---
title: "Beroepsopleiding, Teveel betaalde BTW · Hof van beroep te Antwerpen, 16 september 2025"
description: "Beroepsopleiding, Teveel betaalde BTW, Terugvordering. Hof van beroep te Antwerpen (België), 16 september 2025."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/beroepsopleiding-teveel-betaalde-btw-terugvordering-hof-van-beroep-antwerpen-2025-09-16-12ba"
lang: "nl"
---

# Beroepsopleiding, Teveel betaalde BTW, Terugvordering

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

16 september 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

347 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 16.09.2025

\[ Gemengd arrest \]

*BTW – Beroepsopleiding – Teveel betaalde BTW – Terugvordering*

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 16.09.2025**

**2021/AR/1510**

**DE BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIEN,** ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

Eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. M.K., advocaat te …

tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 04 juni 2021, gekend onder rolnummer 19/4918/A

tegen

1.**X1,** RRN …, wonende te …, doch volgens het rijksregister **X1,** gedomicilieerd te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

2.**X2,** RRN …, volgens het rijksregister **X2,** wonende te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …,

3.**X3,** RRN …, wonende te …, doch die volgens het rijksregister gedomicilieerd is te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

4.**X4.,** RRN …, wonende te …, doch die volgens het rijksregister gedomicilieerd is te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

5.**X5.,** RRN …, wonende te …, doch die volgens het rijksregister gedomicilieerd is te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

6.**X6,** RRN …, volgens het rijksregister **X6,** wonende te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …,

7.**J.J.,** RRN …, wonende te …, doch die volgens het rijksregister gedomicilieerd is te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

## 8. X8, zonder Belgisch rijksregisternummer, wonende te DUITSLAND, …, woonstkeuze doende bij meester H.E. 8c mr. V.B., kantoorhoudende te …

## 9. X9, RRN …, wonende te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

**10.** **X10,** RRN …, wonende te …, doch die volgens het rijksregister gedomicilieerd is te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

**11.** **X11,** RRN …, wonende te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

**12.** **X12,** NNF…, wonende te NEDERLAND, …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …,

**13.X13,** RRN …, wonende te …, doch volgens het rijksregister **X13,** gedomicilieerd is te … woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

**14.X14,** RRN …, wonende te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …,

**15.X15,** RRN …, wonende te … doch die volgens het rijksregister gedomicilieerd is te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

**16.** **X16,** RRN …, wonende te NEDERLAND, …, doch die volgens het rijksregister gedomicilieerd is te …

Kortrijksestraat 79, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

**17.** **X17,** RRN …,wonende te …, woonstkeuze doende bij meester H.E. & mr. V.B., kantoorhoudende te …

Verweerders in hoger beroep sub 1 tot en met sub 17,

vertegenwoordigd door mr. H.E., advocaat te …

**18.** **mr. X18,** advocaat, kantoorhoudende te …, **q.q. curator over het faillissement van B.F. NV,** ON …, met zetel te …

Geïntimeerde sub 18,

vertegenwoordigd door mr. H.W., advocaat te …

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 4 juni 2021, waarvan partijen ter zitting verklaarden dat het niet betekend werd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 6 september 2021, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;

## I. Felten

De tussen partijen bestaande betwisting heeft betrekking op de btw op de kosten van de beroepsopleiding tot lijnpiloot. Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 hebben een opleiding gevolgd bij BAFA (hierna: BAFA). BAFA is een commerciële onderneming die opleidingen tot beroepspiloot aanbiedt. De opleiding werd door BAFA aan de piloten gefactureerd met aanrekening van btw. Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 stellen samen ten onrechte een btw-bedrag van 192.318,42 euro aan BAFA te hebben betaald. In 2018 en 2019 hebben ze BAFA in gebreke gesteld tot terugbetaling van de teveel betaalde btw.

Op 31 oktober 2019 hebben 1 5te tot en met 14 de verweerder in hoger beroep BAFA gedagvaard. Op 17 december 2019 legde de Belgische Staat een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst neer. Op 4 en 31 januari 2020 hebben 15 de tot en met 17 de verweerder in hoger beroep verzoekschriften tot vrijwillige tussenkomst neergelegd.

## II. Vorderingen eerste aanleg en bestreden vonnis

1 Voor de eerste rechter vorderden verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 hun vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens BAFA te veroordelen tot betaling aan:

\- de heer X15 de som van EUR 6.073,42, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- de heer X1 de som van EUR 12.733,35, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- mevrouw X2 de som van EUR 11.827,31, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- de heer X3 de som van EUR 14.587,38, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- de heer X4. de som van EUR 2.199,68, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- de heer X5. de som van EUR 9.219,06, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- de heer X6 de som van EUR 12.421,77, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- de heer X7. de som van EUR 16.039,18, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, beiden aan de wettelijke interestvoet;

 de heer X17 de som van EUR 13.188,00, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

 mevrouw X16 de som van EUR 7.589,46, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

 de heer X8 de som van EUR 11.894,26, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

 de heer X9 de som van EUR 11.900,24, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

 de heer X10 de som van EUR 12.873,92, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X11 de som van EUR 15.130,22, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

 de heer X12 de som van EUR 9.651,54, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

 de heer X13 de som van EUR 10.714,56, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

 de heer X14 de som van EUR 14.275,07, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de. datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

Alle voormelde interesten te kapitaliseren op datum van neerlegging van de conclusie en BAFA te veroordelen tot de kosten van het geding.

Daarnaast verzochten verweerders in hoger beroep 2 tot en met 14 de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van 20 euro per persoon ten titel van onverschuldigde betaling, te vermeerderen met de gerechtelijke intrest aan de wettelijke intrestvoet vanaf 21 oktober 2020 tot algehele betaling, meer kosten.

2 BAFA verzocht de behandeling van de zaak op te schorten totdat verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 de betalingsbewijzen met betrekking tot de door hun teruggevorderde betalingen zouden hebben voorgelegd en indien ze hiertoe niet vrijwillig zouden overgaan, hen te bevelen deze stukken bij te brengen op grond van artikel 877 Ger.W.. Ze verzocht de vorderingen van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 ontoelaatbaar, minstens ongegrond te verklaren en voor recht te zeggen dat ze terecht met btw had gefactureerd. In ondergeschikte orde verzocht ze deze minstens tot de helft te herleiden gelet op de fiscale recuperatie die verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 hebben genoten in de personenbelasting. In ondergeschikte orde en enkel in de mate dat ze zou worden veroordeeld tot enige betaling, de vordering in vrijwaring lastens de Belgische staat ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens de Belgische Staat te veroordelen tot integrale vrijwaring van haar met betrekking tot de bedragen waartoe ze zou worden veroordeeld. Ze verzocht verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

3 De Belgische Staat kwam vrijwillig tussen en verzocht haar tussenkomst ontvankelijk en gegrond te verklaren, de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, de vordering in vrijwaring van BAFA ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 en BAFA te veroordelen tot de kosten van het geding.

4 De eerste rechter verleende aan de vrijwillig tussenkomende partijen akte van hun vrijwillige tussenkomst. De vordering van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 werd ontvankelijk en gegrond verklaard als volgt. BAFA werd veroordeeld om te betalen aan:

X1 de som van 7.645,70 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (01.10.2018) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

X2 de som van 11.827,31 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (01.07.2019) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X3 de som van 14.587,38 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling;

\- X4 de som van 2.199,68 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling;

\- X5 de som van 9.219,06 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling;

\- X6 de som van 12.421,77 euro te vermeerderen met de verwijlinterest

vanaf de datum van ingebrekestelling (24.12.2018) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X7 de som van 16.039,18 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling;

\- X8 de som van 9.262,44 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (01.10.2018) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X9 de som van 7.010,37 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (09.10.2018) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X10 de som van 8.103,06 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (01.10.2018) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X11 de som van 15.130,22 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (01.07.2019) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X12 de som van 775,61 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (15.10.2018) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X13 de som van 5.943,70 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (01.10.2018) tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X14 de som van 14.275,07 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van dagvaarding tot de datum van volledige betaling;

\- X15 de som van 6.073,42 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst 04.01.2020 tot de datum van volledige betaling;

\- X16 de som van 7.589,46 euro te vermeerderen met de verwijlinterest vanaf de datum van ingebrekestelling (28.08.2019) tot de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst 04.01.2020 en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum van volledige betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

\- X17 de som van 13.188,00 euro te vermeerderen met de gerechtelijke interest aan de wettelijke interestvoet vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst 31.01.2020 tot de datum van volledige betaling.

De eerste rechter beval de kapitalisatie van de intrest sinds 1 jaar vervallen per 25 januari 2021 en wees het meer en/of anders gevorderde af.

Ze veroordeelde BAFA tot de kosten van het geding van verweerders 1 tot en met 17 begroot op 6.000 euro (rechtsplegingsvergoeding), 543,40 euro (dagvaardingskosten) en 280 euro (bijdrage begrotingsfonds). Ze veroordeelde BAFA tot betaling van het rolrecht van 165 euro en stelde vast dat de vordering van verweerders in hoger beroep 2 tot en met 14 lastens de Belgische Staat zonder voorwerp was en liet in die verhouding de kosten ten laste van de partij die ze gemaakt had.

De vordering in vrijwaring van BAFA ten aanzien van de Belgische Staat werd ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard. De Belgische Staat werd veroordeeld om BAFA integraal te vrijwaren voor alle bedragen waartoe BAFA werd veroordeeld. De Belgische Staat werd veroordeeld tot de kosten van het geding in hoofde van BAFA begroot op 1.440,00 euro.

De rechtbank oordeelde dat de voorlegging van de betalingsbewijzen voor de beoordeling van onderhavige zaak niet vereist was en dat de rechtbank op basis van de voorliggende stukken de zaak kon beoordelen.

De rechtbank wees erop dat de verjaringstermijn van 10 jaar zoals voorzien in artikel 2262bis § 1 eerste lid oud B.W. van toepassing was en dit te rekenen vanaf de datum van betaling. Ze stelde dat BAFA geen rekening hield met ingebrekestellingen die door de raadsman van verweerders in hoger beroep werden verstuurd waarbij deze voldeden aan de voorwaarden bepaald in artikel 2244 § 2 oud B.W..

De eerste rechter was van oordeel dat volgende vorderingen verjaard waren:

\- De vordering van eiser X1 ten bedrage van 4.905,45 euro

\- De vordering van eiser X8 ten bedrage van 2.631,83 euro

\- De vordering van eiser X9 ten bedrage van 4.770,88 euro

\- De vordering van eiser X10 ten bedrage van 4.770,88 euro

\- De vordering van eiser X12 ten bedrage van 8.875,94 euro

\- De vordering van eiser X13 ten bedrage van 4.770,88 euro

Verder wierp de rechtbank op dat het feit dat BAFA een commerciële onderneming was haar niet uitsloot van de vrijstelling zoals voorzien in het toenmalige [artikel 44 § 2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44). Tevens toonden de piloten aan dat BAFA erkend was voor het geven van de beroepsopleiding lijnpiloot door de bevoegde overheidsinstantie. De rechtbank oordeelde dat de voorwaarden voor de vrijstelling overeenkomstig [artikel 44 §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) vervuld waren zodoende dat door BAFA ten onrechte btw werd aangerekend aan de piloten. De betaalde btw was aldus onverschuldigd. Er bestond geen wettelijke basis om deze te vorderen. De btw werd door BAFA gevorderd dus de piloten konden zich dan ook enkel en alleen wenden tot BAFA. BAFA maakte op geen enkele manier aannemelijk dat de facturen niet zouden betaald zijn. De rechtbank stelde vast dat geen betwisting werd gevoerd aangaande de gevorderde intresten en kapitalisatie van intresten. Voor verweerders in hoger beroep waarvoor een ingebrekestelling kon worden voorgelegd was de aanvangsdatum van de intresten de ingebrekestelling, voor de overige de dagvaarding of het verzoekschrift.

De vrijwaringvordering van BAFA ten aanzien van de Belgische Staat werd gegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de Belgische Staat te dezen in strijd met de wet had gehandeld waarbij BAFA werd misleid en de Belgische Staat ten onrechte stelde dat er sprake was van een keuzerecht. De rechtbank stelde dat de fiscale wet van openbare orde is en de Belgische Staat contra legem handelde zodoende dat er wel degelijk sprake was van een fout in hoofde van de Belgische Staat die schade had veroorzaakt. Dat BAFA zou gebruik hebben gemaakt van haar recht op aftrek deed geen afbreuk aan het bestaan van de schade noch aan het bedrag ervan.

De vordering van verweerders 2 tot en met 14 lastens de Belgische Staat in terugbetaling van 20 euro per persoon ten titel van onverschuldigd betaalde bijdrage voor de juridische tweedelijnsbijstand werd zonder voorwerp verklaard. De eerste rechter wees erop dat de vordering van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 ten aanzien van BAFA gegrond werd verklaard zodoende dat de kosten ten laste van BAFA werden gelegd met inbegrip van de betaalde bijdragen. De Belgische staat was gehouden tot vrijwaring van BAFA voor alle veroordelingen met inbegrip van de kosten.

Tegen dit vonnis tekende de Belgische Staat bij verzoekschrift, ter griffie neergelegd op 6 september 2021, hoger beroep aan. De overige partijen stelden tevens (incidenteel) beroep in.

## III. Vorderingen in hoger beroep

1 De Belgische Staat verzoekt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren,

dienvolgens het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw rechtdoende, de

oorspronkelijke vordering van 1ste tot en met 17 de verweerder in hoger beroep ongegrond

te verklaren en te zeggen voor recht dat BAFA terecht met btw heeft gefactureerd. Hij

verzoekt de vordering van BAFA tot vrijwaring door de Belgische Staat ongegrond te

verklaren en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 1.560,00 euro

(rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 1.883,72 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger

beroep). Hij verzoekt de vordering van 1ste tot en met 17de verweerder tot rechtstreekse

betaling door de Belgische Staat van alle bedragen waarvoor BAFA veroordeeld is tot

vrijwaring, rechtstreeks aan hen te voldoen, ongegrond te verklaren en eerste tot en met

17 de verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 20 euro

(bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep), 1.560 euro (rechtsplegingsvergoeding

eerste aanleg) en 1.883,72 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

2 De curator van BAFA nv vraagt het hoger beroep van de Belgische

Staat ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en zijn hoger beroep ontvankelijk en

gegrond te verklaren voor zover het standpunt in eerste aanleg werd afgewezen, de nieuwe

vordering van 1ste tot en met 17 de verweerder in hoger beroep die ertoe strekt

rechtstreekse betaling te bekomen van de bedragen waartoe de Belgische Staat zou

veroordeeld worden in het kader van de vrijwaring lastens BAFA ontoelaatbaar, minstens

ongegrond te verklaren en hen te veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding van 7.500

euro, in de mate dat er tussen partijen nog betwisting zou bestaan. Hij verzoekt de Belgische

Staat te veroordelen tot de kosten van de vordering in vrijwaring, in hoofde van BAFA

begroot op 1.560 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 1.883,72 euro

(rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

3 Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 verzoeken het hoger beroep

ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het incidenteel beroep van BAFA ongegrond te

verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen in de mate dat ze gelijk hebben

gekregen en anders als hieronder te wijzigen, en zodoende de vordering van verweerders in

hoger beroep 1 tot en met 17 lastens BAFA ontvankelijk en gegrond te verklaren en

dienvolgens BAFA te veroordelen tot betaling aan:

de heer X15 de som van EUR 6.073,42, te vermeerderen met in hoofdorde:

de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van het

verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst en met de gerechtelijke interest vanaf de

datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum der algehele

betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de

moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de

datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van

dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X1 Matthias de som van EUR 12.733,35, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

mevrouw X2 de som van EUR 11.827,31, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X3 de som van EUR 14.587,38, te vermeerderen met in hoofdorde: de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer F.J. de som van EUR 2.199,68, te vermeerderen met in hoofdorde: de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer H.J. de som van EUR 9.219,06, te vermeerderen met in hoofdorde: de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X6 de som van EUR 12.421,77, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer J.J. de som van EUR 16.039,18, te vermeerderen met in hoofdorde: de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X17 de som van EUR 13.188,00, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

mevrouw X16 de som van EUR 7.589,46, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst en niet de gerechtelijke interest vanaf de datum van het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X8 de som van EUR 11.894,26, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X9 de som van EUR 11.900,24, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X10 de som van EUR 12.873,92, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X11 de som van EUR 15.130,22, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X12 de som van EUR 9.651,54, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X13 de som van EUR 10.714,56, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

de heer X14 de som van EUR 14.275,07, te vermeerderen met in hoofdorde: de moratoire interest vanaf de datum van ingebrekestelling tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet, en in ondergeschikte orde: met de moratoire interest vanaf de datum van betaling van de betrokken bedragen tot de datum van dagvaarding en met de gerechtelijke interest vanaf de datum van dagvaarding tot de datum der algehele betaling, beiden aan de wettelijke interestvoet;

Ze verzoeken alle voormelde interesten te kapitaliseren op datum van neerlegging van de syntheseconclusie voor de eerste rechter (22 januari 2021), op datum van neerlegging van de tweede conclusies in graad van beroep (19 augustus 2022), op datum van neerlegging van de eerste syntheseconclusie in graad van beroep (27 mei 2024) en op datum van neerlegging van de conclusie op 3 oktober 2024.

In elk geval BAFA te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 543,40 euro (dagvaardingskosten), 6.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

De curator te veroordelen tot opname in het passief van alle bedragen waartoe BAFA wordt veroordeeld tot betaling aan concluanten, zowel in hoofdsom, interesten als kosten.

Te zeggen voor recht dat de Belgische Staat ertoe gehouden is om de bedragen waarvoor hij vrijwaring moet verlenen aan BAFA rechtstreeks te voldoen aan verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17.

In zoverre de eis van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 lastens BAFA ongegrond zou zijn, de eis van hen lastens de Belgische Staat ontvankelijk en gegrond te verklaren,

En dienvolgens,

de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van EUR 20,00 per persoon aan verweerders in hoger beroep nr. 2 tot en met 14 ten titel van terugbetaling van een onverschuldigde betaling, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke interestvoet vanaf 21 oktober 2020, datum van het stellen van de eis in rechte middels conclusie, tot de datum der algehele betaling.

inzake de eis lastens de Belgische Staat, de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 300 euro (rechtsplegingsvergoeding Belgische Staat hoger beroep).

4 Ter zitting verzochten partijen de geïndexeerd rechtsplegingsvergoeding toe te passen.

## IV. Beoordeling

### A. Ten gronde: vrijstelling in toepassing van artikel 44, §2, 4° W.B.T.W.?

1 Ten gronde heeft de betwisting betrekking op de vraag of terecht btw werd aangerekend in de facturen uitgereikt door BAFA naar aanleiding van de door haar aan verweerder in hoger beroep 1 tot en met 17 verstrekte beroepsopleiding tot lijnpiloot.

Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 stellen dat hun beroepsopleiding tot lijnpiloot van btw diende te worden vrijgesteld in toepassing van [artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44). Ze werpen op dat BAFA een beroepsopleiding verstrekte en diende te worden beschouwd als een instelling die daartoe door de bevoegde overheid werd erkend zodat deze opleidingen van btw vrijgesteld waren.

BAFA stelt dat terecht btw werd aangerekend. Ze stelt steeds correct te hebben gehandeld en wijst erop dat ze er terecht conform de Belgische en Europese wetgeving van mocht uitgaan dat haar onderwijsactiviteit niet vrijgesteld was van btw. Ze stelt zich gelet op de arresten van het Hof van Cassatie van 16 juni 2023 naar de wijsheid van het hof te gedragen met betrekking tot de toepassing van de btw-vrijstelling voor onderwijs.

De Belgische Staat stelde ter zitting zich neer te leggen bij de beslissing van het Hof van Cassatie van 16 juni 2023 met betrekking tot de btw-vrijstelling en aldus niet langer te betwisten dat de beroepsopleiding zoals verstrekt door BAFA diende te worden vrijgesteld van btw.

2 [Artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), zoals van toepassing in de periode waarin de betrokken facturen werden uitgereikt, stelt vrij van btw *"het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en het verrichten van de nauw daarmee samenhangende diensten en leveringen van goederen, zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikte handboeken, door instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen".*

Middels [artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) werd artikel 13A, eerste lid, i B.T.W.-richtlijn 77/388/EEG, huidig artikel 132, eerste lid, i B.T.W.-richtlijn 2006/112/EG (hierna 'B.T.W.-richtlijn'), geïmplementeerd in het Belgische recht. Artikel 132, eerste lid, i B.T.W.-richtlijn voorziet in een vrijstelling voor *"beroepsopleiding of —herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen welke hier nauw mee samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden werden erkend".* Artikel 133 B.T.W.-richtlijn voorziet in de mogelijkheid voor de lidstaten om de vrijstelling afhankelijk te maken van een of meerdere voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat de onderwijsinstellingen niet systematisch het maken van winst mogen beogen. De lidstaten zijn niet verplicht de vrijstelling voor beroepsopleidingen aan bijkomende voorwaarden te onderwerpen (H.v.J. 66 november 2006, [C-45/01](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-45-01-arrest), inzake Christoph-Dornier-Stiftung fur Klinische Psychologie).

De Belgische Staat werd bij brief van 17 februari 1993 aangeschreven door de Europese Commissie waarbij werd gesteld dat België een te ruime en te vage vrijstelling toepaste door geen criteria in te voeren in de wet die definiëren wat dient te worden begrepen onder *"organisaties erkend als lichamen met soortgelijke doeleinden".* België overtrad aldus de artikelen 2 en 13A, eerste lid, i van de zesde B.T.W.-richtlijn.

Bij aanschrijving nr. 25 van 24 december 1993 werd vervolgens de 'draagwijdte van de vrijstelling' nader toegelicht en werd gestipuleerd dat de vrijstelling slechts geldt wanneer de beroepsopleiding *"wordt verstrekt door privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk hebben". "Bijgevolg (worden) de handelsondernemingen of de ondernemingen met commerciële doeleinden (...) van de vrijstelling uitgesloten".*

De Raad van State heeft bij arrest van 30 mei 2005 aanschrijving nr. 25 vernietigd (R.v.St. 30 mei 2005, nr. 145.138, *F.J.F.,* nr. 2005/266). In het bijzonder oordeelde de Raad van State dat *"de in de bestreden aanschrijving vermelde beperking van de vrijstellingsgrond, meer bepaald de uitsluiting van de handelsondernemingen, niet in de tekst van de wet opgenomen is en dat de (Belgische Staat) ook niet aantoont dat het de onbetwistbare bedoeling van de wetgever was om de bepaling aldus toe te passen; dat de betreffende bepaling van de aanschrijving dan ook een toevoeging aan de wet bevat".* De Raad van State was dan ook van oordeel dat de aanschrijving tot stand is gekomen met miskenning van het legaliteitsbeginsel vervat in artikel 172 G.W.. Het bepalen van de draagwijdte van een btw-vrijstelling in een ministeriele omzendbrief is daarmee niet verzoenbaar.

De Raad van State oordeelde in het arrest van 30 mei 2005 tevens dat artikel 13, A, 1, i) van de zesde B.T.W.-richtlijn geen directe werking heeft in de Belgische rechtsorde. Een richtlijn bindt de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat. Een particulier kan zich in bepaalde gevallen tegenover het bestuur beroepen op de bepalingen van een richtlijn als deze voldoende duidelijk zijn en als er bij de omzetting ervan in het nationale recht geen ruimte bestaat voor de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, voorwaarde die niet vervuld is in deze aangezien de lidstaten niet verplicht zijn de vrijstelling voor beroepsopleidingen aan bijkomende voorwaarden te onderwerpen. Het bestuur kon dan ook in geen geval de rechtstreekse werking van een richtlijn die in het nationale recht omgezet had moeten zijn, tegenwerpen aan een particulier.

Het Hof van Cassatie oordeelde in het arrest van 14 januari 2010 dat uit de bewoordingen van [artikel 44, § 2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) blijkt dat de wetgever *"noch impliciet, noch uitdrukkelijk",* de vrijstelling inzake het verstrekken van onderwijs of beroepsopleiding door andere dan publiekrechtelijke lichamen, heeft voorbehouden aan organisaties die niet systematisch het maken van winst beogen (Cass. 14 januari 2010, AR [F.08.0010.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-verstrekken-onderwijs-beroepsopleiding-afwezigheid-cassatie-brussel-2010-01-14-6b24)). De wetgever heeft derhalve geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een aanvullende voorwaarde op te leggen voor de btw-vrijstelling met name dat de instellingen niet systematisch het maken van winst mogen beogen. Het Hof van Cassatie vernietigde dienvolgens het arrest van de appelrechters waarbij de beroepsopleiding tot piloot van de btw-vrijstelling werd uitgesloten omdat de verstrekker ervan een winstoogmerk nastreefde.

Bij arresten van 16 juni 2023 oordeelde het Hof van Cassatie als volgt (AR F. 21.0097.N en F.21.0114.N):

> "(...) *13. Bij artikel 46 van de wet van 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling werd het voornoemde* [*artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)*, vervangen als volgt: "4° a) het school- of universitair onderwijs, waaronder onderwijs aan kinderen en jongeren, en de beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van het verrichten van nauw hiermee samenhangende diensten en leveringen van goederen zoals het verschaffen van logies, spijzen en dranken en van voor het vrijgestelde onderwijs gebruikt didactisch materiaal, door publiekrechtelijke lichamen of door andere organisaties die daartoe als lichamen met soortgelijke doeleinden worden aangemerkt, voor zover voornoemde lichamen niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet worden uitgekeerd maar worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de voornoemde diensten; b) de lessen die particulier door leerkrachten worden gegeven en die betrekking hebben op school- of universitair onderwijs;"*

*Artikel 48 van de voormelde wet van 17 juni 2013 bepaalt dat artikel 46 in werking treedt op 1 januari 2014.*

14.*Een interpretatieve wet is een wet die betreffende een punt waar de rechtsregel onzeker of betwist is, een oplossing geeft die door de rechtspraak had kunnen worden aangenomen. Een interpretatieve wet kan de geïnterpreteerd wet evenwel niet wijzigen, opheffen of aanvullen.*

15.*Uit de duidelijke tekst van* [*artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44)*, in de versie zoals van toepassing op het geding, blijkt dat de wetgever de vrijstelling van* [*artikel 13, A*](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13)*,* [*1, i)*](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-1)*, van de Zesde Richtlijn heeft toegekend aan instellingen die daartoe door de bevoegde overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen. Noch uit de tekst van die wetsbepaling noch uit de parlementaire voorbereiding ervan blijkt impliciet of uitdrukkelijk dat de wetgever deze vrijstelling heeft willen voorbehouden aan andere dan publiekrechtelijke lichamen die niet systematisch het maken van winst beogen en eventuele winsten niet uitkeren maar aanwenden voor de instandhouding of verbetering van de vermelde diensten. De Belgische wetgever heeft niet van de mogelijkheid gebruik gemaakt om de aanvullende voorwaarde op te leggen waarvan sprake in artikel 13, A, 2, eerste gedachtestreepje van de Zesde Richtlijn.*

16.*Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 46 van de voormelde wet van 17 juni 2013 blijkt dat de wetgever met de vervanging van* [*artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) *een betere*

*omzetting van de artikelen* [*132, lid 1, i)*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-132)*, en* [*133, a)*](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-133)*, van de Richtlijn 2006/112/EG beoogde en tot doel had zich te schikken naar de grondwettelijke regels benadrukt door de Raad van State in het arrest nr. 145.138 van 30 mei 2005.*

*17.* *Uit het voorgaande volgt dat de wetgever, door de vervanging van* [*artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) *bij artikel 46 van voormelde wet van 17 juni 2013, het toepassingsgebied van de vrijstelling voorzien in* [*artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) *heeft willen vernauwen tot diensten inzake onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing verricht door publiekrechtelijke lichamen of andere organisaties voor zover deze geen winstoogmerk hebben en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan, zodat van dan of aan commerciële opleidingsinstellingen, ook als ze door de overheid zijn erkend, belastingplichtig worden.*

*De uitleg dat de in* [*artikel 44, § 2, 4°, Btw-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) *vastgestelde vrijstelling ook voor de datum van 1 januari 2014 moet worden gelezen als dat zij enkel geldt voor het onderwijs verstrekt door privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk hadden en de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheid uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten van die werkzaamheid, is een interpretatie die door de rechter niet had kunnen worden aangenomen.*

*Hieruit volgt dat artikel 46 van de voormelde wet van 17 juni 2013 niet als een interpretatieve bepaling kan worden beschouwd. (...)"*

3 Uit de arresten van de Raad van State en van het Hof van Cassatie blijkt dat de beroepsopleidingen voor piloten in casu niet van de vrijstelling kunnen worden uitgesloten enkel omdat ze worden verstrekt door een handelsvennootschap. Bij gebrek aan enig wetgevend initiatief waarbij enige beperking ter zake werd ingevoerd, voorzag [artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) zoals van toepassing in de periode van de uitreiking van de facturen door BAFA, noch expliciet, noch impliciet in de voorwaarde dat beroepsopleidingen slechts van btw zouden zijn vrijgesteld indien zij werden verstrekt door instellingen die geen winstoogmerk nastreven.

Dat [artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) bij Wet van 17 juni 2013 *(B.S.* 28 juni 2013) werd vervangen met ingang van 1 januari 2014 waarbij de voorwaarde werd ingevoegd dat de onderwijsinstellingen niet systematisch het maken van winst mogen beogen, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat zulks voor 1 januari 2014 niet vereist was. Uit het voornemen tot invoeging van deze voorwaarde kan geenszins worden afgeleid dat de vrijstelling ook voor de wetswijziging daadwerkelijk aan deze voorwaarde was onderworpen (zie tevens Hof van Cassatie 16 juni 2023, AR F. 21.0097.N en F.21.0114.N).

Ook de directe werking van een richtlijn kan ter zake geen soelaas brengen, zoals reeds beslist door de Raad van State in zijn arrest van 30 mei 2005. De Belgische Staat kan zich tegen een particulier niet beroepen op de directe werking van een richtlijn die zij niet volledig heeft omgezet, in het bijzonder gelet op de discretionaire bevoegdheid van de Iidstaten om de B.T.W.-vrijstelling afhankelijk te maken van aanvullende voorwaarden, zoals het ontbreken van enig winstoogmerk. De Belgische Staat was hiertoe niet verplicht, zoals blijkt uit de tekst van artikel 133 van de B.T.W.-Richtlijn en bevestigd door het Hof van Justitie (cfr. supra). Het betrof een keuzemogelijkheid, waarvan door de wetgever geen gebruik werd gemaakt. De facto is van een onjuiste implementatie van de richtlijn dan ook geen sprake. De Belgische Staat kan dan ook geenszins via de directe werking van de richtlijn de vrijstelling alsnog afhankelijk maken van de voorwaarde dat het onderwijs verstrekt dient te worden door instellingen zonder winstoogmerk. Een nationale rechter mag niet op grond van een bepaling van een richtlijn, zelfs al is deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, een hiermee strijdige bepaling van zijn nationale recht buiten toepassing laten indien daardoor een aanvullende verplichting aan een particulier wordt opgelegd (Hof van Justitie 24 januari 2019, [C-573/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-573-17-arrest), Poplawski; Cass. 16 juni 2023, AR F.21.0097.N en F.21.0114.N, randnummers 23 t/m 28).

Dat in de richtlijn de vrijstelling voor onderwijs wordt ondergebracht onder de titel 'vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang' kan evenmin inhouden dat ieder winstoogmerk per definitie zou zijn uitgesloten. Zulks zou immers afbreuk doen aan de discretionaire bevoegdheid van de lidstaten voor de invoering van deze aanvullende voorwaarde voor de vrijstelling als voorzien in [artikel 133](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-133) van de richtlijn.

4 Om te beoordelen of de beroepsopleidingen voor lijnpiloot die werden verstrekt door BAFA van btw dienden te worden vrijgesteld, dient dan ook uitsluitend te worden nagegaan of aan de voorwaarden van [artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) is voldaan, zoals van toepassing in de periode van de uitreiking van de facturen door BAFA, voor de wetswijziging met ingang van 1 januari 2014. Er dient derhalve te worden nagegaan of BAFA een beroepsopleiding verstrekte en daartoe door de bevoegde overheid werd erkend.

Partijen betwisten niet dat hieraan voldaan was. Uit stuk 2, 4.4 en 4.5 van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 blijkt dat de door BAFA verstrekte beroepsopleiding werd erkend door de bevoegde overheidsinstantie.

Het hof oordeelt dan ook dan in casu is voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstelling van B.T.W.. [Artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) zoals in casu van toepassing voorziet niet in bijkomende voorwaarden. Gelet bovendien op het belang van een gedegen beroepsopleiding tot lijnpiloot, is het hof van oordeel dat BAFA wel degelijk een taak van openbare dienstverlening vervult en dan ook kan worden gekwalificeerd als een lichaam *"met soortgelijke doeleinden"* als publiekrechtelijke onderwijsinstellingen, zoals geviseerd in de B.T.W.-richtlijn.

Gelet op de vrijstelling van de betrokken beroepsopleidingen werd ten onrechte btw aangerekend in de facturen die door BAFA aan verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 werden uitgereikt. Dat de Belgische Staat in weerwil van voormelde arresten van de Raad van State en het Hof van Cassatie de aanrekening van btw is blijven gedogen, kan hieraan geen afbreuk doen. De aanrekening van btw gebeurde in strijd met [artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44).

De overige argumenten dienaangaande acht het hof niet terzake dienend en/of overbodig zodat hierop niet verder ingegaan wordt.

### B. Wat betreft de vordering op grond van onverschuldigde betaling van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 ten aanzien van BAFA

5 Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 vorderen de terugbetaling van de btw die hen ten onrechte werd aangerekend in de facturen hen uitgereikt voor de beroepsopleiding tot lijnpiloot die zij volgden bij BAFA. Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 stellen dat de aanrekening van btw in strijd is met artikel 44, §2, 4° W.B.T.W. en dienvolgens met de openbare orde, zodat de betaling ervan gebeurde zonder wettige oorzaak. Ze beroepen zich op de onverschuldigde betaling om terugbetaling van de door hen ten onrechte betaalde btw te vorderen.

BAFA en de Belgische Staat menen dat deze vorderingen dienen afgewezen te worden.

6 Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 baseren zich op de onverschuldigde betaling om terugvordering van de btw te bekomen.

BAFA en de Belgische Staat menen vooreerst dat deze vorderingen gedeeltelijk verjaard zijn.

Ingevolge artikel 1315, tweede lid oud B.W., thans 8.4 N.B.W., moet hij die van een verbintenis beweert bevrijd te zijn, het bewijs leveren van de betaling of van het feit dat het tenietgaan van zijn verbintenis heeft teweeggebracht. Het komt derhalve BAFA en de Belgische Staat toe te bewijzen dat de vorderingen van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 gedeeltelijk verjaard zijn. BAFA en de Belgische Staat kunnen dan ook niet gevolgd worden waar ze stellen dat verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 terzake de bewijzen van betaling dienen voor te leggen.

De eerste rechter verklaarde volgende vorderingen verjaard:

De vordering van X1 ten bedrage van 4.905,45 euro

De vordering van X8 ten bedrage van 2.631,83 euro

De vordering van X9 ten bedrage van 4.770,88 euro

De vordering van X10 ten bedrage van 4.770,88 euro

De vordering van X12 ten bedrage van 8.875,94 euro

De vordering van X13 ten bedrage van 4.770,88 euro

Hoewel BAFA verzoekt haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren voor zover haar standpunt in eerste aanleg werd afgewezen, geeft ze geen concrete toelichting in haar laatste besluiten omtrent de verjaring van de vorderingen van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17.

De Belgische Staat vraagt de vorderingen van de piloten te beperken in de mate van verjaring:

X1: voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 4.905,45 euro

X2: voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 2.876,66 euro

X6: voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 4.022,12 euro

X8 voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 4.946,66 euro

X9 voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 4.770,88 euro

X10 voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 4.770,88 euro

X11 voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 6.658,79 euro

X12 voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 8.875,94 euro

X13 voor de facturen die dateren van voor 31 oktober 2009 ten bedrage van 4.770,88 euro

X16 voor de facturen die dateren van voor 4 januari 2010 ten bedrage van 819,18 euro.

Verweerders in hoger beroep 1 tot 17 stelden hieromtrent tevens beroep in doch lichten in conclusies hun standpunt dienaangaande niet verder toe.

7 De vordering uit onverschuldigde betaling is onderworpen aan de tienjarige verjaringstermijn van art. 2262bis § 1, eerste lid oud B.W.. Het vertrekpunt van deze verjaringstermijn dient in casu bepaald te worden op datum van betaling van de onverschuldigde btw. In toepassing van [artikel 44 § 2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) was de beroepsopleiding die werd verstrekt principieel vrijgesteld van btw. Op het moment van de betaling stond dan ook vast dat deze betaling geen oorzaak had.

Overeenkomstig artikel 2244 § 1 oud B.W. vormt een dagvaarding voor het gerecht, een bevel tot betaling, een aanmaning tot betaling als bedoeld in artikel 1394/21 van het Gerechtelijk Wetboek of een beslag, betekend aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, burgerlijke stuiting. Een dagvaarding voor het gerecht stuit de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Daarnaast dient rekening gehouden te worden met artikel 2244 § 2 oud B.W. dat bepaalt dat een ingebrekestelling bij aangetekende zending met ontvangstbewijs verzonden door de advocaat van de schuldeiser naar de schuldenaar met woonplaats, verblijfplaats of maatschappelijke zetel in België, tevens de verjaring stuit en een nieuwe termijn van een jaar doet ingaan, evenwel zonder dat de vordering voor de vervaldag van de initiële verjaringstermijn kan verjaren. De stuitende werking van deze ingebrekestelling is slechts eenmalig, onverminderd andere stuitingsoorzaken.

8 Het hof bespreekt hierna de diverse vorderingen van de piloten waarvan de verjaring wordt ingeroepen rekening houdende met de hierboven vermelde wettelijke bepalingen:

#### 1 X1

Gelet op het feit dat de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. dateert van 1 oktober 2018 en de dagvaarding werd betekend op 31 oktober 2019, is het hof van oordeel dat de vordering van X1 is verjaard met betrekking tot volgende facturen:

Factuur 281216 d.d. 7 oktober 2008 waarvan 748,76 euro aan btw (volgens factuur betaling reeds voldaan op ogenblik uitschrijven factuur)

Factuur 281514 d.d. 16 december 2008 waarvan 75,04 euro aan btw

Factuur 281537 d.d. 16 december 2008 waarvan 50,25 euro aan btw

Factuur 290045 d.d. 7 januari 2009 waarvan 572,73 euro aan btw

Factuur 290138 d.d. 31 januari 2009 waarvan 9,28 euro aan btw

Factuur 290422 d.d. 1 april 2009 waarvan 572,73 euro aan btw

Factuur 290907 d.d. 2 juli 2009 waarvan 572,73 euro aan btw

Factuur 291457 d.d. 1 oktober 2009 waarvan 2.303,93 euro aan btw

Het hof houdt hierbij rekening met de betalingstermijn van 14 dagen zoals vermeld op de facturen hetgeen niet weerlegd wordt door BAFA dan wel de Belgische Staat. De vordering is dan ook verjaard ten bedrage van 4.905,45 euro. Het bestreden vonnis dient dienaangaande bevestigd te worden.

Het hof stelt verder vast dat uit de ingebrekestelling blijkt dat het ging om een totaalbedrag van 12.551,15 euro in plaats van het bedrag van 12.733,35 euro zoals gevorderd zodat de vordering van Matthias X1 hoogstens kon toegekend worden voor een bedrag van 7.645,70 euro zoals tevens vastgesteld door de eerste rechter.

#### 2 X2

Gelet op de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs d.d. 1 juli 2019 in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. voor de facturen daterende van 2 juli 2009 tot en met 1 september 2011 en de dagvaarding d.d. 31 oktober 2019 oordeelde de eerste rechter terecht dat dienaangaande geen sprake was van enige verjaring.

#### 3 X6

Gelet op de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs d.d. 24 december 2018 in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. voor de facturen daterende van 7 januari 2009 tot en met 21 december 2011 en de dagvaarding d.d. 31 oktober 2019 oordeelde de eerste rechter terecht dat dienaangaande geen sprake was van enige verjaring.

#### 4 X8

Gelet op het feit dat de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. dateert van 1 oktober 2018 en de dagvaarding werd betekend op 31 oktober 2019, is het hof van oordeel dat de vordering van X8 is verjaard met betrekking tot volgende facturen:

Factuur 280411 d.d. 8 april 2008 waarvan 164,88 euro aan btw (volgens factuur betaalbaar eind april 2008)

Factuur 281239 d.d. 7 oktober 2008 waarvan 748,73 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 19 oktober 2008)

Factuur 290068 d.d. 7 januari 2009 waarvan 572,73 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 20 januari 2009)

Factuur 290445 d.d. 1 april 2009 waarvan 572,73 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 14 april 2009)

Factuur 290931 d.d. 2 juli 2009 waarvan 572,73 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 19 juli 2009)

Het hof houdt hierbij rekening met de data van betaling dan wel de betalingstermijn zoals vermeld op deze facturen hetgeen niet weerlegd wordt door BAFA dan wel de Belgische Staat. De vordering is dan ook verjaard ten bedrage van 2.631,83 euro.

Aangezien op de factuur 291480 d.d. 1 oktober 2009 vermeld staat dat deze betaald werd op 4 november 2009, blijkt niet dat de vordering met betrekking tot deze factuur verjaard was. Dit wordt noch door BAFA noch door de Belgische Staat aangetoond.

Het bestreden vonnis dient dienaangaande bevestigd to worden.

#### 5 X9

Gelet op het feit dat de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. dateert van 9 oktober 2018 en de dagvaarding werd betekend op 31 oktober 2019, is het hof van oordeel dat de vordering van X9 is verjaard met betrekking tot volgende facturen:

\- Factuur 281242 d.d. 7 oktober 2008 waarvan 748,76 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 10 oktober 2008)

\- Factuur 290071 d.d. 7 januari 2009 waarvan 572,73 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 13 januari 2009)

\- Factuur 290448 d.d. 1 april 2009 waarvan 572,73 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 7 april 2009)

\- Factuur 290934 d.d. 2 juli 2009 waarvan 572,73 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 9 juli 2009)

\- Factuur 291483 d.d. 1 oktober 2009 waarvan 2.303,93 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 7 oktober 2009)

Het hof houdt hierbij rekening met de data van betaling zoals vermeld op deze facturen hetgeen niet weerlegd wordt door BAFA dan wel de Belgische Staat. De vordering is dan ook verjaard ten bedrage van 4.770,88 euro.

Tevens hield de eerste rechter terecht rekening met het feit dat zoals uit deze ingebrekestelling met facturen in bijlage bleek het ging om een totaalbedrag aan btw van 11.781,25 euro en niet het bedrag van 11.900,24 euro zoals gevorderd.

Het bestreden vonnis dient dienaangaande bevestigd to worden.

#### 6 X10

Het hof volgt het standpunt van de eerste rechter met betrekking tot de vordering van X10.

Gelet op het feit dat de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. dateert van 1 oktober 2018 en de dagvaarding werd betekend op 31 oktober 2019, is het hof van oordeel dat de vordering van X10 is verjaard met betrekking tot volgende facturen:

Factuur 281244 d.d. 7 oktober 2008 waarvan 748,76 euro aan btw Factuur 290073 d.d. 7 januari 2009 waarvan 572,73 euro aan btw Factuur 290450 d.d. 1 april 2009 waarvan 572,73 euro aan btw Factuur 290936 d.d. 2 juli 2009 waarvan 572,73 euro aan btw Factuur 291485 d.d. 1 oktober 2009 waarvan 2.303,93 euro aan btw

Het hof houdt hierbij rekening met de betalingstermijn van 14 dagen zoals vermeld op deze facturen hetgeen niet weerlegd wordt door BAFA dan wel de Belgische Staat. De vordering is dan ook verjaard ten bedrage van 4.770,88 euro.

#### 7 X11

Gelet op de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs d.d. 1 juli 2019 in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. voor de facturen daterende van 7 juli 2009 tot en met 3 oktober 2012 en de dagvaarding d.d. 31 oktober 2019 oordeelde de eerste rechter terecht dat dienaangaande geen sprake was van enige verjaring.

#### 8 X12

Gelet op het feit dat de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. dateert van 15 oktober 2018 en de dagvaarding werd betekend op 31 oktober 2019, is het hof van oordeel dat de vordering van X12 is verjaard met betrekking tot volgende facturen:

 Factuur 281181 d.d. 1 oktober 2008 waarvan 2.217,15 euro aan btw

 Factuur 281419 d.d. 13 november 2008 waarvan 7,34 euro aan btw

 Factuur 290029 d.d. 7 januari 2009 waarvan 2.217,15 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 22 januari)

Factuur 290391 d.d. 1 april 2009 waarvan 2.217,15 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 14 april 2009)

 Factuur 290877 d.d. 2 juli 2009 waarvan 2.217,15 euro aan btw (volgens vermelding op factuur voldaan op 16 juli 2009)

Het hof houdt hierbij rekening met de data van betaling zoals vermeld op deze facturen dan wel de betalingstermijn van 14 dagen hetgeen niet weerlegd wordt door BAFA dan wel de Belgische Staat De vordering is dan ook verjaard ten bedrage van 8.875,94 euro. Het bestreden vonnis dient dienaangaande bevestigd te worden.

#### 9 X13

Het hof volgt het standpunt van de eerste rechter met betrekking tot de vordering van X13.

Gelet op het feit dat de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. dateert van 1 oktober 2018 en de dagvaarding werd betekend op 31 oktober 2019, is het hof van oordeel dat de vordering van X13 is verjaard met betrekking tot volgende facturen:

 Factuur 281248 d.d. 7 oktober 2008 waarvan 748,76 euro aan btw Factuur 290077 d.d. 7 januari 2009 waarvan 572,73 euro aan btw

 Factuur 290454 d.d. 1 april 2009 waarvan 572,73 euro aan btw Factuur 290940 d.d. 2 juli 2009 waarvan 572,73 euro aan btw Factuur 291488 d.d. 1 oktober 2009 waarvan 2.303,93 euro aan btw

Het hof houdt hierbij rekening met de betalingstermijn van 14 dagen zoals vermeld op deze facturen hetgeen niet tegengesproken wordt door BAFA dan wel de Belgische Staat. De vordering is dan ook verjaard ten bedrage van 4.770,88 euro. Het bestreden vonnis dient dienaangaande bevestigd te worden.

#### 10 X16

Gelet op de aangetekende ingebrekestelling met ontvangstbewijs d.d. 28 augustus 2019 in de zin van artikel 2244 § 2 oud B.W. voor de facturen daterende van 8 september 2009 tot en met 5 september 2012 en het verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst d.d. 4 januari 2020 oordeelde de eerste rechter terecht dat dienaangaande geen sprake was van enige verjaring.

9 Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 stellen dat de aanrekening van btw in strijd is met [artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en dienvolgens met de openbare orde, zodat de betaling ervan gebeurde zonder wettige oorzaak. Ze beroepen zich op artikel 1235 oud B.W., thans artikel 5.133 B.W. ingevolge waarvan wat onverschuldigd is betaald, kan worden teruggevorderd.

Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 voeren terecht aan dat er sprake is van een onverschuldigde betaling. Overeenkomstig artikel 1235 oud Burgerlijk Wetboek, thans artikel 5.133 B.W, was er immers sprake van betalingen die onverschuldigd waren, namelijk zonder oorzaak. Gelet op hetgeen hogergemeld staat het vast dat BAFA ten onrechte btw heeft aangerekend op de beroepsopleiding tot lijnpiloot. Er bestond geen wettelijke grondslag om deze btw te vorderen. Dienvolgens halen de piloten terecht aan dat voor deze betalingen elke wettige oorzaak ontbrak. Er bestond geen wettelijke verplichting in hoofde van BAFA om btw aan te rekenen op deze opleidingskosten noch om deze btw door te storten aan de Belgische Staat met betrekking tot deze opleidingen. Van enig keuzerecht was geen sprake. De btw-wetgeving is van openbare orde zodat hier niet van afgeweken kon worden.

Overeenkomstig het arrest van het Hof van Cassatie van onder meer 16 juni 2023 (AR F.21.0097.N en F.21.0114.N) kan in geval van onverschuldigde betaling, de ontvanger als verweer aanvoeren dat hij redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat. Dit is volgens het Hof van Cassatie onder meer het geval indien de onverschuldigd ontvangen som te goeder trouw werd doorbetaald aan een derde ter uitvoering van een op het ogenblik van de doorbetaling bestaande wettelijke verplichting daartoe.

Het hof merkt vooreerst op dat dit door BAFA niet als verweer werd aangehaald in laatste conclusies noch werd hierop ter zitting ingegaan door BAFA. De Belgische Staat verwees in besluiten naar deze rechtspraak van het Hof van Cassatie zonder dit evenmin concreet verder toe te Iichten.

Het hof merkt op dat noch BAFA noch de Belgische Staat concreet toelichten, laat staan aantonen dat aan deze voorwaarden voldaan is, namelijk dat de ontvanger redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat.

Uit de voorliggende gegevens kan afgeleid worden dat BAFA op het ogenblik van het aanrekenen van de opleidingskosten met btw, minstens vanaf juni 2011 op de hoogte was van de discussie met betrekking tot het aanrekenen van btw op de opleidingskosten door commerciële ondernemingen zodat geenszins kan gesteld worden dat deze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betalingen. Terzake kan verwezen worden naar het advies dat door BAFA werd aangevraagd bij de Belgische Staat. BAFA heeft de keuze gemaakt om, ondanks deze problematiek, verder btw te blijven aanrekenen op de door haar geleverde opleidingen waarbij evident ook eigen financiële belangen hebben gespeeld in het kader van de btw-aftrek op investeringen die BAFA terzake gedaan had.

Uit de voorliggende gegevens blijkt verder dat er in casu geen wettelijke verplichting bestond om btw aan te rekenen op de door BAFA verleende diensten noch om dit bedrag door te storten aan de Belgische Staat.

Bovendien dient te worden opgemerkt dat noch door BAFA noch door de Belgische Staat wordt aangetoond dat door de terugbetaling BAFA in een nadeligere positie zou gebracht worden dan deze waarin zij zich zou bevonden hebben indien de vermogensverschuiving niet had plaatsgevonden. Terzake kan verwezen worden naar hetgeen advocaat-generaal Van Der Fraenen in zijn conclusie vermeldde (concl. adv-gen. Van Der Fraenen, Cass. 16 juni 2023, F.21.0097.N en F.21.0114.N):

> *"De vordering uit onverschuldigde betaling is een wettelijke toepassing van het algemeen rechtsbeginsel dat niemand zich ten koste van een ander ongerechtvaardigd mag verrijken. Diegene die ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van een ander dient de verarmde te vergoeden tot beloop van het laagste bedrag van de verrijking en de verarming zoals bepaald op het ogenblik van de vermogensverschuiving. Het Hof oordeelde dat aangezien deze vergoedingsplicht niet berust op de aansprakelijkheid van de verrijkte zij de verrijkte, in beginsel, niet in een nadeligere positie mag brengen dan waarin deze zich zou bevonden hebben had de vermogensverschuiving niet plaatsgevonden. Is aldus de verrijking verminderd door omstandigheden die niet aan de verrijkte zijn toe te rekenen, dan wordt slechts rekening gehouden met het resterende gedeelte van de verrijking. Uit het vorenstaande volgt dat ingeval van onverschuldigde betaling, de ontvanger als verweer kan aanvoeren dat hij redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat. Dit is onder meer het geval indien de onverschuldigd ontvangen som te goeder trouw werd doorbetaald aan een derde in uitvoering van een op het ogenblik van de doorbetaling bestaande wettelijke verplichting daartoe."*

Geenszins blijkt dat, noch in welke mate, deze bedragen zouden doorbetaald zijn aan de Belgische Staat. Er worden geen btw-aangiftes voorgelegd zodat het hof niet kan nagaan in welke mate het recht op aftrek een invloed heeft gehad op de door BAFA door te storten bedragen. Hieromtrent wordt geen enkele toelichting verstrekt noch worden dienaangaande stukken voorgelegd. Geenszins blijkt dan ook dat de teruggaveverplichting BAFA in een nadeligere positie zou brengen.

Geenszins blijkt aldus dat BAFA voldoet aan de voorwaarden zoals bepaald door het Hof van Cassatie in zijn arrest van 16 juni 2023, namelijk dat de ontvanger redelijkerwijze mocht vertrouwen op de rechtsgeldigheid van de betaling, hij het ontvangen bedrag heeft doorbetaald en tussen de ontvangst van de betaling en de doorbetaling een nauw verband bestaat.

10 In casu werden door BAFA facturen uitgereikt waarin btw werd aangerekend. Het hof stelt vast dat de facturen worden bijgebracht door verweerders 1 tot en met 17 in hoger beroep. De facturen waren doorgaans betaalbaar binnen de 14 dagen na factuurdatum en op het merendeel van de facturen werden handgeschreven vermeldingen aangebracht die betrekking hebben op de betaling ervan. Deze vermeldingen worden niet betwist door NV BAFA noch door de Belgische Staat. Het hof is dan ook van oordeel dat ten genoegen van recht bewezen is dat de gefactureerde btw ook daadwerkelijk aan BAFA werd betaald. Door BAFA wordt overigens geenszins beweerd, Iaat staan aannemelijk gemaakt dat bepaalde facturen nog openstaand zouden zijn. Het hof ziet dan ook geen reden om de voorlegging van de betalingsbewijzen te bevelen.

Gelet op de onverschuldigde betaling is BAFA dan ook gehouden tot de terugbetaling van de onterecht aangerekende btw. Geenszins wordt hieraan afbreuk gedaan door het arrest van het Hof van Cassatie van 9 maart 2020.

Het bestreden vonnis dient dienaangaande bevestigd te worden, met inbegrip van de toegekende intresten. Terecht kende de eerste rechter immers moratoire intrest toe vanaf de datum van ingebrekestelling (voor X2, X11, X8, X10, X13, X6, X1, X12, X9, X16 gelet op de bijgebrachte ingebrekestellingen), dan wel de datum van dagvaarding / neerlegging van het verzoekschrift voor degenen waarvoor geen ingebrekestelling werd voorgelegd. Het hof ziet geen reden om aan verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 intresten vanaf een eerdere datum toe te kennen. Geenszins blijkt dat BAFA te kwader trouw was in de zin van artikel 1378 Oud B.W..

Er wordt geen betwisting gevoerd omtrent de gevorderde kapitalisatie van intresten. De piloten vorderen in conclusies in hoger beroep de intresten te kapitaliseren op datum van neerlegging van de syntheseconclusies voor de eerste rechter (22 januari 2021), op datum van neerlegging van de tweede conclusies van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 in graad van beroep (19 augustus 2022), op datum van neerlegging van de eerste syntheseconclusie in graad van beroep (27 mei 2024) en op datum van neerlegging van de Iaatste conclusies in hoger beroep (3 oktober 2024). Hieromtrent wordt geen betwisting gevoerd zodoende dat dit verzoek kan worden toegekend met dien verstande dat de datum van neerlegging van de syntheseconclusies voor de eerste rechter 25 januari 2021 betrof in plaats van 22 januari 2021.

Rekening houdende met het hogergemelde gaat het hof niet verder in op de door verweerders in hoger beroep sub 1 tot en met 17 aangehaalde schending van artikel 2 Oud Burgerlijk Wetboek.

De overige argumenten dienaangaande acht het hof niet terzake dienend en/of overbodig zodat hier niet verder op ingegaan wordt.

11 Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 vorderen de curator te veroordelen tot opname in het passief van alle bedragen waartoe BAFA wordt veroordeeld tot betaling aan hen, zowel in hoofdsom, intresten als kosten.

De veroordeling van BAFA, thans in staat van faillissement, doet geen afbreuk aan het feit dat het hof alleen kennis neemt van het bestaan en het bedrag van de schuldvordering die wordt aangevoerd tegen de failliete schuldenaar, maar niet van de opneming van een schuldvordering in het passief van het faillissement en van de vraag of de met die schuldvordering verbonden schuld een schuld van, dan wel in de boedel is. De vraag tot opname van een schuldvordering in het passief van een failliete boedel behoort immers tot de exclusieve bevoegdheid van de faillissementsrechter. Het hof gaat hier dan ook niet verder op in.

### C. Wat betreft de vordering tot vrijwaring van BAFA ten aanzien van de Belgische Staat

12 BAFA vordert om de Belgische Staat te veroordelen tot de integrale vrijwaring bij veroordeling tot de terugbetaling van btw omdat zij gehandeld heeft conform de instructies van de Belgische Staat. Zij heeft zich geschikt naar aanschrijving nr. 25 en heeft zich, na de vernietiging hiervan, gedragen naar het standpunt van de administratie dat BAFA over een keuzemogelijkheid beschikte om btw aan te rekenen in afwachting van een wetswijziging.

De Belgische Staat betwist de vordering tot vrijwaring bij gebrek aan bewijs van fout, schade en oorzakelijk verband.

13 Het hof herneemt dat de beroepsopleiding tot lijnpiloot door BAFA ab initio van btw was vrijgesteld in toepassing van artikel 44, §2, 4° W.B.T.W. zodat ten onrechte btw werd aangerekend. Het staat echter vast dat de Belgische Staat ten onrechte voorhield dat er sprake was van een keuzerecht in hoofde van de belastingplichtigen, dit in tegenstelling tot hetgeen wettelijk bepaald werd. BAFA werd ter zake echter door de fiscale administratie verkeerd geïnformeerd, enerzijds door de aanschrijving nr. 25 waarin werd gesteld, contra legem, dat de vrijstelling slechts geldt voor privaatrechtelijke instellingen die geen winstoogmerk beogen en anderzijds door na vernietiging van de aanschrijving uitdrukkelijk te stellen dat BAFA, evenzeer contra legem, over de keuzemogelijkheid zou beschikken om btw aan te rekenen voor de beroepsopleidingen tot lijnpiloot. Terzake kan verwezen worden naar het schrijven van de Centrale BTW-administratie d.d. 29 juli 2011 aan BAFA. Hierin stelde de administratie dat commerciële ondernemingen die opleidingen verstrekken tot beroepspiloot de mogelijkheid hadden om hun handelingen te blijven belasten. Er werd op gewezen dat deze instellingen zelf konden beslissen of ze van deze mogelijkheid wensten gebruik te maken. Dit betrof een manifeste schending van het legaliteitsbeginsel. Het is immers de wet die bepaalt welke handeling aan btw onderworpen is en welke handeling kan genieten van een vrijstelling. Geenszins kan de Belgische Staat terzake een keuzerecht voorstellen.

Er bestond voor de wetswijziging met ingang van 1 januari 2014 geen wettelijke grondslag om de vrijstelling in artikel 44, §2, 4° W.B.T.W. te beperken tot onderwijsinstellingen zonder winstoogmerk. Dat dit het standpunt van de administratie was, zoals gepropageerd in aanschrijving nr. 25, doet daaraan geen afbreuk, evenmin als de vaststelling dat de B.T.W.-Richtlijn in de mogelijkheid voorzag om de vrijstelling aan deze voorwaarde te onderwerpen, in het bijzonder nu de administratie zich geenszins kon beroepen op de directe werking van de richtlijn, zoals reeds beslist door de Raad van State in zijn arrest van 30 mei 2005.

Het hof neemt daarbij ook de nota's in aanmerking aan de minister van Financiën (stuk 7.4 verweerders 1 tot en met 17 in hoger beroep) en aan de 'Centrumdirecteurs KMO/PME betreffende de uitbetaling aan piloten' (stuk 7.5 verweerders 1 tot en met 17 in hoger beroep) waarin de administratie stelde dat zij zich ten gronde zal neerleggen bij het principe dat de beroepsopleidingen tot piloot verstrekt door commerciële ondernemingen tot 31 december 2013 vrijgesteld zijn van B.T.W. bij toepassing van artikel 44, §2, 4° W.B.T.W..

In casu was ab initio aan de voorwaarden als in [artikel 44, §2, 4° btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) bepaald voor de vrijstelling voldaan. Door niettemin het tegendeel voor te houden, heeft de Belgische Staat gehandeld in strijd met de wet. Dit maakt zonder twijfel een fout uit in zijnen hoofde die schade heeft veroorzaakt, met name, door de onterechte aanrekening aan en vervolgens onverschuldigde betaling van btw door eerste tot en met 17 de verweerder in hoger beroep dient deze door BAFA te worden terugbetaald. Hieromtrent wordt overigens geen concrete betwisting door de Belgische Staat gevoerd. Dat BAFA zou gebruik hebben gemaakt van haar recht op aftrek inzake btw, waaromtrent overigens geen stukken worden voorgelegd, doet geen afbreuk aan het bestaan van deze schade, door de verplichting tot terugbetaling ervan, noch aan het bedrag ervan.

De Belgische Staat is dan ook gehouden tot vrijwaring van nv BAFA in de mate zij veroordeeld wordt tot de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen aan verweerder 1 tot en met 17 in hoger beroep.

De overige argumenten dienaangaande acht het hof niet terzake dienend en/of overbodig.

### D. Vordering van 1 ste tot en met 17 de verweerders ten aanzien van de Belgische Staat

14 Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 verzoeken om te zeggen voor recht dat de Belgische Staat ertoe gehouden is om de bedragen waarvoor hij vrijwaring moet verlenen aan BAFA, rechtstreeks aan hen te voldoen.

Ze verzoeken het hof hiervoor gebruik te maken van haar bevoegdheid om de Belgische Staat een preventieve maatregel op te leggen om te vermijden dat er een misdrijf wordt gepleegd. Ze lichten toe dat het verzoek enkel betrekking heeft op de wijze waarop de Belgische Staat aan de vrijwaringsvordering kan voldoen rekening houdend met het strafrechteiijk verbod voor de ambtenaren om onwettig geïnde belastingen onder zich te houden (art. 243 Sw.).

Deze vordering wordt door de Belgische Staat betwist. De Belgische Staat werpt onder meer op dat deze vordering verjaard is. Hij wijst erop dat alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

15 Het hof wijst de vordering om te zeggen voor recht dat de Belgische Staat ertoe gehouden is om de bedragen waarvoor hij vrijwaring moet verlenen aan BAFA rechtstreeks aan verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 te voldoen af. Het hof acht het niet mogelijk om op basis van artikel 243 Sw. deze volgens verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 "preventieve maatregel" op te leggen.

Ten overvloede merkt het hof op dat voor zover de vordering van verweerders 1 tot en met

17 ten aanzien van de Belgische Staat als een zelfstandige vordering dient beschouwd te worden op grond van verrijking zonder oorzaak/onverschuldigde betaling dan wel een buitencontractuele vordering, deze verjaard is gelet op artikel 2262bis oud B.W.. Hierop wordt door verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 in besluiten geenszins ingegaan.

De overige argumenten dienaangaande acht het hof niet terzake dienend en/of overbodig.

16 Aangezien de vordering van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 ten aanzien van BAFA gegrond wordt verklaard, gaat het hof niet in op de door verweerders in hoger beroep 2 tot en met 14 in ondergeschikte orde gestelde vordering om de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 260 euro ten titel van bijdragen begrotingsfonds.

### E. Gerechtskosten

17 Met betrekking tot de procedure in eerste aanleg veroordeelde de eerste rechter BAFA terecht tot de kosten van het geding in hoofde van verweerders sub 1 tot en met 17 in hoger beroep. Deze dienen begroot te worden op 543,40 euro (dagvaardingskosten) en 6.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg). Behoudens wanneer een procedureakkoord omtrent de omvang van de rechtsplegingsvergoeding dan wel een grond of een verzoek tot afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voorligt, dient de rechter ambtshalve het met toepassing van de bepalingen van het Tarief Rechtsplegingsvergoeding correcte basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen (Cass. 13 januari 2023, C.22.0158.N).

Daarnaast veroordeelde de eerste rechter de Belgische Staat terecht tot de kosten van het geding in hoofde van BAFA. Deze dienden in hoofde van BAFA evenwel begroot te worden op 6.500 euro in plaats van 1.440 euro rechtsplegingsvergoeding. Het hof is immers van oordeel dat de vordering in vrijwaring als een in geld waardeerbare vordering dient beschouwd te worden. Het bedrag ervan kan immers bepaald worden aan de hand van het bedrag van de vordering van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 ten aanzien van BAFA die oorzaak was van de tussenvordering in vrijwaring. Partijen namen hierover ter zitting standpunt in.

Het hof is van oordeel dat in tegenstelling tot hetgeen de eerste rechter oordeelde, verweerders in hoger beroep 1 tot met 17, tot de kosten van het geding in hoofde van de Belgische Staat dienen veroordeeld te worden. Het feit dat de vordering in deze verhouding zonder voorwerp werd verklaard, doet hier geen afbreuk aan. Deze diende begroot te worden op 260 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) gelet op de vordering die verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 ten aanzien van de Belgische Staat stelden, namelijk de vordering van verweerders in hoger beroep 2 tot en met 14 in terugbetaling van 20 euro per persoon ten titel van onverschuldigd betaalde bijdrage voor de juridische tweedelijnsbijstand.

18 Gelet op het ongelijk in hoofde van de Belgische Staat met betrekking tot de procedure in hoger beroep dient deze veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep in de verhouding met BAFA. Het hof is van oordeel dat deze in hoofde van BAFA dienen begroot te worden op 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). Het hof is immers van oordeel dat de vordering in vrijwaring als een in geld waardeerbare vordering dient beschouwd te worden. Het bedrag ervan kan immers bepaald worden aan de hand van het bedrag van de vordering van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 ten aanzien van BAFA die oorzaak was van de tussenvordering in vrijwaring. De bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep ten bedrage van 20 euro blijft ten laste van de Belgische Staat.

In de verhouding BAFA — verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 wordt BAFA, gelet op haar grotendeels ongelijk, veroordeeld tot de kosten met betrekking tot de procedure in hoger beroep. Deze worden in hoofde van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 begroot op 7.848,74 euro.

Gelet op de nieuwe vordering in hoger beroep van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 ten aanzien van de Belgische Staat waaromtrent ze in het ongelijk worden gesteld, worden verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 in de verhouding met de Belgische Staat veroordeeld tot de kosten, in hoofde van de Belgische Staat begroot op 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

19 Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

### Beschikkend gedeelte

## V Uitspraak

Het hof doet uitspraak bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk maar ongegrond als volgt.

Het hof verklaart het hoger beroep namens BAFA ontvankelijk maar ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van 1 ste tot en met 17 de verweerder in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis behoudens wat de gerechtskosten betreft zoals hierna bepaald en beveelt bijkomend de kapitalisatie van de intresten zoals door eerste tot en met 17 de verweerder in hoger beroep gevorderd in de conclusie neergelegd ter griffie van het hof op 19 augustus 2022, 27 mei 2024 en 3 oktober 2024.

Het hof wijst de nieuwe vordering in hoger beroep van 1 5te tot en met 17 de verweerder in hoger beroep ten aanzien van de Belgische Staat af.

Het hof veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding in hoofde van BAFA, begroot op 6.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 7.848,84 euro

(rechtsplegingsvergoeding hoger beroep). De bijzondere bijdrage begrotingsfonds hoger beroep ten bedrage van 20 euro blijft ten laste van de Belgische Staat.

Onverminderd de wettelijke gevolgen van het faillissement wordt BAFA veroordeeld tot betaling aan verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 van de kosten van het geding, in hoofde van verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 begroot op 543,40 euro (dagvaardingskosten), 6.500 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

Verweerders in hoger beroep 1 tot en met 17 worden veroordeeld tot de kosten van het geding in hoofde van de Belgische Staat begroot op 260 euro (rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg) en 7.848,84 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover plaatsvervangend raadsheer B. P. mede beraadslaagd heeft, en die thans, wettelijk verhinderd zijnde, in de onmogelijkheid verkeert om dit arrest mede te ondertekenen, handelend volgens art. 785 van het Ger. W., tekenen de overige raadsheren, die mede hebben beraadslaagd, en de

griffier, en aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Antwerpen van 16 september 2025,

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

## Aangehaalde teksten

7

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 20 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 133](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-133) 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 1](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-1) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 132](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-132) 1 voorkomen

[C-45/01, arrest van 6 november 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-45-01-arrest) 1 voorkomen

[C-573/17, arrest van 24 juni 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-573-17-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Vrijstelling, Beroepsopleiding, Beroepsherscholing, Onderwijs, Opleiding tot beroepsbestuurder van vliegtuigen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-beroepsopleiding-beroepsherscholing-onderwijs-rechtbank-bergen-2021-03-25-ed7f) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstellingen, School- of universitair onderwijs, Luchtvaartscholen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-school-universitair-onderwijs-hof-van-beroep-brussel-2017-02-16-4e95) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Belasting over de toegevoegde waarde Vrijstelling artikel 44, Onderwijsdiensten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-vrijstelling-artikel-rechtbank-namen-2018-10-18-6730) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, Gerechtsdeurwaarder, Collectief schuldbemiddelaar, Barema van het ereloon, Emolumenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-gerechtsdeurwaarder-collectief-grondwettelijk-hof-all-2013-04-25-811c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplichtige, Vrijstelling, Sociale dienstverlening, Maatschappelijk werk, Assistentiewoningen, Verzorgingstehuis](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-vrijstelling-sociale-dienstverlening-hof-van-beroep-bergen-2019-09-04-bd77) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wetboek-belasting-toegevoegde-waarde-art-grondwettelijk-hof-brussel-2021-12-02-914d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, Zelfstandige groeperingen van personen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-zelfstandige-groeperingen-personen-artikel-cassatie-brussel-2020-09-25-c17f) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd btw-tarief 6%, Artikel 44, §2, 4°, a) WBTW](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-btw-tarief-artikel-44-cassatie-brussel-2026-01-22-274a) 3 gemeenschappelijke bepalingen
