Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 06.02.2002
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op zes februari tweeduizend en twee in openbare zitting van de 2F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :
L. B., rechter, voorzitter van de kamer,
P. W., rechter,
N. V., rechter,
K. B., griffier.
In zake : AR nr. 99/6458/A
BVBA J., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …,
eisende partij,
verschijnende bij meester A. loco meester E. G., advocaat, kantoorhoudende te …, …,
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de heer Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12,
2. DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de heer ontvanger-rekenplichtige van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëiei 4 bus 4,
verwerende partijen,
verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :
- de dagvaarding in verzet, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder L. V. te … op 4 november 1999 en van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder R. D. C., in vervanging van L. E., gerechtsdeurwaarder te … op 29 oktober 1999,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 Ger. W. op 4 mei 2001,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.
Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 d.d. 3 mei 1998 en nummer 1103/97 d.d. 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.
Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 9 januari 2002.
De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/2185, uitgevaardigd op 30 april 1999, van nul en generlei waarde te verklaren, dienvolgens eiseres te ontslaan van de in het dwangbevel van haar gevorderde sommen, verweerders te veroordelen tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, en verweerders tevens te veroordelen tot de kosten van het geding.
Relevante feiten
Eiseres is een groothandel in zilverwerk en aanverwante artikelen, die haar activiteiten in de loop van 1994 is gestart.
Op 17 juli 1997 werd lastens eiseres een BTW-controle uitgeoefend over de periode van 10 april 1994 tot 31 december 1996.
De tijdens deze controle vastgestelde inbreuken, waarmede de gevolmachtigde van eiseres zich akkoord kon verklaren, werden opgenomen in een correctieopgave.
De overige vaststellingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 22 april 1998.
In dit proces-verbaal werd gesteld dat :
- de in de BTW aangegeven winstmarge voor boekjaar 1995 (10 mei 1994 - 31 december 1995) 35 % bedroeg,
- bij controle uitgevoerd door de administratie der directe belastingen, bij prijsopname op 27 februari 1997, een winstmarge (vóór korting) werd vastgesteld die zich situeert tussen 80 % en 140 % en voor de best verkochte stukken tussen 80 % en 90%; rekening houdend met een korting van 10 % à 20 % werd ingevolge een bericht van wijziging van aangifte voor boekjaar 1995 de in de vennootschapsbelasting aangegeven winstmarge van 35 % opgetrokken naar 60 %,
- geen inventarisboek kon worden voorgelegd en volgens een verklaring van de gevolmachtigde van eiseres werd op 31 december 1996 geen fysische syock opgenomen van de goederen in voorraad,
- bij nazicht van de boekhouding werd vastgesteld dat verscheidene verkopen aan reizigers (vrijgesteld overeenkomstig artikel 39, § 1, 4° van het wetboek van BTW) niet werden opgenomen in het dagontvangstenboek en dat dit voor het jaar 1996 338.576 BEF + 71.101 BEF BTW bedroeg,
- voor wat de levering van goederen betreft, waarvan de prijs per in de handel gebruikelijke eenheid meer bedraagt dan 10.000 BEF, BTW inbegrepen, werd geen afzonderlijke inschrijving met vermelding van de aard van de verkochte goederen gemaakt wat strijdig is met artikel 15, § 4 van het KB nummer 1 van 29 december 1992.
- voor 1996 in de BTW een winstmarge werd aangegeven van 54 % en rekening houdend met de ontvangsten die niet werden opgenomen in het dagontvangstenboek, waarvoor een akkoordverklaring werd ondertekend, een winstmarge werd bekomen van 64 %.
- op basis van voornoemde elementen voor boekjaar 1995 de in de BTW aangegeven winstmarge van 35 % werd verhoogd naar 60 % zodat 1.228.236 BEF te weinig omzet werd aangegeven waarop de verschuldigde BTW 251.788 BEF bedroeg.
Bij brief van 20 juli 1998 verklaarde de gevolmachtigde van eiseres zich niet akkoord met voornoemd proces-verbaal.
Bij gebreke aan betaling werd op 30 april 1999 het dwangbevel uitgevaardigd waartegen eiseres een vordering heeft ingesteld bij dagvaarding.
Beoordeling
Toelaatbaarheid
Partijen werpen geen exceptie van ontoelaatbaarheid van de vordering op, en de rechtbank onderkent geen van ambtswege aan te voeren oorzaak van ontoelaatbaarheid.
Betreffende de verhoging van de winstmarge van 35 % naar 60 %
Krachtens artikel 59, § 1 van het wetboek van BTW kunnen :
- overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen,
- feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen,
- feiten die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal.
Bijgevolg kunnen de processen-verbaal feiten bewijzen die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen en in dat geval vormen zij de basis waarop de vermoedens zijn gesteund dat eiseres niet al haar belastbare handelingen heeft aangegeven voor de heffing van de BTW en de verschuldigde BTW over deze niet aangegeven omzet niet aan de Schatkist heeft voldaan.
Krachtens artikel 59, § 1 van het wetboek van BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen dit bewijs niet opleveren.
De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen mogen echter met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed, bewezen worden en zijn dan ook aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.
Dat de winstmarge voor boekjaar 1995 60 % bedroeg in plaats van de aangegeven 35 % is slechts een gevolgtrekking die de ambtenaar in het proces-verbaal afleidde uit zijn vaststellingen en geldt dan ook slechts als vermoeden dat aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen.
Vooreerst stelde de ambtenaar vast dat de administratie der directe belastingen, ingevolge een bericht van wijziging van aangifte, de winstmarge voor boekjaar 1995 had verhoogd van 35 % naar 60 %.
Hierbij dient echter opgemerkt te worden dat de gevolmachtigde van eiseres zich niet akkoord verklaarde met dit bericht van wijziging van aangifte en in hun aanvullende conclusie, neergelegd op 18 mei 2000, erkennen verweerders dat op dit bericht van wijziging geen inkohiering is gevolgd.
Bovendien heeft de administratie der directe belastingen die winstmarge van 60 % vastgesteld op grond van een prijsopname op 27 februari 1997.
Aangezien eiseres haar activiteiten slechts in de loop van 1994 is gestart en 1995 aldus het eerste boekjaar was, kan een prijsopname op 27 februari 1997 geenszins gebruikt worden om de winstmarge inzake BTW te bepalen voor boekjaar 1995. Er wordt immers op geen enkele wijze aangetoond dat de exploitatieomstandigheden in boekjaar 1996 vrijwel identiek waren als deze in boekjaar 1995, toen eiseres zich in een opstartfase bevond.
Uit de vastgestelde winstmarge van 64 % inzake BTW voor 1996 kan bijgevolg evenmin afgeleid worden dat de winstmarge voor 1995 60 % bedroeg.
Ook uit het loutere feit dat geen inventarisboek werd voorgelegd, kan geenszins worden afgeleid dat de winstmarge 60 % bedroeg.
Verder werd in het proces-verbaal vastgesteld dat verscheidene verkopen aan reizigers niet werden opgenomen in het dagontvangstenboek, namelijk voor 1996 338.576 BEF + 71.101 BEF BTW.
De vaststellingen in het proces-verbaal moeten controleerbaar zijn en moeten nauwkeurig omschreven worden. Bijgevolg wordt geenszins aangetoond dat ook voor 1995 werkelijke vaststellingen zijn gebeurd dat verkopen aan reizigers niet werden opgenomen in het dagontvangstenboek.
Deze vaststelling toont bijgevolg evenmin aan dat de winstmarge voor 1995 60 % bedroeg.
Tot slot kan uit het loutere feit dat voor wat de levering van goederen betreft, waarvan de prijs per in de handel gebruikelijke eenheid meer bedraagt dan 10.000 BEF. BTW inbegrepen, geen afzonderlijke inschrijving werd gemaakt met vermelding van de aard van de verkochte goederen, geenszins worden afgeleid dat de winstmarge voor 1995 60 % bedroeg.
Bijgevolg bewijzen verweerders geenszins, ook niet door vermoedens, dat de winstmarge voor 1995 60 % bedroeg in plaats van de aangegeven 35 %.
Betreffende de uitvoerbaarverklaring bij voorraad
Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van huidig vonnis.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Na erover beraadslaagd te hebben.
Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.
Verklaart het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde.
Veroordeelt verweerders tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en die toegerekend werden op de sommen vermeld in het bestreden dwangbevel, dat van nul en generlei waarde werd verklaard.
Veroordeelt verweerders tot de kosten van het geding tot op heden door eiser begroot op 214,60 EUR dagvaardingskosten en op 304,91 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 214,60 EUR dagvaardingskosten en op 163,61 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Wijst het meer en/of anders gevorderde af.
K. B. N. V. P. W. L. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.