Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Cassatie dd. 22.06.2001 (C.00.0662.N)
Beslag - Gerechtelijke aanzuiveringsregeling - Kwijtschelding van schulden - Saldo nog verschuldigd na uitwinning
Wettelijke bepalingen
Artt. 1675/2, 1675/5, 1675/7, § 1, 2 en 4, 1675/9, § 2, laatste lid, 1675/11, 1675/12 en 1675/13, § 1, tweede gedachtenstreep, Gerechtelijk Wetboek
Samenvatting
De gerechtelijke aanzuiveringsregeling waarin art. 1675/13, § 1, tweede gedachtenstreep, van het GerW. voorziet voor het saldo nog verschuldigd na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen, betreft een pondspondsgewijze aanzuivering op voet van gelijkheid tussen alle schuldeisers waarbij geen rekening wordt gehouden met de wettige redenen van voorrang, waarvan een schuldeiser met een algemeen voorrecht geniet.
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van Cassatie
dd. 22.06.2001
(C.00.0662.N)
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Aalst I, met kantoren te 9300 Aalst, Vlaanderenstraat 1, eiser tot cassatie van een arrest, op 12 september 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,
tegen
1. D. B.,
2. C. L.,
3. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger van de BTW te Aalst, gevestigd te 9300 Aalst, Graanmarkt 1,
4. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, in de persoon van de Ontvanger van de BTW te Halle, gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,
5. K.B., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te ...,
6. A.S.K.Z., vereniging zonder winstoogmerk, gevestigd te ...,
verweerders in cassatie.
HET HOF,
Gehoord het verslag van voorzitter ... en op de conclusie van advocaat-generaal met opdracht ...;
Gelet op het bestreden arrest, op 12 september 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Gent;
Over het middel, gesteld als volgt : schending van de artikelen 1675/2, 1675/5, 1675/7,§1, 2 en 4, 1675/9,§2, laatste lid, 1675/11, 1675/12 en 1675/13, hoofdzakelijk §1, tweede gedachtenstreep, van het Gerechtelijk Wetboek, 422 en 423 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), beide artikelen zoals gewijzigd door de wet van 22 juli 1993, en 7, 8 en 9 van de Hypotheekwet van 18 december 1851 tot vervanging van Titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek,
doordat het arrest de beschikking van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde bevestigt en het beroep ongegrond verklaart, op grond van de volgende motieven :
"De schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging lastens een schuldenaar wiens vordering tot schuldbemiddeling toelaatbaar werd verklaard, spruit uit de wet;
dit gevolg, inherent aan de beschikking van toelaatbaarverklaring, impliceert dat door de schuldeisers geen aanspraak kan worden gemaakt op de rechten voortspruitend uit zekerheden of voorrechten;
immers, de voorrang spruitend uit zekerheden, inclusief voorrechten, wordt immers pas geconcretiseerd bij de tenuitvoerlegging/realisatie van het vermogen van de schuldenaar.
Door de beschikking van toelaatbaarverklaring wordt echter, zoals gezegd, het vermogen van de schuldenaar onbeschikbaar;
deze principiële onbeschikbaarheid werpt zich op aan alle schuldeisers - tot bij het einde van de schuldbemiddeling, onafhankelijk de wijze waarop dit ten einde komt;
dienvolgens bekomen door de samenloop en de onbeschikbaarheid van het vermogen, alle schuldeisers noodzakelijk een gelijke behandeling, afgezien de aard hunner schuldvordering (al dan niet bevoorrecht of hypothecair gewaarborgd).
De schuldeiser zal eerst zijn rechten herwinnen bij herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of na de verwerping van de aanzuiveringsregeling.
De schuldbemiddeling impliceert derhalve een tijdelijke opschorting van de gevolgen van het voorrecht;
de schuldeiser zal aldus pas in zijn rechten hersteld worden, bij herroeping van de aanzuiveringsregeling",
terwijl nergens in de wet of in de voorbereidende werken de wil wordt uitgedrukt om het stelsel van de voorrechten die aan sommige schuldvorderingen door andere wetsbepalingen worden toegekend aan te tasten,
de eerbiediging van deze voorrechten integendeel in verschillende bepalingen wordt bevestigd, met name in de artikelen 1675/12, §1, 3°, en 1675/13,§1, eerste gedachtenstreep, van het Gerechtelijk Wetboek,
in casu de collectieve schuldenregeling toegestaan wordt met kwijtschelding van een deel van de schulden van de verzoekster, volgens de bepalingen van artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek,
in de eerste gedachtenstreep van §1 van dit artikel wordt voorgeschreven dat de verdeling van de gelden, voortkomende van de verkoop van de voor beslag in aanmerking komende goederen, dient te gebeuren "met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang",
deze laatste precisering weliswaar niet wordt hernomen in de tweede gedachtenstreep van hetzelfde artikel 1675,§1, doch zonder enige aanwijzing dat de wetgever, voor de verdeling van de overige beschikbare gelden, van deze regel zou willen afwijken,
inderdaad geen enkele aanwijzing bestaat dat de wetgever het inachtnemen van de voorrechten zou gewild hebben voor de verdeling van de beschikbare gelden zowel in de gevallen zonder kwijtschelding van een deel van de schulden als voor de verdeling van de opbrengst van de verkoop van beslagbare goederen na toekenning van een gedeeltelijke kwijtschelding, en daarvan zou afgeweken zijn voor de verdeling van de beschikbare gelden in het overige geval,
bij uitblijven van de uitdrukkelijke wil om van de algemene wetsbepalingen inzake voorrechten af te wijken, er dient aangenomen te worden dat deze wetsbepalingen in het laatstvermelde geval toepasselijk blijven, zoals de toepassing ervan in de andere gevallen door de wet wordt bevestigd,
en terwijl de motieven van het arrest geen verantwoording geven om van de algemene wetsbepalingen inzake voorrechten af te wijken,
de schorsing van de middelen van tenuitvoerlegging die in principe slechts een tijdelijke maatregel uitmaakt, immers geenszins de definitieve intrekking van de bestaande zekerheden of voorrechten impliceert,
de collectieve schuldenregeling integendeel een vorm van tenuitvoerlegging uitmaakt, die uiteraard andere maatregelen van tenuitvoerlegging moet uitsluiten, maar wel tot dezelfde gevolgen moet leiden wat de verdeling van de fondsen betreft,
de overweging dat "voorrang (...) pas wordt geconcretiseerd bij de tenuitvoerlegging/realisatie van het vermogen" aldus integendeel tot de conclusie moet leiden dat die realisatie aan het gemeen recht terzake van verdeling onderworpen blijft,
het argument van tijdelijke onbeschikbaarheid terzake evenmin doeltreffend is, vermist er terzake geen sprake is van individuele maatregelen van tenuitvoerlegging, doch wel van de toekenning aan wie het behoort van de gelden die ingevolge de collectieve schuldenregeling beschikbaar worden gesteld,
zodat het arrest, dat aan eiser het voordeel ontzegt van het wettelijk voorrecht van zijn schuldvordering, de terzake toepasselijke bepaling van artikel 1675/13, §1, van het Gerechtelijk Wetboek miskent (schending van deze bepaling en, wegens hun onderling verband, van de andere in de aanhef van het middel aangeduide artikelen van de titel IV van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de collectieve schuldenregeling), en tevens de wetsbepalingen miskent die het voorrecht van de Schatkist voor de invordering van de inkomstenbelastingen omschrijven (schending van de artikelen 422 en 423, Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992), zoals gewijzigd door de wet van 22 juli 1993) alsook de algemene wetsbepalingen inzake voorrechten (schending van de artikelen 7, 8 en 9 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, tot vervanging van Titel XVIII van Boek III van het Burgerlijk Wetboek) :
Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat :
1. de verweerster sub 1 een zeer beperkt inkomen heeft en een totale schuld van 395.420 BEF, waaronder 165.927 BEF bij de ontvanger van directe belastingen te Aalst 1;
2. de verweerster sub 1 op 15 juni 1999 een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling heeft neergelegd bij de beslagrechter te Dendermonde en haar verzoek toelaatbaar is verklaard op 7 september 1999;
3. de verweerder sub 2 als schuldbemiddelaar is aangesteld;
4. op 14 oktober 1999 een vaststelling van gebrek aan minnelijke aanzuiveringsregeling is opgesteld;
5. de beslagrechter beslist heeft tot een gerechtelijke aanzuivering met uitwinning conform artikel 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek;
6. de opbrengst van de uitwinning van de voor beslag vatbare goederen niet volstaat om de schulden van de verweerster sub 1 te delgen;
7. de gerechtelijke aanzuiveringsregeling voor het nog verschuldigd saldo na uitwinning opgelegd wordt voor vijf jaar met een maandelijks door de verweerster sub 1 te betalen bedrag van 1.000 BEF pondspondsgewijze te verdelen onder de schuldeisers in verhouding tot hun vordering in hoofdsom;
8. het resterend saldo zal worden kwijtgescholden op het einde van de looptijd van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling voor zover de verweerster sub 1 haar verplichtingen heeft nageleefd en niet is teruggekeerd tot beter fortuin;
Overwegende dat, krachtens artikel 1675/12,§1, van het Gerechtelijk Wetboek, de rechter mits eerbiediging van de gelijkheid onder schuldeisers, een gerechtelijke aanzuiveringsregeling kan opleggen die volgende maatregelen kan bevatten :
1° uitstel of herschikking van betaling van de schulden in hoofdsom, interesten en kosten;
2° vermindering van de conventionele rentevoet tot de wettelijke rentevoet;
3° opschorting, voor de duur van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling, van de gevolgen van de zakelijke zekerheden, zonder dat deze maatregel de grondslag kan schaden, evenals opschorting van de uitwerking van de overdracht van schuldvordering;
4° gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire interesten, vergoedingen en kosten;
Dat, krachtens artikel 1675/13,§1, van datzelfde wetboek, indien de maatregelen voorzien in artikel 1675/12,§1, niet volstaan om de schuldenaar in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hijzelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden, de rechter, op vraag van de schuldenaar kan besluiten tot elke andere gedeeltelijke kwijtschelding van schulden, zelfs van kapitaal, onder de volgende voorwaarden :
- alle goederen die voor beslag in aanmerking komen, worden te gelde gemaakt op initiatief van de schuldbemiddelaar, overeenkomstig de regels inzake de gedwongen tenuitvoerleggingen. De verdeling heeft plaats met inachtneming van de gelijkheid van de schuldeisers onverminderd de wettige redenen van voorrang;
- na de tegeldemaking van de voor beslag vatbare goederen maakt het saldo, nog verschuldigd door de schuldenaar, het voorwerp van een aanzuiveringsregeling met inachtname van de gelijkheid van de schuldeisers, behalve wat de lopende onderhoudsverplichtingen betreft, bedoeld in artikel 1412, eerste lid;
Overwegende dat volgens de letterlijke tekst van voormeld artikel 1675,13,§1, tweede gedachtenstreep, de gelijkheid van de schuldeisers de regel moet zijn, hetgeen inhoudt dat, anders dan in het geval bedoeld in de eerste gedachtenstreep, geen rekening wordt gehouden met de wettige redenen van voorrang, waarvan een schuldeiser met algemeen voorrecht zoals eiser, geniet;
Dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever geoordeeld heeft dat, bij een gerechtelijke aanzuiveringsregeling van het na uitwinning nog resterend saldo, het verbreken van de gelijkheid tussen de schuldeisers ten voordele van algemeen bevoorrechte schuldeisers en inzonderheid de Schatkist, in strijd zou geweest zijn met de doelstellingen van de wetgever; Dat de wetgever bij het uitwerken van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling met kwijtschelding van schulden heeft beoogd dat de schulden die uit hun aard bevoorrecht zijn, bij voorrang worden gedelgd uit de opbrengst van de tegeldemaking van de goederen waarop zij een wettige reden van voorrang hebben, maar dat zij voor het niet voldane deel, in de massa van de schulden terechtkomen en pondspondsgewijs worden betaald, zoals de andere schulden;
Dat met die uitlegging van het genoemde artikel de doelstellingen van de aanzuiveringsregeling kunnen worden bereikt zonder het wezen zelf van het voorrecht aan te tasten dat nog steeds kan uitgeoefend worden als de schuldenaar zijn verplichtingen niet naleeft of is teruggekeerd tot beter fortuin voor het einde van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling;
Dat uit dit alles blijkt dat een pondspondsgewijze aanzuivering op voet van gelijkheid tussen alle schuldeisers met inbegrip van de algemeen bevoorrechte schuldeisers in het geval bedoeld in artikel 1675/13,§1, tweede gedachtenstreep, overeenstemt met de wettelijke vereisten;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Beschikkend gedeelte
OM DIE REDENEN,
HET HOF,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten begroot op de som van negentienduizend tweehonderd en zeven frank jegens de eisende partij.
Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter ...
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.