Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 07.09.1999
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP te Brussel, achtste kamer, na beraad, wijst volgend arrest :
1997/AR/1295
IN ZAKE VAN :
De Heer D. R., bakker, wonende te …, …, H.R. Hasselt …
appellant,
vertegenwoordigd door Mr B., advocaat loco Mr V., advocaat te …, …
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Tienen, wiens kantoren gevestigd zijn te 3300 Tienen, Goossensvest 3
geïntimeerde,
vertegenwoordigd door Mr J. V., advocaat te … (…), …
Gelet op het verzoekschrift, ingediend ter griffie op 11 april 1997, waarbij tijdig een regelmatig hoger beroep werd ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 18 maart 1997;
I. Relevante feiten en procedurevoorgaanden :
Overwegende dat appellant bakker is, en dat de BTW die hij aan geïntimeerde verschuldigd is wordt berekend op een forfaitaire omzet, die wordt afgeleid uit zijn aankopen van bloem en andere grondstoffen;
Overwegende dat geïntimeerde voorhoudt dat appellant, naast zijn regelmatige aankopen van bloem bij de toenmalige NV C., in 1986 14.240 kg bloem en in 1987 7.660 kg bloem zou hebben afgenomen van deze NV, doch zonder factuur;
Dat geïntimeerde aanneemt dat deze aankopen zonder factuur niet in de boekhouding van appellant werden opgenomen, en derhalve ook niet in aanmerking konden worden genomen voor de forfaitaire berekening van de omzet, die als grondslag dient voor de BTW;
Dat de voormelde aankopen volgens geïntimeerde een verhoging van de omzet met … BEF in 1986 en … BEF in 1987 teweeg brengen, waarop een BTW van 6 % of … BEF dient te worden betaald;
Overwegende dat de ontvanger van de BTW op 26 november 1990 lastens appellant een dwangbevel heeft uitgevaardigd voor de sommen van … BEF als BTW, te vermeerderen met de interest aan 0,80 % per maand vanaf 21 januari 1988, en … BEF als boete, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de betekening van het dwangbevel op 21 december 1990;
Overwegende dat appellant bij de eerste rechter verzet heeft aangetekend tegen dit dwangbevel, bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend op 10 januari 1991;
Overwegende dat het verzet in het aangevochten vonnis ontvankelijk doch ongegrond is verklaard, en appellant in de gerechtskosten werd verwezen;
Overwegende dat zijn hoger beroep ertoe strekt zijn verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, het dwangbevel te vernietigen, en geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de in het dwangbevel vermelde sommen, te vermeerderen met de interesten sedert de betaling;
II. Beoordeling :
1. Overwegende dat feiten die de verschuldigdheid van de BTW aantonen door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen (art. 59, § 1 W.BTW);
Overwegende dat de BTW, die in het dwangbevel wordt opgevorderd, verschuldigd is, indien bewezen is dat appellant in 1986 14.240 kg bloem en in 1987 7.660 kg bloem heeft afgenomen van de NV C., zonder deze aankopen in zijn boekhouding te vermelden;
Dat dit bewijs met vermoedens geleverd mag worden, zoals in het burgerlijk recht;
Overwegende dat het bewijs door vermoedens erin bestaat dat de rechter uit bekende feiten onbekende feiten afleidt;
Dat vermoedens worden overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter, die geen andere dan gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens mag aannemen (aldus artikel 1353 B.W.);
Overwegende dat er in de voorliggende zaak een hele reeks welbepaalde, relevante en consistente feiten bestaan, die het vereiste bewijs met vermoedens mogelijk maken;
2. 0verwegende dat uit het dossier van het strafrechtelijk onderzoek, dat heeft geleid tot de veroordeling van verschillende personen van de toenmalige NV C., blijkt dat deze NV, naast leveringen van bloem met factuur, leveringen van bloem uitvoerde aan een groot aantal afnemers, zonder dat daarvoor facturen werden uitgeschreven, en zonder dat van deze leveringen een spoor in de officiële boekhouding van de NV C. kon worden teruggevonden;
Dat uit dit strafrechtelijk dossier met name blijkt dat het parallelle systeem samengevat hierop neerkwam dat afnemers bestellingen plaatsten bij handelsreizigers van de NV C., dat voor elke zulke levering bij de weging van de bestelde hoeveelheid bloem een bon werd opgesteld en bij de inscheping van deze lading een vervoerdocument werd opgemaakt op naam van de bestemmeling, en dat de afnemers contant betaalden in handen van de chauffeurs die de levering verrichten;
Dat bovendien bij de NV C. lijsten werden opgesteld met de namen van de afnemers, en de data en de hoeveelheden van de leveringen;
Overwegende dat de boekhouding van deze leveringen op 18 november 1987 in beslag werd genomen in de koffer van de wagen van de heer M. G., hoofdboekhouder en directeur administratieve zaken van de NV C.;
Overwegende dat het bestaan van het door de NV C. georganiseerde systeem van leveringen van bloem zonder factuur is bevestigd in tal van verklaringen van de betrokkenen, en dat het geen enkele twijfel lijdt dat het heeft gefunctioneerd;
Dat de teruggevonden documenten bovendien in het algemeen op consistente wijze weergeven welke leveringen zonder factuur aan welke afnemers op welke data werden verricht;
3. 0verwegende dat uit de door geïntimeerde voorgelegde lijsten blijkt dat volgende leveringen in het parallelle circuit werden verricht aan appellant :
februari 1986 : 2.020 kg
april 1986 : 2.000 kg
mei 1986 : 2.000 kg
juli 1986 : 2.090 kg
september 1986 : 2.050 kg
oktober 1986 : 2.020 kg
december 1986 : 2.060 kg
totaal 1986 : 14.240 kg
februari 1997 : 2.030 kg
april 1987 : 1.040 kg
augustus 1987 : 1.520 kg
oktober 1987 : 1.550 kg
totaal 1987 : 6.140 kg
Overwegende dat het totaal van 1986 overeenstemt met de door geïntimeerde in aanmerking genomen hoeveelheid voor de berekening van de litigieuze BTW;
Overwegende dat het verschil tussen voormeld totaal voor 1987 en het gewicht van 7.660 kg, dat door geïntimeerde voor de berekening van de litigieuze BTW in aanmerking werd genomen, 1.520 kg bedraagt, en het voorwerp is van het door geïntimeerde voorgelegde vervoerdocument nr. 82229 D van 13 en 16 november 1987;
Dat kan worden aangenomen dat deze levering nog niet op de hier bedoelde lijsten was opgenomen, toen deze op 18 november 1987 in beslag werden genomen in de koffer van G.;
Overwegende dat het voor de hand ligt aan te nemen dat de leveringen die op de lijsten zijn vermeld effectief werden uitgevoerd, omdat er nu eenmaal een verklaring moet zijn voor het opstellen van deze stukken;
Overwegende dat appellant wel vragen stelt bij de neerlegging door geïntimeerde in de huidige procedure van slechts twee vervoerdocumenten, nr. 081 733 D en nr. 082229 D, waarin is vermeld dat aan appellant respectievelijk op 7 oktober 1987 1.550 kg bloem, en op 16 november 1987 1.520 kg bloem werden geleverd, doch niet uitdrukkelijk betwist dat de andere vervoerdocumenten bestaan;
Dat geïntimeerde in conclusie trouwens nog verwijst naar een ander vervoerdocument, van 27 augustus 1987, voor 1.520 kg;
Dat er geen reden is om er aan te twijfelen dat aan alle leveringen aan appellant, vermeld op de lijsten, vervoerdocumenten beantwoorden;
Overwegende dat appellant meer specifiek opwerpt dat de levering die het voorwerp was van vervoerdocument 082229 D op 16 november 1987 zou hebben plaats gevonden, terwijl de weging van de bedoelde hoeveelheid op 13 november 1987 zou hebben plaats gegrepen;
Dat geïntimeerde de verklaring voor die verschillende data echter terecht afleidt uit de vermelding op het vervoerdocument, volgens dewelke het vervoer op (vrijdag) 13 november werd onderbroken, en op (maandag) 16 november werd hernomen;
4. 0verwegende dat uit de gegevens opgenomen in de lijsten en vermeld in de vervoerdocumenten afgeleid kan worden dat deze leveringen aan appellant zonder factuur effectief hebben plaats gevonden;
Overwegende dat appellant in dit verband nog doet gelden dat ook een fraudesysteem denkbaar is waarbij leveringen worden geboekt op fictieve namen, of ten minste op namen van personen die de leveringen niet daadwerkelijk in ontvangst nemen, en dat niets uitsluit dat de vermelding van zijn naam in de stukken van de NV C. daarin zijn verklaring vindt;
Overwegende dat deze verklaring voor het voorkomen van de naam van appellant in de desbetreffende stukken echter ongeloofwaardig is;
Overwegende dat geïntimeerde erop wijst dat leveringen zonder factuur telkens gepaard gingen met regelmatig gefactureerde leveringen, en appellant op de data waarop volgens de vervoerdocumenten zonder factuur werd geleverd, tevens leveringen met factuur in ontvangst heeft genomen;
Dat het dan al van een merkwaardig toeval zou getuigen dat de naam van appellant fictief zou worden gebruikt voor leveringen aan één of meerdere derden, die telkens op dezelfde dag als leveringen met factuur aan appellant zelf zouden plaats vinden;
Dat het eerder voor de hand ligt dat de leveringen zonder factuur aan appellant zelf zijn geschied, temeer daar volgens de berekeningen van geïntimeerde het volume van appellants silo de leveringen met factuur overschreed, maar ongeveer overeenstemt met het geheel van de leveringen met en zonder factuur op een bepaald tijdstip;
Overwegende dat op de lijsten van leveringen zonder factuur ook telkens is vermeld wie de handelsreiziger was die de bestelling had opgenomen;
Dat het voor appellant eerst om S., en daarna om V. W. gaat;
Dat appellant niet betwist bij deze personen de leveringen met factuur te hebben besteld, hetgeen kan verklaren dat zij ook als de tussenpersonen voor de litigieuze leveringen worden vermeld;
Overwegende dat het aantal afnemers trouwens zo groot was, dat fictieve namen alleen haalbaar waren indien elders een lexicon van de werkelijke namen werd bijgehouden en voortdurend geraadpleegd, zodat het nut van het gebruik van fictieve namen moeilijk valt in te zien;
5. Overwegende dat, naast het volume van de silo van appellant, ook andere bekende feiten, die geheel vreemd zijn aan de NV C. en haar fraudesysteem, erop wijzen dat de leveringen zonder factuur, waarvan de gegevens uit het strafdossier blijk geven, moeten hebben plaats gevonden;
Overwegende dat geïntimeerde op basis van door appellant verstrekte gegevens heeft voorgerekend dat, voor 1986, de aankoop door appellant van 190 kg gist niet kan worden verantwoord zonder de litigieuze leveringen van bloem in aanmerking te nemen, en dat dit getal zelfs tot 290 kg (of 46 % van de door appellant aangekochte gist) oploopt, als geen rekening wordt gehouden met de (onwaarschijnlijke) bewering van appellant, dat hij wekelijks 2 kg gist aan particulieren verkocht;
Dat, worden de leveringen zonder factuur wel meegerekend, er slechts een onaanzienlijk verschil bestaat tussen de aangekochte gist en deze waarvan het verbruik door appellant kan worden aangetoond;
Overwegende dat het mogelijk is dat gist verloren gaat door bederf, doch het onwaarschijnlijk voorkomt dat dit de verklaring kan zijn voor voormelde grote verschillen;
Overwegende dat appellant de berekening voor 1987 had kunnen voorleggen, indien deze een voor zijn standpunt gunstiger resultaat zou te zien geven;
6. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat de NV C. aan appellant in 1986 14.240 kg bloem, en in 1987 7.660 kg bloem heeft geleverd zonder factuur, en dat appellant deze aankopen niet in zijn boekhouding heeft opgenomen;
Dat geïntimeerde bijgevolg terecht een hogere omzet in aanmerking heeft genomen om een aanvullende BTW te heffen;
Overwegende dat het dwangsbevel dan ook terecht werd uitgevaardigd en de eerste rechter het verzet van appellant op goede gronden heeft verworpen, zodat zijn beslissing moet worden bevestigd;
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Uitspraak doende na tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,
Bevestigt het aangevochten vonnis in al zijn beschikkingen;
Veroordeelt appellant tot de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot op … F + … F in zijn hoofde en op … F in hoofde van geïntimeerde.
Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare burgerlijke terechtzitting van de achtste kamer van het Hof van Beroep te Brussel, op 07/09/1999, waar aanwezig waren :
M. P. B., raadsheer dd voorzitter,
M. R., raadsheer,
M. R., plaatsvervangend raadsheer,
Mevr. D. R., griffier.
D. R. R. R. P. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.