Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 25.06.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND :
Rep. nr. 2002/8422
in de zaak AR nr. 01/2609/A van :
de BVBA H. P., met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te … onder nr. …, BTW nr. BE ….
eiseres,
vertegenwoordigd door meester A. V., advocaat te ….
tegen :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van mevrouw de e.a. inspecteur van het 2de BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, waarvan de burelen gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat nr.31,
verweerder,
vertegenwoordigd door meester B. H., advocaat te ….
I. PROCEDURE
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 11 juni 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van .de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
1. de dagvaarding met bevel tegen dwangbevel, betekend op 14 september 2001;
2. de conclusie vuur verweerder van 20 december 2001,
3. de conclusie voor eiseres van 11 februari 2002;
4. de conclusie voor verweerder van 8 mei 2002;
5. de conclusie voor eiseres van 9 april 2002 en
6. de conclusie voor verweerder van 22 april 2002.
Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. De feiten die relevant zijn voor het geschil
Eiseres heeft onder andere als economische activiteit een klein- en groothandel in allerlei brandstoffen. Zij exploiteert die activiteit op een industriegebied. Centraal op haar terrein staan eon tiental grote tot zeer grote brandstoftanks zij beschikt over de nodige bouw- en milieuvergunningen.
Vooraan, aan de straatkant, heeft eiseres in 1996 een gebouw laten optrekken. Beneden zijn in dat gebouw de nodige kantoorruimtes ondergebracht. De bovenverdieping is een woning. Stedenbouwkundig werd het bouwen van bedrijfsgebouwen 'met bedrijfswoning' aangevraagd en vergund.
In die woning wonen de ouders van de zaakvoerder van eiseres. Zij hebben nochtans geen arbeidsovereenkomst met eiseres. De bewoning is evenwel gratis en ook de kosten van de nutsvoorzieningen worden door eiseres gedragen. De vader is overigens zaakvoerder van een andere vennootschap die in de transportsector actief is en op een ander adres gevestigd is.
Eiseres heeft de BTW die betrekking had op de oprichting en inrichting van het gebouw volledig in aftrek genomen in de BTW-aangiften, dus ook het gedeelte dat op de woning slaat.
Tijdens een AOIF-controle heeft de administratie de BTW-aftrek met betrekking tot de bovenverdieping van het voorgebouw verworpen. Hoewel eiseres argumenteerde dat de ouders van haar zaakvoerder dienst doen als conciërge, bleef de administratie bij haar standpunt. Er werd berekend dat de maatstaf van heffing, namelijk de oprichtingsprijs van het woongedeelte, een bedrag van 90.407,77 euro (3.650.671 frank) vertegenwoordigde. Daarop werd de BTW, tegen het tarief van 21 % geacht ten onrechte te zijn afgetrokken, namelijk 19.004,53 euro (766.641 frank). Bovendien werd ook de aftrek van de BTW voor de helft van de wateraansluiting (22.000/2 = 11.000 frank of 272,68 euro x 6 % =) 16,36 euro (660 frank) als onterecht beschouwd. Aldus werd door de administratie voor 19.020,89 euro (767.301 frank) BTW teruggevorderd van eiseres. Voor het ten onrechte in aftrek brengen van de BTW werd een afgeronde boete inbaar gesteld van 1.958,36 euro (79.000 frank). De administratie maakte in die zin een correctieopgave op.
Tijdens die controle bleek ook dat eiseres in de periode van 1 juli 1997 tot 30 juni 1999 de leveringsbons niet bewaarde. In de genoemde correctieopgave werd daarvoor een boete opgelegd van 495,79 euro (20.000 frank).
Eiseres ging niet akkoord met de correctieopgave, althans niet met de twee genoemde punten.
Op 30 juli 2001 maakte de AOIF met een aangetekende brief het proces-verbaal over dat diezelfde dag met betrekking tot dezelfde feiten was vastgesteld. De·oprichtingskosten van de woning werden nu (of in plaats van 3.650.371 frank op 3.690.280 frank of) 91.479,65 euro berekend. Bovendien werden er voor (473.074 frank of) 11.727,20 euro inrichtingskosten van de woning aan toegevoegd, zijnde voor een BTW-bedrag van 2.462,72 euro (99.346 frank).
Daardoor werd de teruggevorderde BTW in het totaal nu op (874.965 frank of) 21.689,82 euro vastgesteld.
De samengaande boete werd verhoudingsgewijs op 2.156,67 euro (87.000 frank) gebracht.
Daarenboven werd nu de boete voor het niet bijhouden van de leveringsbons opgetrokken tot 2.478,94 euro (100.000 frank).
Nadat eiseres op de uitnodiging om te betalen tegen 7 augustus 2001 geen gevolg had gegeven, vaardigde de inspecteur op 28 augustus 2001 voor dezelfde bedragen als in het proces-verbaal, vermeerderd met interest en de kosten, een dwangbevel uit. Op 4 september 2001 werd dat dwangbevel aan eiseres bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend.
Met het dagvaardingsexploot van 14 september 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in.
2. De vorderingen van de partijen
Eiseres doet verzet tegen het dwangbevel van 4 augustus 2001 en vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat eiseres het recht op BTW-aftrek geniet voor de oprichting en inrichting van de conciërgewoning, minstens voor een gedeelte.
Zij vordert ook dat de rechtbank de proportionele boete wegens de onterechte aftrek volledig, minstens gedeeltelijk zou kwijtschelden en de niet-proportionele boete wegens het niet bijhouden van de leveringsbons zou verminderen tot 495,79 euro (20.000 frank).
Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.
Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten,
III. BEOORDELING
1. De ontvankelijkheid van de vordering
Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.
2 De grond van de vordering
2.1. Stelling van eiseres
Volgens eiseres heelt zij recht op aftrek van de BTW die betrekking heeft op de oprichting en inrichting van de woning omdat het voorzien van een conciërgewoning 'strikt verantwoord' is. Volgens haar stelt verweerder ten onrechte als vereiste dat het moet gaan om kosten die 'strikt noodzakelijk' zouden zijn voor de behoeften van haar onderneming. Ondergeschikt is zij evenwel van oordeel dat de conciërgewoning zelfs noodzakelijk is.
De verschillende elementen waarop eiseres zich daartoe beroept, kunnen als volgt worden samengevat :
- de brandweercommandant heeft schriftelijk verklaard dat het voor de brandveiligheid aangewezen is dat bij eiseres constant iemand aanwezig is om onheil dadelijk op te merken en onmiddellijk adequaat te kunnen ingrijpen;
- de exploitatievergunning verplicht tot het nemen van alle noodzakelijke maatregelen om de buurt te beschermen tegen de risico's voor en de gevolgen van accidentele gebeurtenissen die eigen zijn aan de aanwezigheid of de uitbating van de inrichting; het voorzien van een conciërgewoning acht eiseres als een uitvoeringswijze van die verplichting, ook al staat die verplichting niet expliciet vermeld;
- het bedrijf is gelegen in een industriegebied waar (anders) niemand woont; een conciërge kan belangrijke waarborgen bieden om een preventieve, minstens curatieve rol te spelen als bescherming tegen brandstichting; met verwijzing naar een inferno in … in september 1991 benadrukt eiseres dat de gevolgen van een brand zo groot zijn, dat elke wijze van voorkoming van een brand of een onmiddellijk ingrijpen, nodig is;
- een beginnende brand in een naburig mestverwerkingsbedrijf werd in het weekend opgemerkt door de vader van de zaakvoerder van eiseres, waardoor een ernstige brand is kunnen vermeden worden;
- de aard van het bedrijf brengt met zich dat haar chauffeurs vaak buiten de gewone werkuren op het bedrijf moeten zijn, in welk geval de conciërge voor·de ontvangst moet instaan en voor de begeleiding bij het lossen;
- volgens een omzendbrief is het toestaan van huisvesting op een industrieterrein alleen mogelijk wanneer die huisvesting noodzakelijk is voor de veiligheid en goede werking; de vergunning om de woning te mogen bouwen, toont volgens eiseres aan dat zij precies voor de veiligheid en haar goede werking noodzakelijk werd geacht door de diensten van ruimtelijke ordening.
Minstens zou naar het oordeel van eiseres een gedeelte van de woning in aanmerking moeten komen voor de aftrek.
Wat de vermindering van de boetes aangaat, beroept eiseres zich op de bevoegdheid die aan de rechtbanken toekomt om boetes zowel qua opportuniteit als qua omvang te beoordelen. In het bijzonder wat de niet-proportionele boete van 2.478,94 euro aangaat voor het niet-bijhouden van de leveringsbons, wijst eiseres erop dat de boete zonder enige motivering tot dat bedrag werd opgetrokken, terwijl er in de correctieopgave slechts een boete van 495,79 euro voorzien was.
2.2. Stelling van verweerder
Verweerder benadrukt vooreerst dat het aan eiseres toekomt om het bewijs te leveren van haar recht op aftrek van de BTW.
Hoe dan ook brengt hij de volgende argumenten aan die volgens hem tot de conclusie leiden dat er geen recht op aftrek bestaat. Verweerder stelt dat het woongedeelte van het gebouw van eiseres niet (geheel noch gedeelte) bestemd is voor het verrichten van belaste handelingen in de zin van artikel 45, § 1 W.BTW. Verweerder verwijst naar zijn proces-verbaal van 30 juli 2001 en de bijzondere bewijswaarde ervan. Hij stelt dat niet betwist wordt dat de bovenverdieping van het gebouw bestemd is als de woonplaats van de ouders van de zaakvoerder van eiseres.
Een woongelegenheid ter beschikking gesteld aan een medewerker van het bedrijf is in de regel volgens verweerder niet aftrekbaar. Met verwijzing naar een herhaald standpunt in antwoorden op parlementaire vragen, aanvaard verweerder dat bij wijze van toegeving op de regel de aftrek van BTW met betrekking tot de oprichtingskosten van een woning toch wordt toegestaan, wanneer het gaat om een woongelegenheid die de onderneming binnen haar bedrijfsinstallatie ter beschikking stelt voor de huisbewaarder, indien is aangetoond dat het gebruik van die woongelegenheid 'strikt verantwoord' is voor de behoeften van de onderneming en het kader van die behoeften niet wordt overschreden.
Vermits het om een uitzondering gaat op de regel, zo voert verweerder aan moet die uitzondering 'strikt' worden toegepast.
Praktisch komt het dan volgens verweerder erop neer dat het voorzien van een conciërgewoning voor de behoeften van het bedrijf 'strikt noodzakelijk' is. Hij verwijst in dat verband naar uitspraken van verschillende rechtbanken en hoven.
Vervolgens overloopt verweerder de verschillende argumenten die eiseres inbrengt en komt telkens tot de vaststelling dat er geen sprake is van strikte noodzakelijkheid. Naar het oordeel van verweerder gaat het dan telkens om een eigen standpunt van eiseres.
Zo stelt verweerder dat in de exploitatievergunning niet terug te vinden is dat eiseres verplicht zou zijn om een conciërgewoning te bouwen, zelfs niet waar staat dat de nodige interventiemiddelen moeten worden voorzien in overleg met de brandweer. De brandweercommandant heeft overigens slechts verklaard dat het 'aangewezen' is om permanent te bewaken; volgens verweerder is dat dus geen noodzaak.
De waarborgen die een conciërgewoning 'kan' bieden in het kader van de veiligheid, kunnen volgens verweerder ook op een andere manier bereikt worden en verweerder benadrukt dat het niet volstaat dat het een waarborg 'kan' zijn. De gegevens over de ramp in … zijn volgens verweerder niet relevant vermits over de oorzaak van de brand geen duidelijkheid wordt verstrekt.
De beschikbaarheid buiten de gewone diensturen is volgens verweerder in een bedrijf zoals eiseres een gewoonte zodat dit niet door een conciërge moot opgevangen worden.
Verweerder is van mening dat het feit dat stedenbouwkundig geen goedkeuring zou verleend worden voor huisvesting op het industrieterrein indien de absolute noodzaak van bewakingspersoneel voor de veiligheid van de firma niet bewezen is, nog niet toelaat te besluiten dat de thuisvesting noodzakelijk is. Bovendien acht verweerder zich niet gebonden door de goedkeuring door Stedenbouw.
Verweerder verwijst verder naar het feit dat er geen schriftelijke overeenkomst is met de ouders van de zaakvoerder, dat de vader geen conciërge kan zijn vermits hij zelf zaakvoerder is van een ander bedrijf, dat in de verzekeringspolissen en op de bouwplannen nergens sprake is van een 'conciërgewoning'. Hij acht het ook onwaarschijnlijk dat de moeder van de zaakvoerder de taak alleen zou alleen zou waarnemen.
Een gedeeltelijke aftrek is volgens verweerder, om dezelfde redenen als hierboven, evenmin verantwoord.
Wat de boetes en de omvang betreft, benadrukt verweerder dat hij de wettelijke bepalingen gerespecteerd heeft. Voor het optrekken van de niet-proportionele boete van 495,79 euro naar 2478,94 euro, voert verweerder aan dat dit zijn volste recht is wanneer de belastingplichtige niet bereid blijkt te zijn om mee te werken aan een minnelijke regeling. Verweerder gedraagt zich uiteindelijk naar de wijsheid van de rechtbank.
2.3. Beoordeling
2.3.1. Met betrekking tot het recht op aftrek
2.3.1.1. Strikt verantwoord of strikt noodzakelijk
De eerste vraag is te weten wanneer er voor een conciërgewoning recht op aftrek van de BTW bestaat. De rechtbank stelt vast dat verweerder zelf vertrekt van een administratieve toegeving die verwoord is in enkele antwoorden op Parlementaire vragen. Het meest duidelijk en oorspronkelijk werd het standpunt van de belastingadministratie verwoord in Vraag nr. 29 van Senator V. van 13 maart 1973, BTW-Revue nr. 13, p. 446-447. Waar de kosten voor de op- en inrichting van een woning in de regel geen verband houden met de economische activiteit van een BTW-plichtige, zijn er inderdaad uitzonderingen mogelijk. Voor de conciërgewoning erkende de administratie, bij monde van de Minister in het antwoord op die vraag letterlijk het volgende : Ten aanzien van de woongelegenheid welke een onderneming binnen haar bedrijfsinstallatie ter beschikking stelt van haar huisbewaarder, wordt bovenbedoelde aftrek echter toegestaan (in voorkomend geval onder voorbehoud van de beperking bepaald in artikel 100 van het Wetboek) indien is aangetoond dat het gebruik van genoemde woongelegenheid strikt verantwoord is voor de behoeften van de onderneming (ontvangst, bewaking, enz.) en het kader van deze behoeften niet wordt overschreden.
Deze tekst behoort nog steeds tot het administratief standpunt en de belastingplichtigen mogen er dus op vertrouwen. Wanneer zij dat willen, kunnen zij zich dus op dat administratief standpunt beroepen als deel van het recht (zelfs al kunnen zij dat standpunt betwisten omdat het in wezen eenzijdig is).
Er is betwisting over de betekenis van de woorden, 'strikt verantwoord', wat door verweerder inderdaad wordt begrepen als 'strikt noodzakelijk' of in elk geval ‘noodzakelijk. In het Frans luidt de tekst : En ce qui concerne le logement qu'une entreprise met à la disposition de son concierge à l'intérieur de ses installations, la déduction susvisée est toutefois admise lorsqu'il est établi que l'occupation du logement est strictement justifiée par les besoins de l'entreprise (réception, garde, etc.) et qu'elle n'excède pas Ie cadre de ces besoins.
De woorden 'strikt verantwoord', worden in het Frans dus 'strictement justifiée'.
Op zich zijn die woorden in elk geval geen synoniem van 'strikt noodzakelijk' en evenmin van 'noodzakelijk'. Wat 'verantwoord' is voor de behoeften van het bedrijf, is niet altijd onontbeerlijk.
Verantwoord (justifié) is een beslissing wanneer ze op een redelijke, rationele manier gefundeerd is om een oplossing te bieden aan een probleem.
In het voorliggend geval zijn het de 'behoeften van de onderneming' die de oprichting van een conciërgewoning moeten 'verantwoorden'. Dat houdt in dat het een rationele beslissing is om, wil eiseres haar probleem van (in hoofdzaak) de bewakingsbehoefte oplossen, de kosten te maken voor de op- en inrichting van een conciërgewoning.
Wanneer, zoals in het administratief standpunt, er een 'strikte' verantwoording moet zijn, dan heeft dat voor gevolg dat er geen andere redelijke verantwoording mag zijn om een conciërgewoning in het bedrijf te voorzien. 'Strikt' moet hier begrepen worden als 'daartoe beperkt'. Aan de oorsprong ligt immers de bedoeling om geen aftrek van BTW toe te staan voor de belasting geheven van de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit (art. 1, § 2, 1ste lid, KB nr. 3 van 10 december 1969). De conciërgewoning moet dus zuiver en uitsluitend verantwoord zijn door de economische activiteit van eiseres. Anders uitgedrukt, mag de beslissing om een conciërgewoning te installeren, rationeel beschouwd op geen andere behoefte gefundeerd zijn dan om, met het oog op de brandveiligheid, bescherming te garanderen van de eigendom van eiseres en van de omliggende percelen. In wezen betekent dit dat de belastingplichtige eigenlijk zich geconfronteerd ziet met een situatie waarin, hij, zelfs al is dat het laatste waaraan hij geld zou willen spenderen (vermits privé-aspecten niet mogen meespelen en hij louter vanuit economische (rendements-) termen moet denken), om rationeel-economische redenen, niet anders kan dan te investeren in een conciërgewoning.
De rechtbank komt dus tot de vaststelling dat de term 'strikt verantwoord' praktisch niet anders kan uitgelegd worden dan 'economisch noodzakelijk'.
2.31.2. Concrete invulling
Het komt aan eiseres toe om aan te tonen dat de woning enkel en alleen werd opgericht omdat dit voor de economische exploitatie van eiseres 'noodzakelijk' was.
De rechtbank overloopt hierna de verschillende argumenten waarop eiseres zich beroept om voor te houden dat de op- en inrichting van de woning op de tweede verdieping van het voorgebouw noodzakelijk was.
2.3.1.2.1. De verklaring van de brandweer
Eiseres kan er niet om heen dat de brandweercommandant nergens verklaard heeft dat het voorzien van een conciërgewoning noodzakelijk was om de brandveiligheid te garanderen. Hij schreef inderdaad slechts dat het 'aangewezen' was. Dat is ook de enige logische houding die de commandant op het moment van zijn verklaring nog kon aannemen. Het advies van de brandweer, voorafgaand verstrekt met het oog op de aflevering van de exploitatievergunning, vermeldt op het vlak van de vereisten met betrekking tot brandpreventie en brandbeveiliging immers nergens de voorwaarde dat een conciërgewoning of enige andere vorm van permanente bewaking zou voorzien worden.
Voor de brandweer was een conciërgewoning dus zeker niet noodzakelijk.
Het klopt dat de exploitatievergunning en de Vlarembijdrage in algemene termen aan de exploitant opdraagt om de noodzakelijke maatregelen te nemen om de buurt te beschermen tegen de risico's voor en de gevolgen van accidentele gebeurtenissen die eigen zijn aan de aanwezigheid of de uitbating van zijn inrichting. Deze omschrijving laat eiseres weliswaar toe om een eigen invulling te geven aan die verplichting, maar dat kan niet met zich brengen dat eiseres zelf zou kunnen bepalen wat al dan niet 'noodzakelijk' is, zonder dat de rechtbank dat aspect zou kunnen beoordelen. Er wordt trouwens voorzien in de bijlage dat het voorzien van de nodige 'interventiemiddelen' moet gebeuren in overleg met de plaatselijke brandweer Op zich kan de verwijzing naar de tekst van de Vlarembijdrage dus niet het bewijs leveren van de 'noodzaak' om een conciërgewoning te voorzien.
2.3.1.2.2. De ramp in … en de aard en de ligging van het bedrijf
Eiseres benadrukt dat er geen afdoende technische detectiesystemen beschikbaar zijn waarmee het ontstaan van branden in openlucht kan worden opgemerkt. Alleen door visuele controle zou dat kunnen opgelost worden. Omdat, op een moment dat er geen personeel aanwezig is, alleen op die manier tol snelle interventie (nl. door onmiddellijke alarmering van de hulpdiensten) kan worden overgegaan en een enorme ramp (zoals in …, nl. met dagenlang bluswerk om het overslaan van de brand) kan vermeden worden.
De rechtbank deelt het oordeel van verweerder dat er op neerkomt dat alleen het vermijden van het ontstaan van elke brand, of minstens het onmiddellijk zelf blussen van elk begin van brand, in een bedrijf zoals dat van eiseres essentieel is. Een conciërge die alleen maar toekijkt en zich ertoe beperkt om onmiddellijk de brandweer te bellen, kan alleen bijdragen tot het beperken van de omvang van de schade en het eventueel uitbreiden ervan. Toch is het beperken van brand en schade en het vermijden van de uitbreiding van de brand (zowel binnen het eigen bedrijf als naar buiten) voor wie in bedrijfseconomische termen denkt, een noodzaak. Zelfs al zijn in de diverse vergunningen verschillende verplichtingen opgelegd in het kader van de brandveiligheid en de brandpreventie, toch sluit dat niet uit dat er nog bijkomende maatregelen zouden nodig zijn om aan de behoeften van het bedrijf te voldoen. De brandweer mag dan wel 'wat haar betreft' (ambtshalve dus in het belang van de maatschappij) de oprichting van een conciërgewoning niet verplicht hebben, toch sluit dat niet uit dat het voor het bedrijf van eiseres zelf nodig is om verder te gaan dan de brandweer voorschrijft. Uit de verklaring van de brandweercommandant moet trouwens afgeleid worden dat er werkelijk nog meer schadebeperking mogelijk is dan met de middelen die de brandweer verplicht heeft. Anders zou het niet 'aangewezen' zijn om een conciërge te voorzien. Een snellere interventie moet kennelijk zinvol zijn. Wanneer het zin heeft om sneller ter plaatse te komen, dan houdt dat in dat, zelfs bij een brand, de brandweer nog kan ingrijpen op een manier dat een deel van de installatie van eiseres (en a fortiori van de buren) gevrijwaard kan worden. Vanuit bedrijfseconomische principes, is dat een noodzaak : wanneer er een middel is om, in geval van brand, een uitgebreidere vernieling van de eigen installaties te vermijden, dan moet je die investering doen.
Hetzelfde geldt om reden dat de aanwezigheid van een conciërge een probaat middel is om brandstichting te voorkomen. In een gebied waarin 's nachts en in het weekend elke sociale controle wegvalt, is zelfs een hoge afsluiting en de beste alarminstallatie niet voldoende.
De kostprijs voor de op- en inrichting van de conciërgewoning (zoals berekend door verweerder zelf en waaromtrent geen betwisting beslaat) is kennelijk in verhouding tot de waarde van de te vrijwaren installatie. De investering blijft dus binnen het kader van de behoeften van het bedrijf.
2.3.1.3.Conclusie
De bovenstaande overwegingen volstaan om aan eiseres het recht op aftrek met betrekking tot de kosten van op- en inrichting van de bovenverdieping van het voorgebouw van eiseres toe te staan. In zoverre het dwangbevel uitgaat van het tegendeel, zowel wat het BTW-bedrag aangaat als wat de proportionele boete betreft, is dat dwangbevel ongegrond en mag het geen uitwerking hebben. De bedragen die in uitvoering van het dwangbevel zouden betaald of ingehouden zijn, moeten worden terugbetaald.
2.3.2. De boete voor het niet-bijhouden van de leveringsbons
Verweerder erkent dat de rechtbank bevoegd is om zowel de opportuniteit als de omvang van de geldboete te beoordelen.
Hij stelt dat eiseres een omzetcijfer heeft van ongeveer 35.000 euro per jaar. Hij stelt ook dat het perfect mogelijk is dat een boete wordt opgetrokken wanneer er geen bereidwilligheid bestaat om in der minne tot een ontplooiing te komen.
Eiseres vecht aan dat de oorspronkelijke boete van 495,79 euro (20.000 frank) zonder motivering zou kunnen opgetrokken worden tot 2.478,94 euro (100.000 frank).
Er wordt niet betwist dat eiseres bij haar leveringen leveringsbons opmaakte in de betreffende periode en dat zij deze bons niet kon voorleggen bij de controle. Eiseres was dus in overtreding met artikel 60, § 1 W.BTW. dat immers een bewaringstijd van 10 jaar oplegt.
De zaakvoerder van eiseres verklaarde dat de bons slechts werden bijgehouden tot op het moment dat de facturen werden opgemaakt.
De verklaring van de zaakvoerder is niet controleerbaar, of minstens is niet controleerbaar of het gebruik om de bons weg te gooien na het maken van een factuur ingegeven is door een opzet om belasting te ontduiken. In geen geval kan eiseres er zich achter verschuilen dat zij van de verplichting niet op de hoogte zou geweest zijn (wat ze trouwens niet inroept).
Vermits de voorlegging van leveringsbons een deelaspect uitmaakt van de kruiselingse controle waarvan de AOIF-administratie zich kan bedienen, is een ernstige beteugeling gepast. De niet-voorlegging van de leveringsbons verstoort immers het administratieve raderwerk en laat bij de ambtenaar noodzakelijk het gevoel na dat hem informatie wordt achtergehouden waardoor hij meer en vaak nutteloze energie moet spenderen om zijn werk behoorlijk uit te voeren.
Gelet op de fraudegevoeligheid van de sector waarin eiseres actief is, het belang van het exploitatie en het feit dat de boete betrekking heeft op een periode van 24 maanden, acht de rechtbank de boete van 2.478,94 euro (100.000 frank) gepast.
Wat het gebrek aan motivering betreft, treedt de rechtbank de stelling van verweerder bij dat de correctieopgave slechts een voorstel tot minnelijke regeling is, terwijl pas in het dwangbevel tot werkelijke opvordering van de boete wordt overgegaan. Overigens blijkt dat in de correctieopgave werd verwezen naar rubriek XVI van KB nr. 44, waarvoor een overtreding wegens het niet voorleggen van de bij te houden documenten slechts het bedrag van 2.478,94 euro (100.000 frank) voorzien wordt. Het bedrag van 495,79 euro (20.000 frank) in de correctieopgave was dus een toegeving in het kader van het streven naar een minnelijke oplossing. Eiseres heeft nooit haar akkoord gegeven met het voorgesteld bedrag en heeft op die manier haar kans op een gunstige behandeling zelf verwerkt.
3. De gerechtskosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen, moeten zij elk hun eigen gerechtskosten dragen.
4. Uitvoerbaarheid bij voorraad
Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger. Wb. geldt. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.
De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.
Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.
Eiseres laat na te bewijzen dat zij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de haar eventueel toekomende terugbetaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger. Wb.).
Beschikkend gedeelte
IV. UITSPRAAK
De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.
Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.
De rechtbank verklaart daarom het dwangbevel, uitgevaardigd ten nadele van eiseres op 28 augustus 2001 (RCIV nr. …), geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 augustus 2001 ongegrond voor zover het een bedrag van 21.689,82 euro (874.965 frank) als BTW en een bedrag van 2.156,67 euro (87.000 frank) als proportionele geldboete, telkens verhoogd met de interesten, verschuldigd verklaart.
De rechtbank zegt voor recht dat in de mate dat dwangbevel ongegrond is, er geen uitwerking mag aan gegeven worden en beveelt de terugbetaling van alle sommen die op basis van dat ongegrond gedeelte van dat dwangbevel zouden geïnd of ingehouden zijn, vermeerderd met de moratoriuminterest.
De rechtbank veroordeelt elk van de partijen tot het dragen van hun eigen gerechtskosten van deze procedure, in welk geval de rechtbank die kosten niet moet vaststellen.
De rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden ingesteld en zonder dat de voorlopige tenuitvoerlegging afhankelijk is van het stellen van een zekerheid.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op vijfentwintig juni tweeduizend en één.
De rechtbank is als volgt samengesteld :
D. V., alleenzetelend rechter
A. V., griffier
A. V. D. V.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.