---
title: "Beroepskarakter, bewijskracht van de boekhouding · Hof van beroep te Gent, 18 september 2012"
description: "Beroepskarakter, bewijskracht van de boekhouding, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling. Hof van beroep te Gent (België), 18 september 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/beroepskarakter-bewijskracht-boekhouding-werkingssfeer-dienst-hof-van-beroep-gent-2012-09-18-ffc2"
lang: "nl"
---

# Beroepskarakter, bewijskracht van de boekhouding, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

18 september 2012

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 9 maanden

1. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Gent 18.09.2012
2. [Beslissing in cassatie Hof van Cassatie van België 19.06.2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarieven-wettelijk-vermoeden-hoogste-tarief-cassatie-brussel-2014-06-19-db58)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

61 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 18.09.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer - terechtzitting van 18-09-2012**

## BELASTINGEN

Nr. **2011/AR/961**

in de zaak van :

**S. C. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. W.** loco mr. **S. S.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Aalst, wiens kantoren gevestigd zijn te 9300 AALST, Graanmarkt 1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. G.** loco mr. **V. P.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 29 maart 2011 werd door de appellante tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 16 februari 2011 door de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waarbij haar fiscale vordering ertoe strekkende het door e.a. Inspecteur **M. B.** uitgevaardigd dwangbevel van 18 november 2003, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Gent op 20 november 2003 te vernietigen, slechts gedeeltelijk werd ingewilligd in die zin dat in het dwangbevel de geldboete werd begroot op … EUR en niet op … EUR.

Het hoger beroep strekt er toe de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te vernietigen en bijgevolg :

\- In hoofdorde het dwangbevel van 18 november 2003 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn;

\- In ondergeschikte orde, de boete kwijt te schelden dan wel te verminderen;

\- De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van dit dwangbevel werden betaald of ingehouden ten titel van BTW, geldboeten en kosten, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten, meer de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Op haar beurt vordert de geïntimeerde het hoger beroep af te wijzen, het bestreden vonnis te bevestigen. In ondergeschikte orde de appellante te veroordelen tot het betalen van de som van … EUR, te verhogen met een geldboete van … EUR en een intrest van 0,8 % per maand vertraging over het bedrag van de nog verschuldigde belasting te rekenen vanaf 21 januari 2002 en de appellante te veroordelen tot de kosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

## Feitelijke gegevens

De BVBA **S. C.** baat een feestzaal uit en is in die hoedanigheid BTW­plichtige. Met betrekking tot de juiste toepassing van de BTW-wetgeving en reglementering werd een controletoezicht verricht voor de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001.

Uit het proces-verbaal opgemaakt op 5 november 2003 blijkt dat appellante was verschuldigd : BTW: … EUR, boeten : … EUR en intresten. Ingevolge het antwoord van de BTW-schuldige werd de BTW in hoofdsom verminderd tot … EUR, de boete tot … EUR, meer de intresten p.m.

De betwistingen hebben betrekking op inbreuken op de aftrekregeling, op de tarificatie, de vrijstellingsregel van artikel 42, § 3, 3° BTW-wet, voordelen van alle aard, de omzetverhoging.

## Beoordeling

1\. Nopens de inbreuken op de aftrekregeling

De voorbelasting werd geweigerd omdat het beroepsmatig karakter van een aantal diensten of leveringen niet vaststaat en een aantal facturen in de boekhouding werden opgenomen zonder te voldoen aan de voorgeschreven formaliteiten.

Wat de aankoopfactuur van de "vakliteratuur" betreft gaat het om één factuur (nr. 232 uitgereikt op 31 maart 2000 door dagbladhandel **D. S.**). Effectief is het zo dat een controle onmogelijk is vanwege de administratie. Het is niet uit te maken of deze uitgave beroepsmatig dan wel privé is.

Een volgende reeks facturen heeft betrekking op aankoopfacturen waarop geen nummerplaat van het herstelde voertuig is vermeld. De materialiteit van dit gegeven wordt niet ernstig betwist. Tevergeefs beroept de appellante zich op rechtspraak van het Hof van Cassatie waarbij gesteld "wanneer niet wordt vastgesteld dat de ontbrekende vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie de begane onregelmatigheden geen beletsel moeten vormen voor de bestreden BTW-aftrek". Te dezen is dit niet het geval. Het volstaat immers dat het voorwerp van de verrichting niet op de factuur vermeld wordt om elke controle op de toepassing van de BTW-wetgeving te bemoeilijken. Nu het herstelde voertuig onvoldoende geïdentificeerd is bij gebrek aan vermelding van de nummerplaat, is de inbreuk substantieel.

Tenslotte worden geen grieven geformuleerd tegen de verwerping van de BTW m.b.t. de twee overblijvende facturen nl. de aankoopfactuur nr. 95 uitgereikt op 10 februari 2000 (ontbreken van BTW-registratienummer van de leverancier) alsook de factuur nr. … uitgereikt op 28 maart 2001 op naam van **G.** (dit is de zaakvoerder).

2\. Nopens de inbreuken op de BTW-tarificatie inzake het verstrekken van spijzen en dranken (art. 37 en 38 W.BTW)

Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de ambtenaar van de BTW-administratie alle leveringen van maaltijden en dranken zowel in als buiten de inrichting van de appellante aan het residuair tarief van 21 % wil taxeren.

Kennelijk gaat het hier over dienstprestaties zoals bedoeld in artikel 18, § 1, lid 2, 11° W.BTW. nl. het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse. Volgens de appellante zijn de loutere traiteurdiensten waarbij de klaargemaakte maaltijden worden afgehaald, als belastbare levering beschouwd en belast aan 6 %. Dit wordt echter 21 % wanneer het verstrekken van spijs en drank gepaard gaat met andere diensten zoals de ter beschikking stelling van zaal of personeel. De appellante verwijt verder de BTW­administratie de bewijslast te doen omkeren.

Zoals bevestigd in het cassatiearrest van 13 mei 2005 (T.F.R., 2005, nr. 290, blz. 917) moet de administratie wanneer zij vindt dat een BTW-belastingplichtige ten onrechte toepassing heeft gemaakt van het verlaagd BTW-tarief bewijzen dat dit BTW-tarief niet van toepassing is. In dat verband verwijst de administratie terecht naar artikel 64, § 3 W.BTW. Wanneer de voorwaarden voor de toepassing van de wettelijke vermoedens vervuld zijn, wordt de BTW geacht verschuldigd te zijn. Eens de administratie zulks heeft bewezen berust het tegenbewijs bij de belastingplichtige. Met reden stelt de geïntimeerde dat uit de door de appellante voorgelegde boekhouding op geen enkel ogenblik of uit geen enkel bewijskrachtig stuk blijkt dat toepassing kan worden gemaakt van het tarief van 6 %. In het proces-verbaal van 5 november 2003 staat vermeld dat er enkel sprake is van een periodieke opname in het verkoopdagboek van een enkele factuur van de globale dagontvangsten onder de benaming "diverse klanten" zonder dat daarbij ondersteunende verantwoordingstukken worden gevoegd. Bovendien werd geen enkel dagontvangstenboek gehouden.

Het ontbreken van een bewijskrachtige boekhouding bemoeilijkt het tegenbewijs van haar bewering dat de onder rubriek "diverse klanten A" gefactureerde dagontvangsten betrekking hebben op het bereiden van afhaalmaaltijden.

De redengeving in het proces-verbaal onder 7.1 tot 7.3 blijft overeind. 3.

## Nopens de voordelen van alle aard voor het personeel

Op blz. 13 van het proces-verbaal wordt uitdrukkelijk verwezen naar een mondelinge overeenkomst. Overeenkomstig artikel 59, § 1 levert het PV bewijs op tot bewijs van het tegendeel. Deze bewijswaarde geldt voor de werkelijke, effectieve vaststellingen en niet voor de deducties uit deze vaststellingen.

Dit geldt ook voor al wat zij gezien, gehoord en ingewonnen hebben mits de vaststellingen maar gebeuren binnen de opdracht.

4\. Nopens de verhoging van de omzet

Terecht stelt de administratie dat de boekhouding van de appellante niet bewijskrachtig is. De fiscus leidt zulks af uit :

\- het feit dat niet alle verkoopfacturen werden ingeschreven in het verkoopdagboek;

\- het opnemen in het verkoopdagboek van één globale factuur welke de ontvangsten aan particulieren moet verantwoorden;

\- de vaststelling dat een groot aantal onregelmatigheden zijn gebeurd in de boekhouding;

\- er een reeks initiatieven zijn geweest waarvan niet is aangetoond wat de weerslag is op de omzet.

De grondslag voor de verhoging van de omzet blijkt uit gegevens vastgesteld in de financiële rekeningen. Tevens blijkt uit de verklaring van **E. D. C.** dat in meerdere gevallen opgemaakte facturen en creditnota's niet opgenomen werden in de boekhouding. Deze vaststellingen hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. De door de appellante opgemaakte facturen worden niet ondersteund door andere bewijsmiddelen dan wel verantwoordingsstukken. In tegenstelling tot wat de appellante voorhoudt voldoet de motivering aan de wettelijke vereisten. Deze grief is derhalve niet gegrond.

5\. Nopens de opgelegde boete

De eerste rechter oordeelde dat de berekening in het proces-verbaal correct was. Voorts formuleerde de appellante geen grieven op de overige rubrieken zoals opgenomen in het PV Het verschuldigd bedrag wordt uiteindelijk vastgesteld rekening houdend met de bepalingen van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, tabel G, rubriek IV en V en tabel H.

Ook op dit punt kan het bestreden vonnis worden bevestigd.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hoger beroep begroot aan de zijde van de geïntimeerde op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **ACHTTIEN SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**
