---
title: "Belastingplichtige, Stopzetting beroepsactiviteit · Hof van beroep te Brussel, 10 maart 2020"
description: "Belastingplichtige, Stopzetting beroepsactiviteit, Derdenverzet, Faillissement, Herroeping faillissement. Hof van beroep te Brussel (België), 10 maart 2020."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-stopzetting-beroepsactiviteit-hof-van-beroep-brussel-2020-03-10-fbdc"
lang: "nl"
---

# Belastingplichtige, Stopzetting beroepsactiviteit, Derdenverzet, Faillissement, Herroeping faillissement · Belasting over de toegevoegde waarde – Belastingplichtige – Stopzetting beroepsactiviteit– Derdenverzet - Faillissement – Herroeping faillissement

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

10 maart 2020

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

72 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 10.03.2020

WF 712-15-19/011597

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Belastingplichtige – Stopzetting beroepsactiviteit– Der-denverzet - Faillissement – Herroeping faillissement*

## Wettelijke bepalingen

WBTW: art. 2, eerste en tweede lid

WER: art. XX.99 en art. XX.105

## Samenvatting

## 1) Feiten en vonnis in eerste aanleg

De belastingplichtige werd op 27 maart 2019 gedagvaard in faillissement door de Belgische Staat.

Bij vonnis van 10 september 2019 van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel werd de belastingplichtige failliet verklaard en werd een curator aangesteld.

Bij dagvaarding d.d. 30 september 2019 heeft de curator derdenverzet aangetekend tegen het faillissementsvonnis van 10 september 2019.

Bij vonnis van 22 oktober 2019 heeft de ondernemingsrechtbank Brussel het derdenverzet ontvankelijk en gegrond verklaard. Het faillissementsvonnis van 10 september 2019 werd teniet gedaan en het faillissement van de belastingplichtige werd ingetrokken.

De Belgische Staat en de belastingplichtige werden veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten.

De rechtbank oordeelde dat de belastingplichtige geen zelfstandige beroepsactiviteit meer had sedert een periode langer dan 6 maanden voorafgaand aan het faillissementsvonnis, zodat het faillissement op 10 september 2019 niet meer kon worden uitgesproken.

In hoger beroep vordert de belastingplichtige het vonnis gewezen op derdenverzet teniet te doen en vast te stellen dat hij voldeed aan de faillissementsvoorwaarden op datum van het oorspronkelijke faillissementsvonnis van 10 september 2019 en vervolgens een curator en rechter-commissaris aan te stellen belast met het toezicht op de verrichtingen.

De curator vraagt het bestreden vonnis te bevestigen. De Belgische Staat verzoekt het hoger beroep van de belastingplichtige gegrond te verklaren en te oordelen zoals gevorderd door de belastingplichtige.

## 2) Arrest van het hof van beroep

Krachtens artikel XX.99 WER bevindt de schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet geschokt is, zich in staat van faillissement.

De schuldenaar is een onderneming. Ook een natuurlijk persoon die een zelfstandige beroepsactiviteit uitoefent kan een onderneming zijn.

Een natuurlijke persoon kan failliet worden verklaard tot maximaal zes maanden na het stopzetten van zijn zelfstandige beroepsactiviteit (artikel XX.99 juncto artikel XX.105 WER).

De belastingplichtige heeft in bijzijn van de curator en de rechter-commissaris op 13 september 2019 verklaard dat hij alle zelfstandige activiteiten definitief had stopgezet per 31 december 2018.

Bijgevolg wordt in het bestreden vonnis geoordeeld op derdenverzet van de curator, dat de belastingplichtige op 10 september 2019 niet meer kon worden failliet verklaard, omdat hij meer dan zes maanden geen zelfstandige beroepsactiviteit meer uitvoerde. Na gedagvaard te zijn in faillissement op 27 maart 2019, had de belastingplichtige dus niet later dan 30 juni 2019 failliet kunnen worden verklaard.

Het hof oordeelt echter dat het actief op zoek gaan naar cliënteel en opdrachten kan worden gezien als het voortzetten van de zelfstandige beroepsactiviteit. De vaststelling dat appellant geen facturen meer heeft kunnen uitschrijven bij gebrek aan opdrachten en achteraf bekeken in die periode dus geen prestaties heeft verricht, maakt niet dat hij in die periode geen ondernemer meer was.

Aangezien er geen facturatie meer was, was er ook geen btw-activiteit meer en ging de btw-administratie over tot de ambtshalve stopzetting van een btw-activiteit. Dit betekent echter niet dat het btw-nummer werd geschrapt. Schrapping. zou immers inhouden dat er een volledige stopzetting was. De belastingplichtige is deze hele periode ook nog ingeschreven geweest in de KBO.

Op basis van al deze overwegingen besluit het hof dat er niet wordt aangetoond dat de belastingplichtige op de datum van het faillissementsvonnis van 10 september 2019 al langer dan 6 maanden geen ondernemer meer was.

De eerste faillissementsvoorwaarde - ondernemer zijn -was bijgevolg vervuld op datum van het faillissementsvonnis van 10 september 2019.

Het bestreden vonnis op derdenverzet moet bijgevolg worden vernietigd. Het derdenverzet van de curator moet ongegrond worden verklaard en het faillissementsvonnis van 10 september 2019 moet worden bevestigd.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Brussel, 8ste kamer, burgerlijke zaken, 10 maart 2020**

Rol: 2019/AR/1685

1\. **J.L.,**ON 0551...., RN ..., wonende te ..., appellant, vertegenwoordigd door mr. ...,

**tegen**

1\. **BELGISCHE STAAT F.O.D. FINANCIEN** - Algemene Administratie van de Inning en Invordering vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering Ontvanger van het Team Invordering Halle, ON 0308.357.159,,1500 HALLE,Zuster Bernardastraat 32, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. ...,

2\. **J.D.S**., in zijn hoedanigheid van **curator van het faillissement van de heer J.L.**,advocaat te ..., geïntimeerde q.q., die verschijnt in persoon.

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel van 22 oktober 2019.

Het verzoekschrift tot hoger beroep werd tijdig en formeel regelmatig neergelegd ter griffie op 12 november 2019.

De advocaten van partijen en de curator werden gehoord op de openbare terechtzitting van 11 februari 2020.

De heer ere advocaat-generaal plaatsvervangend magistraat ... heeft zijn mondeling advies uitgebracht ter zitting, waarop partijen hebben kunnen antwoorden. Hij adviseert de bevestiging van het bestreden vonnis.

## 1. Voorwerp van het hoger beroep

1\. De heer J.L. werd op 27 maart 2019 gedagvaard in faillissement door de Belgische Staat.

Bij vonnis van 10 september 2019 van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel werd de heer J.L. failliet verklaard en werd meester J.D.S. aangesteld als curator.

2\. Bij dagvaarding d.d. 30 september 2019 heeft meester J.D.S. in zijn hoedanigheid van curator derdenverzet aangetekend tegen het faillissementsvonnis van 10 september 2019.

Bij vonnis van 22 oktober 2019 heeft de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel het derdenverzet ontvankelijk en gegrond verklaard. Het faillissementsvonnis van 10 september 2019 werd teniet gedaan en het faillissement van de heer J.L. werd ingetrokken. De Belgische Staat en de heer J.L. werden in solidum veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten aan de zijde van de curator begroot op een ereloon van 1.500 euro en een provisie van 1 euro ten titel van kosten.

De rechtbank oordeelde dat de heer J.L. geen zelfstandige beroepsactiviteit meer had sedert een periode langer dan 6 maanden voorafgaand aan het faillissementsvonnis, zodat het faillissement op 10 september 2019 niet meer kon worden uitgesproken.

3\. In hoger beroep vordert de heer J.L. het vonnis gewezen op derdenverzet teniet te doen en opnieuw rechtsprekende, vast te stellen dat hij voldeed aan de faillissementsvoorwaarden op datum van het oorspronkelijke faillissementsvonnis van 10 september 2019 en vervolgens een curator en rechter-commissaris aan te stellen belast met het toezicht op de verrichtingen.

De curator vraagt het bestreden vonnis te bevestigen.

De Belgische Staat verzoekt het hoger beroep van appellant gegrond te verklaren en te oordelen zoals gevorderd door appellant.

## ll. Beoordeling

4\. Krachtens artikel XX.99 WER bevindt de schuldenaar die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen en wiens krediet geschokt is, zich in staat van faillissement.

Volgens artikel 1.22.8° WER is de schuldenaar een onderneming met uitzondering van iedere publiekrechtelijke rechtspersoon. Volgens artikel 1.22.7°/1 WER is een onderneming een onderneming in de zin van artikel 1.1, eerste lid, 1° WER. Volgens dit artikel is een onderneming, onder meer,\_ iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent (artikel 1.1., eerste lid, 1° (a) WER).

Een natuurlijke persoon kan failliet worden verklaard tot maximaal zes maanden na het stopzetten van zijn zelfstandige beroepsactiviteit (artikel XX.99 juncto artikel XX.105 WER).

5\. Naar aanleiding van de plaatsafstapping uitgevoerd door de curator in het bijzijn van de rechter-commissaris op 13 september 2019 heeft appellant verklaard dat hij alle zelfstandige activiteiten definitief had stopgezet per 31 december 2018. Bijgevolg wordt in het bestreden vonnis geoordeeld op derdenverzet van de curator, dat appellant op 10 september 2019 niet meer kon worden failliet verklaard, omdat hij meer dan zes maanden geen zelfstandige beroepsactiviteit meer uitvoerde.

Na gedagvaard te zijn in faillissement op 27 maart 2019, had appellant dus niet later dan 30 juni 2019 failliet kunnen worden verklaard. Door omstandigheden werd de behandeling van de zaak in eerste aanleg een aantal keren uitgesteld en werd het faillissementsvonnis pas op 10 september 2019 geveld.

6\. Deze verklaring van appellant d.d. 13 september 2019 moet echter worden geïnterpreteerd in het licht van de volgende omstandigheden en gegevens.

Appellant heeft minstens sinds 15 oktober 1995 een zelfstandige beroepsactiviteit uitgeoefend. Sinds die datum was hij aangesloten bij het Sociaal Verzekeringsfonds Groupe S. Hij is aangesloten gebleven tot 22 juli 2019. Pas op die datum is hij in loondienst gaan werken.

In de periode na 31 december 2018 heeft appellant als ICT-consultant nog actief naar opdrachten gezocht. Hij brengt stukken bij waaruit blijkt dat hij ook gezocht heeft naar zelfstandige/freelance/consultancy functies en derhalve naar functies en opdrachten die niet in het kader van een arbeidsovereenkomst zouden worden uitgeoefend (bijvoorbeeld stukken 8.9, 8.12 en 8.17 van het dossier van appellant). Dat appellant er niet in geslaagd is om een zelfstandige functie te vinden en uiteindelijk heeft besloten in loondienst te gaan werken, impliceert niet dat hij in die periode niet meer als ondernemer kan worden beschouwd. Het actief op zoek gaan naar cliënteel en opdrachten kan worden gezien als het voortzetten van de zelfstandige beroepsactiviteit. De vaststelling dat appellant geen facturen meer heeft kunnen uitschrijven bij gebrek aan opdrachten en achteraf bekeken in die periode dus geen prestaties heeft verricht, maakt niet dat hij in die periode geen ondernemer meer was.

Aangezien er geen facturatie meer was, was er ook geen BTW-activiteit meer en ging de BTW-administratie over tot de ambtshalve stopzetting van een BTW-activiteit. Dit betekent echter niet dat het BTW-nummer werd geschrapt. Schrapping. zou immers inhouden dat er een volledige stopzetting was.

Appellant is deze hele periode ook nog ingeschreven geweest in de KBO.

7\. Op basis van al deze overwegingen besluit het hof dat er niet wordt aangetoond dat appellant op de datum van het faillissementsvonnis van 10 september 2019 al langer dan 6 maanden geen ondernemer meer was.

De eerste faillissementsvoorwaarde - ondernemer zijn -was bijgevolg vervuld op datum van het faillissementsvonnis van 10 september 2019.

Over het vervuld zijn van de twee andere faillissementsvoorwaarden (staking van betaling en krediet aan het wankelen) bestaat er geen discussie. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat ook deze voorwaarden op de datum van het faillissementsvonnis van 10 september 2019 waren vervuld.

8\. Het bestreden vonnis op derdenverzet moet bijgevolg worden vernietigd. Het derdenverzet van de curator moet ongegrond worden verklaard en het faillissementsvonnis van 10 september 2019 moet worden bevestigd.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN

HET HOF, recht doende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis van 22 oktober 2019, behoudens in zoverre het het derdenverzet van de curator ontvankelijk heeft verklaard.

Opnieuw beslissend over het derdenverzet van de curator ten gronde. Verklaart het derdenverzet ongegrond.

Bevestigt het faillissementsvonnis van 10 september 2019 waarbij de heer J.L. (OR 0551....) failliet werd verklaard, meester J.D.S. werd aangesteld als curator en de heer J.V.D.B. werd aangesteld als rechter-commissaris.

Legt de kosten van het geding, zowel die van eerste aanleg (derdenverzet) als die van hoger beroep, ten laste van de massa, vastgesteld in hoofde van appellant op 1.440 euro + 1.440 euro en in hoofde van de Belgische Staat op 1.440 euro + 1.440 euro en In hoofde van de curator op 112,64 euro.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke achtste kamer van het hof van beroep te Brussel, op 10 maart 2020 waar aanwezig waren en zitting hielden:

Ondertekeningen
