Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Oudenaarde d.d. 17.03.2003
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer, zetelend in burgerlijke zaken, heeft volgend vonnis geveld
Vonnis d.d. 17 maart 2003 - Rol nr. 91/21.263/A
Ten verzoeke van :
V. D. B. E., postbode, wonende te …, …;
eiser,
bij exploot van gerechtsdeurwaarder I. R. te … d.d. 14 juni 1991; hebbende als raadsman Mr. A. H., advocaat te …;
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, G. Schockaertstraat 4;
2. V. D. J., gerechtsdeurwaarder, met standplaats te …, er kantoor houdende aan de …;
verweerders,
de eerste hebbende als raadsman de eerste Mr. G. D. L., advocaat te …, de tweede niet verschijnend noch vertegenwoordigd.
De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd nageleefd.
De rechtbank hoorde eiser en eerste verweerster bij monde van hun raadsman in hun middelen en conclusies en de overgelegde stukken werden ingezien.
Tegen tweede verweerder werd op regelmatige wijze toepassing gevraagd van artikel 753 Gerechtelijk Wetboek.
Het inleidend exploot strekt tot verzet tegen een exploot van uitvoerend beslag op roerend goed d.d. 17 mei 1991 voor een bedrag van toen 120.909 BF meer geldboetes en betekeningskosten.
Het beslag was het gevolg van een aanslag na controle, daar waar eiser zich zou laten verleiden hebben tot een loopbaanonderbreking in ruil voor goede verdiensten als chauffeur internationaal transport voor een zekere firma BVBA R. T., inmiddels in faling.
De facturen waarop de aanslag gesteund is, zouden "gefabriceerd zijn door deze BVBA.
Deze dagvaarding was gericht aan de beslagrechter, doch na besluiten van onbevoegdheid werd de zaak verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg.
Ten gronde geeft eerste verweerster vooreerst een feitenrelaas omtrent de registratie van eiser als BTW-plichtige, de controle en het proces-verbaal van de vastgestelde overtredingen.
Hierop volgde dan een dwangbevel en uiteindelijk beslag.
In rechte verwijst ze naar de wetgeving, waarbij eiser de hoedanigheid had van belastingplichtige inzake BTW en tot aangifte verplicht was.
Ze wijst tevens op de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal en zou ze zich niet uit te spreken hebben over het geschil tussen eiser en de BVBA R. T..
Eiser stelt volledig ter goeder trouw geweest te zijn en misbruikt te zijn door de BVBA en diens boekhouder.
Er zou intussen een frauduleus faillissement geweest zijn met veroordelingen voor bedrieglijke bankbreuk.
Hij vraagt in eerste instantie uitstel teneinde de mogelijkheid te krijgen de facturen voor te leggen en houdt voor dat de boekhouder desnoods moet in zake geroepen worden.
Hij zou verder nooit betaling bekomen hebben van de bedragen waarop thans BTW gevorderd wordt.
In antwoordconclusies blijft verweerster erbij dat de verhouding tussen eiser en de BVBA hier niet ter zake doet en er zou ook geen compensatie mogelijk zijn met de door eiser beweerde onterecht betaalde BTW.
Ze verzet zich tegen het gevraagde uitstel daar waar eiser reeds meer dan voldoende tijd kreeg om de nodige facturen voor te leggen of op te vragen.
In volgende besluiten Haagt eiser de zaak uit te stellen tot na definitieve afwikkeling van het gerechtelijk onderzoek lastens de BVBA en haar zaakvoerder.
Verweerster stelt daarop dat het enkel de bedoeling van eiser is de zaak op de lange baan te schuiven.
Deze zou overigens van een verkeerd standpunt uitgaan, daar waar de betwisting thans enkel slaat op ten onrechte afgetrokken BTW voor het eerste tot en met het derde kwartaal van 1988, waarvoor controle in 1990.
Eiser zou geenszins onwetend geweest zijn van de aangiften, daar waar hij deels gelden van de administratie terug kreeg, anderzijds zelf betaalde.
Ze herhaalt de toepasselijke wetgeving omtrent de verplichting tot bijhouden van boekhouding en de noodzaak van facturen, evenals omtrent het principe van het verwerpen van het recht op aftrek.
Ze haalt daarbij een gans gamma rechtspraak aan.
Bespreking
Waar eiser uitstel vraagt tot na de afwikkeling van het gerechtelijk onderzoek tegen de BVBA R. T. en de zaakvoerder, legt hij vooreerst geen enkel stuk voor waaruit zou kunnen blijken dat dergelijk onderzoek bezig is, daar waar het bewijs dient geleverd van dergelijk onderzoek en een eenvoudige klacht niet volstaat.
Verder is het zo dat hij reeds in besluiten van 15 september 1998 stelt dat er veroordelingen waren van frauduleus faillissement en bedrieglijke bankbreuk.
Deze veroordelingen worden evenmin voorgelegd en het lijkt logisch dat er sindsdien toch reeds een einduitspraak zou gevolgd zijn.
Eiser bewijst derhalve niets dat een schorsing van deze burgerlijke zaak zou kunnen rechtvaardigen.
Hij heeft ook tijd genoeg gehad om de nodige stukken te bekomen en verweerster kan niet het slachtoffer zijn van zijn inertie.
Wanneer hij voorhoudt zelf bedrogen te zijn, staat het hem vrij zich te keren tegen diegenen die hem bedrogen, weze het een vennootschap, weze het een zaakvoerder, weze het een boekhouder.
Hij heeft ook geen van dezen hier in vrijwaring opgeroepen.
Ten gronde sluit de rechtbank zich aan bij de ruim gestoffeerde conclusies van verweerster en neemt haar argumentatie, dewelke overigens niet door eiser in rechte weerlegd wordt, over.
De eis is dan ook ongegrond.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak ten aanzien van de eiser en de eerste verweerder en bij verstek in toepassing van artikel 753 Gerechtelijk Wetboek geacht als op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van de tweede verweerder :
verklaart de vordering ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond;
veroordeelt eiser tot de kosten, in hoofde van verweerster begroot op 218,15 euro rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Oudenaarde op zeventien maart tweeduizend en drie.
Aanwezig :
de heer A. S., voorzitter der rechtbank, voorzitter der kamer;
mevrouw D. V. O., e.a. adjunct-griffier.
D. V. O. A. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.