---
title: "Beslag, Kantonnement · Hof van Cassatie van België, 17 maart 2005, C.00.0488.F"
description: "Beslag, Kantonnement, Vordering tot uitsluiting, Appèlrechter, appelrechter. Hof van Cassatie van België, 17 maart 2005, C.00.0488.F."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/beslag-kantonnement-vordering-uitsluiting-appelrechter-cassatie-brussel-2005-03-17-f79d"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/cantonnement-demande-exclusion-juge-appel-cassation-bruxelles-2005-03-17-0d37"
---

# Beslag, Kantonnement, Vordering tot uitsluiting, Appèlrechter, appelrechter

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Rolnummer**

C.00.0488.F

**Datum**

17 maart 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

65 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 17.03.2005 (C.00.0488.F)

*Beslag – Kantonnement - Vordering tot uitsluiting - Appèlrechter*

## Wettelijke bepalingen

Art. 76, 80, 85bis, 89 en 90, W.BTW

[Art. 81, § 3, BTW KB n°4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art81)

## Samenvatting

De appèlrechter kan voor elk ander onderzoek uitspraak doen over een vordering tot uitsluiting van het kantonnement, zelfs alvorens de exceptie van onbevoegdheid van de eerste rechter te onderzoeken.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 17.03.2005**

**(C.00.0488.F)**

BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. François T'Kint,, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ASSOCIATION DE MANAGEMENT ET D'INVESTISSEMENT, naamloze vennootschap.

## I. Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest, op 9 juni 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Brussel.

## II. Rechtspleging voor het Hof

Afdelingsvoorzitter Claude Parmentier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Philippe de Koster heeft geconclu-deerd.

## III. Cassatiemiddel

Eiser voert drie middelen aan :

1\. Eerste middel

2\. Tweede middel

*Geschonden wetsbepalingen*

\- de artikelen 1, 2, 5, 8, 10, 19, 20, 21, 23, 24, 26, 622, 632, 633, 643, 1054, 1068, 1138, 3°, 1403, 1404 en 1406 van het Gerechtelijk Wetboek ;

\- de artikelen 76, 80, 85bis, 89 en 90 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, voor de wijziging ervan bij de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en bij de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken ;

\- de artikelen 8 1, ,§ 3, lid 4, 5, 7, 10, alsook 14, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

*Aangevochten beslissingen en redenen*

Het hof doet bij het bestreden arrest uitspraak over het door verweerster bij conclusie ingestelde incidenteel beroep en, "alvorens recht te doen, zelfs over de bevoegdheid en (over) de ontvankelijkheid, oefent het de rechtsmacht van de eerste rechter volledig uit door (eiser), B.T.W.-administratie, het recht op kantonnement te ontzeggen voor elk bedrag dat door de B.T.W.-administratie krachtens artikel 8 1, ,§ 3, van het koninklijk besluit nr. 4 van 20 ((lees: 29) december 1969 is ingehouden sedert 15 december 1998", en verwijst het de zaak voor het overige naar de algemene rol, op grond dat "de B.T.W.-administratie, die de territoriale bevoegdheid van de beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel niet heeft betwist, voor de eerste maal voor het hof van beroep aanvoert dat de Rechtbank te Nijvel en het Hof van Beroep te Brussel niet bevoegd zijn, gelet op het feit dat de beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen en het Hof van Beroep te Luik terzake bevoegd zijn", dat "het vonnis van een rechter, ook al is hij onbevoegd, als rechtsgeldig moet worden beschouwd, zolang het niet door het gerecht in hoger beroep is vernietigd, en het niet als onbestaande kan worden beschouwd, zodat het hof van beroep, dat van de zaak kennisneemt ten gevolge van de devolutieve werking van het hoger beroep, over die zaak uitspraak moet doen in de stand waarin zij aan de eerste rechter werd voorgelegd", dat "ook al kan niet in ernst worden betwist dat alleen de bevoegde appèlrechter een beslissing kan wijzen over de zaak zelf, voor zover hij zelf bevoegd is, het, krachtens artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek, de met de kennisneming van de vordering belaste rechter is die uitspraak moet doen over de uitsluiting van het recht op kantonnement. Aangezien de beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel zich bevoegd heeft verklaard welke bevoegdheid trouwens voor hem niet werd betwist en het de rechter is die over de vordering uitspraak heeft gedaan, stond het aan hem om krachtens artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek uitspraak te doen over het recht op kantonnement. Wegens de devolutieve werking dient de appèlrechter, die in hoger beroep kennisneemt van dat vonnis, uitspraak te doen over het recht op kantonnement, daar hij gehouden is de rechtsmacht van de eerste rechter in diens plaats volledig uit te oefenen. De rechter in hoger beroep mag dus daarbij zelfs de territoriale bevoegdheid van de eerste rechter niet nagaan. De rechter bij wie het hoger beroep aanhangig is, is immers binnen het kader van artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek verplicht vast te stellen dat hij tot de dag waarop over de bevoegdheid van de eerste rechter uitspraak zal worden gedaan, te maken heeft met een rechtsgeldig vonnis".

*Grieven*

*2.1 Eerste onderdeel*

De bestreden beschikking, die op 9 februari 2000 door de beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Nijvel was gewezen, hield de uitspraak over geen enkel van de aan de rechter in eerste aanleg voorgelegde geschilpunten aan, met name over de vordering tot ontzegging van het recht op kantonnement aan eiser, welke vordering bij hem aanhangig gemaakt was door de door verweerster betekende dagvaarding tot opheffing van de inhouding; de beslagrechter verklaarde weliswaar het vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk beroep en zonder borgtocht, maar ontzegde eiser niet het recht op kantonnement en verwierp aldus de vordering van verweerster.

Het beroepen vonnis was een eindbeslissing in de zin van artikel 19 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien de rechter in eerste aanleg zijn rechtsmacht volledig had uitgeoefend en over de bij hem aanhangig gemaakte zaak volledig uitspraak had gedaan.

Het beroepen vonnis bezat bovendien, in zoverre het eiser het recht op kantonnement niet ontzegde, ofschoon de eerste rechter daarom verzocht, gezag van gewijsde in de zin van de artikelen 23, 24 en 26 van het Gerechtelijk Wetboek.

Op het incidenteel beroep van verweerster, dat ertoe strekte eiser het recht op kantonnement te ontzeggen, kon het bestreden arrest, dat het beroepen vonnis niet wijzigt, niet zonder de onttrekkende werking van dat vonnis, het gezag van gewijsde ervan en de devolutieve kracht van het principaal en incidenteel beroep te miskennen, wettig beslissen dat het aan het hof van beroep stond de rechtsmacht van de eerste rechter om uitspraak te doen over eisers recht op kantonnement volledig uit te oefenen (schending van de artikelen 19, 23, 24, 25, 26, 1054 en 1068 van het Gerechtelijk Wetboek).

*2.2 Tweede onderdeel*

Nadat de appèlrechters enerzijds kennisgenomen hadden van het hoofdberoep van eiser en, anderzijds, van het incidenteel beroep, dat verweerster bij conclusie had ingesteld tegen het beroepen vonnis, dat een eindbeslissing had gewezen in de zaak van de partijen, zonder de uitspraak over enig punt aan te houden, en dat eiser het recht op kantonnement niet had ontzegd maar de daartoe strekkende vordering van verweerster had afgewezen, konden zij over die vordering tot ontzegging van het recht op kantonnement enkel wettig uitspraak doen als rechters, die uitspraak moesten doen over de vordering zelf, in de zin van artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek.

Alleen de rechter die zowel ratione materiae als ratione loci bevoegd is om uitspraak te doen over het geschil zelf, heeft de macht te beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan.

Artikel 643 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt: "in de gevallen waarin een exceptie van onbevoegdheid aanhangig kan worden gemaakt voor de rechter in hoger beroep, beslist deze over het middel en verwijst de zaak, indien daartoe grond bestaat, naar de bevoegde rechter in hoger beroep".

Op de exceptie van territoriale onbevoegdheid, opgeworpen door eiser, die de verwijzing van de zaak naar het Hof van Beroep te Luik vroeg, konden de rechters in hoger beroep niet wettig, op de in het middel aangegeven gronden, beslissen dat zij de territoriale bevoegdheid van de eerste rechter en derhalve hun bevoegdheid ratione loci niet dienden na te gaan om, op het incidenteel beroep van verweerster, eiser het recht op kantonnement te ontzeggen (schending van de artikelen 1, 8, 10, 643, 1054, 1068 en 1406 van het Gerechtelijk Wetboek) ; door te weigeren uitspraak te doen over de door eiser opgeworpen exceptie van onbevoegdheid ratione loci van het hof van beroep, en door de zaak wat dat betreft sine die te verdagen, schendt het bestreden arrest bovendien artikel 5 van het Gerechtelijk Wetboek, volgens hetwelk het de rechter verboden is te weigeren recht te spreken onder enig voorwendsel, zelfs van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvolledigheid van de wet (schending van artikel 5, van het Gerechtelijk Wetboek) ;

het heeft althans verzuimd uitspraak te doen over de door eiser regelmatig voorgedragen exceptie van onbevoegdheid ratione loci (schending van artikel 1138, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek).

*2.3 Derde onderdeel*

Ieder geschil betreffende de geldigheid van een inhouding van B.T.W.-krediet, zoals die geregeld wordt door de artikelen 76 van het B.T.W.-wetboek en 8 1, ,§ 3, van het koninklijk besluit nr. 4, is voor de toepassing van artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens hetwelk in dat geval uitsluitend de rechter bevoegd is van de plaats waar het kantoor gelegen is waar de inning van de belasting gebeurd is of moet gebeuren, een geschil betreffende een belastingwet, aangezien de inhouding van het belastingkrediet een belastingmaatregel is die, ook al geldt zij als bewarend beslag onder derden, afwijkt van het gemeen recht inzake bewarende beslagen.

Onder "geschil betreffende de toepassing van een belastingwet" verstaat artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek niet alleen de geschillen betreffende het al dan niet verschuldigd zijn van de belasting en betreffende de vaststelling van de grondslag ervan maar ieder geschil dat betrekking heeft op bepalingen van belastingrecht.

Bij belastingen over de toegevoegde waarde wordt de heffing van de belasting, die volgens artikel 632 bepaalt welke rechter territoriaal bevoegd is voor elk geschil terzake, overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, gecentraliseerd op het gewestelijk centrum voor informatieverwerking te Namen of, eveneens te Namen, ten kantore van de door de minister van Financiën met de inning belaste ambtenaar.

Krachtens artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek waren de beslagrechter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Namen en, derhalve, het Hof van Beroep te Luik, bij uitsluiting ratione loci bevoegd om kennis te nemen van het verzet tegen de inhouding op het creditsaldo van de BTW en van de door verweerster ingestelde vordering tot opheffing.

Op het incidenteel beroep van verweerster dat ertoe strekte om, in strijd met wat het beroepen vonnis, waarvan de wijziging op dat punt was gevorderd, had beslist, eiser het recht op kantonnement te ontzeggen, alsook op de exceptie van territoriale onbevoegdheid, opgeworpen door eiser, die het hof vroeg om, overeenkomstig de artikelen 632 en 643 van het Gerechtelijk Wetboek, de zaak en de partijen te verwijzen naar het Hof van Beroep te Luik, dat bij uitsluiting ratione loci bevoegd was om van het geschil kennis te nemen, kon het hof van beroep niet wettig beslissen dat het aan dat hof stond om uitspraak te doen over de gegrondheid van het incidenteel beroep van verweerster, zonder meteen uitspraak te doen over zijn bevoegdheid, aangezien alleen de rechter, die bevoegd is om uitspraak te doen over het geschil zelf, volgens artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek, bevoegd is om de schuldenaar het recht op kantonnement te ontzeggen (schending van de artikelen 1, 2, 8, 10, 622, 632, 633, 643, 1054, 1068, 1403, 1404 en 1406 van het Gerechtelijk Wetboek, 76, 80, 85bis en 90 van de wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, voor de wijziging ervan door de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en door de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in belastingzaken, 8 1, ,§ 3, vierde, vijfde en tiende lid, en 14, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde).

## IV. Beslissing van het Hof

*Tweede middel :*

*Tweede en derde onderdeel :*

Overwegende dat, krachtens artikel 1406 van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter die uitspraak doet over de vordering zelf, kan beslissen dat er geen reden is tot kantonnement voor alle veroordelingen die hij uitspreekt of voor een deel ervan, indien de vertraging in de regeling de schuldeiser aan een ernstig nadeel blootstelt ;

Dat uit die bepaling volgt dat de vordering tot uitsluiting van het kantonnement met spoed moet worden behandeld ;

Dat de appèlrechter, wanneer hij van die vordering kennisneemt, derhalve daarover uitspraak kan doen, alvorens de bij hem aanhangig gemaakte exceptie van onbevoegdheid van de eerste rechter te onderzoeken ;

Dat die onderdelen het tegendeel aanvoeren en bijgevolg falen naar recht ;

*Eerste onderdeel :*

Overwegende dat uit het antwoord op de overige twee onderdelen van het middel blijkt dat de appèlrechter, voor elk ander onderzoek, uitspraak kan doen over een bij hem aanhangig gemaakte vordering tot uitsluiting van kantonnement ;

Dat derhalve de omstandigheid dat het hof van beroep heeft beslist dat het door daarover uitspraak te doen, de rechtsmacht van de eerste rechter volledig had uitgeoefend, geen invloed heeft op de wettigheid van de beslissing waarbij het hof, op het incidenteel beroep van verweerster, de vordering tot uitsluiting van kantonnement toewees ;

Dat het onderdeel, daar het niet tot cassatie kan leiden, van belang is ontbloot en derhalve niet ontvankelijk is ;

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF**

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter …

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 4 art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 2 voorkomens
