---
title: "Belastingplichtige, belastbare handelingen · Hof van beroep te Gent, 18 juni 2019"
description: "Belastingplichtige, belastbare handelingen, recht op aftrek, privégebruik, bestemmingsbeginsel, btw-geldboete. Hof van beroep te Gent (België), 18 juni 2019."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-belastbare-handelingen-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2019-06-18-1c00"
lang: "nl"
---

# Belastingplichtige, belastbare handelingen, recht op aftrek, privégebruik, bestemmingsbeginsel, btw-geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde – belastingplichtige - belastbare handelingen - recht op aftrek – privégebruik – bestemmingsbeginsel – btw-geldboete

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

18 juni 2019

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

145 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 18.06.2019

WF 709-15-14/018663

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – belastingplichtige - belastbare handelingen - recht op aftrek– privégebruik – bestemmingsbeginsel – btw-geldboete*

## Wettelijke bepalingen

WBTW: art. 4; art. 9, tweede lid; art. 18, §1, tweede lid, 4° en art. 45, §1

## Samenvatting

## 1)De feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige (appellante) is een vennootschap die volgens haar statuten werd opgericht met als doel, het verhuren van boten en het organiseren van festiviteiten en horeca-activiteiten op boten. De appellante is bij de administratie evenwel slechts als btw-belastingplichtige geregistreerd voor het uitoefenen van de economische activiteit van de verhuring van hogedrukreinigers.

Op basis van leasing werd in 2005 een 1° motorjacht aangeschaft, dat verkocht werd in 2009. Daarop volgde de aanschaf en leasing van een 2° motorjacht. Tot 2011 bleken echter nog facturen te zijn opgemaakt voor de leasing van het 1° motorjacht.

Na controle in 2013 werden een proces verbaal en een correctieopgave opgemaakt, waarin de overtredingen werden vastgesteld. Meer bepaald zou er na verkoop van het 1° motorjacht geen sprake meer kunnen zijn van een belastbare handeling op basis van het 1° leasingcontract, en dus ook geen recht op aftrek. Daarnaast zouden de kosten met betrekking tot het 2° motorjacht niet aftrekbaar zijn omdat het jacht niet gebruikt werd voor de economische activiteit van appellante.

De rechter in eerste aanleg verklaart de vordering van de belastingplichtige ongegrond.

Hiertegen werd hoger beroep ingesteld.

## 2)Procedure voor het hof van beroep

Het hof kan slechts vaststellen dat de stelling van de administratie moet worden bijgetreden. De appellante heeft het 1° motorjacht in 2009 verkocht; er is geen betwisting over dat zij het op dat moment ook fysiek overdroeg aan de koper. Dat betekent dat de appellante vanaf dat moment het genot over dat goed definitief verloor. Gelet op het art. 18, § 1, 2° lid, 4° en art. 9, 2° lid WBTW gaat het om het genot van een lichamelijk goed , zoals een motorjacht. Bij gebrek aan genot van het 1° motorjacht in hoofde van de appellante na 2009 was er geen sprake meer van een belastbare handeling , zelfs al werden er tot 2011 facturen met btw uitgereikt voor de leasing van 1° motorjacht. De administratie heeft terecht geoordeeld dat het recht op aftrek voor deze btw ten onrechte werd uitgeoefend.

Wat betreft het 2° motorjacht moet de stelling van de administratie gevolgd worden. De appellante bewijst niet dat het om btw gaat die betrekking heeft op de levering van goederen of het verlenen van diensten die zij gebruikte voor het verrichten van belastbare handelingen. Gelet op [art. 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) zou dat het bewijs veronderstellen dat de appellante met het 2° motorjacht een economische activiteit uitoefende waarbij ze geregeld en zelfstandig levering of diensten zou verrichten. De appellante ontkent op geen enkele manier dat alle omzet die zij sinds haar oprichting heeft gerealiseerd enkel betrekking heeft op de verhuur van hogedrukreinigers.

Het is juist dat appellante publiciteit uitbracht voor de verhuur van het 2° motorjacht, dat kennelijk in Portugal lag. Daartegen staat enkel een factuur van verhuur van het jacht aan een dochteronderneming, voor een onwaarschijnlijk lage prijs. Dat de economische activiteit van de ‘verhuur van boten’ nog steeds tot de doelstellingen zou behoren is, gelet op de elementen van het dossier, op niets gesteund. Na meer dan 10 jaar is een werkelijke economische activiteit m.b.t. ‘verhuring van boeten’ onbestaande.

In geen geval bestaat recht op aftrek voor btw geheven van goederen en diensten voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit.

De appellante levert het bewijs niet.

Ook wat betreft de boete is het hof van oordeel dat deze, in verhouding tot de aard en de ernst van de inbreuk, allesbehalve hoog of disproportioneel genoemd kan worden.

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten dragen.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent, vijfde kamer d.d. 18.06.2019**

Rolnummer: 2018/AR/412

In de zaak van:

**L. B.V.B.A.**, ON …, met maatschappelijke zetel te …., … appellante, hebbende als raadsman mr. **G. J.**, advocaat te *…, …*

**tegen**

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adiseur Generaal Centrumdirectuer KMO centrum Aalst, met burelen te 9300 AALST, Dr. A. Sierensstraat 16 B1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. **L. G.**, advocaat te …, …

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 28 februari 2018 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 12 september 2016 en 8 januari 2018 werden uitgesproken in de zaak met rolnummer ….

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 mei 2019, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

De partijen hebben verklaard dat de bestreden vonnissen niet werden betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is een vennootschap die volgens haar statuten werd opgericht met het doel de volgende activiteiten te ontwikkelen:

\- het verhuren van boten;

\- het organiseren van festiviteiten en horeca-activiteiten op boten;

\- het voeren van publiciteit op boten;

\- de aankoop en verkoop van alle gemotoriseerde voertuigen (zowel voor op de weg als te water), onderdelen van gemotoriseerde voertuigen, toebehoren, bijhorende kledij en schoeisel voor gemotoriseerde voertuigen.

De appellante is evenwel bij de geïntimeerde slechts als btw-belastingplichtige geregistreerd voor het uitoefenen van de economische activiteit van de verhuring voor korte termijn van Kärchertoestellen.

Op 21 december 2005 heeft de appellante met KBC Lease nv een overeenkomst met de titel *Renting 15+contract* afgesloten, waarbij de appellante als *lessee* wordt genoemd en KBC Lease nv als lessor. Volgens die overeenkomst zou de appellante te rekenen vanaf 15 december 2005 gedurende 60 maandelijkse termijnen een vergoeding betalen voor de *renting* van een motorjacht Azimut 46 Yard, te leveren door **Y. B.** uit … met een totaal investeringsbedrag van … euro. Behalve de negende termijnbetaling, die … euro (excl. Btw) bedroeg, bedroegen de 59 overige betaaltermijnen … euro (excl. btw). Er was een aankoopoptie voorzien van … euro (excl. btw). Voor het geval de appellante zou willen overgaan tot onderverhuring, is in de overeenkomst een reeks expliciete voorwaarden voorzien.

Op 30 januari 2009 heeft de appellante het betreffende motorjacht Azimut verkocht aan een Spaanse koper voor de prijs van … euro met verlegging van de heffing van de btw wegens intracommunautaire levering.

Met een factuur van 25 februari 2009 heeft de appellante bij hetzelfde bedrijf waaraan ze de Azimut verkocht heeft, een motorjacht Sunseeker Manhattan gekocht voor de prijs van … euro met verlegging van de heffing van de btw wegens intracommunautaire levering. Op 21 januari 2009 had de appellante dat motorjacht Sunseeker Manhattan verkocht aan **ING E. L. B.** nv voor … euro (excl. btw). De appellante leasede dat motorjacht terug en betaalde er aan de lessor een vergoeding voor van … euro in 2010 en … euro in 2011.

KBC-lease nv heeft voor de vergoedingen in het kader van het hoger vermelde renting 15+contract ook na de verkoop van het motorjacht Azimut nog facturen uitgereikt, dit tot en met augustus 2011.

De geïntimeerde voerde bij de appellante een controle uit met betrekking tot de btw voor de jaren 2010 en 2011.

Op 2 oktober 2013 heeft de controleagent aan de appellante voor die jaren een correctieopgave toegestuurd, gebaseerd op een proces-verbaal van vaststellingen van 30 september 2013. Volgens dat proces-verbaal en die correctieopgave, is de btw van de facturen van KBC lease uit 2010 en 2011 niet aftrekbaar omdat ze niet zouden overeenstemmen met de economische werkelijkheid. Meer bepaald zou er na de verkoop van het motorjacht Azimut geen sprake meer kunnen zijn van een belastbare handeling op basis van het contract tussen KBC lease en de appellante.

Daarnaast zouden de kosten die werden gemaakt met betrekking tot het motorjacht Sunseeker Manhattan niet aftrekbaar zijn omdat het jacht niet gebruikt zou zijn voor de economische activiteit van de appellante.

Er werd een boete van … euro aangekondigd.

Op 28 oktober 2013 liet de appellante weten niet akkoord te gaan.

De geïntimeerde liet met een kennisgeving van beslissing tot naheffing weten dat hij met de argumenten van de appellante geen rekening zou houden.

Op 28 maart 2014 diende de appellante een administratief beroep in tegen de aangekondigde naheffing.

Op 7 oktober 2014 werd dat administratief beroep afgewezen.

Met een verzoekschrift van 6 januari 2015 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

In het vonnis van 12 september 2016 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:

*De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk.*

*De rechtbank stelt vast dat de bedragen opgenomen in de naheffing van 20 december 2013 en de correctie van 30 september 2013 door eiseres verschuldigd zijn, in de mate dat zij betrekking hebben op de btw betaald op defacturen met betrekking tot de boot Sunseeker Manhattan.*

*De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ongegrond in de mate dat deze betrekking heeft op de btw betaald op de facturen met betrekking tot de boot Sunseeker Manhattan.*

*Alvorens verder recht te doen ten gronde, beveelt de rechtbank ambtshalve de heropening van het debat teneinde eiseres toe te laten te handelen zoals onder randnummer 8 is bepaald.*

*Stelt de zaak voor verder behandeling op de openbare terechtzitting van maandag 27 november 2017 om 9.00 uur.*

*De rechtbank houdt de beslissing over de kosten ambtshalve aan.*

De ambtshalve heropening van het debat had tot doel de appellante het contract met KBC Lease nv over het motorjacht Azimut voor te leggen.

In het vonnis van 8 januari 2018 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist:

\- *de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;*

\- *dat tot dusver geen kosten van het geding te begroten zijn.*

Het is tegen die twee vonnissen dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### *3.1.* *De vordering van de appellante*

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Huidige vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*Het bestreden tussenvonnis d.d. 12 september 2016 en het bestreden eindvonnis d.d. 8 januari 2018 te hervormen;*

*De bestreden naheffing in de belasting op de toegevoegde waarde dd. 20 december 2013, naar aanleiding van de aan concluante op 2 oktober 2013 verzonden correctieopgave d.d. 30 september 2013, uitgevaardigd door* ***A.O.I.F. S.-N. T. 8*** *te …, … te vernietigen, minstens vast te stellen dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn.*

*Op zijn minst de opgelegde administratieve sancties kwijt te schelden.*

*De Belgische Staat te veroordelen tot de terugbetaling van alle sommen die op grond van deze naheffingen zouden zijn geïnd, verhoogd met de wettelijk verschuldigde interesten;*

*De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de betaalde rolrechten en de wettelijk verschuldigde rechtsplegingsvergoeding voor in geld waardeerbare vorderingen, in hoofde van concluante begroot op een bedrag van … EUR voor de procedure in eerste aanleg en … EUR voor de procedure in hoger beroep.*

### *3.2.* *De vordering van de geïntimeerde*

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

\- *het hoger beroep van de appellanten af te wijzen als ontvankelijk maar ongegrond ;*

\- *de appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de toepasselijke rechtsplegingvergoeding in hoger beroep (€ …).*

## 4. De betwistingen en hu beoordeling

### *4.1. Over het recht van aftrek met betrekking tot de facturen van KBC Lease nv voor de renting van het motorjacht Azimut*

Het hof kan slechts vaststellen dat de stelling van de geïntimeerde moet worden bijgetreden.

De appellante heeft het motorjacht Azimut op 30 januari 2009 verkocht; er is geen betwisting over dat zij het op dat moment ook fysiek overdroeg aan de koper. Dat betekent dat de appellante vanaf dat moment het genot over het goed definitief verloor.

De overeenkomst met betrekking tot het motorjacht Azimut tussen KBC Lease en de appellante is, zoals blijkt uit de overeenkomst (die de appellante pas op vraag van de eerste rechter heeft voorgelegd), duidelijk een operationele lease of renting (zoals overigens expliciet benoemd in de overeenkomst). Op het moment van de contractsluiting wordt in dat geval uitgegaan van de veronderstelling dat de lessor (KBC Lease) tot aan het einde van de overeenkomst eigenaar blijft. Dat blijkt niet alleen uit de terminologie en de bedingen waarin KBC Lease aan de appellante in bepaalde scenario's delegatie en/of macht verstrekt om handelingen te stellen die normaal eigen zijn aan de eigenaar, maar bij uitstek uit het feit dat een aankoopoptie wordt voorzien waarbij de lessee nog minstens 16% van de contractwaarde van het goed moet betalen (zie de uitleg die KBC zelf geeft op haar website onder https://www.kbc.be/ondememen/nl/artikel/financiering/kredietvormen/verschil-leasing­ renting.html. waar staat: *Bij renting huurt je bedrijf de goederen van de leasingmaatschappij. De maatschappij is in dit geval zowel de juridische als economische eigenaar. Je hebt op het einde van het contract een aankoopoptie van minimaal* 16%).

Mocht de appellante willen doen aannemen dat ze toch een financiële leasing aanging, dan zou ze al moeten het bewijs leveren dat ze het betreffende motorschip activeerde als een investeringsgoed en afschreef. Om dat te kunnen doen zou KBC Lease overigens facturen hebben moeten uitreiken waarop zowel een kapitaal- als een interestgedeelte vermeld stond. De appellante levert geen dergelijk bewijs.

Kennelijk werden de facturen gewoon als een kost in de resultatenrekening geboekt.

De geïntimeerde laat tegen die achtergrond met reden gelden dat de overeenkomst die de appellante voor het motorjacht Azimut gesloten heeft, een dienst als voorwerp had in de zin van artikel 18, §1, 2 de lid, 4° WBTW, waarvan de tekst als volgt luidt:

*Als een dienst wordt onde r meer beschouwd**1* *de uitvoe ring van een contract dat tot*

*voorwerp heeft:*

\[...\]

*4* ° *het genot van een ander dan in artikel 9, tweede lid bedoelde goed;*

\[…\].

Gelet op wat in artikel 9, 2 de lid WBTW staat, gaat het om het genot van een lichamelijk goed, zoals een motorjacht.

Door de verkoop van betreffende motorjacht op 30 januari 2009 (datum verkoopfactuur), heeft het genot over het goed in hoofde van de appellante opgehouden te bestaan. Dat KBC Lease nv toch nog verder facturen uitreikte op basis van de renting 15+ overeenkomst en dus handelde (al dan niet bewust, waarover geen informatie beschikbaar is) alsof de appellante nog steeds het genot zou hebben gehad van het motorjacht, kan daar niets aan veranderen.

Bij gebrek aan genot van het motorjacht in hoofde van de appellante na 30 januari 2009, was er geen sprake meer van een belastbare handeling, zelfs al werden er facturen met btw uitgereikt door KBC Lease.

De geïntimeerde heeft terecht geoordeeld dat het recht op aftrek van de btw vermeld op de facturen die KBC Lease nog uitschreef daarna, en zeker in 2010 en 2011 ten onrechte was uitgeoefend omdat die facturen niet beantwoorden aan een belastbare handeling.

Het principe van fiscale neutraliteit dat de btw-reglementering kenmerkt, belet niet dat aan de ontvanger van een factuur het recht op aftrek van voorbelasting wordt ontzegd omdat een belastbare handeling ontbreekt, (HvJ 13 december 1989, zaak 342/87, randnr. 13; HvJ, 6 februari 2014, zaak 424/12, randnr. 39; HvJ 31 januari 2013, zaak [C-643/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-643-11-arrest) randnummer 50).

Deze grief is dus ongegrond.

### *4.2. Over het recht van aftrek van de btw met betrekking tot het motorjacht Sunseeker Manhattan*

De geïntimeerde heeft alle aftrek van btw verworpen die de appellante in 2010 en 2011 heeft uitgeoefend met betrekking tot het motorjacht Sunseeker Manhattan.

De geïntimeerde moet worden gevolgd in zijn stelling dat de appellante niet bewijst dat het om btw gaat die betrekking heeft op levering van goederen of het verlenen van diensten die zij gebruikte voor het verrichten van belastbare handelingen ([artikel 45 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)). Gelet op [artikel 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) zou dat - onverminderd het geval waarin het om 'algemene kosten' gaat - het bewijs veronderstellen dat de appellante met het motorjacht Sunseeker Manhattan een economische activiteit uitoefende waarbij ze geregeld en zelfstandig leveringen van goederen of diensten verrichtte zoals in het Wetboek bedoeld. In geen geval bestaat recht op aftrek voor de btw geheven op de goederen en diensten die een belastingplichtige bestemt voor privédoeleinden of voor andere doeleinden dan die van zijn economische activiteit.

De appellante levert het vereiste bewijs niet.

#### *4.2.1. Geen economische activiteit van 'verhuring van boten*

Het is juist dat de statuten van de appellante vermelden dat zij als maatschappelijk doel heeft het verhuren van boten, het organiseren van festiviteiten en horeca-activiteiten op boten, het voeren van publiciteit op boten en de aankoop en verkoop van alle gemotoriseerde voertuigen (zowel voor op de weg als te water), onderdelen van gemotoriseerde voertuigen, toebehoren, bijhorende kledij en schoeisel voor gemotoriseerde voertuigen (zie het feitenrelaas). Die enkele vermelding in de statuten van de appellante, levert nochtans niet het bewijs van een werkelijke economische activiteit in verband met die handelingen.

De geïntimeerde laat vooreerst met reden gelden dat de appellante zich voor de btw uitsluitend liet registreren voor de economische activiteit van korte termijnverhuur van Kärchertoestellen.

Verder ontkent de appellante op geen enkele manier dat alle omzet die zij sinds haar oprichting op 12 juli 2000 tot eind 2011 gerealiseerd heeft uitsluitend betrekking heeft op de verhuur van Kärchertoestellen voor korte termijn.

Na meer dan 10 jaar werd dus geen enkele omzet gerealiseerd uit het verhuren van boten.

Het is juist dat de appellante publiciteit uitbracht (zonder dat duidelijk is op welke manier die aan het publiek bekend gemaakt werd) voor de verhuur van de Sunseeker Manhattan (die kennelijk in Portugal lag - zie de stukken 13 en 14 geïnt.). Toch blijkt daarmee nog niet dat daarmee een werkelijke verhuring bedoeld werd. Volgens die publiciteit kon het motorjacht gehuurd worden per dag, per weekend of per week en uitsluitend mét schipper. Het is niet zonder betekenis dat de appellante op 30 april 2012 nog een factuur opgesteld heeft waarin ze stelt aan haar zustervennootschap, **L. l. bvba** (gevestigd op hetzelfde adres als de appellante met dezelfde zaakvoerders), de boot voor het hele jaar 2011 te hebben verhuurd en dit voor de prijs van … euro (excl. btw) per jaar. Zoals de geïntimeerde terecht benadrukt gaat het in elk geval om een laattijdig opgemaakte factuur en zou het gaan om een huur volgens andere dan de huurmodaliteiten die blijken uit de voorgelegde publiciteit (niet per dag, per weekend of per week en al zeker niet met schipper). Verder is de prijs van de huur niet conform de door de appellante beweerde exploitatie-voorwaarden en de economische realiteit. Zoals vermeld in het feitenrelaas, kocht de appellante het motorjacht Sunseeker Manhattan begin 2009 voor de prijs van … euro, verkocht ze het in hetzelfde kwartaal aan een leasingmaatschappij voor … euro (excl. btw) en leasede ze de boot terug en dit voor … euro (exclusief btw - facturatiebedrag voor de periode van 10/01/2011 tot 9/01/2012). Het is totaal onwaarschijnlijk en alleszins economisch onverdedigbaar om in die omstandigheden voor een heel jaar het genot over het motorjacht over te dragen voor een prijs van slechts … euro (excl. btw). Bovendien zou de verhuring kennelijk ook nog in die zin gedaan zijn dat de appellante toch nog zelf een ligplaats huurde, voor het onderhoud moest instaan en de verzekering moest blijven betalen, nu de appellante in 2011 voor die posten respectievelijk … euro, … euro en … euro (excl. btw) kosten boekte.

Tegen de achtergrond dat er vóór de factuur van 30 april 2012 nog nooit een verhuring werd gefactureerd, en dat die factuur bovendien onwaarschijnlijk laag is en uitgereikt aan een dochtervennootschap, bewijst de appellante op die manier helemaal niet dat ze een werkelijke economische activiteit exploiteerde die bestond uit de verhuring van boten.

Bovendien, zoals de eerste rechter met reden in overweging nam, ontkende de appellante de stelling van de geïntimeerde niet dat ze, wegens het gratis beschikbaar stellen van het motorjacht Sunseeker Manhattan in 2011 wat de directe belastingen betreft, een voordeel van alle aard in aanmerking nam in hoofde van haar zaakvoerders. Daarmee erkende de appellante dat het motorjacht Sunseeker Manhattan in het jaar 2011 voor privédoeleinden werd gebruikt. Dat is formeel in tegenstrijd met de factuur van 30 april 2012 die immers noodzakelijk impliceert dat het genot door de appellante niet aan haar zaakvoerders, maar aan **L. l. bvba** werd afgestaan gedurende het hele jaar 2011. Die factuur blijkt dan ook een schaamteloze pose te zijn om de schijn van verhuring van de boot te wekken.

Dat de economische activiteit van 'verhuur van boten' nog steeds tot de doelstellingen zou behoren, maar zonder dat dit al met succes kon worden gerealiseerd, is gelet op de elementen van het dossier op niets gesteund: na meer dan 10 jaar is een werkelijke economische activiteit onbestaande en de beperkte elementen die zouden moeten doen blijken van de werkelijke bedoeling (publiciteit voor verhuur met schipper en de laattijdige, te lage factuur voor verhuur aan een zustervennootschap) zijn duidelijk slechts schijn.

Niets belet dat de appellante naderhand het over een andere boeg gegooid heeft en dan toch tot werkelijke actie is overgegaan, maar dat kan het hoger vermelde oordeel niet veranderen.

#### *4.2.2. Geen deel van de “algemene kosten”*

De appellante beroept er zich ook ten onrechte op dat de btw met betrekking tot het motorjacht Sunseeker Manhattan, btw betreft die tot de 'algemene kosten' van haar onderneming behoort.

De appellante zou moeten bewijzen dat handelingen die op het motorjacht plaatsvinden deel uitmaken van haar algemene kosten van de onderneming, omdat er een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang is met de exploitatie en de kosten als zodanig bestanddelen van de prijs van de producten zijn van deze onderneming.

Zoals hoger, onder hoofdstuk 4.2.1., werd vastgesteld, bewijst de appellante niet dat ze in werkelijkheid een economische activiteit heeft die bestaat uit de verhuur van boten; de enige werkelijke activiteit blijkt de verhuring van Kärchertoestellen voor korte duur te zijn.

De appellante levert evenwel geen enkel bewijs op basis waarvan de kosten met betrekking tot het motorjacht Sunseeker Manhattan in verband zouden kunnen worden gebracht met de door haar gevoerde exploitatie van verhuur van Kärchertoestellen en dus dat die kosten als zodanig bestanddelen zijn van de prijs van de producten (leveringen van goederen en verstrekking van diensten) van haar onderneming.

Dat middel is ook ongegrond.

### *4.3. Over de administratieve boete*

De geïntimeerde heeft (slechts) een boete opgelegd van 10 %, zijnde voor … euro.

Er kan aangenomen worden dat deze administratieve sanctie een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM.

De rechter aan wie gevraagd wordt een dergelijke sanctie te toetsen, mag de wettelijkheid ervan onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag daarbij meer bepaald acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds oplegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate de administratie zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt nochtans niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De gebondenheid van het bestuur aan de sanctie belet nochtans niet dat het bestuur afwijkt van de door of krachtens vastgelegde boetetarieven; de rechter moet precies nagaan of er gronden waren om van die boetetarieven af te wijken en moet die gronden vermelden (vgl. [Cass. 16 februari 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak/volle-rechtsmacht-cassatie-brussel-2007-02-16-777a), arr.nr. RC072G5 1, www.cass.be*).*

De essentie is dat het hof de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.

Het hof stelt vast dat de boete in geen geval te hoog is in verhouding tot de aard en de ernst van de inbreuk, en dit gelet op het doel van de boete. De boete moet immers tegelijk een straf zijn, hoog genoeg om de betrokken belastingplichtige af te schrikken zodat herhaling vermeden wordt en (mede maatschappelijk) vergoedend zijn. Waar de appellante in wezen steeds moet geweten hebben dat het verder betalen van de rentinglast niet te rijmen viel met het verkocht zijn van het motorjacht Azimut en dat ze in werkelijkheid geen economische activiteit van verhuur van boten had, noch op het oog had, blijkt dat zij nochtans niet te beroerd was om een belangrijk deel van de kostprijs met betrekking tot de betreffende motorjachten af te wentelen op de Schatkist, wat niets anders wil zeggen dan op alle (vooral andere, correct handelende) belastingbetalers. Om er zeker van te zijn dat de boete haar doel bereikt, in het bijzonder om af te schrikken voor herhaling, kan de boete allesbehalve hoog of disproportioneel genoemd worden.

Ook dit middel is ongegrond.

5.De gerechtskosten

### *5.1. Wat het ten laste nemen van de gerechtskosten in het algemeen betreft*

De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

### *5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft*

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt, recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor het bepalen van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag toegepast worden.

De waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. bevindt zich in de schijf van … tot … euro. Aangepast aan de index op datum van de uitspraak, vandaag, bedraagt het basistarief van de rechtsplegingsvergoeding … euro.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

het bestreden vonnis wordt bevestigd.

het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: … EUR

aan de kant van de geïntimeerde:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: ... EUR

Aldus gewezen door de **VIJFDE KAMER** van het hof van beroep te Gent, recht doende in fiscale zaken, samengesteld uit:

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 2 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

[C-643/11, arrest van 31 januari 2013](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-643-11-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Vaste termijn, Verjaringstermijn, Vordering tot teruggaaf](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vaste-termijn-verjaringstermijn-rechtbank-luik-2022-04-25-02bf) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplicht, Uitoefening van een economische activiteit, Aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-uitoefening-economische-activiteit-aftrek-rechtbank-2021-09-03-5ad2) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Passieve of actieve holding, Externe dienstverlening (managementadvies)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/passieve-actieve-holding-externe-dienstverlening-rechtbank-nijvel-2022-07-01-69ab) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de belasting, Verlegging van de btw-heffing -Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-belasting-verlegging-btw-heffing-rechtbank-brussel-2019-12-05-6dc1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Paardenfokkerij, Recht op aftrek, Economische activiteit, Privé-activiteit als hobby](https://juriel.be/nl/rechtspraak/paardenfokkerij-recht-aftrek-economische-activiteit-rechtbank-2022-11-24-c56d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-bergen-2022-05-20-c627) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoedanigheid van belastingplichtige, Economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoedanigheid-belastingplichtige-economische-activiteit-uitbating-rechtbank-2020-09-07-ca78) 2 gemeenschappelijke bepalingen
