---
title: "24 april 2006 · Bewijs, controlemaatregel · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 24 april 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brugge-2006-04-24-ceff"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

24 april 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

51 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 24.04.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **02/2142/A**

**de heer D. R. D.**, zelfstandig handelaar (BTW-nr. BE …), voorheen wonende te …, thans te …, …,

**eiser,**

voor wie is opgetreden Meester **L. D. M.** (balie Gent) loco Meester **M. S.**, advocaat met kantoor te …, … en loco Meester **A. D.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, Administratie van de BTW, in de persoon van mevrouw de e.a. inspecteur, rekenplichtige van het BTW­Ontvangkantoor te 8800 ROESELARE, Rondekomstraat 30,

**verweerder,**

voor wie optreedt Meester **L. D. S.**, advocaat met kantoor te …, …,

## 1. RECHTSPLEGING

Gelet op de dagvaarding houdende verzet tegen dwangbevel de dato 30 juli 2002.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 20 maart 2006.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiser baat een traiteurzaak uit en is hierdoor sinds 1 januari 1987 BTW-plichtige onder het BTW-registratienummer BE …. In het kader van een BTW-controle die in de loop van 2001 werd uitgevoerd voor de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1999, werd op 13 december 2001 een proces-verbaal opgesteld (stuk 1 verweerder).

Er bestaat betwisting over het gebruik van een tweede klantenkaart van de NV **M.**, toegekend aan het adres van eiser maar op naam van zijn vader, **D. R. J.**, overleden op …. Het onderzoek van de AOIF-administratie te Antwerpen waarop de BTW-controle onder meer gesteund werd, had immers aan het licht gebracht dat er in de periode tussen 9 januari 1997 tot 18 december 1998 aankopen werden gefactureerd met deze klantenkaart die wezen in de richting van een beroepsgebruik. Aan deze tweede klantenkaart is er in tegenstelling tot de **M.**-kaart waarover eiser beschikt, geen BTW-nummer verbonden en zijn er op het adres, behoudens eiser geen andere personen ingeschreven die een zelfstandige activiteit uitoefenen. In voormeld proces-verbaal wordt voor 1997 een bedrag van 271.535 BEF als aankopen weerhouden en voor 1998 een bedrag van 78.609 BEF. Volgens de belastingadministratie is er dan ook sprake van een door feitelijke vermoedens bewezen omzetverhoging (zie ook dwangbevel d.d. 18 december 2001).

Er werd eerst gepoogd om tot een minnelijk akkoord te komen. Eiser kon zich niet vinden in de door de belastingadministratie voorgestelde correctieopgaven van 18 en 26 september 2001 met betrekking tot de omzetverhoging aangezien hij voorhoudt geen aankopen te hebben verricht met de kaart van zijn vader (stuk 2 eiser). Een derde correctieopgave van 19 oktober 2001 voor een bedrag van 77.285 BEF (evenwel zonder dat daarin een omzetverhoging werd voorzien), werd door hem voor akkoord ondertekend en teruggezonden naar verweerder.

Op 18 december 2001 heeft de controleambtenaar van de BTW Torhout ten nadele van eiser onder RCIV-nummer … een dwangbevel uitgevaardigd voor een bedrag van 324.256 BEF (8.038,10 EUR) uit hoofde van verschuldigde BTW en boete, te vermeerderen met de interesten en vervolgingskosten. Op 19 december 2002 werd dit dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard en vervolgens per aangetekende brief d.d. 20 december 2001 aan eiser ter kennis gebracht (stukken 2 en 3 verweerder). Op 25 juni 2002 werd het dwangbevel bij betekening-bevel per deurwaardersexploot aan eiser betekend (stuk 4 verweerder). Huidige procedure houdt verzet in tegen dit dwangbevel.

**2.2.** Eiser vordert in hoofdorde dat de rechtbank het dwangbevel zou vernietigen en subsidiair zou zeggen dat de vordering van de BTW-administratie niet bewezen is, minstens de herberekening zou bevelen van de gevorderde BTW, de boete zou kwijtschelden of minstens zou verminderen en telkens de terugbetaling zou bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, meer de interest sinds de datum van betaling. Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten.

**2.3.** Verweerder vordert dat de vordering van eiser zou worden afgewezen als ongegrond en eiser te veroordelen tot de gerechtskosten.

## III. BEOORDELING

### 3.1. Nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. Nopens de grond

**3.2.1.** De rechtbank stelt vast dat voorliggende discussie reeds werd beslist door een vonnis van deze rechtbank en kamer d.d. 17 mei 2005, gekend onder het A.R. nr. 03/1060/A, tussen zelfde partijen, met als voorwerp de aankopen die door eiser met kwestieuze klantenkaart op naam van zijn vader werden verricht in de periode 1999 en 2000 (zie ook stuk 7 eiser). Voor de beoordeling van huidige zaak is het van geen belang dat verweerder hoger beroep heeft aangetekend. Er wordt door verweerder overigens ook geen verwijzing naar de rol gevraagd tot er uitspraak zou zijn in graad van beroep.

**3.2.2.** Ook in deze zaak dient te worden vastgesteld dat eiser met reden inroept dat verweerder zich, voor het verschuldigd verklaren van de BTW die het voorwerp is van het bestreden dwangbevel, bedient van een opeenstapeling van vermoedens.

Er wordt door verweerder niet betwist dat hij in eerste instantie het bewijs met vermoedens wenst te leveren (krachtens artikel 59 W.BTW) dat de goederen die via de kaart op naam van de (overleden) vader van eiser gekocht zijn, door eiser zelf gekocht zijn (en dit ten behoeve van zijn beroepswerkzaamheid) en in tweede instantie, het wettelijke vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW inroept om te stellen dat die aankopen ook nog door eiser zijn geleverd onder voorwaarden die de BTW opeisbaar maakten.

Volgens verweerder is dit mogelijk. Nochtans kan verweerder in dit standpunt niet gevolgd worden.

Artikel 64, § 1 (en de volgende §§ ) W.BTW vestigt een wettelijk vermoeden in de zin van de artikelen 1349 en 1352 BW. In het algemeen en dus ook voor wettelijke vermoedens stelt artikel 1349 BW het volgende : *"Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit”* : Dit brengt met zich mee dat een opeenstapeling van vermoedens geen deugdelijk bewijs oplevert.

Eiser heeft steeds integraal betwist dat de aankopen bij de NV **M.** in Deurne die op naam van de vader van eiser (met de aankoopkaart op diens naam en met de broer van eiser als tweede kaarthouder) zijn gedaan in de periode tussen 9 januari 1997 tot 18 december 1998, in feite door hemzelf (of in zijn opdracht en voor zijn rekening) zouden zijn gedaan. Er zijn geen documenten die het rechtstreeks bewijs van de aankoop door eiser van die goederen bevestigen. Zelfs al zou de rechtbank kunnen aannemen dat het geheel van vastgestelde feiten waarop verweerder zich beroept (de ene kaart is op naam van eiser met BTW-nummer, dan andere kaart is op naam van de overleden vader van eiser zonder BTW-nummer; de beide kaarten zijn toegekend op het adres van eiser, adres waar de tweewekelijkse krant van de **M.** toekomt, de andere familieleden op het adres van eiser zijn geen zelfstandigen of BTW-plichtigen, wat ook geldt voor de ene broer die kaarthouder is en op een ander adres woont; er zijn korte tussentijden tussen de aankopen en dit voor relatieve grote hoeveelheden die de behoeften en het consumptievermogen van een gewoon gezin overtreffen; een aantal keren zijn op dezelfde dag, kort of onmiddellijk na elkaar aankopen gebeurd met de twee kaarten), samen het bewijs bijbrengen dat die aankopen met de kaart op naam van de vader van eiser, feitelijk aankopen door eiser persoonlijk zijn, dan nog is dat geen 'zeker feit' in de zin van artikel 1349 BW. Het 'feit' dat die aankopen door eiser zelf zouden zijn gedaan, is immers slechts 'vermoed' en daarom nooit voldoende 'zeker' om op zijn beurt als basis van het (wettelijk) vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW te dienen. Voor dat artikel moet als 'vaststaand feit' aanwezig zijn, het feit dat de belastingplichtige 'goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen'. Waar verweerder het verkrijgen van de betreffende goederen door eiser (weze het dat daarin al het vermoeden steekt dat het een verkrijgen is om ze te verkopen') slechts vermoedt, kan hij niet nog eens het vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW toepassen.

Het dwangbevel is dus gesteund op een willekeurige bewijsvoering en daarom integraal nietig.

De intrest op de eventueel geïnde sommen wordt beheerst door artikel 91, § 4 W.BTW. Het betreft moratoire interest, namelijk vanaf de aanmaning. De aanmaning tot terugbetaling is kennelijk pas door middel van de dagvaarding gedaan. De interest is dus verschuldigd vanaf 30 juli 2002 en dit tegen de wettelijke rentevoet.

### 3.3. Nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld.

Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**De Rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op **tegenspraak**.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

De rechtbank vernietigt daarom het dwangbevel d.d. 18 december 2001 dat op naam van eiser is uitgevaardigd onder RCIV-nummer … en geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op19 december 2001.

De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het vernietigde dwangbevel zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de interest aan de wettelijke rentevoet, vanaf de datum van betaling maar ten vroegste vanaf 30 juli 2002, zijnde de datum van de dagvaarding.

Veroordeelt verweerder tot de gedingskosten, aan zijn zijde niet te begroten nu ze hem ten laste blijven en aan de zijde van eiseres te begroten op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 356,97 EUR en de dagvaardingskosten ten bedrage van 94,31 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **vierentwintig april tweeduizend en zes**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **N. H.**
