aanlegger op verzet de beweerd zonder factuur geleverde bloem ook had kunnen verwerken.

Verweerster op verzet heeft evenmin ooit enige controle verricht bij eiser op verzet, noch wat betreft de boekhouding. noch wat betreft de vervoerdocumenten.

Aanlegger op verzet voert aan - en staaft deze bewering door een verklaring van diens leverancier- dat de beweerde "zwartleveringen" groter waren dan de maximale capaciteit van zijn silo.

Hiertegen werd door verweerder geen valabel argument ingebracht. Het dwangbevel is niet naar behoren gemotiveerd.

Derhalve is niet afdoende aangetoond dat eiser op verzet bloem zonder factuur zou hebben aangebracht en een meeromzet heeft gerealiseerd. De BTW-vordering is arbitrair en dient te worden vernietigd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond en verklaart het dwangbevel reg.127/18/91 uitgevaardigd op 2 april 1991 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4 april 1991 van nul en generlei waarde.

Beveelt teruggave van de bedragen welke ten onrechte werden ingehouden of betaald, meer wettelijke en gerechtelijke intrest vanaf inhouding/betaling.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten aan de zijde van eiser op heden op de som van … euro (zijnde … euro dagvaardingskosten en … euro rechtsplegingvergoeding) ongerekend de rechten van registratie op minuut, de kosten van uitgifte van tegenwoordig vonnis of van verdere tenuitvoerlegging.

Wijst het anders en meer gevorderde af als ongegrond.

Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van VRIJDAG ZEVENTIEN DECEMBER TWEEDUIZEND EN VIER van de negende kamer, zitting houdende in burgerlijke zaken, der rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde.

Aanwezig: Mevrouw M. D. P., rechter, voorzitter van de negende kamer;

mevrouw I. V., adjunct-griffier.

I. V. M. D. P.