Bewijs, controlemaatregel · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 20 september 1999

Zoeken

Bewijs, controlemaatregelBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-hof-van-beroep-gent-1999-09-20-5f2b

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
20 september 1999

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

59 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 20.09.1999

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

HOF VAN BEROEP GENT – 20° Kamer

1969/AR/45837 – In de zaak van :

V. L., handelaar, wonende te …, …;

appellant,

hebbende als raadsman Mr. V. D., advocaat te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, administratie BTW, registratie en domeinen, op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8400 Oostende, Vrijhavenstraat 1,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman Mr. P. M., advocaat te …, ….

Velt het Hof het volgend arrest :

Het beroep tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 4° kamer van 8 januari 1992 werd bij tussenarrest van 4 januari 1999 ontvankelijk verklaard.

A. Bijzonderste gegevens van de zaak

1. Eiser op verzet is een handelaar in algemene voedingswaren, bloemen en planten en baat deze kleinhandel uit te …, … sinds 1963.

In de loop van het jaar 1984 wordt hem medegedeeld dat hij een overtreding zou gedaan hebben met betrekking tot de wetgeving op de BTW, waardoor een onmiddellijke aanslag zou moeten gewettigd zijn in hoofde van het Bestuur.

Op 26 juli 1982 en 22 maart 1984 werden door ambtenaren, verbonden aan de BTW-controle kantoren Nieuwpoort, toezicht gehouden bij eiser op verzet, juist om na te gaan of hij de juiste toepassing maakte van de BTW-wetgeving en reglementering.

Eiser op verzet is overeenkomstig het BTW-wetboek onderworpen aan de forfaitaire regeling inzake kleinhandelaars in levensmiddelen.

Teneinde tot regularisatie van zijn dossier te kunnen overgaan, werd aan eiser op verzet, na deze controles, een regularisatieopgave opgestuurd, om hem toe te laten op minnelijke wijze, het vastgestelde omzettekort met betrekking tot de verkoop van bloemen en platen te regulariseren.

Bij brief d.d. 15 december 1982 verwierp eiser op verzet voormelde naheffingsopgave, zodat een minnelijke afhandeling onmogelijk werd en werd overeenkomstig de vigerende wetgeving eiser op verzet ter kennis gesteld dat een ambtshalve aanslag zou opgelegd worden.

Deze ambtelijke aanslag werd eiser op verzet betekend.

2. Deze aanslag wordt door eiser op verzet betwist op volgende gronden, namelijk :

a) de uitbating bestaat sinds 1963 en werd door de administratie van de BTW regelmatig gecontroleerd. Nu komt men hem mededelen dat hij in overtreding zou zijn met de BTW-wetgeving t.t.z. 14 jaar na het in voege zijn van deze wet.

De ambtelijke aanslag is dan ook willekeurig en onwettig.

b) de brutowinst van 70 % kan niet weerhouden worden en dit om allerhande redenen; zo ondermeer….. is geen gemotiveerde berekening van die 70 % gemaakt, het opnemen der verkoopprijzen laten niet toe de winst vast te stellen; er wordt geen rekening gehouden met allerhande verlies eigen aan de verkoop van bloemen en planten.

c) de administratie heeft altijd aangenomen dat omzet mocht verrekend worden zoals de andere voedingswaren mits aanpassingen van de omzetwinst.

d) Deze omzetwinst definitief aangenomen werd in de directe belast

e) de BTW op de omzet van bloemen en platen werd klaar en duidelijk opgegeven in de aanifte deze BTW werd dan ook volledig betaald.

B. Procedureel

1. Uit het onderzoek door het Openbaar Ministerie is gevolgd dat er nooit meer dan twee adviezen werden verstrekt in de eerste aanleg.

2. Gezien de reeds bij tussenarrest van 4 januari 1999 vastgestelde tegenstrijdigheden tussen de vermeldingen op het proces-verbaal van terechtzitting en het vonnis waartegen beroep dient het vonnis te worden te niet gedaan.

De rechtbank samengesteld uit de alleensprekende rechter E. A. en griffier V. W. G. kan niet op regelmatige wijze een vonnis uitspreken op naam van alleensprekend rechter P. G. in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie B. V. en griffier V. W. G.

C. Beoordeling

1. Er wordt niet ernstig betwist dat appellant zich in de voorwaarden bevond om een ambtshalve aanslag inzake BTW opgelegd te krijgen. Uit herhaalde controles was gebleken dat appellant niet de wettelijk vereiste boeken en bescheiden bijhield wat ook niet werd ontkend door zijn boekhouder; het feit dat hij sinds 1970 op deze wijze handelde zonder opmerking is terzake niet relevant; als handelaar moet hij zich op de hoogte stellen van de fiscale plichten die op hem rusten wat ter zake te meer klemt waar hij bijstand heeft van en boekhouder.

Evenmin worden de door geïntimeerde vooropgestelde basisbedragen betwist, enkel het coëfficiënt van 70 %.

2. Bij toepassing van art. 59, 66 en 67 W.BTW kan de administratie die overgaat tot het ambtshalve opleggen van een aanslag zich ertoe steunen alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen en behoort het, als ter zake appellant te bewijzen dat deze aanslag overdreven is en/of niet strookt met de realiteit.

3. Hiertoe kan hij niet volstaan te stellen dat ambtshalve aanslag willekeurig zou zijn, wat niet eens wordt aangetoond, laat staan bewezen en wordt tegengesproken door wat hierna wordt gesteld.

3.1. De ambtshalve aanslag is eerstens gesteund voorafgaande vaststellingen dat de bij de wet vereiste boeken niet werden bijgehouden en dit na onderzoek in december 1982 en maart 1984, wat door appellant niet wordt ontkracht.

3.2. De ambtshalve aanslag is vervolgens gesteund op vaststellingen door mevr. F. P. die in samenspraak met appellant vernam dat de verkoopprijs werd berekend door de aankoopprijs minimaal te verdubbelen wat, gezien het toepasselijk BTW-tarief, resulteerde in een brutowinstmarge van 71 – 73 % welke vaststelling evenmin door appellant wordt weerlegt.

3.3. De ambtshalve aanslag hield rekening met vergelijkingspunten en met de door die handelaars gehanteerde winstmarges welke zich situeren tussen de 70 en 100 %; tevergeefs poogt appellant deze gegevens te ontkrachten door te stellen dat niet kan worden nagegaan hoe deze zaken zijn samengesteld of gerund daar waar het enerzijds om bruto-winstcijfers gaat, voor aftrok van kosten en lasten en het anderzijds cijfergegevens zijn die hoger liggen dan de uiteindelijke ambtshalve taxatie, dewelke zich uiteindelijk nog 2 à 3 % lager situeert dan uit de in aanwezigheid van appellant uitgevoerde steekproef en zijn eigen verklaring nopens het bepalen van de verkoopprijs.

3.4. Er wordt niet weerlegd dat de 70 % brutowinst rekening houdt met minwaarde, verlies, diefstal gezien een normaal vakbekwaam handelaar – appellant baatte de zaak reeds sinds 1963 uit – bij zijn prijsberekening rekening houdt met dergelijke verliesposten wat moge volgen uit wat hierboven reeds werd gesteld nl. dat het verdubbelen van de aankoopprijs de laagste verkoopsdrempel was.

3.5. De omzet zoals deze door de directe belastingen werd aangenomen is niet bindend voor de BTW-administratie; zij is gerechtigd zich op deze gegevens te steunen doch dit recht vormt geenszins een beletsel om via een eigen onderzoek en de resultaten ervan over te gaan tot een ambtshalve aanslag die verschillend kan zijn van deze van een andere fiscale administratie. De rechten van appellant worden niet geschonden gezien hij het tegenbewijs kan en mag leveren.

De door appellant ingeroepen rechtspraak betreffende alle problematieken met de directe belastingen vinden in onderhavige zaak geen toepassing gezien de specifieke materie met eigen bewijsregelen die een eigen leven leiden. De ambtshalve aanslag in overeenstemming tussen de verschillende administraties niet in de weg gezien het bepaalde in art. 242-243, WIB als van toepassing in de periode waarover geding.

3.6. Uit wat hierboven is gesteld volgt dat er …. geen sprake kan zijn van enige willekeur in hoofde van geïntimeerde bij de vestiging van de ambtshalve aanslag. Het feit dat nadien voor latere aanslagen zou teruggevallen zijn op 50 % bewijst niets voor het verleden noch voor de toekomst; het feit dat geïntimeerde voor de periode waarover geding de verstrekte gegevens wel zou hebben aangenomen ontneemt haar niet het recht op controles de aanslagen te bevestigen die eruit volgen, zelfs zo dit een ambtshalve aansmag wordt, de houding van geïntimeerde was ten dezen dan ook helemaal niet in strijd met de wet, die van openbare orde is.

4. De overige grieven welke door appellant werden ontwikkeld zijn geenszins van aard het hierboven gestelde te ontkrachten noch van aard de inhoud van de ambtshalve aanslag te weerleggen.

Beschikkend gedeelte

Op deze gronden het Hof op tegenspraak;

Alle meeromvattende en/of andersluidende besluiten en/of motieven of grieven verwerpend als niet dienstig en/of ongegrond.

In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het beroep ontvankelijk.

Doet het bestreden vonnis te niet en opnieuw beslissend.

Veroordeelt appellant in de kosten van beide aanleggen.

Begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van geïntimeerde op :

1° aanleg … BF

beroep geïndexeerd op … BF.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, twintigste kamer, rechtsprekende in burgerlijke ….., heden 20 september negentienhonderd negenennegentig, door :

Alleensprekend Raadsheer P. B.,

Bijgestaan door griffier C. S.

S. B.