---
title: "Belastingplichtige, Kwalificatie actieve en passieve holding · Rechtbank van eerste aanleg, 5 februari 2024"
description: "Belastingplichtige, Kwalificatie actieve en passieve holding, Recht op aftrek, Bewijslast. Rechtbank van eerste aanleg (België), 5 februari 2024."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-kwalificatie-actieve-passieve-holding-rechtbank-2024-02-05-1892"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Belastingplichtige, Kwalificatie actieve en passieve holding, Recht op aftrek

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Datum**

5 februari 2024

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

189 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Waals-Brabant d.d. 05.02.2024

WF 806-15-21/064953

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Belastingplichtige – Kwalificatie actieve en passieve holding – Recht op aftrek – Bewijslast – Verwerping van de aftrek*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), [44 §3, 10°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en [45 §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) WBTW

[Artikel 1 van KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art1)

Artikel 870 Ger. W.

Artikelen 8.3 tot 8.5 van boek 8 “Bewijs” BW(nieuw)

## Samenvatting

Eiseres, opgericht op 12 mei 2016, werd op 3 november 2016 bij de KBO geregistreerd als "holdingmaatschappij" (activiteitencode 64.200). Het enige maatschappelijke doel was, zoals blijkt uit haar oprichtingsakte en statuten, het verrichten van holdingactiviteiten, met name, het houden van aandelen in andere vennootschappen en het verrichten van financiële of garantieactiviteiten.

Na een controle heeft de administratie een regularisatieopgave opgesteld en vervolgens een proces-verbaal tot regularisatie betekend waarin zij het recht op aftrek van de btw verwierp op grond van het feit dat de vennootschap als passieve holdingmaatschappij moest worden aangemerkt, gelet op het ontbreken van een omzet, gelet op het gebrek aan personeel om reële diensten voor de dochterondernemingen te verrichten, gelet op het feit dat zij in de aangifte 604A van aanvang van de activiteiten niet te kennen had gegeven een actieve houdstermaatschappij te willen zijn en gezien het gebrek aan inmenging in het beheer van de dochtervennootschappen.

De administratie neemt vervolgens een administratieve beslissing waarin de regularisatie werd bevestigd op grond van het feit dat uit de overgemaakte documentatie duidelijk bleek dat de vennootschap zich tijdens de controleperiode niet had ingemengd met het beheer van haar dochterondernemingen en dat zij geen enkele belastbare handeling had verricht.

De administratie aanvaardt evenwel dat de btw ook verschuldigd is zodra handelingen worden verricht waaruit een werkelijke intentie en vastberadenheid blijkt om belastbare handelingen te verrichten, ook al zijn deze handelingen nog niet daadwerkelijk verricht (HvJ, 14.02.1985, zaak [C-268/83](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest), Rompelman).

Er is echter geen objectief bewijs aangevoerd om aan te tonen dat de vennootschap in de onderzochte periode al de intentie en vastberadenheid had om zich in het beheer van haar dochterondernemingen te mengen en belastbare handelingen te verrichten. In feite dateert de documentatie waaruit blijkt dat de onderneming een actieve holding met recht op aftrek is (gewijzigde statuten, speciaal verslag van de bestuurders, contracten enz.) van na de gecontroleerde periode.

Eiseres betwist de kwalificatie als passieve holdingmaatschappij die haar door de Belgische Staat is toegekend, alsook de overeenkomstige verwerping van alle btw-aftrekken voor de betwiste perioden.

Volgens de rechtbank is eiseres een zogenaamde “holdingmaatschappij”, die als kenmerk heeft financiële belangen te verwerven in andere vennootschappen waarvoor zij de eenheid van beheer en controle van de activiteiten verzekert. In die hoedanigheid kan een holdingvennootschap louter haar rechten als aandeelhouder uitoefenen, die verschillende verplichtingen en formaliteiten met zich brengenen waarvan de vergoeding is inbegrepen in de dividenden die zij ontvangt. In werkelijkheid gaat het enkel om de vergoeding van het kapitaal. In dit geval is de holdingmaatschappij geen btw-plichtige en heeft ze dus geen recht op aftrek.

In haar vaste rechtspraak oordeelt het HvJ dat de loutere financiële deelneming in andere ondernemingen niet aan te merken is als de exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, nu het eventuele dividend dat de opbrengst is van deze deelneming, voortspruit uit de loutere eigendom van het goed. actief (HvJ, 26.05.2005, Kretstechnik, [C-465/03](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-465-03-arrest); HvJ, 27.09.2001, Cibo Participations, [C-16/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-00-arrest); HvJ, 20.06.1996, Wellcome Trust, [C-155/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-155-94-arrest); HvJ, 20.06.1991, Polysar, C-60/20). Dit noemt men “passieve holding”.

Het HvJ stelt dat dit niet het geval is wanneer de participatie gepaard gaat met directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschappen waarin de participatie is verworven, onverminderd de rechten die de houder van de deelnemingen als aandeelhouder of vennoot heeft. Dit is het geval bij de zogenaamde “actieve” holding.

Het HvJ oordeelde dat de inmenging van een holding in het beheer van de vennootschappen waarin hij deelnemingen heeft genomen, vormt een economische activiteit in de zin van [artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) (77/388) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, voorzover zij gepaard gaat met handelingen die op grond van [artikel 2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) van deze richtlijn aan belasting over de toegevoegde waarde zijn onderworpen, zoals het verrichten van administratieve, financiële, commerciële en technische diensten door de holding ten behoeve van haar dochterondernemingen (HvJ, 27.09.2001, Cibo Participations SA, [C-16/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-00-arrest)). Deze activiteit valt binnen het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde.

Aangezien de inning van dividenden geen tegenprestatie voor enige economische activiteit in de zin van de Zesde richtlijn (77/388) vormt, valt deze niet binnen het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde.

De uitgaven van een holding voor de verschillende door hem gebruikte diensten bij de verwerving van een deelneming in een dochteronderneming, maken deel uit van zijn algemene kosten en vertonen in beginsel dus een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang met het geheel van zijn bedrijfsactiviteiten. Indien de holding zowel handelingen verricht waarvoor een recht op aftrek bestaat, als handelingen waarvoor dat recht niet bestaat, volgt uit [artikel 17, lid 5, eerste alinea, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) (77/388) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, dat hij alleen het gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde kan aftrekken dat evenredig is aan het bedrag van eerstbedoelde handelingen.

In het onderhavige geval dient eiseres, om haar recht op aftrek van de belasting te kunnen uitoefenen, het dubbele bewijs te leveren (1) dat zij optreedt als actieve holdingmaatschappij door zich te mengen in het beheer van haar dochterondernemingen in de mate dat zij haar rechten als aandeelhouder overschrijdt en (2) dat de belastingaftrek voldoet aan de wettelijke vereisten.

In dit opzicht kan het bewijs van de inmenging van de eiser niet enkel gebaseerd zijn op het voorleggen van facturen en een beheersovereenkomst. Het Hof van Cassatie heeft immers geoordeeld dat de belastingplichtige het bewijs van de werkelijk geleverde prestaties moet leveren. Het voorleggen van een schriftelijke overeenkomst en vereffende facturen volstaat niet, aangezien deze documenten slechts het begin van het bewijs vormen (Cass., 15 oktober 2015, F.14.0161.N, Juportal.be, gewezen in verband met de beroepskosten WIB). Bovendien, en in de termen van artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek: “Onverminderd artikel 8.4, vijfde lid, van het Burgerlijk Wetboek, moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die ze aanvoert.”

Na alle relevante feiten van de zaak te hebben onderzocht, merkte de rechtbank in het bijzonder op dat:

\- het maatschappelijk doel zoals beschreven in de oprichtingsakte van de vennootschap (aanvankelijke intentie om een passieve holding te zijn) ;

\- het niet indienen van een aangifte “begin van activiteiten 604A” bij de oprichting van de vennootschap;

\- de late en ongerechtvaardigde indiening, op 17 november 2016, van een aangifte “begin van activiteit 604A “ als “holding” met een jaarlijkse omzet van 1,00 €;

\- het ontbreken van btw-omzet voor de betwiste jaren 2016 en 2017;

\- de wijziging van het maatschappelijk doel na de eerste belastingcontrole, in tempore suspecto, nadat de vennootschap op de hoogte werd gebracht van de argumenten van de administratie;

\- facturen met waarop enkel de woorden “herfacturering volgens dienstverleningovereenkomst”, gericht aan de dochterondernemingen in 2018 en die enkel eenvoudige herfacturatie van onkosten bevatten en geen tegenprestatie vormen voor de inmenging in het beheer van de dochterondernemingen;

\- de "dienstverleningsovereenkomst" van 1 maart 2018, met terugwerkende kracht opgemaakt na de uitgereikte facturen en vooral na de eerste fiscale controle, en die bovendien niet was ondertekend;

\- de niet-uitvoering van artikel 4 van de "dienstverleningsovereenkomst" dat bepaalt dat "een vergoeding rekening houdend met kosten van alle aard die door de vennootschap zijn gemaakt, vermeerderd met een winstmarge van 5%, terwijl de geherfactureerde bedragen in feite veel lager zijn dan ze hadden moeten zijn, waardoor de onderneming in een situatie van belastingkrediet terecht is gekomen voor de jaren 2016 tot en met 2018 (te hoge aftrek ten opzichte van de verschuldigde btw);

\- het feit dat de vennootschap tijdens de betwiste jaren 2016 en 2017 geen personeel had om de vermeende administratieve, financiële, commerciële en technische diensten te verrichten.

Om deze redenen en op basis van de echtheid van de feiten van de zaak is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet met een voldoende mate van waarschijnlijkheid het van haar verlangde bewijs heeft geleverd dat zij:

\- op het moment van de aangifte van aanvang van de activiteit, de intentie heeft uitgesproken om een actieve holding te zijn;

\- tijdens de betwiste periode, specifieke en effectieve diensten heeft verricht die de uitreiking van facturen aan haar dochterondernemingen rechtvaardigen.

Derhalve levert zij niet het bewijs dat zij handelt als een "actieve" holding, heeft hij geen recht op aftrek van de belasting, zelfs indien ze kan bewijzen dat ze de hoedanigheid van belastingplichtige heeft.

Hieruit volgt dat haar vordering niet kan worden aanvaard.

## Opmerkingen

De tegenpartij heeft berust in het vonnis.

De loutere verwerving van financiële participaties in andere vennootschappen en de uitvloeisels ervan (ontvangst van dividenden, aankoop en verkoop van aandelen) vormen geen economische activiteiten in de zin van [artikel 4, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4).

Aangezien zij niet kan worden aangemerkt als belastingplichtige in de zin van dat artikel, heeft eiseres geen recht op aftrek van btw op grond van [artikel 45, § 1, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45).

**Tekst van het vonnis**

***Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

**Tribunal de première instance du Brabant wallon, Brabant wallon, 14****ème** **Chambre Civile, affaires fiscales**

Jugement du 05.02.2024

Rôle : 21/1583/A

P. B. SRL

(anc. M. B. H.) / ETAT BELGE

**En cause de:**

**P. B. SRL** (anciennement M. B. H.) (BCE 065...22) dont le siège social est établi à ... ;

**Partie demanderesse,** comparaissant par deux de ses conseils :

Mes G. V. et S. P., avocats dont le cabinet est établi à ... (…@avocat.be) ;

## ET:

**L'ÉTAT BELGE, SPF FINANCES,** A.G.F., poursuites et diligences du Conseiller général-Directeur du Centre *« Grandes Entreprises Charleroi »* dont les bureaux sont établis à 6000 Charleroi, Tour Albert 1", Petite rue 4 bte16 ;

**Partie défenderesse,** comparaissant par son agent :

M. X, conseiller (X@minfin.fed.be).

## I. ÉLÉMENTS DE PROCEDURE

Le Tribunal a examiné les **pièces de procédure** suivantes :

\- la *décision* administrative rendue le 19 septembre 2019 ;

\- l'avis de perception et de recouvrement TVA du 11 septembre 2019 relatif à l'article 500...95 (période du l er octobre 2016 au 31 mars 2017) ;

\- l'avis de perception et de recouvrement TVA du 10 décembre 2020 relatif à l'article 500...33 (période du 1" avril 2017 au 31 décembre 2017) ;

\- la *requête* pour la SRL P. B. (anciennement M. B. H.), déposée le 20 octobre 2021;

\- le *calendrier amiable* de mise en état de la cause, déposé par les parties à l'audience du 4 novembre 2021;

\- les dernières *conclusions de synthèse* pour la SRL P. B. (anciennement M. B. H.), déposées le 30 septembre 2022 et son dossier de pièces ;

\- les dernières *conclusions de synthèse* pour l'ÉTAT BELGE, déposées le 23 novembre 2022 et son dossier de pièces ;

\- le *mémorandum relatif au pouvoir du juge fiscal de réduire ou remettre des amendes,* déposé pour la SRL P. B. (anciennement M. B. H.) le 12 juin 2023 ;

\- les *conclusions finales sur le pouvoir du juge de remettre des amendes en dessous du barème légal,* déposées par I'ETAT BELGE le 30 août 2023.

Les articles 1, 34 à 37, 40 et 41 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues ont été appliqués.

## II. LE CADRE DU LITIGE ET LES FAITS PERTINENTS

1.La demanderesse P. B. SRL (anciennement M. B. H.) conteste la qualification de holding *passive* que lui attribue l'ÉTAT BELGE, ainsi que le rejet corrélatif de toutes les déductions à la TVA pour les périodes litigieuses du 1" octobre 2016 au 31 mars 2017 et du 1" avril 2017 au 31 décembre 2017.

2.Constituée le 12 mai 2016, la SRL P. B. est inscrite à la BCE (Banque-Carrefour des

Entreprises) le 3 novembre 2016 pour une activité de « *holding »* (code d'activité 64.200).

Elle a pour seul objet social une activité de holding *passif* consistant en la détention d'actions d'autres sociétés et une activité financière ou de garantie, ainsi qu'en atteste son acte constitutif :

*« La société a pour objet, tant en Belgique qu'à l'étranger, exclusivement en son propre nom et pour son propre compte : la prise de participations, sous quelque forme que ce soit, dans toutes entreprises belges ou étrangères, ainsi que la gestion, le contrôle et la mise en valeur de ces participations, l'acquisition de tous titres et droits par voie de participation, d'apport, de souscription, de prise ferme ou d'option d'achat et de toute autre manière, l'acquisition de brevets et licences, leur gestion et leur mise en valeur, ainsi que toutes opérations se rattachant directement ou indirectement à son objet, en empruntant notamment avec ou sans garantie et en toutes monnaies, par la voie d'émission d'obligations qui pourront également être convertibles et/ou subordonnées et de bons, et en accordant des prêts ou garanties à des sociétés dans lesquelles elle aura pris des intérêts. En outre, la société peut effectuer toutes opérations se rattachant directement ou indirectement à son objet ou susceptibles d'en faciliter la réalisation. La société n'exercera pas directement une activité industrielle et ne tiendra aucun établissement commercial ouvert au public. La société peut cependant participer à la création et au développement de n'importe quelle entreprise financière, industrielle ou commerciale et leur prêter tous concours, que ce soit par des prêts, des garanties ou de toute autre manière. D'une façon générale, elle peut prendre toutes mesures de contrôle et de surveillance qu'elle jugera utiles à l'accomplissement ou au développement de son objet »* (surligné par le Tribunal).

3.Le 13 juin 2017, après un contrôle, l'administration fiscale établit un *relevé de régularisation* portant sur les opérations du 4 è me trimestre 2016 et du 1 er trimestre 2017.

Le 6 août 2019, l'administration notifie un *procès-verbal de régularisation* par lequel elle rejette les déductions de TVA pour un montant de 542.630,44 € au motif suivant :

« *Vu l'absence d'un chiffre d'affaires, vu l'absence de personnel permettant à réaliser des prestations réelles pour les filiales, vu l'absence d'avoir exprimé son intention d'être holding actif dans la déclaration de commencement d'activité, vu le manque d'immixtion dans des filiales, la SPRL M. B. H. doit être qualifiée comme un holding passif »* (surligné par le Tribunal).

Le 11 septembre 2019, l'administration adresse l'avis de perception et de recouvrement TVA article

500...95 pour les montants suivants :

\- 542.630,44 € au titre de la TVA ;

\- 54.260 € à titre d'amendes ;

\- 125.890,16 € à titre d'intérêts de retard.

Le 19 septembre 2019, l'administration rend une décision confirmant la taxation au motif que :

> « *Il ressort de la documentation transmise que M. ne s'est pas immiscée dans la gestion de ses filiales pendant la période du contrôle et qu'elle n'a effectué aucune opération imposable. Toutefois, l'administration admet que l'assujettissement à la TVA s'applique également dès que sont effectuées des opérations qui indiquent une intention réelle et la détermination d'effectuer des opérations imposables, même si ces opérations n'ont pas encore été effectivement effectuées (CIUE, arrêt du 14.02.1985, affaire* [*C-268/83*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest)*, R.).*
>
> *Cependant, les services centraux sont d'avis qu'aucune preuve objective n'a été présentée pour démontrer que M. avait déjà, pour la période contrôlée, l'intention et la détermination de s'immiscer dans la gestion de ses filiales et d'effectuer des opérations imposables. En effet, la documentation démontrant que M. est un holding actif avec droit à déduction (statuts modifiés, rapport spécial des gérants, contrats, etc.) date d'après la période contrôlée. »*

4.Le 30 octobre 2020 et pour les mêmes motifs, l'administration notifie un *procès-verbal de régularisation* par lequel elle rejette les déductions de TVA pour la période du 1' avril 2017 au 31 décembre 2017.

Le 4 novembre 2020, l'administration adresse l'avis de perception et de recouvrement TVA article 500...33 pour les montants suivants :

\- 93.802,41 € au titre de la TVA ;

\- 9.380 € à titre d'amendes ;

\- 25.513,60 € à titre d'intérêts de retard.

5.Les 15 décembre 2020 et 15 janvier 2021, la SRL P. B. paye les sommes réclamées,

sous toutes réserves et sans reconnaissance préjudiciable.

Le 20 octobre 2021, elle introduit le présent recours judiciaire.

## III. LES DEMANDES ACTUALISÉES DES PARTIES

6\. La SRL P. B. demande au Tribunal :

** *« de déclarer son action recevable et fondée ;*

** *par conséquent, de dire pour droit que la TVA relative aux frais consentis en ce qui concerne la période entre le 1**er* *octobre 2016 et le 31 décembre 2017 est entièrement déductible dans le chef de M. Belgium ;*

** *d'annuler:*

*ola dette en matière de TVA portant le numéro 500...95 et reprise dans l'avis de perception et de recouvrement du 11 septembre 2019 (pour la période allant du 1er octobre 2016 au 31 mars 2017);*

*o la dette en matière de TVA portant le numéro 500...33 et reprise dans l'avis de paiement du 4 novembre 2020 (pour la période allant du 1**er* *avril au 31 décembre 2017);*

** *de condamner l'Etat belge au remboursement de toutes sommes indûment collectées ou retenues au principal, en ce compris les amendes, augmentées des intérêts dus (en ce compris les intérêts sur intérêts) à compter de l'assignation en restitution, à savoir :*

*o pour la période allant du 1er octobre 2016 au 31 mars 2017: 542.630,44 EUR au titre de la TVA, 54.260 EUR à titre d'amendes et 125.890,16 EUR à titre d'intérêts de retard ;*

*o et pour la période allant du 1er avril au 31 décembre 2017: 93.802,41 EUR au titre de la TVA, 9.380 EUR à titre d'amendes, 25.513,60 EUR à titre d'intérêts de retard, ainsi que le montant de 805,12 EUR payé le 15 janvier 2021;*

** *de condamner l'Etat belge au paiement d'intérêts moratoires, dus à compter du paiement des montants précités ;*

** *de condamner l'Etat belge au paiement d'intérêts (moratoires) sur intérêts (moratoires), dus à compter de la requête contradictoire du 18 octobre 2021;*

** *de condamner l'Etat belge aux entiers dépens de la présente procédure en ce compris l'indemnité de procédure estimée à 13.000 EUR (montant de base) conformément aux articles 1022 du Code judiciaire et 2 et 8 de l'arrêté royal du 26 octobre 2007. »*

7.L'ÉTAT BELGE demande au Tribunal de :

> *« Dire la requête de la \[SRL P. B.\] recevable mais non fondée ;*
>
> *Déclarer valables et réguliers les procès-verbaux de régularisation notifiés le 06/08/2019 (période contrôlée d'octobre 2016 à mars 2017) et le 30/10/2020 (période contrôlée année 2017) et les dettes qui en résultent établies sous les numéros d'article 500...95 et 500...33 et les avis de perception des 10/09/2019 et 10/12/2020;*
>
> *Débouter la SPRL M. B. H. de ses prétentions ;*
>
> *A titre subsidiaire, dire pour droit que le point de départ des intérêts moratoires est la date de dépôt de la requête (le 19/10/2021) et non la date du paiement (des sommes dont la restitution est demandée) et que l'Etat belge ne doit pas payer d'intérêts moratoires sur intérêts moratoires ; Condamner la SPRL M. B. H. aux entiers frais et dépens de l'instance. »*

## IV. MOTIVATION DE LA DÉCISION DU TRIBUNAL

La SRL P. B. est une société dite « *holding »* dont la caractéristique est de prendre des participations financières dans d'autres sociétés dont elle assure l'unité de direction et le contrôle des activités.

À ce titre, une holding peut se borner à exercer ses droits d'actionnaire, lesquels impliquent diverses obligations et formalités dont la rémunération est intégrée dans les dividendes qu'elle perçoit. En réalité, il ne s'agit que de la rémunération du capital.

En telle occurrence, la holding n'a pas qualité d'assujettie à la TVA et n'a donc pas de droit à la déduction de la taxe.

La Cour de Justice européenne a en effet dit pour droit que **la simple prise de participations financières dans d'autres entreprises ne constitue pas une exploitation** d'un bien visant à produire des recettes ayant un caractère de permanence puisque l'éventuel dividende, fruit de cette participation, ne résulte que de la simple propriété du bien (CJCE, 26 mai 2005, arrêt K. [C-465/03](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-465-03-arrest) ; CJCE, 27 septembre 2001, arrêt C. P. [C-16/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-00-arrest) ; CJCE, 20 juin 1996, arrêt W. T. [C-155/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-155-94-arrest) ; CJCE, 20 juin 1991, arrêt P. [C-60/90](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-60-90-arrest)). C'est l'hypothèse du holding dit « *passif ».*

La Cour de Justice précise que tel n'est pas le cas lorsque la participation est accompagnée d'une immixtion directe ou indirecte dans la gestion des sociétés où s'est opérée la prise de participation, au-delà des droits que détient l'auteur des participations en sa qualité d'actionnaire ou d'associé. C'est l'hypothèse du holding dit « *actif ».*

8.La Cour de justice dit en effet pour droit que **l'immixtion d'un holding dans la gestion des sociétés dans lesquelles il a pris des participations constitue une activité économique** au sens de l'[article 4 §2 de la sixième directive 77/388](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) *en matière d'harmonisation des législations des États membres relatives aux taxes sur le chiffre d'affaires,* dans la mesure où elle implique la mise en œuvre de transactions soumises à la taxe sur la valeur ajoutée en vertu de l'[article 2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) de cette directive, telles que la fourniture de services administratifs, financiers, commerciaux et techniques par le holding à ses filiales (CJCE, 27 septembre 2001, arrêt C. P. SA [C-16/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-00-arrest)). Cette activité entre dans le champ d'application de la taxe sur la valeur ajoutée.

Par contre, n'étant la contrepartie d'aucune activité économique au sens de la sixième directive 77/388, la perception de dividendes n'entre pas dans le champ d'application de la taxe sur la valeur ajoutée.

Quant aux dépenses exposées par un holding pour les différents services qu'il paye dans le cadre d'une prise de participation dans une filiale, elles font partie de ses frais généraux et entretiennent donc en principe un lien direct et immédiat avec l'ensemble de son activité économique.

Dès lors, si le holding effectue **à la fois des opérations ouvrant droit à déduction et des opérations n'y ouvrant pas droit,** il résulte de l'[article 17 §5 premier alinéa de la sixième directive 77/388](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) qu'il ne peut déduire que la partie de la taxe sur la valeur ajoutée qui est proportionnelle au montant afférent aux premières opérations.

1.En droit, s'agissant de **l'assujettissement** à la TVA, l'[article 4 § 1er CTVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) dispose que :

> *« Est un assujetti quiconque effectue, dans l'exercice d'une activité économique, d'une manière habituelle et indépendante, à titre principal ou à titre d'appoint, avec ou sans esprit de lucre, des livraisons de biens ou des prestations de services visées par le présent Code, quel que soit le lieu où s'exerce l'activité économique. »*

Et l'[article 44 § 3 10° CTVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) dispose que sont exemptées de la taxe :

> *« Les opérations, y compris la négociation, mais à l'exception de la garde et la gestion, portant sur les actions, les parts de sociétés ou d'associations, les obligations et les autres titres, à l'exclusion des titres représentatifs de marchandises. »*

2.S'agissant de **la déduction** de la TVA, l'[article 45 CTVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) dispose que :

> *« Tout assujetti peut déduire de la taxe dont il est redevable, les taxes ayant grevé les biens et les services qui lui ont été fournis, les biens qu'il a importés et les acquisitions intracommunautaires de biens qu'il a effectuées, dans la mesure où il les utilise pour effectuer :*
>
> *1°* *des opérations taxées ;*
>
> *2°* *des opérations exonérées en vertu des articles 39 à 42;*
>
> *3°* *des opérations réalisées à l'étranger qui ouvriraient droit à déduction si elles étaient effectuées à l'intérieur du pays ;*
>
> *4°* *des opérations visées à l'article 44, § 3, 4° à 10°, à condition que le cocontractant soit établi en dehors de la Communauté, ou que ces opérations aient, dans les conditions fixées par le Ministre des Finances ou par son délégué, un rapport direct avec des biens destinés à être exportés vers un pays situé en dehors de cette Communauté ;*
>
> *5°* *des prestations de courtage ou de mandat se rapportant aux opérations visées au 4°. »* Et l'[article 1er de l'Arrêté royal n° 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art1) dispose que :

> «§ *1er. Sous réserve de l'application de l'*[*article 45, §§ 1er bis, 2 et 3, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)*, l'assujetti opère, dans les conditions prévues par les articles 2 à 4 du présent arrêté, la déduction des taxes grevant les biens et les services qu'il destine à la réalisation d'opérations visées par l'article 45, § 1er, 1er à 5e, du Code.*
>
> *Lorsque l'assujetti effectue, dans l'exercice de son activité économique, d'autres opérations qui ne permettent pas la déduction, il se conforme, pour la détermination des déductions à opérer, aux dispositions des articles* [*46*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46) *et* [*48*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) *du Code et 12 à 21 du présent arrêté.*
>
> *§ 2. Ne sont en aucun cas déductibles, les taxes grevant les biens et les services qu'un assujetti destine à un usage privé ou à des fins autres que celles qui relèvent de son activité économique. Lorsqu'un bien ou un service est destiné à être affecté partiellement à de telles fins, la déduction est exclue dans la mesure de cette affectation. Cette mesure est à déterminer par l'assujetti sous le contrôle de l'administration en charge de la taxe sur la valeur ajoutée. »*

3.En l'espèce et **pour** exercer son droit à **la déduction de la taxe,** il incombe à la SRL P. B. de **rapporter la double preuve** (1) de ce qu'elle agit comme un holding *actif* en s'immisçant dans la gestion de ses filiales pour ce qui excède ses droits d'actionnaire et (2) de ce que la déduction revendiquée de la taxe répond au prescrit légal exposé ci-dessus (n° 11).

A cet égard, la preuve de l'immixtion de la SRL P. B. ne peut résulter de la seule production de factures et d'une *convention de management.*

La Cour de cassation a en effet décidé que le contribuable doit prouver les prestations réellement fournies, **la production d'une convention écrite et de factures liquidées** n'étant pas suffisantes pour ce faire, ces pièces **ne constituant qu'un début de preuve** (cass., 15 octobre 2015, F.14.0161.N).

Par ailleurs et aux termes de l'article 870 du Code judiciaire :

> *«Sans préjudice de l'article 8.4, alinéa 5, du Code civil, chacune des parties a la charge de prouver les faits qu'elle allègue. »*

Et aux termes de l'article 8.3 du Livre 8 du nouveau Code civil :

> *« Hormis les cas où la loi en dispose autrement, les faits ou actes juridiques doivent être prouvés lorsqu'ils sont allégués et contestés. »*

S'agissant de la charge de la preuve, l'article 8.4 du même Code dispose que :

> *« Celui qui veut faire valoir une prétention en justice doit prouver les actes juridiques ou faits qui la fondent.*
>
> *Celui qui se prétend libéré doit prouver les actes juridiques ou faits qui soutiennent sa prétention. Toutes les parties doivent collaborer à l'administration de la preuve.*
>
> *En cas de doute, celui qui a la charge de prouver les actes juridiques ou faits allégués par lui succombe au procès, sauf si la loi en dispose autrement. »*

S'agissant du degré de certitude de la preuve, l'article 8.5 du même Code dispose que :

> *« Hormis les cas où la loi en dispose autrement, la preuve doit être rapportée avec un degré raisonnable de certitude ».*

13\. A l'examen de l'ensemble des faits pertinents de la cause, le Tribunal relève notamment :

\- l'objet social tel que décrit dans l'acte constitutif de la société ;

\- l'absence de dépôt d'une déclaration de « *commencement d'activité 604A»* dès la constitution

de la société, le 12 mai 2016 ;

\- le dépôt tardif et injustifié, le 17 novembre 2016, d'une déclaration de « *commencement*

*d'activité 604A »* en tant que *«holding»* ayant un chiffre d'affaires estimé de 1,00 € par an ;

\- l'absence de chiffre d'affaires TVA pour les années litigieuses 2016 et 2017 ;

\- la modification de l'objet social opérée après le premier contrôle fiscal, *in tempore suspecto,*

lorsque l'entreprise a été mise au courant des arguments de l'administration ;

\- les factures portant comme unique mention « *Refacturation suivant contrat de service »,*

adressées aux filiales en 2018, ne constituant que de simples refacturations de frais et non la

contrepartie d'une immixtion dans la gestion des filiales ;

\- la « *convention de service »* du mars 2018 avec effet rétroactif, postérieure aux factures

émises et surtout au premier contrôle fiscal, outre qu'elle n'est revêtue d'aucune signature;

\- l'inexécution de l'article 4 de la « *convention de service »* stipulant *«une rémunération prenant en compte l'ensemble des coûts de toute nature supportés par la* \[SRL P. B.\] *majoré d'une marge bénéficiaire de 5% »,* alors que, dans les faits, les montants refacturés sont largement inférieurs à ceux qui auraient dû l'être, plaçant de la sorte la SRL P. B. en crédit d'impôt de 731.442,96 € pour les années 2016 à 2018 (surplus de déductions par rapport à la TVA due);

\- l'absence de personnel dans le chef de la SRL P. B. pour exécuter les prestations administratives, financières, commerciales et techniques, alléguées pendant les années litigieuses 2016 et 2017.

14.Pour ces motifs et dans la réalité des faits de la cause, le Tribunal estime que la SRL P. B. ne rapporte pas la preuve qui lui incombe, avec un degré de vraisemblance suffisant, d'avoir :

\- lors de la déclaration de commencement d'activité, exprimé son intention d'être un holding actif

\- lors de la période litigieuse, effectué des prestations spécifiques et effectives justifiant l'émission des factures à l'ordre de ses filiales.

Dès lors qu'elle ne rapporte pas la preuve qu'elle agit comme un holding « *actif »,* elle n'est pas titulaire du droit de déduction de la taxe, à supposer même qu'elle puisse justifier de la qualité d'assujettie.

Il suit que sa demande ne peut être accueillie.

15.Par voie de motivation, la SRL P. B. demande au Tribunal de remettre ou réduire l'amende TVA de 10% lui infligée, ce que l'ETAT BELGE conteste en soutenant que tant le juge que l'administration exercent une *compétence liée.*

En droit, toute fixation de pénalité doit être effectuée conformément aux règles de droit en vigueur. Ces règles comprennent non seulement le droit national, dont la loi fait partie, mais aussi le droit supranational, qui comprend le principe de proportionnalité (Gent, 25 octobre 2022, 2021/AR/1505 ; D., H., « Cassatie tegen Cassatie: wie heeft wat te vertellen over fiscale boeten? », T.F.R., 2023/15, n° 647, p. 797-801).

En l'état de sa jurisprudence la plus récente (24 mars 2023, [F.21.0056.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10)), la Cour de cassation dit pour droit que :

> *«En réduisant l'amende, compte tenu des répercussions de la sanction sur la situation patrimoniale de la défenderesse et du niveau des sanctions déjà infligées, le juge d'appel fixe l'amende au regard du principe de proportionnalité sans tomber dans un jugement purement subjectif ou de pure opportunité et justifie sa décision en droit. »*

*\[...\] « L'exercice du droit de recours est conditionné par la nécessité d'un recours de pleine juridiction, tel qu'énoncé à l'article 6.1 de la CEDH, et que cette condition dépend de l'obligation préalable pour le contrevenant d'avoir soumis au ministre des finances une demande de remise ou de réduction de l'amende administrative infligée, conformément à l'Arrêté régent du 18 mars 1831, manque en droit »* (traduction libre).

Il suit que le juge est habilité à remettre ou réduire l'amende, en vertu de son contrôle de proportionnalité et dans le cadre d'un recours de pleine juridiction, sans que le requérant ne doive justifier d'avoir préalablement soumis un recours en grâce au ministre des finances en application de l'Arrêté du Régent du 18 mars 1831.

Cette jurisprudence à laquelle le Tribunal se rallie est appliquée par de nombreuses juridictions de fond du Royaume (Civ. Liège, 10 décembre 2020, RG n° 19/3366/A, 19/3997/A, 19/3368/A, 19/3370/A; Civ. Anvers 28 février 2021, affaires jointes 20/4977/A et 21/1288/A; Civ. Bruges, 26 octobre 2021, FJF 2022/25 ; Gand, 22 mars 2022, RG n° 2021/AR/306 ; Bruxelles, 6 novembre 2018, RG n° 2015/AF/280 ; Civ. Liège, 14 janvier 2020, RG n° 18/1759/A ; Civ., Luxembourg, 18 janvier 2023, RG n° 21/332/A).

Toutefois, dans la réalité des faits de la cause, eu égard aux manquements de la SRL P. B., de ses manœuvres *post-mortem* (voyez ci-dessus n°13) et de sa capacité contributive, il ne se justifie pas de réduire l'amende appliquée par l'administration en dessous du taux appliqué de 10%, correspondant au taux minimal fixé par la loi.

### Beschikkend gedeelte

## V. LA DÉCISION DU TRIBUNAL

Écartant tout autre moyen devenu sans pertinence en raison de la motivation de sa décision ;

Le Tribunal, après avoir entendu les parties ;

\- dit la demande formée par la SRL P. B. recevable, mais non fondée et l'en déboute ;

\- valide les procès-verbaux de régularisation notifiés le 6 août 2019 (pour la période contrôlée d'octobre 2016 à mars 2017) et 30 octobre 2020 (période contrôlée 2017) et les dettes qui en résultent sous les numéros d'article 500...95 et 500...33 repris aux avis de perception des 10 septembre 2019 et 10 décembre 2020 ;

\- condamne la SRL P. B. aux dépens de l'instance et constate l'absence de dépens à liquider dans le chef de l'ÉTAT BELGE ;

\- déboute les parties du surplus de leurs demandes.

Ce jugement est prononcé contradictoirement.

AINSI jugé et signé par A. d. C., Juge, présidant la 14 è me Chambre Civile, affaires fiscales, du Tribunal de première instance du Brabant wallon ;

et prononcé en langue française à l'audience publique de la même chambre le lundi 5 février 2024 par A. d. C, précité, assisté de J. C., Greffier,

## Aangehaalde teksten

14

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 5 voorkomens

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 4 voorkomens

[KB nr. 3 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 3 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 3 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) 2 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 4](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) 2 voorkomens

[WBTW art. 46](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-46) 1 voorkomen

[WBTW art. 48](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) 1 voorkomen

[C-16/00, arrest van 27 september 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-00-arrest) 4 voorkomens

[C-155/94, arrest van 20 juni 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-155-94-arrest) 2 voorkomens

[268/83, arrest van 14 februari 1985](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest) 2 voorkomens

[C-465/03, arrest van 26 mei 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-465-03-arrest) 2 voorkomens

[C-60/90, arrest van 20 juni 1991](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-60-90-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Passieve of actieve holding, Externe dienstverlening (managementadvies)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/passieve-actieve-holding-externe-dienstverlening-rechtbank-nijvel-2022-07-01-69ab) 8 gemeenschappelijke bepalingen

[Proportionele fiscale geldboeten, Beroepsmatig gebruik van de woning](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-beroepsmatig-gebruik-rechtbank-brussel-2021-05-03-5bda) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Onroerend goed, Eigendom van een rechtspersoon](https://juriel.be/nl/rechtspraak/onroerend-goed-eigendom-rechtspersoon-gedeeltelijke-cassatie-brussel-2013-11-22-c22c) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Beroepsmatig gebruik van het gebouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-beroepsmatig-gebruik-gebouw-rechtbank-bergen-2020-10-15-3d88) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Historische btw-aftrek, Niet belastingplichtige rechtspersoon](https://juriel.be/nl/rechtspraak/historische-btw-aftrek-belastingplichtige-rechtspersoon-hof-van-beroep-brussel-2022-09-13-905e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Gemengde belastingplichtige, Aftrek, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gemengde-belastingplichtige-aftrek-werkelijk-gebruik-rechtbank-luxemburg-2022-05-11-e285) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op teruggaaf, niet in België gevestigde belastingplichtigen, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-teruggaaf-in-belgie-gevestigde-hof-van-beroep-brussel-2019-12-03-1e6c) 4 gemeenschappelijke bepalingen
