Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 12 februari 2007

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brugge-2007-02-12-c32b

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
12 februari 2007

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

78 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 12.02.2007

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 03/3717/A Rep. nr. 2007/2208

de heer E. M., (HR Veurne nr. …, BTW-nr. BE …), wonende te …, …,

eiser,

voor wie optreedt Meester D. V. B., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kantoren te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2. de BELGISCHE STAAT, Administratie der BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, met burelen te 8400 Oostende, met burelen te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1, 1e verdiep,

verweerder,

voor wie optreedt Meester P. D., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift houdende verzet dwangbevel de dato 9.12.2003.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 18 december 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiser is een particulier die aan de woning in de …, … onroerende werken heeft verricht.

Op 16 mei 2001, 9 augustus 2001, 30 januari 2002 en 20 februari 2002 werden door de heer D. V., assistent van Financiën verbonden aan het BTW-controlekantoor te Diksmuide, plaatsbezoeken verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer V. voornoemd, op 26 juni 2003, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder).

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiser een bedrag gevorderd van 16.261,47 EUR BTW en 880,00 EUR geldboete.

Wegens niet-betaling werd op 6.11.2003 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 12.11.2003 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer D. (zie stuk 2 verweerder).

Dit dwangbevel werd op 14.11.2003 bij deurwaardersexploot aan eiser betekend (zie·stuk 3 verweerder).

2.2. Eiser vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

- desgevallend, alvorens recht te doen, een aantal stukken worden voorgelegd.

- vervolgens, het bestreden dwangbevel wordt nietig verklaard en dat dienvolgens voor recht wordt gezegd dat de erin opgenomen sommen niet verschuldigd zijn.

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire interesten.

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 349,54 EUR.

2.3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiser als ontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, aan zijn zijde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 364,40 EUR.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. nietigheid van het dwangbevel

Het dwangbevel wordt door de wet aan geen enkele sacramentele vorm onderworpen. Het is regelmatig wanneer het, door zijn inhoud of door het proces-verbaal waarnaar het verwijst het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingplichtige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen.

In casu werd het proces-verbaal van de overtredingen de dato 26 juni 2003 waarin de motivering en de becijfering van de verschuldigde sommen voorkomt en waarnaar verwezen wordt in het dwangbevel bij het dwangbevel gevoegd en werd het proces-verbaal van vaststellingen ter kennis gebracht aan eiser.

Verder werd de belastingschuld op basis van de voorgelegde facturen correct bepaald op 16.261,47 EUR BTW, meer de administratieve boete en de interesten.

3.2.2. nietige onderzoeksdaden en schending van beginselen van behoorlijk bestuur

Op grond van de voorliggende stukken blijkt dat de door de BTW-ambtenaar gedane onderzoekshandelingen gebeurd zijn conform de wettelijke bepalingen van de artikelen 61, 62 en 63 W.BTW.

Verder werd eiser op omstandige wijze ingelicht over het toepasselijk BTW-tarief en heeft hij·voor het inleiden van de gerechtelijke procedure inzage gekregen van alle stukken uit het dossier.

3.2.3. omvorming of nieuwbouw

3.2.3.1. Eiser stelt dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.

3.2.3.2. Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die. de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A.

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

Verder lezen we het volgende : "Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt : 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud van funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader)".

In het BTW-revue nr. 110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende : "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte".

3.2.3.3. Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgevingen reglementering in herinnering te brengenen of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

3.2.3.4. Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, BTW-rev., nr. 107, 106, nr. 3).

3.2.3.5. De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eiser is het wezenlijke gebleven. Eiser wil gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden draagt hij de bewijslast.

Op basis van de voorliggende stukken blijkt dat de structuur van de woning grondig werd gewijzigd. Zo zijn de helft van de buitenmuren verdwenen en steunen de werken slechts gedeeltelijk op de oude dragende muren. De overblijvende oude muren werden verstevigd en geïncorporeerd in de woning door plaatsing van een bijkomende wand aan de binnen- en buitenzijde. Verder werden de binnenmuren bijna volledig afgebroken en vervangen door nieuwe.

Met betrekking tot de oppervlakte is het zo dat er slechts een oud gedeelte behouden werd van 87,12 m2 en dat het nieuwe gedeelte 296,17 m2 bedraagt.

Dergelijke uitbreidingswerken zijn van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is. De kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen hebben op zich een eigen identiteit verworven. De vloeroppervlakte van het behouden gedeelte van de bestaande woning is bovendien duidelijk kleiner dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering der werken.

De oude woning werd herschapen in een riante villa waarin men de oorspronkelijke woning niet meer kan herkennen.

Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken niet de omvorming van een woning vormen maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

3.2.4. boete

Een boete van 5 % op het verschuldigd BTW-bedrag heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrestnr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

Concreet is de rechtbank in elk geval van oordeel dat een administratieve boete gepast is. Eiser diende immers te weten dat de uitgevoerde werken aan zijn woning niet konden gecatalogiseerd worden als een "verbouwing".

Tenslotte moet een boete ook een ontradend effect hebben.

Rekening houdend met deze elementen en met de relatieve zwaarwichtigheid van de feiten acht de rechtbank de boete van 5 %, en voor een bedrag van 880,00 EUR, in gepaste verhouding tot de vastgestelde feiten.

3.3. nopens de kosten

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 364,40 EUR geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag twaalf februari tweeduizend en zeven.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. N. H.