---
title: "Bewaren van stukken, Vertrouwensbeginsel · Hof van beroep te Brussel, 22 mei 2013"
description: "Bewaren van stukken, Vertrouwensbeginsel, Evenredigheidsbeginsel, Boetes, Proces-verbaal, Fraude. Hof van beroep te Brussel (België), 22 mei 2013."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewaren-stukken-vertrouwensbeginsel-evenredigheidsbeginsel-hof-van-beroep-brussel-2013-05-22-2bce"
lang: "nl"
---

# Bewaren van stukken, Vertrouwensbeginsel, Evenredigheidsbeginsel, Boetes, Proces-verbaal, Fraude · Bewaren van stukken – Vertrouwensbeginsel – Evenredigheidsbeginsel - Boetes - Proces-verbaal - Fraude

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

22 mei 2013

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

125 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Arrest van het Hof van beroep te Brussel dd. 22.05.2013 (2005/AR/645 en 2005/AR/823)**

*Belasting over de toegevoegde waarde – Bewaren van stukken – Vertrouwensbeginsel – Evenredigheidsbeginsel - Boetes - Proces-verbaal- Fraude*

## Samenvatting

Het opgemaakte proces-verbaal levert het bewijs dat een reeks werkelijke, effectieve vaststellingen, waarvan het tegendeel niet is aangetoond en die in hun geheel bewijs door middel van feitelijke vermoedens rechtvaardigen. Belastingplichtige maakte zich schuldig aan een fraudesysteem .De belastingplichtige kan zich niet beroepen op het vertrouwensbeginsel.

De vermindering van een boete is niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken ([art. 1 KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1)).

De strafrechtelijke aard van de in [artikel 70, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde fiscale geldboeten in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, brengt weliswaar mee dat de waarborgen van die bepaling in acht moeten worden genomen, maar heeft niet tot gevolg dat die geldboete in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard zou zijn en, bijgevolg, dat artikel 65 van het Strafwetboek erop van toepassing zou zijn of zou moeten zijn.

De wetgever mag bijzonder zware straffen opleggen in sectoren waar de omvang en de frequentie van de fraude de belangen van de gemeenschap ernstig aantasten. De boete is derhalve gerechtvaardigd, het evenredigheidsbeginsel is niet geschonden.

De notie *"hangende zaak"* moet aldus worden begrepen dat het geding een aanvang neemt met de inleiding van de eis en eindigt met de over deze eis, in die aanleg gewezen beslissing. Een zaak is dus *"hangend"* zolang er in de bedoelde aanleg geen eindbeslissing is genomen in de zin van artikel 19 Gerechtelijk wetboek 14

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP - Zesde fiscale kamer**

**Brussel dd. 22.05.2013**

## 2005/AR/645 en 2005/AR/823

Openbare terechtzitting van 22 MEI 2013

## De zaak 2005/AR/645

**IN ZAKE VAN:**

De **N.V. H.** met maatschappelijke zetel te …, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen met als ondernemingsnummer … ,

appellante,

vertegenwoordigd door Meester A.L., loco Meester R. F. ; advocaat te …

**TEGEN:**

De **BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de Ondememings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester **F.S.** , advocaat te ….

**De zaak 2005/AR/823.**

**IN ZAKE VAN:**

De **BELGISCHE STAAT**, Administratie van de, Ondernemings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW -ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester F. S., advocaat te …

**TEGEN:**

De **N.V. H****.**, met maatschappelijke zetel te…, BTW-nummer BE …

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester A. L. loco Meester R. F., advocaat te …

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit:

## VOEGING WEGENS SAMENHANG

1\. De geschillen, alhier ingeschreven in de Algemene Rol onder de nummers 2005/AR/645 en 2005/AR/823, zijn onderling zo nauw verbonden dat het wenselijk is om ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn, wanneer ze afzonderlijk zouden worden behandeld. De desbetreffende geschillen hebben namelijk betrekking op beroepen tegen een zelfde vonnis. Zij moeten dienvolgens redelijkerwijs samen behandeld worden.

## PROCEDURE

2\. Gelet op de processtukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te L. van 19 november 2004 (AR 01/133/A), waarvan geen betekeningsakte wordt voorgelegd, en waartegen regelmatig en tijdig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschriften op de griffie van het hof neergelegd op 8 maart 2005 door de **N.V. H.** (zaak ingeschreven in de Algemene Rol onder nummer 2005/AR/645) en op 24 maart 2005 door de Belgische Staat (zaak ingeschreven in de Algemene Rol onder nummer 2005/ AR/823).

## FEITEN EN RETROACTEN

3\. De **N.V. H.** is actief in de voedingsmiddelenindustrie over het gehele Belgische grondgebied. Haar cliënteel bestaat uit professionele klanten (horecabedrijven, openbare of private entiteiten, traiteurs, groothandelaars) en een privaat cliënteel. Aan de professionele klanten levert zij ter plaatse. De particulieren kopen meestal ter plaatse of halen, na bestelling enkele dagen tevoren, de goederen af ter plaatse van haar uitbatingszetel of in haar opslagplaats.

4\. Naar aanleiding van een controle van de boekhouding betreffende de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996 stelde de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit op 18 oktober 1999 een proces-verbaal op dat aan de **N.V. H.** werd medegedeeld bij aangetekend schrijven van 3 november 1999. Het proces-verbaal legt de **N.V. H.** overtredingen ten laste van de artikelen [60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) en [61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (niet bewaren en niet voorleggen van opgemaakte stukken) en artikel53, 3°, van ditzelfde wetboek en artikel 5 van het Koninklijk besluit n° I van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (onjuiste vermeldingen op de uitgereikte facturen).

In het proces-verbaal wordt een verschuldigde som van 96.337,27 euro als wettelijke geldboete opgenomen. De **N.V. H.** betaalde dit bedrag op 3 december 1999.

5\. Op 22 mei 2000 dagvaardde de **N.V. H.** de Belgische Staat in terugbetaling van voornoemd bedrag.

Bij het bestreden vonnis d.d. 19 november 2004 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven deze vordering ontvankelijk, doch slechts gedeeltelijk gegrond.

De Belgische staat werd veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van 495,79 euro - geldboete voor wat betreft de schending van de artikelen [60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) en [61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, meer aankleven.

## GRIEVEN

6\. Het hoger beroep van de **N.V. H.** (zaak ingeschreven in de Algemene Rol onder nummer 2005/ AR/645) is beperkt tot het onderdeel van het bestreden vonnis, dat de vordering tot opheffing van de geldboete van 95.841,49 euro - geldboete voor wat betreft de schending van de artikelen [53, 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het artikel 5 van het Koninklijk besluit n" 1 van 29 december 1992 – ongegrond verklaarde.

7\. Het hoger beroep van de Belgische Staat (zaak ingeschreven in de Algemene Rol onder nummer 2005/AR/823) is daarentegen beperkt tot het onderdeel van het bestreden vonnis, dat de Belgische staat veroordeelt tot terugbetaling van het bedrag van 495,79 euro - geldboete voor wat betreft de schending van de artikelen [60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) en [61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, meer aankleven.

## BEOORDELING

*Wat de inbreuken op de artikelen* [*60*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) *en* [61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) *van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreft*

8\. Het proces-verbaal van 18 oktober 1999 stelt vast en de **N.V. H.** betwist niet dat laatstgenoemde de bestelbons, de orderbevestigingen en de routeplans van de chauffeurs niet bewaarde en dus ook niet voorlegde.

Bestelbons, orderbevestigingen en de routeplans van chauffeurs zijn stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid in de zin van artikel60, § 1, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.

De verwijzing naar *"de intracommunautaire verwervingen van goederen"* of *"in het buitenland verrichte aankopen"* heeft uitsluitend betrekking op *"de facturen of de als zodanig geldende stukken"* en helemaal niet op *"belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen".*

*Wat de inbreuken op de artikelen* [53, 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), *van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en van* [artikel 5 van het Koninklijk besluit n° 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) *van* 29 *december* 1992 *betreft*

9\. Het hof treedt de oordeelkundige motieven van het bestreden vonnis (blad 4/7 t.e.m. blad 6/7, voorlaatste alinea vonnis) bij, en neemt deze over, op basis waarvan de eerste rechter terecht oordeelde dat het proces-verbaal d.d. 18 oktober 1999 het bewijs oplevert van een reeks werkelijke, effectieve vaststellingen, waarvan het tegendeel niet is aangetoond en die in hun geheel het bewijs door middel van feitelijke vermoedens rechtvaardigen dat de **N.V. H.** zich schuldig maakte aan een fraudesysteem.

10\. Ook op basis van oordeelkundige motieven (blad 6/7, laatste alinea vonnis), die het hof beaamt en dan ook overneemt, oordeelde de eerste rechter terecht dat de **N.V. H.** zich niet op het vertrouwensbeginsel kan beroepen.

11\. In zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 1 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpretatie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen, als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboeten te oordelen, ongrondwettelijk is. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de Grondwet dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, terwijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, die de administratie in acht moet nemen, werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel. Verder impliceerde deze rechtspraak eveneens dat indien de administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding), niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen.

*(1)GwH 24 februari 1999, nr.22/99, B.S. 30 april 1999; Fiscoloog 1999, afl.697, 5,; F.J.F. 1999, 489; J.L.M.B. 1999, 532; J.T. 1999, 45; T.F.R. 1999, 385, noot COOPMAN en G. STESSENS.*

In drie arresten van 24 januari 2002 2 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechtbanken en hoven de wettelijkheid van de administratieve boetes mogen onderzoeken en mogen nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sancties, en of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder de evenredigheid met de inbreuk.

*(2) Cass. 24 januari 2002, T.F.R. 2002, 765, noot B. COOPMAN en K. LAMMENS*

Het Hof van Cassatie aanvaardt alleen een evenredigheidstoetsing, waarbij de rechtbanken en hoven inzonderheid acht mogen slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Binnen het kader van deze evenredigheidstoetsing neemt het Hof van Cassatie wel aan dat de rechtbanken en hoven de administratieve boetes kunnen verminderen tot onder het wettelijk bepaald minimum in geval van vastgestelde onevenredigheid 3.

*(3) L. VANDENBERGHE, "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten: een stand van zaken", Fisc. Act. 2003, nr. 14, 10 april 2003, nrs. 3 en 4, p. 10.*

Daarentegen meent het Hof van Cassatie dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat zij om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in de opgelegde boetes kunnen verminderen of kwijtschelden 4.

*(4) L. VANDENBERGHE, "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten: een stand van zaken", Fisc. Act. 2003, nr. 14, 10 april 2003, 9 e.v.*

Op 4 maart 2004 werd voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 kritisch benaderd door het EHRM, dat oordeelde dat het Hof van Cassatie op te algemene wijze had beslist dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling 5.

*(5) B. COOPMAN, "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg" (noot onder EHRM 4 maart 2004), T.F.R. 2004,642.*

Toch bleef het hof van Cassatie bij zijn weigering om de rechterlijke opportuniteitscontrole toe te laten naar analogie met het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het zogenaamde Organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen 6. Het Hof van Cassatie oordeelde op 15 mei 2008 dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat deze op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kunnen -verminderen of kwijtschelden.

*(6)* [*Cass. 21 januari 2005*](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2005-01-21-fb70)*, Fiscoloog nr. 969, p. 7; Cass. 30 november 2006, R.G.C.F. 2007, 363, noot M. MORIS;* [*Cass. 16 februari 2007*](https://juriel.be/nl/rechtspraak/volle-rechtsmacht-cassatie-brussel-2007-02-16-777a) *(4 arresten), T.F.R. 2007, 934, noot G. GOOSSENS. Zie ook: B. COOPMAN, "Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te 'subjectief", Fisc. Act. 2005, nr. 7,24 februari 2005,5.*

Op 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van artikel 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen 7.

*(7) GwH 15 mei 2008, T.F.R. 2008, 1027, noot B. COOPMAN.*

In deze gaat het hof met de **N.V. H.** niet akkoord dat het opleggen van een boete van 95.841,49 euro een schending van het evenredigheidsbeginsel uitmaakt.

De omstandigheid dat de **N.V. H.** op geen enkele wijze BTW heeft ontdoken, maar de BTW over haar verrichtingen tot de laatste euro heeft afgedragen aan de Belgische Staat, impliceert namelijk niet de afwezigheid van enige nadelige gevolgen in hoofde van het algemeen belang. De werkwijze van de N.V. HACOSAN stelde haar eigen afnemers namelijk in de mogelijkheid om zwarte aankopen te verrichten en aldus BTW en! of directe belastingen te ontduiken.

Bovendien verschafte de **N.V H.** zichzelf een onrechtmatig concurrentievoordeel t.o.v. concurrenten die hun leveringen wel correct factureerden.

Het hof stelt dan ook vast dat de begane overtreding relatief ernstig is en het algemeen belang schade toebracht.

Bovendien brengt de **N.V. H.** geen enkel argument naar voor die als verzachtende omstandigheid kan worden aangemerkt om over te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboete ten bedrage van 95.841,49 euro. Bovendien is deze boete evenredig met de gepleegde inbreuken.

12\. Artikel70, § 2, van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde luidt:

> *"Wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen* 53, *53octies en* 54, *of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling versehuldigde belasting, zonder dat ze minder mag*
>
> *bedragen dan 50 EUR.*
>
> *Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de*
>
> *medecontractant.*
>
> *Ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel de in* § 1 *als de in* § 2 *bepaalde geldboete oploopt, is alleen de laatste verschuldigd. "*

[Artikel 84, derde lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) voorziet in de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boeten te vervangen door verminderde proportionele boeten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Die schaal werd vastgesteld bij het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en maakt het mogelijk dat de boeten waarin [artikel 70, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) voorziet worden verminderd tot 60 % van de op de handelingen verschuldigde belasting wanneer het niet uitreiken van de factuur geen verschuldigdheid van BTW tot gevolg heeft en tot 100 % wanneer het niet uitreiken van de factuur verschuldigdheid van BTW tot gevolg heeft of wanneer de verplichte vermeldingen op de factuur ontbreken of onjuist zijn (artikel 1, 3°, en bijgevoegde tabel C).

Volgens artikel 1 van het Koninklijk besluit is de vermindering evenwel niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De strafrechtelijke aard van de in [artikel 70, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde fiscale geldboeten in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, brengt weliswaar mee dat de waarborgen van die bepaling in acht moeten worden genomen, maar heeft niet tot gevolg dat die geldboete in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard zou zijn en, bijgevolg, dat artikel 65 van het Strafwetboek erop van toepassing zou zijn of zou moeten zijn 8.

*(8) Vgl. GwH 16 juli 2009, NJ W. 2009, 675.*

De waarborgen van het artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beletten de wetgever niet om de administratie en de rechter te dwingen tot gestrengheid wanneer die overtredingen inzonderheid het algemeen belang schaden. De wetgever kan, zonder het artikel 6 van het verdrag te miskennen, oordelen dat de straftoemetingsregeling van artikel 65 van het Strafwetboek niet toepasselijk is op de fiscale geldboeten waarin artikel70, § 2, van het Wetboek op de belasting over de toegevoegde waarde voorziet.

**Het stellen van de** ***eerste*** **door de N.V. H. voorgestelde prejudiciële vraag is dan ook overbodig.**

13\. De belasting op de toegevoegde waarde werd ingevoerd ter uitvoering van Europese richtlijnen, hetgeen gevolgen heeft voor de bestraffing van inbreuken op die wetgeving.

Wanneer een Europese regelgeving, zoals te dezen, geen specifieke bepaling betreffende de bestraffing van een overtreding bevat of daarvoor verwijst naar de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, zijn de Lid-Staten blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie, krachtens artikel 5 van het E.E.G.-Verdrag (thans artikel 10 van het E.G. -Verdrag) verplicht alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het gemeenschapsrecht te verzekeren. Daartoe dienen de Lid-Staten met name erop toe te zien dat overtredingen van het gemeenschapsrecht onder gelijke materiële en formele voorwaarden worden bestraft als vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht. Zij zijn daarbij vrij in hun keuze van de op te leggen straffen, maar deze moeten wel doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Verder dienen de nationale autoriteiten even energiek op te treden tegen overtredingen van het gemeenschapsrecht als wanneer het gaat om de handhaving van een overeenkomstige nationale wettelijke regeling 9.

*(9) HvJ 21 september 1989, Commissie van de Europese Gemeenschappen t. Helleense Republiek, Jur. 1989, 2984.*

De Lid-Staten moeten die bevoegdheid echter uitoefenen met inachtneming van het gemeenschapsrecht en de algemene beginselen daarvan, en, bijgevolg, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Administratieve of strafrechtelijke maatregelen mogen niet verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. Aan controlemaatregelen mogen geen sancties zijn verbonden die zo onevenredig zijn aan de ernst van de overtreding dat zij tot een belemmering van de in het E.G.-Verdrag verankerde vrijheden worden 10.

*(10) HvJ 16 december 1992, Commissie t. Helleense Republiek, Jur. 1992, I- 6753.*

De wetgever mag bijzonder zware straffen opleggen in sectoren waar de omvang en de frequentie van de fraude de belangen van de gemeenschap ernstig aantasten.

De factuur neemt binnen de belasting over de toegevoegde waarde een centrale plaats in, mede doordat het recht op aftrek door de belastingplichtige afhankelijk is van het bestaan van een dergelijk document. Om die reden worden aan dat document stringente eisen gesteld, waarvan de niet-naleving wordt bestraft.

**Hieruit leidt het hofaf dat het evenredigheidsbeginsel niet is geschonden door de sancties van het Belgische stelsel van wettelijk verminderde administratieve boeten volgens de schalen van het Koninklijk besluit nr. 41.** Immers geldt enkel voor overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken de hoogste sanctie van 200% van de op de handelingen verschuldigde belasting.

**Ook het stellen van de tweede door de N.V. H. voorgestelde prejudiciële vraag is dan ook overbodig.**

## Wat de kosten betreft

14\. Ingevolge artikel 1017, eerste lid, Gerechtelijk wetboek wordt de **N.V. H.**, die in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten van beide aanleggen verwezen.

15\. Op 1 januari 2008, traden de artikelen 1 tot en met 13 van de Wet Verhaalbaarheid Honoraria 11 inwerking 12.

*(11) Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat; B.S., 31 mei 2007.*

*(12) Artikel 10 van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat; B.S., 9 november 2007.*

Krachtens haar artikel 13 is de Wet Verhaalbaarheid Honoraria ook van toepassing op *"zaken die hangende zijn op het moment waarop zij in werking treedt".*

De notie *"hangende zaak"* moet aldus worden begrepen dat het geding een aanvang neemt met de inleiding van de eis en eindigt met de over deze eis, in die aanleg gewezen beslissing 13. Een zaak is dus *"hangend"* zolang er in de bedoelde aanleg geen eindbeslissing is genomen in de zin van artikel 19 Gerechtelijk wetboek 14.

*(13) H. LAMON, "Verhaalbaarheid advocatenkosten", NJ W. 2007,442.*

*(14) I. SAMOY en V. SAGAERT, "De wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van een advocaat", R. W. 2007-08,697; J.-D. LINDEMANS, "De toepasselijkheid van de Wet Verhaalbaarheid Erelonen op «hangende» geschillen", R. W. 2007-08, 1387 en R. VERBEKE, "Een bijzondere toepassing van de werking in de tijd van de wet van 21 april 2007 op de verhaalbaarheid van de kosten en de erelonen van de advocaat" (noot onder Cass. 25 maart 2010), R.A.B.G. 2010, afl. 18, 1202. Zie ook Gent 10 april 2008, R.A.B. G. 2008, afl. 17, 1085 en Bergen 11 februari 2008, C.R.A.-V.A.V. 2008, 523.*

Bij vonnis d.d. 19 november 2004 oordeelde de eerste rechter over de gerechtskosten. De rechter putte aldus zijn rechtsmacht op dit punt uit.

Er is dan ook geen sprake van een op 1januari 2008 hangende zaak in de zin van het artikel 13 van de Wet Verhaalbaarheid Honoraria.

Wat de eerste aanleg betreft kunnen de rechtsplegingsvergoedingen nieuwe stijl dan ook niet toegepast worden.

16\. De door het hof wegens samenhang samengevoegde geschillen, alhier ingeschreven in de Algemene Rol onder de nummers 2005/AR/645 en 2005/AR/823, maken één geschil uit nu zij twee hoofdberoepen tegen een zelfde vonnis betreffen. Slechts één rechtsplegingsvergoeding kan dan ook worden toegekend 15' aan het hoogste tarief 16.

*(15) Cfr. Casso 22 apri12010, AR C.09.0269.N, Pas. 2010, afl. 4, 1207.*

*(16) Cfr. H. BOULARBAH, "Applicable à partir du 1er janvier 2008, le nouveau système de répétibilité des frais et honoraires d'avocat suscite de nombreuses interrogations en ce qui concerne l'influence des demandes incidentes sur les nouvelles indemnités de procédure", beschikbaar op* www .procedurecivile.be

Rekening houdend met het bedrag van de vordering van de eiser in beroep in de zaak, alhier ingeschreven in de Algemene Rol onder nummer 2005/AR/645, welke zich bevindt in de schijf van 60.000,01 euro tot 100.000 euro, dient de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep vereffend te worden op 3.300 euro ingevolge indexering.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Voegt het geschil, alhier ingeschreven in de Algemene Rol onder het nummer 2005/ AR/645, met het geschil, alhier ingeschreven in de Algemene Rol onder het nummer 2005/AR/823;

Verklaart het hoger beroep van de **N.V. H.** ontvankelijk, doch ongegrond;

Verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk en gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens het de vordering ontvankelijk verklaart en het de kosten vereffent, en opnieuw rechtdoende;

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de **N.V. H.** ongegrond;

Verwijst de **N.V. H.** tot de kosten van de beide aanleggen, vereffent in graad van hoger beroep op 3.300 euro voor de Belgische Staat en op 3.300 euro voor de **N.V. H.**

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6de fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op **22 mei 2013**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen:

\- **J. V**. , raadsheer dd. voorzitter

\- **P. V.,** raadsheer

\- **Ph. S.** raadsheer

\- **C. D. N.** griffier

## Aangehaalde teksten

7

[WBTW art. 60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) 4 voorkomens

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 4 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-weigering-boekhoudkundige-stukken-rechtbank-luxemburg-2024-12-18-ffcb) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Huisvisitatie, Domiciliefraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/huisvisitatie-domiciliefraude-visitatie-hof-van-beroep-gent-2025-02-04-030a) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 4 gemeenschappelijke bepalingen
