---
title: "Bewijs, controlemaatregel · Hof van beroep te Gent, 6 september 2011"
description: "Bewijs, controlemaatregel, recht op aftrek van belasting, strafbepaling, administratieve geldboete. Hof van beroep te Gent (België), 6 september 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-recht-aftrek-belasting-hof-van-beroep-gent-2011-09-06-1315"
lang: "nl"
---

# Bewijs, controlemaatregel, recht op aftrek van belasting, strafbepaling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

6 september 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

75 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 06.09.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent - 5e kamer**

Nr. **2010/AR/2658**

in de zaak van :

**V. K.**, wonende te …, …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. R.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. S. L.**, advocaat te …, ….

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. De procedure

Bij verzoekschrift van 7 oktober 2010 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, vierde kamer, op 19 april 2010 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellant ontvankelijk verklaard maar als ongegrond afgewezen; de appellant werd in de kosten van het geding verwezen.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het zegt voor recht .dat het dwangbevel … van 30 juli 2007 nietig en van generlei waarde is.

De appellant vraagt ook dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies,

## 2. De feitelijke gegevens

De appellant had van bij aanvang van zijn economische activiteit - in eigen naam - op 1 augustus 2003 tot aan de stopzetting op 1 september 2005, de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige. Hij was geregistreerd onder het BTW-nummer BE … voor de navolgende economische activiteiten : "detailhandel computer hard-. en software, multimedia materiaal - verkoop cd's - dvd's en gadgets - Psycho - medisch sociaal advies".

Door een ambtenaar van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, verbonden aan het 3de BTW­controlekantoor te Kortrijk werd bij de appellant een controle van de boekhouding verricht.

Op grond van artikel 61, § 1 W.BTW werd aan de appellant gevraagd alle boeken en stukken die hij overeenkomstig artikel 60 W.BTW moet houden, opmaken, uitreiken of bewaren, met inbegrip van volledige boekhouding en alle bescheiden die verband houden met zijn economische activiteit met betrekking tot de periode van 1 juli 2004 tot en met 30 juni 2005 ter inzage voor te leggen.

Tijdens die controle werden inbreuken vastgesteld op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé - of andere doeleinden dan die van de economische activiteit (art. 45, § 1 W.BTW).

Die overtredingen werden opgenomen in de correctieopgave.

Volgens die correctieopgave was de appellant naast een bedrag van … euro BTW ook een proportionele geldboete van … euro verschuldigd.

Op 20 februari 2007 heeft de appellant die correctieopgave voor akkoord ondertekend.

Bij gebrek aan betaling van de verschuldigde sommen werd op 25 juli 2007 door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Oostende onder RCIV-nummer … een dwangbevel uitgevaardigd waarbij in oorsprong de hiernavolgende sommen verschuldigd werden verklaard :

\- als BTW de som van … euro;

\- als geldboete krachtens artikel 70, § 1bis W.BTW de som van … euro en

\- interest met toepassing van artikel 91, § 1, 1° W.BTW te rekenen op de verschuldigde BTW vanaf 21 oktober 2005.

Op het ogenblik van de uitvaardiging van dat dwangbevel beschikte de appellant op zijn BTW-rekening-courant over een tegoed van … euro.

Dit tegoed werd in het dwangbevel toegerekend op de verschuldigde interest voor een bedrag van … euro, de verschuldigde geldboete van … euro en de verschuldigde BTW voor een bedrag van … euro.

Het dwangbevel verklaarde daarom nog de volgende sommen verschuldigd :

\- als BTW de som van … euro en

\- als interest … euro

zijnde een totaal van … euro, meer de interest met toepassing van artikel 91, § 1, 1° W.BTW te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 augustus 2007 en de vervolgingskosten.

Het dwangbevel werd op 27 juli 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Op 30 juli 2007 volgde de kennisgeving van voornoemd dwangbevel.

Met een verzoekschrift van 14 augustus 2007 stelde de appellant zijn vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge, waarmee hij aantekende tegen het dwangbevel.

De vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 19 april 2010, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellant als ongegrond afgewezen.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De betwistingen tussen de partijen

De appellant betwist op zich de geldig en uitvoerbaarheid van de correctieopgave die ten grondslag ligt aan het bestreden dwangbevel niet. Zijn argumentatie heeft betrekking op de niet-aanrekening van sommen waardoor er volgens hem minder verschuldigd was (is) dan wat in het dwangbevel wordt voorgehouden.

*3.1. BTW-tegoed van de BVBA AV* ***P.***

Als eerste grief voert de appellant aan dat de eerste rechter geen rekening hield met de betalingen uitgevoerd voor de BVBA AV **P.**. De appellant stelt dat hij in de periode van april 2002 tot februari 2003 alle betalingen voor die vennootschap met persoonlijke gelden heeft verricht. Het BTW-tegoed van … euro dat de BVBA AV **P.** langs die weg kon opbouwen zou moeten toegerekend worden op de persoonlijke schuld van de appellant.

De eerste rechter heeft nochtans met reden geoordeeld dat de appellant geen aanspraak kan maken op gelden die bij de BTW­administratie als BTW-tegoed verschuldigd zijn aan een andere belastingplichtige, namelijk de BVBA AV **P.**. Indien het klopt dat de appellant - wat hij beweert - al zijn geld gestoken heeft in die vennootschap om ze te redden (wat weliswaar niet lukte), dan houdt dat in wezen in dat hij een schuldvordering heeft op de BVBA AV **P.**. De appellant toont niet aan dat hij een opeisbare schuldvordering heeft ten aanzien van de BVBA AV **P.** op grond waarvan hij de geïntimeerde kan aanspreken tot uitbetaling van het aan die vennootschap verschuldigd BTW-tegoed.

Die grief is dus ongegrond.

*3.2. BTW-tegoed van de appellant uit het derde kwartaal 2008*

De appellant stelt dat er op zijn eigen naam ondertussen een BTW­tegoed is ontstaan vanaf oktober 2007 van … euro, minstens van … euro. Hij verwijst ook naar een BTW-tegoed dat sinds augustus 2004 bestond voor … euro. Op die manier komt hij ertoe te besluiten dat er een saldo is in zijn voordeel van … euro. Waar de geïntimeerde verwijst naar een controle om het tegoed van het derde kwartaal 2008 na te gaan, stelt de appellant dat de geïntimeerde al tijd genoeg gehad heeft om die controle uit te voeren.

Het is nochtans onbetwistbaar dat het BTW-tegoed van … euro waarover de appellant spreekt, al van bij het uitvaardigen van het dwangbevel in rekening werd gebracht (zie het feitenrelaas).

Daarnaast is ook duidelijk dat de appellant weliswaar in het derde kwartaal 2008 - toen de appellant opnieuw BTW-belastingplichtige was - gekend stond met een BTW-tegoed van … euro, maar dat dit het gevolg was van het opmaken door de appellant van een creditnota gedateerd op 21 september 2006 die hij middels zijn aangifte van september 2008 (uitwerking op 20 oktober 2008) in rekening bracht (zoals hij zelf in conclusies erkent). Terecht stelt de geïntimeerde dat met dat tegoed geen rekening kan worden gehouden indien het bedrag werd ingehouden. Daarvoor is immers de procedure toepasselijk voorzien in [artikel 81, § 3, lid 5 e.v. KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art81) van 29 december 1969.

Voor een dergelijke inhouding volstaat het dat er vermoedens zijn dat de betreffende aangifte onjuist is. Die inhouding gebeurde volgens de geïntimeerde omdat geoordeeld werd dat het een onregelmatig uitgereikte creditnota betrof. Dat de uitreiking zou gebeurd zijn op advies van een fiscaal expert van de BTW-administratie, zou daaraan niets kunnen veranderen.

Het Hof is niet gevat om zich over die kwestie (ten gronde) uit te spreken.

Ten aanzien van de inhouding op zich is het overeenkomstig [artikel 81, § 3, lid 9 van KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art81) aan de beslagrechter om over een dergelijke inhouding te oordelen. De opmerking van de appellant dat de 'controle' aangaande de inhouding al lang had kunnen zijn uitgevoerd, is niet pertinent, gelet op het feit dat de beslissing tot inhouding een initiatief van de belastingplichtige veronderstelt.

Het volstaat binnen het huidige bestek vast te stellen dat de geïntimeerde beslist heeft tot inhouding wat als gevolg had dat het BTW­tegoed voor het derde kwartaal 2008 in rechte niet in aanmerking komt voor uitbetaling aan de appellant. In die omstandigheden is er ook geen mogelijkheid om het bedrag van dat tegoed aan te rekenen op de bedragen vermeld in het bestreden dwangbevel.

Ook deze grief is dus ongegrond.

## 4. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijkgesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikeI 618 Ger. W. zich in de schijf van 2.500,01 tot 5.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellant : nihil

\- aan de kant van de geïntimeerde :

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesprol<en in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, rechtdoende in fiscale zaken, op **ZES SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ELF**.

Aanwezig de·Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 4 art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 2 voorkomens
