---
title: "Betaling voorschotten, opeisbaarheid van de btw · Hof van beroep te Gent, 24 april 2018"
description: "Betaling voorschotten, opeisbaarheid van de btw, datum van opeisbaarheid, facturatieverplichting. Hof van beroep te Gent (België), 24 april 2018."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/betaling-voorschotten-opeisbaarheid-btw-datum-hof-van-beroep-gent-2018-04-24-d2b1"
lang: "nl"
---

# Betaling voorschotten, opeisbaarheid van de btw, datum van opeisbaarheid

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

24 april 2018

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

153 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 24.04.2018

(Gunstig voor de Belgische Staat)

WF 714-15-15/023040

*Belasting over de toegevoegde waarde – betaling voorschotten - opeisbaarheid van de btw – datum van opeisbaarheid – facturatieverplichting - boekhoudverplichtingen*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 16](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-16) en [17](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) WBTW;

Art. 772, 773 en 877 Ger. W.

## Samenvatting

## 1)Feiten en procedure in eerste aanleg

De belastingplichtige is detailhandelaar in wijnen en alcoholische dranken. Bij controle in 2013 werden verschillende onregelmatigheden vastgesteld waarbij contante verkopen niet dan wel laattijdig werden opgenomen in de btw-aangifte. In 2014 werd een dwangbevel uitgevaardigd, waartegen de belastingplichtige een vordering stelde voor de rechtbank in eerste aanleg te Brugge.

De rechtbank verklaarde deze vordering ongegrond. Hiertegen werd hoger beroep ingesteld.

## 2)Procedure voor het hof van beroep

De belastingplichtige vraagt in hoger beroep de verschuldigde btw, intresten en boetes niet verschuldigd te verklaren. Op 5 april 2018 werd ook een verzoekschrift tot heropening van de debatten neergelegd omdat door de bedrijfsrevisor een bijkomend verslag was opgemaakt.

De rechter stelt dat het bijkomend verslag van de revisor niet als een nieuw document aan te merken is. Het hof geeft er de voorkeur aan om met het stuk rekening te houden en beveelt de formele voorlegging ervan op basis van art. 877 Ger. W. De rechter oordeelt dat de administratie haar opmerkingen over het stuk heeft laten gelden. Hij acht het niet nodig partijen bijkomend te laten concluderen en doet bijgevolg uitspraak over de stukken overeenkomstig art. 773 Ger. W.

De belastingplichtige erkent zelf het verschuiven van de facturatie om zo de btw uit te stellen en te spreiden. In sommige gevallen zou het waarborgen betreffen ter betaling van later voorziene leveringen van primeurwijnen. De belastingplichtige meende dat voor deze wijnen geen factuur diende opgemaakt te worden en geen btw verschuldigd was. De rechter volgt deze redenering niet.

Door de ontvangsten zelf spontaan aan te merken als te factureren voorschotten en deze ook op te nemen in de belastbare basis van de vennootschapsbelasting erkent de belastingplichtige dat zij een toekomstige levering wil uitvoeren. In toepassing van [art. 17, § 1, derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) is de btw opeisbaar op het moment van ontvangst van deze voorschotten. De administratie kan aannemen dat bij gebrek aan een precieze datum dit uiterlijk op het einde van het boekjaar is. De regularisatie is dus terecht.

Hoewel de belastingplichtige met haar schema de indruk doet ontstaan dat bijna alle ‘te factureren’ boekingen nadien werkelijk werden gefactureerd, geldt dit dus blijkbaar niet voor de zogenaamde voorschotten, die omschreven worden als waarborgen, en andere lacunes.

Het systeem van het uitstellen van facturen leidde ertoe dat een creditsaldo ontstond op de rekening klanten, terwijl deze klantenrekening normaal een debetsaldo dienen te vertonen omdat ze vorderingen weergeven van klanten op de vennootschap. De belastingplichtige verstrekt geen enkele verklaring waarom niet tegelijk het uitstaande creditsaldo op de rekening klanten door de laattijdige facturatie stelselmatig werd afgebouwd.

Aangezien het belaste creditsaldo onmiskenbaar betrekking heeft op de belastbare handelingen ten aanzien van klanten en de belastingplichtige nog steeds nalaat duidelijkheid te verschaffen over de opname van die handelingen in haar aangifte werd die terecht door de administratie opgenomen in de bestreden naheffing.

De administratie heeft de boete herleid tot 20%. Rekening houdend met de voorgeschiedenis, de context en de motivatie van de doorgevoerde naheffing, werden wettelijke boetes opgelegd en correct berekend.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 24.04.2018**

Rol: 2017/AR/430

In de zaak van:

**J. S.W. N.V**., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …, **appellante, hebbende als raadsman mr. S. J., advocaat te …, …**

tegen

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN,** Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Directeur van het Centrum KMO van Kortrijk, met burelen te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, **geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. M. A., advocaat te …, …**

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure

Bij vonnis van de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, gewezen op 6 juni 2016, werd de vordering van de appellante ongegrond verklaard, namelijk in het bijzonder de vordering tot vernietiging van het dwangbevel nr. … inzake btw uitgevaardigd op 16 december 2014 en aan de appellante ter kennis gebracht op 22 december 2014.

Bij verzoekschrift van 7 maart 2017 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

De zaak werd behandeld op de openbare terechtzitting van 13 maart 2018, waarna het debat gesloten werd, de zaak in beraad werd genomen en voor arrest en uitspraak vastgesteld op de zitting van 10 april 2018.

Op 5 april 2018 heeft de appellante een verzoekschrift neergelegd tot heropening van de debatten (artikel 772 Ger.W.). Dit verzoekschrift werd aan de geïntimeerde per gerechtsbrief van 5 april 2018 ter kennis gebracht. De geïntimeerde heeft op 12 april 2018 haar opmerkingen doen toekomen. Het hof doet uitspraak op de stukken.

## 2. De feitelijke gegevens

De appellante is sedert 1 oktober 1994 geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van detailhandelaar in wijnen en alcoholische dranken.

De administratie schets een context waarin de appellante sedert 2006 diverse controles onderging en telkens werd vastgesteld dat contante verkopen niet dan wel laattijdig werden opgenomen in de btw aangifte waardoor de administratie het dossier van de appellante verder opvolgde.

Naar aanleiding van inbreuken vastgesteld tijdens de controle aangevat eind 2013, verstuurde de administratie op 4 december 2014 naar de appellante een beslissing tot naheffing, met de volgende bedragen:

\- btw : … euro

\- boete: … euro

\- intresten: … euro

Op 22 december 2014 verstuurde de administratie naar de appellante per aangetekende brief een kennisgeving van het uitgevaardigd dwangbevel met nummer ….

Op 19 maart 2015 werd het dwangbevel aan de appellante betekend.

De navordering bestaat uit 5 posten:

•De eerste post betreft verschuldigde btw wegens niet facturatie van als “te factureren” geboekte leveringen;

•De tweede post betreft verschuldigde btw wegens onttrekking van roerende goederen voor privé-doeleinden;

•De derde post heeft betrekking op tussentijdse interesten;

•De vierde post heeft betrekking op verschuldigde btw wegens niet aangifte van facturen in de btw-aangifte;

•De vijfde post heeft betrekking op boetes wegens niet spontane rechtzetting en wegens niet -, gedeeltelijke - of laattijdige - opname van belastbare handelingen in de btw-aangifte; ondermeer weerhoudt de administratie een boete van 20 ¾ met betrekking tot de eerste en de vierde post, en een boete van 10 ¾ met betrekking tot de tweede post.

Met een verzoekschrift van 30 maart 2015 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

De vierde kamer van deze rechtbank heeft in zijn vonnis van 6 juni 2016, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellante ongegrond verklaard.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld. Het blijkt niet dat dit vonnis is betekend of dat de appellante er in zou hebben berust. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1 De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*“Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens: Het vonnis a quo te vernietigen of te hervormen, en zodoende:*

•*het btw-dwangbevel van 19 maart 2015 nietig te verklaren, minstens te zeggen voor recht dat de daarin vermelde btw-bedragen, boeten en intresten niet verschuldigd zijn, minstens in de bovenvermelde mate;*

•*ondergeschikt op basis van artikel 962 en volgende van het gerechtelijk wetboek een gerechtsdeskundige* - *bedrijfsrevisor aan te stellen met als opdracht te onderzoeken en vast te stellen op basis van de boekhoudkundige en fiscale gegevens van* ***NV J.*** *of op basis van alle andere stukken dewelke de gerechtsdeskundige revisor desgevallend nuttig acht: wanneer en hoe in de periode 1 juli 2010 tot 30 juni 2015 de dagontvangsten (de contante verkopen) boekhoudkundig werden verwerkt en wanneer de betreffende verkoopfacturen werden opgemaakt en de btw werd voldaan door opname van die verkoopfacturen in de btw-aangiftes.*

•*meer ondergeschikt minstens de opgelegde btw-boetes kwijt te schelden of te verminderen overeenkomstig artikel 70 § 1 W.BTW;*

•*geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van rechtsplegingsvergoedingen*

*-* *ten belope van € … voor de eerste aanleg;*

*-* *ten belope van € … voor het hoger beroep;*

*-* *Totaal: € ….* "

### 3.2 De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*“- Het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.*

*-* *Het vonnis a quo integraal te willen bevestigen en zodoende de bestreden aanslagen te willen bevestigen.*

*-* *Appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van … EUR.* "

## 4 De beoordeling

### 4.1 Over het verzoekschrif t tot heropening van de debatten

Artikel 772 Ger.W. bepaalt dat indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten kan vragen.

De geïntimeerde wijst er terecht op dat een heropening slechts mogelijk is indien het ingeroepen stuk of feit nieuw is. Dit betekent dat dit stuk op het ogenblik van het in beraad nemen van de zaak voor de appellante niet bekend was of kon zijn. De appellante kan niet voorhouden dat haar niet bekend was dat de bedrijfsrevisor klaarblijkelijk bezig was met een bijkomend verslag als aanvulling op het verslag van die bedrijfsrevisor van 6 november 2017. Ondanks dat het bijkomend verslag van de bedrijfsrevisor niet als een nieuw stuk aan te merken is, geeft het hof er de voorkeur aan om toch met het stuk rekening te houden en beveelt het aldus voor zoveel als nodig de formele voorlegging ervan op grond van artikel 877 Ger.W. teneinde zo ruim mogelijk geïnformeerd te zijn voor de beoordeling van het geschil. De geïntimeerde heeft haar opmerkingen over het stuk laten gelden. Het hof acht het niet nodig de partijen daarover nog te horen of aanvullend te concluderen en doet uitspraak op de stukken overeenkomst artikel 773 Ger.W.

### 4.2 Beoordeling ten gronde

1\. De administratie geeft een schema weer van de eindsaldi van de grootboekrekening "40500 te factureren" per 30 juni 2010, 30 juni 2011, 30 juni 2012 en 30 juni 2013. Uit nazicht van die rekening stelde de administratie vast dat in de periode van 1 juli 2010 tot 30 juni 2011 een bedrag geboekt werd van … euro als zijnde te factureren omzet. Volgens de administratie wordt nog steeds geen enkel bewijs aangeleverd door appellante als zou het bedrag van … euro aan te factureren omzet werkelijk volledig gefactureerd en opgenomen zijn in de btw-aangifte. De administratie wijst erop dat de algemene vergadering van aandeelhouders naar aanleiding van de goedkeuring van de jaarrekening per 30 juni 2011 zelf erkende dat de vennootschap nog verkopen moest factureren. De administratie verwijst ook naar de verklaring van de boekhouder op 22 februari 2012 bij de onderzoeksrechter dat stelselmatig dagontvangsten laattijdig worden opgenomen in de boekhouding. Een bedrag van … gefactureerde omzet werd in mindering gebracht hetgeen uiteindelijk leidt tot … aan te factureren omzet, waarop de administratie in het dwangbevel een verschuldigde btw berekende ten bedrage van … euro. De eerste rechter volgde de administratie in de overtuiging dat het ongeloofwaardig is dat in de boekhoudperiode 07/2009 - 06/2010 alle gerealiseerde dagontvangsten correct en tijdig in de boekhouding zouden zijn opgenomen.

2\. De appellante erkent het verschuiven van de facturatie om zo de btw uit te stellen en te spreiden. Ze licht toe dat het bedrag van … euro betrekking heeft op de volgende in het boekjaar 2010-2011 als te factureren geboekte bedragen voor een totaal van …

(excl btw):

| 1. Fermas pro form primeurs Petrus 2009 | € … |
| --- | --- |
| 2. Fermas pro forma primeurs 6 Le Pin | € … |
| 3. Carbonez pro forma primeurs 2009 | € … |
| 4. Fermas pro forma primeurs 2009 | € … |
| totaal | € .... |
| 5. | € … |
| Totaal 1 t.e.m. 5: | € … |

De appellante stelt dat deze bedragen in het volgende boekjaar werden gecorrigeerd zonder duidelijk te maken op welke wijze dat gebeurde. Verder in haar conclusie verduidelijkt de appellante dat de bedragen met betrekking tot de klanten **F.** (€ … x 21 % = € … btw) en **H.** (€ … x 21 % = € … btw) betrekking hebben op primeurwijnen die nog niet zijn geleverd. De appellante licht toe dat het enkel waarborgen zijn ter betaling van de later voorziene leveringen. De appellante meent dat er voor deze wijnen geen verkoopfactuur moet opgemaakt worden en geen btw verschuldigd is.

3\. Uit een onderzoek van de standpunten van de partijen blijkt dat op de rekening "405000 te factureren" een bijboeking gebeurde van … euro in het boekjaar 2010-2011, en dit bedrag in het daarop volgende boekjaar 2011-2012 afgeboekt werd. Hoewel de indruk wordt gewekt dat dit een aparte bij- en afboeking was bovenop de andere “te factureren” boekingen, blijkt dat de administratie aanvaardt dat dit bedrag van … euro kan verminderd worden met (later) gefactureerde ontvangsten. Er is dus geen reden om dit bedrag af te zonderen van de andere boekingen op die rekening en voor dit onderdeel van post 1 geen rekening te houden met de nadien gefactureerde ontvangsten. De appellante toont met haar overzichtsschema aan dat ze in belangrijke mate regularisaties doorvoerde (zie verder).

4\. De redenering van de appellante over het uitsluiten van de voorschotten of zogenaamde waarborgen op nog te leveren primeurwijnen kan niet worden gevolgd. Door die ontvangsten zelf spontaan aan te merken als te facturen voorschotten en deze ook op te nemen in de belastbare basis van de vennootschapsbelasting erkent de appellante dat zij een toekomstige levering wil uitvoeren. De gereserveerde aan te kopen goederen zijn ook duidelijk geïdentificeerd. De btw is opeisbaar op het tijdstip waarop de levering van goederen plaatsvindt maar wanneer de prijs of een deel ervan ontvangen wordt vóór het tijdstip waarop de levering wordt verricht, dan wordt op grond van [artikel 17, §1, lid 3, van het btw wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) de belasting opeisbaar op het tijdstip van ontvangst ten belope van het ontvangen bedrag. In toepassing van deze wettelijke bepaling is de btw opeisbaar over de ontvangen bedragen van klanten **F.** en **H.** op het moment van ontvangst van de voorschotten. De administratie kon aannemen dat bij gebrek aan een precieze datum dit uiterlijk is op het einde van het boekjaar, namelijk 30 juni 2013. De door de administratie doorgevoerde regularisatie van 21% btw, namelijk … €, op de leveringen ter waarde van … € (**F.**) en van … € (**H.**) is terecht.

Naast "**F.**" vermeldt de lijst van wedersamenstelling van het bedrag van … €, ook nog de klant "**C.**" ten bedrage van … € en een niet nader verklaard bedrag van … €. Behoudens de stelling dat die bedragen het jaar daarop geregulariseerd werden, toont de appellante niet precies aan op welke wijze dat gebeurde. Bij gebrek aan concrete toelichting van de beweerde regularisatie en aangifte van die ontvangsten, zijn die als te factureren geboekte ontvangsten terecht opgenomen in de betwiste naheffing.

5\. Het saldo van het bedrag van … (- …), namelijk … euro heeft volgens de appellante betrekking op de volgende dagontvangsten :

2.juli 2010€ …

3.maart 2011€ …

Totaal€ …

Met betrekking tot deze ontvangsten kan de appellante gevolgd worden in haar voorgelegde schema waaruit blijkt dat deze dagontvangsten gefactureerd zijn met de facturen VF201/586 (voor de ontvangsten van juli 2010) en VF 2011/715 (voor de ontvangsten van maart 2011) en verwerkt zijn in de btw aangifte.

Hoewel de appellante met haar schema de indruk doet ontstaan dat bijna alle "te factureren" boekingen nadien werkelijk gefactureerd werden, geldt dit dus blijkbaar niet voor de zogenaamde voorschotten (die de appellante heromschrijft als "waarborgen") en de reeds vermelde lacunes. Het schema van de appellante blijkt dus niet sluitend te zijn. Ter ondersteuning van haar stelling legt de appellante in deze beroepsprocedure twee nieuwe stukken voor, namelijk twee verslagen van een bedrijfsrevisor die de stelling van de appellante bevestigt. Deze verslagen zijn bijzonder kort en verstrekken geen klaarheid over de bijboeking en afboeking van het bedrag van … euro. In een context waarin de appellante sedert 2006 herhaaldelijk terecht gewezen is op de systematische *illegale* praktijk van het uitstellen van het opmaken van facturen, komt het haar toe een duidelijk bewijs voor te leggen van haar stelling dat de ontvangsten wel degelijk gefactureerd en aangegeven werden. De appellante laat na de nodige stukken van de hier relevante grootboekrekeningen voor te leggen. Het is niet aan een door het hof aan te stellen deskundige om in de boekhouding van de appellante op zoek te gaan naar het bewijs van de vordering van de appellante. De verslagen van de revisor bevestigen als het ware enkel de stelling van de appellante zonder een ernstige en grondige analyse te maken van de problematiek en op die wijze werkelijk te kunnen bijdragen tot het debat over de concrete bestemming van de boekingen "te factureren"(behoudens hetgeen hierna wordt geoordeeld).

6\. Zowel het schema van de appellante als de post 1 van de naheffing geven aan dat van de te factureren omzet van … € voor juli 2010, augustus 2010, oktober 2010, december 2010, januari 2011 en maart 2011, een bedrag van … € gefactureerd werd, waardoor nog … € terecht nog aan btw wordt onderworpen ten bedrage van … € btw.

De conclusie is dat het schema van de appellante inderdaad aantoont dat regularisaties gebeurden, maar nog steeds blijkt dat bij gebrek aan de juiste toepassing van de btw-wetgeving en bij gebrek aan bewijs, geen btw is aangegeven op de volgende ontvangsten:

|  | Ontvangsten(€) | Btw(€) |
| --- | --- | --- |
| 1. Fermas pro form primeurs Petrus 2009 | …0 | … |
| 2. Fermas pro forma primeurs 6 Le Pin | … | … |
| 3. Carbonez pro forma primeurs 2009 | … | … |
| 4. Fermas pro forma primeurs 2009 | … | … |
| 5. ?????? | … | … |
| 6. door appellante erkend saldo boekjaar 30 juni 2011: | … | … |
| 7. door appellante erkend saldo boekjaar 30 juni 2012: | … | … |
| Totaal | … | … |

Dit betekent dat de post 1 herleid moet worden naar het bedrag van € ….

7\. Het systeem van de appellannte van het uitstellen van facturen leidde ertoe dat een creditsaldo ontstond op de grootboekrekening "400000 Klanten". In normale omstandigheden dient deze actiefrekening een debetsaldo te vertonen omdat ze de vorderingen weergeeft van de vennootschap op haar klanten. Een creditsaldo zou neerkomen op schulden tegenover klanten.

Per einde boekjaar 30/06/2010 toonde deze rekening aan creditsaldo van € …. Per einde boekjaar 30/06/2013 toonde de grootboekrekening "400000 klanten" nog een creditsaldo van € ….

Enkel door te verwijzen naar haar schema met overzicht van de gefactureerde verkopen, houdt de appellante voor dat de situatie bijna volledig geregulariseerd is. Deze post 4 maakt volgens de appellante dubbel gebruik uit met de post 1.

De appellante verstrekt echter geen enkele verklaring waarom niet tegelijk het uitstaande creditsaldo op de rekening klanten door de laattijdige facturatie stelselmatig werd afgebouwd. Deze wijze van regulariseren was nochtans door de boekhouder aangekondigd en geadviseerd aan de appellante. De appellante verstrekt ook geen repliek op de vaststelling van de administratie dat de opgesomde facturen ten bedrage van € … geen bewijs kan vormen voor facturatie van het uitstaand creditsaldo op 30/06/2013 aangezien die facturen al geboekt waren vóór 30/06/2013 waardoor met die facturen al rekening werd gehouden bij de vorming van het creditsaldo. Een jaar eerder bedroeg het creditsaldo nog € … dat (onder meer) door de facturen ten bedrage van € … herleid werd tot € …. De appellante laat ook hier na een concreet overzicht voor te leggen van de boekingen en een volledige en duidelijke verklaring te verstrekken over het creditsaldo op de rekening "400000 klanten".

Het aanvullend verslag van de bedrijfsrevisor van 30 maart 2018 stelt hierover zonder meer dat de 400-rekening Klanten geen afbreuk doet aan de voorgaande analyse van de 405-rekening op te stellen facturen. Volgens de bedrijfsrevisor omvat het creditsaldo van de 400-rekening Klanten evenzeer creditsaldi van de rekeningen-courant van de bestuurders als terug te betalen creditnota's klanten en verkeerde en verkeerd geboekte betalingen. Ook deze stelling wordt echter niet concreet bewezen.

Aangezien het belaste creditsaldo onmiskenbaar betrekking heeft op belastbare handelingen ten aanzien van klanten en de appellante nog steeds nalaat volledige duidelijkheid te verstrekken over de opname van die handelingen in haar aangifte, werd die terecht door de administratie opgenomen in de bestreden naheffing. Deze post 4 van de naheffing dient integraal behouden te blijven.

8\. De administratie heeft de boetes herleid tot 20 %. Rekening houdend met de voorgeschiedenis en de context en motivatie van de doorgevoerde naheffing en de ernst en aard van de begane overtredingen, werden wettelijke boetes opgelegd en correct berekend. Er is geen reden om de toegepaste boetes kwijt te schelden of te verminderen.

## 5 De gerechtskosten

De in het ongelijk gestelde partij moet de gerechtskosten dragen. De mate waarin de appellante in het gelijk/ongelijk wordt gesteld, verantwoordt dat de gerechtskosten worden omgedeeld tussen de partijen volgens de volgende verhouding: de appellante dient 8/10 van de gerechtskosten te dragen en de geïntimeerde dient 2/10 van de gerechtskosten te dragen.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk, zowel voor de procedure in eerste aanleg, als voor deze beroepsprocedure (indexatie sedert 1 juni 2016; eerste vonnis dateert van 6 juni 2016).

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en verklaard het gedeeltelijk gegrond; bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de te betalen btw in post 1 herleid wordt naar € … en de gerechtskosten anders worden verdeeld;

beveelt de herberekening rekening houdend met wat voorafgaat en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten;

veroordeelt de appellante tot het betalen van 8/10 en de geïntimeerde tot het betalen van 2/10 van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

•aan de kant van de appellante:

◦rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg:… EUR

◦rechtsplegingsvergoeding hoger beroep:… EUR

•aan de kant van de geïntimeerde:

◦rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg:… EUR

◦rechtsplegingsvergoeding hoger beroep:… EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, V**IJFDE KAMER**, zitting houdende in fiscale zaken, van **24 april 2018**.

Aanwezig:

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 17](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-17) 4 voorkomens

[WBTW art. 16](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-16) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Fiscaal recht, Vrijstellingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscaal-recht-vrijstellingen-handelingen-verricht-grondwettelijk-hof-brussel-2023-01-19-a5ec) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Uitvoer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/uitvoer-paard-cassatie-all-cassation-2025-10-23-fbbd) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Vaste termijn, Verjaringstermijn, Vordering tot teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vaste-termijn-verjaringstermijn-rechtbank-luik-2022-04-25-02bf) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Levering van nieuwe gebouwen, Geen periodieke betaling, Bijzondere rekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/levering-nieuwe-gebouwen-geen-periodieke-hof-van-beroep-luik-2023-03-17-1a65) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijslast-echtheid-verstrekte-rechtbank-brussel-2023-04-06-4697) 1 gemeenschappelijke bepalingen
