Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 30.11.2004
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
AR nr. 02/3318/A Rep. nr. 2004/15905
in de zaak van :
de heer S. V., restauranthouder, handeldrijvende onder de benaming "A. V.", wonende te …, …, destijds ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …,
eiser,
vertegenwoordigd door meester F. S., advocaat te ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings-en Inkomstenfiscaliteit, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer Ontvanger van het 1ste BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr. 31,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester F. W., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 23 november 2004, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. de geding inleidende dagvaarding van 14 november 2002 met verzet tegen het dwangbevel dat op 12 augustus 2002 is uitgevaardigd en
2.de conclusie voor verweerder van 31 oktober 2003.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiser is zelfstandig exploitant van zijn restaurant A. V..
Op 20 december 2000 werd eiser onderworpen aan een controle waarbij bleek dat hij niet in regel was met het inschrijven van zijn ontvangsten in het dagontvangstenboek.
Voordien al was een onderzoek aan de gang in verband met officieuze verkopen door horecaleverancier ISPC uit …. Uit dat onderzoek is gebleken dat eiser één van de afnemers was van leveringen die op fictieve namen werden gefactureerd door dat bedrijf. Eiser aanvaardde voor dat dossier de achterstallige invordering van de BTW en de boetes en de vervolgingskosten.
Op 14 november 2000 was ondertussen ook een onderzoek gestart bij horecaleverancier M. et FILS NV uit …. Ook in dat onderzoek werd de naam van eiser genoemd. Van de bevindingen uit dat onderzoek die betrekking hebben op eiser werd op 16 augustus 2001 een proces-verbaal opgemaakt in de Franse taal door de heren P. D. G. en P. M., waarvan door verweerder een (door de rechtbank getrouw bevonden) vertaling wordt voorgelegd. In dat proces-verbaal (vertaalde versie) komt de volgende passage voor :
4. Wij hebben vastgesteld dat er facturen werden opgesteld op naam van "A. V." …, …. Wij stellen eveneens vast dat bepaalde facturen het handgeschreven opschrift dragen "Diverse klanten" of “V.”. Wij tonen u als voorbeeld de factuur 2019 (lees nr. …) (DIVERSE KLANTEN) van 13/08/1997.Gaat het hier om dezelfde klant ?
"Ja"
Voor deze klant zijn de goederen op de volgende manier gefactureerd geweest : 50 % met vermelding "DIVERSE KLANTEN" en 50 % op naam van A. V. (correcte facturatie). M. M. herinnert zich dat deze klant het voorwerp zou hebben uitgemaakt van een nazicht door de Fiscale Administratie in het kader van de zaak ISPC te ….
Mevrouw M. neemt contact om met de klant om de bestelling te nemen. Elke keer, tenminste tot op het tijdstip van de controle bij ISPC, maakte de helft van de goederen het voorwerp uit van een facturatie "Diverse klanten".
De goederen worden geleverd door mij (M. M.) persoonlijk in …, reden voor dewelke de naam van de klant werd vermeld op de keerzijde van de factuur "Diverse klanten".
De betaling van de officiële facturen, op naam van "A. V." gebeurde per officiële cheque.
De facturen aan "Diverse klanten" worden contant betaald, met restaurant-cheques of met cheques van klant.
De heer en Mevrouw M. bevestigen dat het voornoemd systeem toegepast geweest is gedurende de periode van 8/01/1997 tot 15/03/2000. "A. V." maakt thans nog altijd deel uit van het cliënteel van de SA M. & FILS NV.
Mevrouw C. M. verklaart de vermelding "V." te hebben aangebracht op de keerzijde van de facturen "DIVERSE KLANTEN" met het doel haar broer toe te laten de goederen wel degelijk te leveren bij de betrokken klant.
Een lijst die het detail van de onregelmatige facturen bevat wordt in bijlage één aan dit proces-verbaal toegevoegd.
Kennelijk werd op 18 juni 2002 een proces-verbaal opgesteld ten laste van eiser met betrekking tot omzetten in de jaren 1997, 1998, 1999 en 2000.
Eiser zou daarop per brief van 17 juli 2002 gereageerd hebben; daarin zou hij de vaststellingen, beweringen en gevolgtrekking uit dat proces-verbaal betwist hebben.
Met verwijzing naar het proces-verbaal van 18 juni 2002 vaardigde verweerder op 12 augustus 2002 een dwangbevel uit ten laste van eiser. Daarin werden de volgende bedragen verschuldigd verklaard :
- 5.658,57 euro BTW;
- 11.310,00 euro proportionele geldboete.
- 495,00 euro niet-proportionele geldboete,
- de wettelijke interest op de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2001,
- de moratoire interest op de verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel en
- de vervolgingskosten.
Dat dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 augustus 2002 en per aangetekende brief van 5 september 2002 aan eiser betekend.
Met een dagvaarding van 14 november 2002 stelde eiser zijn huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiser vordert dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van het bestreden dwangbevel zou stuiten en dat dwangbevel ongegrond zou verklaren en te zeggen voor recht dat de gevorderde BTW-sommen, de boeten en de interesten niet verschuldigd zijn. Minstens vordert hij dat de rechtbank de geldboete zou kwijtschelden of zou verminderen tot 10 % van de verschuldigde BTW.
Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als onontvankelijk, minstens als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.
III. BESPREKING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Hoewel verweerder besluit tot de onontvankelijkheid van de vordering, voert hij daartoe geen redenen aan. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.
2. De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiser
In hoofdorde voert eiser aan dat verweerder het vereiste bewijs niet levert dat eiser de goederen heeft gekocht waarop de nagevorderde BTW betrekking heeft. Volgens eiser past verweerder immers een opeenstapeling van vermoedens toe.
Daartoe roept eiser de volgende overwegingen in :
- het proces-verbaal van 18 juni 2002 is niet gebaseerd op vaststellingen in de boekhouding van eiser, maar uitsluitend op het eerdere proces-verbaal van 16 augustus 2001 ten laste van de leverancier;
- dat proces-verbaal verwijst naar verklaringen van de heer en mevrouw M. maar die verklaringen zelf worden niet bijgevoegd, terwijl die personen ontkennen dergelijke verklaringen te hebben afgelegd;
- of die verklaringen werden afgelegd, kan door eiser bijgevolg niet gecontroleerd of geverifieerd worden;
- het eenvoudig citeren van verklaringen herstelt het gebrek aan materiële motivering niet;
- er is geen overdracht van de bewijslast wat die verklaringen aangaat;
- omdat een proces-verbaal alleen bijzondere bewijskracht heeft wat de materiële vaststellingen van de verbalisanten aangaat, moet de bewijskracht van het proces-verbaal van 18 juni 2002 sterk gerelativeerd worden.
Aldus stelt eiser dat de vaststellingen waar de opsteller van het proces-verbaal van 18 juni 2002 naar verwijst, niets anders zijn dan loutere vaststellingen en pure speculaties op basis van niet gestaafde verklaringen, die de verbalisant zelf heeft gemaakt en bovendien ook niets meer zijn dan loutere vermoedens die hoegenaamd niet bijdragen aan het bewijs dat de facturen en de leveringen geboekt bij M. et Fils NV op 'diverse klanten' en 'privé gebruik' aan één en dezelfde persoon, namelijk eiser zouden gebeurd zijn.
Op grond van die stelling, roept eiser in dat verweerder zich niet gebaseerd heeft op vaststaande feiten om daarop een vermoeden te vestigen dat telkens voor nogmaals evenveel goederen aan eiser zijn geleverd door M. et Fils NV als er officieel geleverd werden.
Zelfs dan nog zou niet bewezen zijn dat die goederen door eiser gebruikt werden voor gebruik in zijn restaurant en dit in een nog niet-verjaarde periode.
Bovendien, zo stelt eiser, werd daar bovenop nog eens het vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW toegepast. Het vermoeden dat in dat artikel wordt toegepast zou alleen kunnen vertrekken van vaststaande gegevens, maar niet van feiten die zelf slechts zijn bewezen aan de hand van vermoedens.
Subsidiair voert eiser aan dat de verbalisant de boeten heeft opgelegd met miskenning van het vermoeden van onschuld en van de Wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen om aldus aan te nemen dat er sprake zou zijn van frauduleus oogmerk.
De verbalisant kon volgens eiser niet volstaan met het verwijzen naar het dossier ISPC. Het louter niet-aangeven van belastbare inkomsten bewijst volgens eiser nog geen fraude en de verwijzing naar het dossier ISPC zou louter sfeer scheppend zijn.
De boete van 200 % zou overdreven hoog zijn.
2.2. Stelling van verweerder
Verweerder benadrukt de feitelijke vaststellingen die volgens hem het rechtstreeks bewijs leveren van een vaste gewoonte om de zgn. 'spiegelverkoop' toe passen bij leveringen door M. et Fils NV aan eiser in de betrokken periodes. Verweerder stelt dat de volgende elementen voorhanden zijn :
- een opeenvolging van identieke facturaties waarbij de ene keer verzoeker als cliënt vermeld wordt en de volgende of vorige keer een anoniem persoon;
- de bekentenis van de bestuurders van de leverancier dat er inderdaad een systeem van onder facturatie bestaat;
- de vaststelling dat verzoeker ook van een andere leverancier niet alle aankopen in zijn boekhouding heeft aangegeven;
- de bekentenis van verzoeker dat niet alle verkopen in de boekhouding werden opgenomen;
- de algemene vaststelling dat de boekhouding van verzoeker niet bewijskrachtig is.
Verweerder ontkent dat de verbalisant zich alleen zou gesteund hebben op het proces-verbaal van 16 augustus 2001 van zijn Brusselse collega's, vermits hij zelf de betreffende facturen gezien heeft en de gelijkenissen tussen de officiële en niet-officiële facturen gezien heeft.
Verder verwijst verweerder naar diverse gevallen in de rechtspraak die hij beknopt weergeeft.
Aldus stelt verweerder dat hij met reden artikel 64, § 1 W.BTW heeft toegepast en dat hij daarbij evenzeer met reden vertrokken is van het gemiddeld rendement dat blijkt uit de gegevens van de directe belastingen, maar dat hij kennelijk teruggebracht heeft op 180 %, zijnde het rendement dat in het akkoord in de zaak ISPC werd toegepast.
Verweerder verwijst er verder op dat, rekening houdend met de verjaringstermijnen, het berekende omzettekort verhoudingsgewijze werd verminderd voor het verjaarde gedeelte.
Met betrekking tot de boetes verwijst verweerder vooreerst naar het proces-verbaal van 22 december 2002 in verband met de inschrijvingen in het dagontvangstenboek, waaruit verweerder afleidt dat eiser een deel van de verkopen uit zijn boekhouding weerde.
Met daaraan toegevoegd de vaststelling dat eiser ook niet alle aankopen in zijn boekhouding opneemt, levert dat volgens verweerder het bewijs van fraude. Van nalatigheid of omstandigheden buiten de wil van de belastingplichtige zou geen sprake meer kunnen zijn. Dat doet verweerder besluiten dat de boetes terecht werden opgelegd.
2.3. Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat geen van beide partijen het proces-verbaal van 18 juni 2002 dat werd opgesteld door de heer W. V. D. V. bij zijn stukken voegt.
Gelet op de aard van de betwisting (bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal van 18 juni 2002), is de voorlegging van dat proces-verbaal met al zijn bijlagen volgens de rechtbank noodzakelijk.
De brief van 17 juni 2002 van eiser aan de verweerder wordt evenmin voorgelegd.
Vermits vermoed moet worden dat die stukken in het bezit van verweerder zijn, beveelt de rechtbank verweerder om die stukken, hetzij de originelen, hetzij een eensluidend verklaard afschrift ervan, bij het dossier van de rechtspleging te voegen binnen de zes weken vanaf nu, concreet uiterlijk op maandag 10 januari 2005.
In geval van neerlegging van een afschrift, moet de eensluidend verklaring gebeuren door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge of door zijn vervanger (art. 879, 2de lid Ger. W.).
De rechtbank stelt de zaak voor de uitspraak uit naar de zitting van dinsdag 18 januari 2005.
3. De gerechtskosten
De uitspraak over het lot van de gerechtskosten moet voorlopig worden aangehouden.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Deze beschikking is, wat de overlegging van de stukken betreft, niet vatbaar voor hoger beroep (art. 880, 2de lid Ger. W.). In de gegeven omstandigheden, is de uitvoerbaarheid bij voorraad niet aan de orde.
Beschikkend gedeelte
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk.
Alvorens over de grond van de zaak uitspraak te doen beveelt de rechtbank met toepassing van artikel 877 e.v. Ger. W. dat verweerder de volgende twee stukken, hetzij in origineel, hetzij in voor eensluidend verklaard afschrift bij het dossier van de rechtspleging zou voegen door neerlegging ter griffie tegen uiterlijk maandag tien januari tweeduizend en vijf (10/01/2005) :
(1) het proces-verbaal van 18 juni 2002 dat ten laste van eiser werd opgesteld door de heer W. V. D. V., samen met al zijn bijlagen
en
(2) de brief van eiser aan verweerder van 17 juli 2002.
De rechtbank beveelt dat, in het geval een afschrift wordt overgelegd, de eensluidende verklaring ervan moet gebeuren door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Brugge, of zijn vervanger.
De rechtbank beveelt de griffier te handelen zoals voorzien in artikel 880 Ger. W.
De rechtbank houdt de uitspraak over het lot van de gerechtskosten inmiddels aan.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op dertig november tweeduizend en vier.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter,
A. V., griffier
A. V. D. V.
Door de FOD bijgevoegde beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
AR nr. 02/3318/A Rep. nr. 2005/747
in de zaak van :
de heer S. V., restauranthouder, handeldrijvende onder de benaming "A. V.", wonende te …, …, destijds ingeschreven in het handelsregister te Kortrijk onder nummer …,
eiser,
vertegenwoordigd door meester F. S., advocaat te ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings-en Inkomstenfiscaliteit, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer Ontvanger van het 1ste BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr. 31,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester F. W., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De rechtbank verwijst naar zijn tussenvonnis van 30 november 2004, waarin verweerder gevraagd werd met toepassing van de artikelen 877 e.v. Ger. W. de volgende stukken bij het dossier van de rechtspleging te voegen :
(1) het proces-verbaal van 18 juni 2002 dat ten laste van eiser werd opgesteld door de heer W. V. D. V., samen met al zijn bijlagen,
en
(2) de brief van eiser aan verweerder van 17 juli 2002.
Verweerder heeft die stukken neergelegd op 20 december 2004.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Daarvoor verwijst de rechtbank naar zijn tussenvonnis van 30 november 2004;
Het proces-verbaal van 18 juni 2002 blijkt opgesteld te zijn door uitdrukkelijk te verwijzen en te citeren uit twee processen-verbaal van collega's, namelijk enerzijds het proces-verbaal van de AOIF Brussel III van 16 augustus 2001 met betrekking tot het onderzoek bij de NV M. & FILS uit … en anderzijds het proces-verbaal van de 5de BBl-inspectie Gent van 22 december 2000. Die processen-verbaal zijn als bijlage bij het proces-verbaal van 18 juni 2002 gevoegd.
Vervolgens geeft de verbaliserende ambtenaar weer wat hij zelf heeft vastgesteld, om daarna zijn gevolgtrekkingen te vermelden.
Waar in dat tussenvonnis nog onzekerheid bestond over de vraag of en op welke manier eiser met de brief van 17 juli 2002 reageerde op het proces-verbaal van 18 juni 2002, stelt de rechtbank vast dat het gaat om een brief van de advocaat van eiser die zowel in feite als (vooral) in rechte op uitgebreide wijze aanvoert waarom eiser de gevorderde BTW-sommen niet verschuldigd zou zijn. In wezen betreft het grotendeels dezelfde argumentatie als deze die ook nu nog voor de rechtbank wordt ingeroepen.
2. De vorderingen van de partijen
Ook daarvoor verwijst de rechtbank naar het tussenvonnis van 30 november 2004.
III. BESPREKING
1. De grond van de vordering
Terecht laat eiser gelden dat artikel 64, § 1 W.BTW een wettelijk vermoeden bevat. Verweerder stelt dat trouwens zelf. Het artikel luidt als volgt :
Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.
Verweerder moet bewijzen dat de BTW die hij in zijn dwangbevel opeist, daadwerkelijk verschuldigd is door eiser.
Hij gebruikt daartoe artikel 64, § 1 W.BTW : de BTW is rechtstreeks toegepast op de omzet die verband houdt met de goederen die volgens verweerder door eiser bij de NV M. et Fils in de periode van 1997 tot 2000 gekocht zijn waarvoor facturen werden opgesteld door die leverancier onder de vermelding 'diverse klanten' of 'particuliere klanten'.
Vermits verweerder zich bedient van dat wettelijk vermoeden, kan hij daarbij niet vertrekken van feiten die zelfs niet rechtstreeks, maar op basis slechts van een vermoeden bewezen zijn. De opeenstapeling van vermoeden levert geen deugdelijk bewijs omdat het teveel onzekerheden bevat.
Het feit dat moet vaststaan en rechtstreeks door eiser moet worden bewezen is, gelet op de termen van artikel 64, § 1 W.BTW en de concrete toedracht van het dossier, dat eiser goederen heeft verkregen vanwege de NV M. et Fils, meer bepaald goederen waarvoor eiser geen factuur heeft ingeschreven in zijn boekhouding.
Nu de stelt de rechtbank vast dat verweerder, in weerwil van de argumenten van eiser, wel degelijk rechtstreeks bewijst dat de betreffende goederen aan eiser geleverd werden.
Dat bewijs blijkt immers zonder meer uit de bevindingen die weergegeven staan in het proces-verbaal van 16 augustus 2001 (zie het tussenvonnis van 30 november 2004), opgesteld door ambtenaren van verweerder met standplaats te Brussel naar aanleiding van het onderzoek bij de NV M. et Fils. Daarin staan de nodige materiële vaststellingen die bewijzen dat er evenveel goederen die aan eiser geleverd werden, gefactureerd werden op naam van 'diverse klanten', als er met een factuur op naam van eiser geleverd werden. M. en C. M. hebben heel uitdrukkelijk verklaard en uiteengezet dat elke bestelling op die manier gebeurde. Ze verduidelijkten dat op de facturen aan 'diverse klanten' door C. M. telkens eigenhandig "V." werd toegevoegd (kennelijk op de keerzijde) opdat M. M., die de goederen afleverde, kon weten welke goederen hij bij welke klant moest afzetten. Bij dat proces-verbaal van 16 augustus 2001 werden alle betrokken facturen gevoegd zowel op naam van eiser als de corresponderende facturen op naam van 'diverse klanten'. Nazicht van het proces-verbaal van 18 juni 2002 leert dat de verbaliserende ambtenaar (W. V. D. V.) bij zijn onderzoek, van dat proces-verbaal van 16 augustus 2001 en van de bijgaande stukken kennis genomen heeft. Hij moest persoonlijk niet alle vaststellingen overdoen die zijn Brusselse collega's hadden gedaan om aan zijn proces-verbaal van 18 juni 2002 de bijzondere bewijswaarde te geven met betrekking tot die eerder gedane materiële vaststellingen. Dat kan bezwaarlijk betwist worden met betrekking tot de vaststellingen die rechtstreeks blijken uit het samen leggen van de facturen die als bijlagen bij het proces-verbaal van 16 augustus 2001 zijn gevoegd. De vaststelling van het bestaan van de spiegelverkoop door de NV M. et Fils aan eiser, is op zich dus door de verbaliserende ambtenaar persoonlijk kunnen gebeuren (en gebeurd).
Bovendien was hij ook niet verplicht om M. en C. M. opnieuw persoonlijk te verhoren. Het volstond vast te stellen wat zijn Brusselse collega's daarvan in hun proces-verbaal weergegeven hebben om de inhoud ervan als waar aan te nemen. De weergave door de Brusselse collega's heeft bijzondere bewijswaarde vermits ze weergeven wat ze zelf gehoord hebben uit de mond van de ondervraagden. Wanneer de heer V. D. V. die weergaven voor waar aanneemt, doet hij geen afleidingen of veronderstellingen; hij stelt vast dat die verklaringen aldus zijn afgelegd. Dat is een feit.
Verder levert eiser geenszins het bewijs dat de M. en C. M. de verklaringen die in het proces-verbaal van 16 augustus 2001 zijn weergegeven, door hen niet zouden zijn afgelegd. Vooreerst is duidelijk dat het niet vereist en ook niet algemeen gebruikelijk is dat belastingplichtigen of hun vertegenwoordigers in het kader van een onderzoek van hun verhoren (die vaak gespreid in de tijd op verschillende tijdstippen plaatsvinden) een neergeschreven versie ontvangen die zij gevraagd worden te ondertekenen. Dat zo'n verklaring niet wordt voorgelegd, kan dus niet verwonderen. De verklaring wordt weergegeven in het proces-verbaal en kan bij ontvangst van dat proces-verbaal worden bekritiseerd. Uit niets blijkt dat M. en C. M. zich ooit zouden verzet hebben tegen de betreffende weergave van hun verklaringen in het proces-verbaal van 16 augustus 2001.
De brief die zij daarna aan de AOIF in Brussel schreven, namelijk op 8 november 2001, is er kennelijk slechts gekomen uit commerciële bezorgdheid voor de gevolgen van hun bekentenissen. Het is opvallend dat zij daarin het woord 'verklikken' (dénoncer) gebruiken. Dat AOIF van Brussel heeft daarop dan ook geantwoord dat M. en C. M. hun klanten geenszins verklikt hebben. Belangrijk is dat daarin toegevoegd wordt dat één en ander gewoon uit het onderzoek van de documenten is gebleken (... je suis en mesure de vous confirmer que la révision de la situation fiscale dont ces derniers font l'objet résulte donc non pas d'une dénonciation émanante de la société anonyme M. & FILS, mais bien des éléments découverts et receuillis au cours de la vérification approfondie de sa comptabilité; vrij vertaald : ... kan ik u bevestigen dat de herziening van de fiscale toestand waarvan laatstgenoemden het voorwerp uitmaken, dus niet het gevolg is van een verklikking door de NV M. & Fils, maar door de gegevens die ontdekt zijn en bekomen naar aanleiding van een grondige controle van haar boekhouding). Daaruit kan slechts afgeleid worden dat M. en C. M., geconfronteerd met de boekhouding van hun vennootschap, in het bijzonder met de gelijkenissen tussen de betreffende facturen, niet anders konden dan hun systeem erkennen en daarbij meteen ook toegaven per klant (dus ook voor wat eiser betreft) dat het systeem werd toegepast zoals het bestond.
Aldus is in het proces-verbaal van 18 juni 2002 kunnen vertrokken worden van het rechtstreeks geleverd bewijs dat er aan eiser door de NV M. et Fils tussen 1997 en 2000 voor een bedrag van 668.457 frank of 16.570,62 euro aan eiser goederen werden geleverd waarvoor geen factuur op naam van eiser werd uitgereikt.
Op dat feit heeft verweerder vervolgens artikel 64, § 1 W.BTW toegepast en dus vermoed dat die goederen door eiser verkocht zijn onder voorwaarden die de belasting opeisbaar maken. Met reden werd dus door verweerder in het proces-verbaal van 18 juni 2002 gesteld dat eiser nog de BTW verschuldigd is die verband houdt met de verkopen van de betreffende aangekochte goederen.
Om de vraag in te vullen hoeveel het bedrag aan BTW was dat verschuldigd is verklaard, kon verweerder zich baseren op de cijfers van de officiële aankopen uit dezelfde periode; dat is een inherent gevolg van de spiegelverkoop die als feit werd vastgesteld. Hoewel verweerder uit de gegevens van de directe belastingen het feit kon afleiden dat er in de betreffende periode gemiddeld een rendementsfactoor van 259 % bestond, heeft verweerder in het voordeel van eiser een (beduidend) lager percentage gehanteerd, namelijk 180 %, zijnde dat wat door eiser was aanvaard in het dossier ISPC. Dat eiser dat percentage als billijk aanzag, is een feit dat door zijn akkoord bewezen wordt; dat akkoord werd ook bij het proces-verbaal van 18 juni 2002 gevoegd. De aard van de goederen die door ISPC en de NV M. et Fils geleverd werden, waren kennelijk vergelijkbaar. Die vaststellingen maakte verweerder mogelijk de betwisting daarover te vermijden, terwijl hij niet lager moest gaan dan die 180 %. Door het percentage in die zin te verlagen, heeft verweerder meteen een grote foutmarge in het voordeel van eiser ingebouwd, zodat elke bewering van eiser als zou er sprake zijn van willekeur, door zijn gebrek aan belang bij die eventuele opmerking, op voorhand irrelevant gemaakt werd.
Ook de proportionele vermindering in functie van de opdeling van de jaren 1997 en 1998 in het verjaarde en het niet-verjaarde gedeelte, wordt op het vlak van de foutmarge ondervangen door de ernstige verlaging van het rendementspercentage.
Over de boetes
Ten onrechte meent eiser te kunnen aanspraak maken op kwijtschelding of vermindering van de boete. Het vastgestelde systeem is altijd bij elk van de betrokkenen ingegeven door strikt frauduleuze bedoelingen, namelijk de schatkist te benadelen. Dat is voor eiser niet anders. Het is zelfs zo dat de betrokken leverancier door de concurrentiële druk die uitgaat van de afnemers (zoals eiser) weinig andere keuze had, dan op die manier tewerk te gaan.
De boete moet niet alleen een vergoedend karakter hebben; daarnaast moet ze hoog genoeg zijn om een herhaling van de feiten in de toekomst te vermijden. De verhouding zowel als het concrete nominale bedrag van de door verweerder opgelegde boete is in de gegeven omstandigheden gepast.
2. De gerechtskosten
Eiser wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen.
3. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Nu de vordering van eiser niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor hem geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen wijst de rechtbank de vordering af als ongegrond.
De rechtbank verwijst eiser in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :
aan de zijde van verweerder :
- rechtsplegingsvergoeding : 349,53 euro
terwijl de kosten aan de zijde van eiser niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.
De rechtbank wijst de vordering met betrekking tot de voorlopige tenuitvoerlegging af al ongegrond.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op achttien januari tweeduizend en vijf.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenrechtsprekend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.