Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 14 maart 2001

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-rechtbank-antwerpen-2001-03-14-86e3

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
14 maart 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

45 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14.03.2001

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op veertien maart tweeduizend en één in openbare zitting van de tweede F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

G. G., griffier.

In zake : AR nr. 99/5157/A

B. BVBA, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nummer …, met BTW-nummer BE … en met kantoren gevestigd te …, …,

eisende partij,

voor wie niemand verschijnt,

tegen :

de BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, hier vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te Brussel, op vervolging en benaarstiging van de Heer Gewestelijk Directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige-Ontvanger van het derde BTW­ Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4,

verwerende partij,

verschijnende bij Meester D. V., advocaat, loco Meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, o.m. :

- het verzoekschrift in fiscale zaken, neergelegd ter griffie op 9 september 1999;

- de besluiten van verwerende partij, neergelegd ter griffie op 9 november 1999.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord verwerende partij in haar middelen en gezegden ter zitting van 14 februari 2001.

Overwegende dat voor eisende partij, alhoewel behoorlijk opgeroepen conform artikel 751 Ger. W., niemand is verschenen.

Overwegende dat het voordeel conform artikel 751 Ger. W. werd gevorderd en verleend.


De vordering strekt ertoe de bestreden beslissing van 10 juni 1999 van de Gewestelijke Directeur van de BTW, registratie en domeinen, directie BTW Antwerpen, te herzien, dienvolgens een boete van 10 % op achterstallige BTW kwijt te schelden en rekening te houden met een betaling van 300.000 BEF en verweerder tevens te horen veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Ingevolge een proces-verbaal van 1 augustus 1996 werd vastgesteld dat eiseres voor de handelingen van het vierde kwartaal 1993 en het eerste kwartaal 1994 laattijdig BTW­aangiften heeft ingediend.

De laattijdig ingediende aangiften sluiten met de volgende saldi die aan de Staat verschuldigd zijn, namelijk :

- vierde kwartaal 1993 : 445.245 BEF

- eerste kwartaal 1994 : 343.675 BEF

- TOTAAL : 788.920 BEF

Bijgevolg was eiseres de volgende bedragen verschuldigd, namelijk :

- BTW : 788.920 BEF

- boete : 78.800 BEF

- intresten.

Beoordeling

Krachtens artikel 59, § 1 van het Wetboek van BTW leveren de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

In het proces-verbaal van 1 augustus 1996 werd vastgesteld dat eiseres de BTW-aangiften voor de handelingen van het vierde kwartaal 1993 en het eerste kwartaal 1994 laattijdig heeft ingediend.

Eiseres levert niet het minste bewijs van het tegendeel, zodat de vaststellingen in het proces-verbaal het bewijs opleveren dat de BTW-aangiften laattijdig werden ingediend.

Bijgevolg is de boete van 10 % verschuldigd en kan deze niet worden kwijtgescholden.

Anderzijds is het duidelijk bewezen dat verweerder met alle betalingen van eiseres rekening heeft gehouden.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

rechtdoende bij vonnis dat overeenkomstig artikel 751 Ger. W. geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen ten opzichte van eisende partij en rechtdoende op tegenspraak ten opzichte van verwerende partij,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, deze op heden door verweerder begroot op 12.600 BEF rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 12.900 BEF rechtsplegingsvergoeding.

G. G. P. W.