Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 30 juni 2010

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brugge-2010-06-30-0145

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
30 juni 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

56 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 30.06.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 08/2875/A

de heer M. P., loontrekkend boekhouder, wonende te …, …,

eiser

voor wie is opgetreden Meester J. D. (balie …) loco Meester J. D., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Belastingen en Invordering, Sector BTW, in de persoon van de Ontvanger van het 1e BTW-Ontvangkantoor te KORTRIJK, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

verweerder

voor wie optreedt Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het gedinginleidend dagvaardingsexploot de dato 8 augustus 2008.

Gelet op het vonnis uitgesproken de dato 14 oktober 2009 door deze Rechtbank en kamer.

De rechtbank nam opnieuw kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 2 juni 2010.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS DER ZAAK

Desaangaande verwijst de Rechtbank naar zijn uiteenzetting gedaan onder punt II van het vonnis de dato 14 oktober 2009.

III. BEOORDELING

3.1. Bij tussenvonnis de dato 14 oktober 2009 werden de debatten heropend om verweerder toe te laten bepaalde stukken te overleggen. Ondertussen is verweerder overgegaan tot overlegging van de stukken die nog in zijn bezit zijn.

3.2. Eiser stelt dat de BTW-administratie zich, om het omzettekort te belasten met BTW, ten onrechte heeft gesteund op de ambtshalve omzetbepaling gedaan door de zusteradministratie voor de jaren 1985 en 1986.

3.3. Luidens artikel 59, § 1 W.BTW kan de administratie gebruik maken van alle bewijsmiddelen van gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed.

Uit artikel 93quater decies, § 3 W.BTW vloeit de mogelijkheid voort dat de BTW-administratie zich steunt op gegevens die door bijv. de administratie van de directe belastingen worden verstrekt, dit gelet op het feit dat voormeld artikel bepaalt dat fiscale ambtenaren de bevoegdheid hebben om alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen die de correcte heffing van alle door deze personen verschuldigde andere belastingen kunnen verzekeren.

3.4. In casu heeft de BTW-administratie zich gesteund op de ambtshalve omzetbepaling gedaan door de administratie der directe belastingen. Deze taxatie is definitief geworden na tussenkomst van het in kracht van gewijsde gegane arrest van het Hof van Beroep te Gent de dato 24 november 1999.

De verschuldigdheid van de BTW op het omzetverschil werd bepaald in de regularisatieopgave met als annex de akte van afstand van de verlopen termijn van verjaring (stukken 2 en 3 - eiser).

Eiser stelt desaangaande dat zijn lasthebber nooit een akkoord met een regularisatieopgave heeft ondertekend en dat er geen verband bestaat tussen de clausule van akkoordverklaring en de regularisatieopgave.

De Rechtbank stelt vast dat post II van de regularisatieopgave een vergelijking maakt tussen de omzet die door de Directe Belastingen werd bepaald en de in de BTW-aangiften aangegeven omzet voor de jaren 1985 en 1986, wat resulteert in een verschuldigde BTW van … BEF (stuk 2 - eiser).

Op de akte van afstand van de verlopen termijn van verjaring heeft de gevolmachtigde van eiser zich akkoord verklaard met dit bedrag schrijvende "Gelezen en goedgekeurd voor de som van … frank aan rechten" (stuk 3 - eiser).

Aldus bestaat er een duidelijk aantoonbaar verband tussen de clausule van akkoordverklaring en de regularisatieopgave en kan verweerder gevolgd worden waar hij stelt dat beiden stukken één geheel uitmaken.

De vermelding door de lasthebber van eiser dat eerstdaags een bezwaarschrift wordt ingediend bij de administratie der directe belastingen betreffende de jaren 1985 en 1986 houdt een voorwaarde in, doch gelet op de laattijdige indiening van het bezwaarschrift door eiser (door de lasthebber werd geen bezwaarschrift ingediend) werd deze taxatie definitief.

Het akkoord afgesloten door de lasthebber van eiser de dato 11 april 1989 inzake de BTW werd hierdoor bindend.

3.5. Het akkoord van de gevolmachtigde van eiser met de gegevens zoals weerhouden door de fiscale administratie stelt de fiscale administratie vrij van het leveren van het bewijs van de feitelijke elementen waarop de aanslag kan worden gevestigd, doch ontneemt de belastingplichtige niet het recht aan te tonen dat hij bij het indienen van de aangifte of het geven van zijn akkoord een dwaling in feite of in rechte beging (Hof van Beroep Brussel, 20 december 2007, Fiscalnet - apbx 2007, 1220-1998-fr-501).

Dit wordt door eiser niet ten genoege van recht aangetoond. Eiser stelt dat de aanslag der directe belastingen te wijten is aan het feit dat de administratie verkeerdelijk veronderstelde dat de aangekochte video's doorverkocht werden en niet doorverhuurd, doch heeft daarvan ten gepaste tijde, naar aanleiding van de voorafgaande kennisgeving van de taxatie van ambtswege of door tijdige indiening van een bezwaar enige melding van gemaakt, noch het bewijs geleverd.

3.6. De BTW-administratie kon aldus in casu de door de directe belastingen weerhouden omzetcijfers overnemen en het verschil als meeromzet belasten met BTW.

Daar de Rechtbank zich voldoende voorgelicht acht, wordt niet overgegaan tot het bevelen van een getuigenverhoor.

De fiscale vordering mist grondslag.

3.7. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1e lid Ger.W. dient hij de gerechtskosten te dragen. Verweerder begroot de gerechtskosten op het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde … EUR, gelet op het feit dat de waarde der vordering zich situeert tussen 60.000 en 100.000 EUR.

Eiser stelt dat de rechtsplegingsvergoeding dient verminderd te worden tot het minimumbedrag van … EUR, dit gelet op het feit dat eiser een beperkte financiële draagkracht zou hebben en gelet op het feit dat verweerder zijn raadsman bij het verweer zou bijgestaan hebben.

Eiser brengt geen enkel bewijs naar voor omtrent zijn financiële draagkracht zodat deze vraag tot herleiding der rechtsplegingsvergoeding niet positief kan beantwoord worden.

Verder stelt de Rechtbank vast dat de basisvergoeding niet overdreven is, maar op zijn minst passend is als vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van verweerder. In die omstandigheden ontstaat door het toekennen van de basisvergoeding geen onredelijke situatie.

3.8. nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad

Gelet op de ongegrondheid van de vordering van eiser is zijn verzoek tot uitvoerbaarheid van het vonnis zonder voorwerp.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet terzake dienend.

Verklaart de fiscale vordering ontvankelijk doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten· laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op woensdag dertig juni tweeduizend en tien.

Aanwezig zijn :

H. A., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. A. H.