---
title: "18 januari 2005 · Bewijs, controlemaatregel · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 18 januari 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-brugge-2005-01-18-5831"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

18 januari 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

64 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 18.01.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND**

AR nr. **02/3318/A**

In de zaak van :

**de heer S. V.**, restauranthouder, handeldrijvende onder de benaming "**A. V.**", wonende te …, …, destijds ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …,

**eiser,**

vertegenwoordigd door meester **F. S.**, advocaat te ….

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings-en Inkomstenfiscaliteit, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer Ontvanger van het 1ste BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr. 31,

**verweerder,**

vertegenwoordigd door meester **F. W.**, advocaat te ….

---

## I. PROCEDURE

De rechtbank verwijst naar zijn tussenvonnis van 30 november 2004, waarin verweerder gevraagd werd met toepassing van de artikelen 877 e.v. Ger. W. de volgende stukken bij het dossier van de rechtspleging te voegen :

(1) het proces-verbaal van 18 juni 2002 dat ten laste van eiser werd opgesteld door de heer **W. V. D. V.**, samen met al zijn bijlagen,

en

(2) de brief van eiser aan verweerder van 17 juli 2002.

Verweerder heeft die stukken neergelegd op 20 december 2004.

## II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

*1. De feiten die relevant zijn voor het geschil*

Daarvoor verwijst de rechtbank naar zijn tussenvonnis van 30 november 2004.

Het proces-verbaal van 18 juni 2002 blijkt opgesteld te zijn door uitdrukkelijk te verwijzen en te citeren uit twee processen-verbaal van collega's, namelijk enerzijds het proces-verbaal van de AOIF Brussel lIl van 16 augustus 2001 met betrekking tot het onderzoek bij de NV **M.** & FILS uit … en anderzijds het proces-verbaal van de 5 de BBl-inspectie Gent van 22 december 2000. Die processen-verbaal zijn als bijlage bij het proces-verbaal van 18 juni 2002 gevoegd.

Vervolgens geeft de verbaliserende ambtenaar weer wat hij zelf heeft vastgesteld, om daarna zijn gevolgtrekkingen te vermelden.

Waar in dat tussenvonnis nog onzekerheid bestond over de vraag of en op welke manier eiser met de brief van 17 juli 2002 reageerde op het proces­verbaal van 18 juni 2002, stelt de rechtbank vast dat het gaat om een brief van de advocaat van eiser die zowel in feite als (vooral) in rechte op uitgebreide wijze aanvoert waarom eiser de gevorderde BTW-sommen niet verschuldigd zou zijn. In wezen betreft het grotendeels dezelfde argumentatie als deze die ook nu nog voor de rechtbank wordt ingeroepen.

*2. De vorderingen van de partijen*

Ook daarvoor verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 30 november 2004.

## III. BESPREKING

*1. De grond van de vordering*

Terecht laat eiser gelden dat artikel 64, § 1 W.BTW een wettelijk vermoeden bevat. Verweerder stelt dat trouwens zelf. Het artikel luidt als volgt :

*Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.*

Verweerder moet bewijzen dat de BTW die hij in zijn dwangbevel opeist, daadwerkelijk verschuldigd is door eiser.

Hij gebruikt daartoe artikel 64, § 1 W.BTW : de BTW is rechtstreeks toegepast op de omzet die verband houdt met de goederen die volgens verweerder door eiser bij de NV **M.** et Fils in de periode van 1997 tot 2000 gekocht zijn waarvoor facturen werden opgesteld door die leverancier onder de vermelding 'diverse klanten' of 'particuliere klanten'.

Vermits verweerder zich bedient van dat wettelijk vermoeden, kan hij daarbij niet vertrekken van feiten die zelfs niet rechtstreeks, maar op basis slechts van een vermoeden bewezen zijn. De opeenstapeling van vermoeden levert geen deugdelijk bewijs omdat het teveel onzekerheden bevat.

Het feit dat moet vaststaan en rechtstreeks door eiser moet worden bewezen is, gelet op de termen van artikel 64, § 1 W.BTW en de concrete toedracht van het dossier, **dat eiser goederen heeft verkregen** vanwege de NV **M.** et Fils, meer bepaald goederen waarvoor eiser geen factuur heeft ingeschreven in zijn boekhouding.

Nu de stelt de rechtbank vast dat verweerder, in weerwil van de argumenten van eiser, wel degelijk rechtstreeks bewijst dat de betreffende goederen aan eiser geleverd werden.

Dat bewijs blijkt immers zonder meer uit de bevindingen die weergegeven staan in het proces-verbaal van 16 augustus 2001 (zie het tussenvonnis van 30 november 2004), opgesteld door ambtenaren van verweerder met standplaats te Brussel naar aanleiding van het onderzoek bij de NV **M.** et Fils. Daarin staan de nodige materiële vaststellingen die bewijzen dat er evenveel goederen die aan eiser geleverd werden, gefactureerd werden op naam van 'diverse klanten', als er met een factuur op naam van eiser geleverd werden. **M.** en **C. M.** hebben heel uitdrukkelijk verklaard en uiteengezet dat elke bestelling op die manier gebeurde. Ze verduidelijk ten dat op de facturen aan 'diverse klanten' door **C. M.** telkens eigenhandig "**V.**" werd toegevoegd (kennelijk op de keerzijde) opdat **M. M.**, die de goederen afleverde, kon weten welke goederen hij bij welke klant moest afzetten. Bij dat proces-verbaal van 16 augustus 2001 werden alle betrokken facturen gevoegd zowel op naam van eiser als de corresponderende facturen op naam van 'diverse klanten'. Nazicht van het proces-verbaal van 18 juni 2002 leert dat de verbaliserende ambtenaar (**W. V. D. V.**) bij zijn onderzoek, van dat proces-verbaal van 16 augustus 2001 en van de bijgaande stukken kennis genomen heeft. Hij moest persoonlijk niet alle vaststellingen overdoen die zijn Brusselse collega's hadden gedaan om aan zijn proces-verbaal van 18 juni 2002 de bijzondere bewijswaarde te geven met betrekking tot die eerder gedane materiële vaststellingen. Dat kan bezwaarlijk betwist worden met betrekking tot de vaststellingen die rechtstreeks blijken uit het samen leggen van de facturen die als bijlagen bij het proces-verbaal van 16 augustus 2001 zijn gevoegd. De vaststelling van het bestaan van de spiegelverkoop door de NV **M.** et Fils aan eiser, is op zich dus door de verbaliserende ambtenaar persoonlijk kunnen gebeuren (en gebeurd).

Bovendien was hij ook niet verplicht om **M.** en **C. M.** opnieuw persoonlijk te verhoren. Het volstond vast te stellen wat zijn Brusselse collega's daarvan in hun proces-verbaal weergegeven hebben om de inhoud ervan als waar aan te nemen. De weergave door de Brusselse collega's heeft bijzondere bewijswaarde vermits ze weergeven wat ze zelf gehoord hebben uit de mond van de ondervraagden. Wanneer de heer **V. D. V.** die weergaven voor waar aanneemt, doet hij geen afleidingen of veronderstellingen; hij stelt vast dat die verklaringen aldus zijn afgelegd. Dat is een feit.

Verder levert eiser geenszins het bewijs dat de **M.** en **C M.** de verklaringen die in het proces-verbaal van 16 augustus 2001 zijn weergegeven, door hen niet zouden zijn afgelegd. Vooreerst is duidelijk dat het niet vereist en ook niet algemeen gebruikelijk is dat belastingplichtigen of hun vertegenwoordigers in het kader van een onderzoek van hun verhoren (die vaak gespreid in de tijd op verschillende tijdstippen plaats vinden) een neergeschreven versie ontvangen die zij gevraagd worden te ondertekenen. Dat zijn verklaring niet wordt voorgelegd, kan dus niet verwonderen. De verklaring wordt weergegeven in het proces-verbaal en kan bij ontvangst van dat proces-verbaal worden bekritiseerd. Uit niets blijkt dat **M.** en **C. M.** zich ooit zouden verzet hebben tegen de betreffende weergave van hun verklaringen in het proces-verbaal van 16 augustus 2001.

De brief die zij daarna aan de AOIF in Brussel schreven, namelijk op 8 november 2001, is er kennelijk slechts gekomen uit commerciële bezorgdheid voor de gevolgen van hun bekentenissen. Het is opvallend dat zij daarin het woord 'verklikken' (*dénoncer*) gebruiken. Dat AOIF van Brussel heeft daarop dan ook geantwoord dat **M.** en **C. M.** hun klanten geenszins verklikt hebben. Belangrijk is dat daarin toegevoegd wordt dat één en ander gewoon uit het onderzoek van de documenten is gebleken *( ... je suis en mesure de vous confirmer que la révision de la situation fiscale dont ces derniers font l'objet résulte donc non pas d'une dénonciation émanante de la société anonyme* ***M.*** *& FILS, mais bien des éléments découverts et receuillis au cours de la vérification approfondie de sa comtabilité*; vrij vertaald : *... kan ik u bevestigen dat de herziening van de fiscale toestand waarvan laatstgenoemden het voorwerp uitmaken, dus niet het gevolg is van een verklikking door de NV* ***M.*** *& Fils, maar door de gegevens die ontdekt zijn en bekomen naar aanleiding van een grondige controle van haar boekhouding)*. Daaruit kan slechts afgeleid worden dat **M.** en **C. M.**, geconfronteerd met de boekhouding van hun vennootschap, in het bijzonder met de gelijkenissen tussen de betreffende facturen, niet anders konden dan hun systeem erkennen en daarbij meteen ook toegaven per klant (dus ook voor wat eiser betreft) dat het systeem werd toegepast zoals het bestond.

Aldus is in het proces-verbaal van 18 juni 2002 kunnen vertrokken worden van het rechtstreeks geleverd bewijs dat er aan eiser door de NV **M.** et Fils tussen 1997 en 2000 voor een bedrag van 668.457 frank of 16.570,62 euro aan eiser goederen werden geleverd waarvoor geen factuur op naam van eiser werd uitgereikt.

Op dat feit heeft verweerder vervolgens artikel 64, § 1 W.BTW toegepast en dus vermoed dat die goederen door eiser verkocht zijn onder voorwaarden die de belasting opeisbaar maken. Met reden werd dus door verweerder in het proces-verbaal van 18 juni 2002 gesteld dat eiser nog de BTW verschuldigd is die verband houdt met de verkopen van de betreffende aangekochte goederen.

Om de vraag in te vullen hoeveel het bedrag aan BTW was dat verschuldigd is verklaard, kon verweerder zich baseren op de cijfers van de officiële aankopen uit dezelfde periode; dat is een inherent gevolg van de spiegelverkoop die als feit werd vastgesteld. Hoewel verweerder uit de gegevens van de directe belastingen het feit kon afleiden dat er in de betreffende periode gemiddeld een rendementsfactoor van 259 % bestond, heeft verweerder in het voordeel van eiser een (beduidend) lager percentage gehanteerd, namelijk 180 %, zijnde dat wat door eiser was aanvaard in het dossier ISPC. Dat eiser dat percentage als billijk aanzag, is een feit dat door zijn akkoord bewezen wordt; dat akkoord werd ook bij het proces-verbaal van 18 juni 2002 gevoegd. De aard van de goederen die door ISPC en de NV **M.** et Fils geleverd werden, waren kennelijk vergelijkbaar. Die vaststellingen maakte verweerder mogelijk de betwisting daarover te vermijden, terwijl hij niet lager moest gaan dan die 180 %. Door het percentage in die zin te verlagen, heeft verweerder meteen een grote foutmarge in het voordeel van eiser ingebouwd, zodat elke bewering van eiser als zou er sprake zijn van willekeur, door zijn gebrek aan belang bij die eventuele opmerking, op voorhand irrelevant gemaakt werd.

Ook de proportionele vermindering in functie van de opdeling van de jaren 1997 en 1998 in het verjaarde en het niet-verjaarde gedeelte, wordt op het vlak van de foutmarge ondervangen door de ernstige verlaging van het rendementspercentage.

### Over de boetes

Ten onrechte meent eiser te kunnen aanspraak maken op kwijtschelding of vermindering van de boete. Het vastgestelde systeem is altijd bij elk van de betrokkenen ingegeven door strikt frauduleuze bedoelingen, namelijk de schatkist te benadelen. Dat is voor eiser niet anders. Het is zelfs zo dat de betrokken leverancier door de concurrentiële druk die uitgaat van de afnemers (zoals eiser) weinig andere keuze had, dan op die manier tewerk te gaan.

De boete moet niet alleen een vergoedend karakter hebben; daarnaast moet ze hoog genoeg zijn om een herhaling van de feiten in de toekomst te vermijden. De verhouding zowel als het concrete nominale bedrag van de door verweerder opgelegde boete is in de gegeven omstandigheden gepast.

*2. De gerechtskosten*

Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1 ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.

*3. Uitvoerbaarheid bij voorraad*

Nu de vordering van eiser niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor hem geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

### Beschikkend gedeelte

## IV. UITSPRAAK

**De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.**

**Om alle bovenstaande redenen wijst de rechtbank de vordering af als ongegrond.**

De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

aan de zijde van verweerder :

\- rechtsplegingsvergoeding : 349,53 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.

De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af als ongegrond.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **vierde kamer** van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op **achttien januari tweeduizend en vijf**.

De rechtbank is als volgt samengesteld :

**D. V.**, alleenrechtsprekend rechter

**A. V.**, griffier

**A. V.** **D. V.**
