Belastingplicht, Beroepswerkzaamheid, belastbaarheid · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 15 oktober 2001

Zoeken

Belastingplicht, Beroepswerkzaamheid, belastbaarheid

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-beroepswerkzaamheid-belastbaarheid-rechtbank-antwerpen-2001-10-15-158a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
15 oktober 2001

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

101 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent dd. 15.10.2001

Belastingplicht - Beroepswerkzaamheid

Een natuurlijke persoon was gedurende een periode van werkloosheid, werkzaam in de autohandel, meer bepaald in de export van hier aangekochte voertuigen naar Ghana, zonder hiervan melding te maken aan de R.V.A., noch zich in orde te stellen conform de administratieve en fiscale bepalingen ter zake. Niettegenstaande dat beklaagde beweert dat hij deze activiteit slechts occasioneel uitvoerde op vraag van zijn familie in Ghana en hij hierop geen winst maakte, is de rechtbank van oordeel dat hij wel degelijk diende te worden aangemerkt als B.T.W.-belastingplichtige en derhalve alle verplichtingen die normaal op B.T.W.-belastingplichtigen drukken diende na te komen.

Negentiende kamer

Ondervoorzitter: Dhr. A. Bloch

Toegevoegd rechter: Dhr. Ph. Van Maele

Rechter: Mevr. K. Vandenberghe

Substituut-procureur des Konings: Mevr. Depoorter

Griffier: Mevr. P. Deprez

Partij: L••••• P•••• L••• t. Openbare terechtzitting

VERDACHT VAN:

A. Bij inbreuk op art. 4, 50 § 1-2°, 3°, 4°, 73, 73quinquies en 74 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de fiscale geldboeten, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de bepalingen van dit wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden door bij inbreuk op art. 53 eerste lid, 3 en 4 W.B.T.W. te hebben nagelaten iedere maand aangifte te doen van het bedrag der in dit wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die hij aan hem werden verstrekt, gedurende de vorige maand in het kader van hun economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen, en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardige reglementeringen inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te verzekeren en de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen een termijn van indiening van de bij art. 53 3° voorgeschreven aangifte.

te Gent in de periode van 01.01.1996 tot 31.07.2000

B. Bij inbreuk op de artikelen 449, 457 en 459 van het wetboek van de inkomstenbelastingen, zoals van toepassing vanaf het A.J. 1992 (kort: WIB.1992), onverminderd de toepassing van de bepalingen betreffende de administratieve sancties, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit wetboek of de ten uitvoering ervan gegeven regelen te hebben overtreden, namelijk door, bij inbreuk op het artikel 305 WIB.1992, als belastingplichtige die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen of als belastingplichtige die ingevolge de artikelen 232 tot 234 WIB.1992, aan de belasting van niet-inwoners is onderworpen, niet ieder jaar aan de Administratie der directe belastingen een aangifte te hebben overgelegd in de vormen en binnen de termijnen omschreven in de artikelen 307 tot 311 WIB.1992, meer bepaald een niet nader te bepalen winst, gerealiseerd uit zijn activiteit van tussenpersoon in de aankoop en uitvoer van tweedehands wagens voor de belastbare tijdperken 1996, 1997, 1998 en 1999 (AJ 97, 98, 99, 2000) niet te hebben aangegeven.

te Gent in de periode van 01.01.1996 tot 31.07.2000

C. Bij inbreuk op de artt. 4, 44 alinea 1 en 50 van het bij K.B. van 20.07.1964 gecoördineerde wetten betreffende het handelsregister ( B.S. 08.08.1964), een handelswerkzaamheid te hebben uitgeoefend waarvoor hij niet ingeschreven was in het handelsregister, namelijk de beroepswerkzaamheid van tussenpersoon in de aankoop en uitvoer van voertuigen;

te Gent in de periode van 01.01.1996 tot 31.07.2000

D. Bij inbreuk op artt. 1, 2, 5 en 8 W. 06.07.1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter ( B.S. 20.07.1976), in strijd met het verbod sluikwerk te hebben verricht.

te Gent in de periode van 01.01.1996 tot 31.07.2000

Bij samenhang

E. Bij inbreuk op de artikelen 133 en 134 van het K.B. van 25.11.1991 houdende de werkloosheidsreglementering, strafbaar gesteld door artikel 175, 1°, e van voormeld K.B., als werkloze bedoeld in art. 153 eerste lid, 1° en 2° van voormeld K.B., met bedrieglijk inzicht, onverschuldigde uitkeringen te hebben ontvangen door een onjuiste of een onvolledige verklaring te hebben afgelegd, hetzij een verplichte verklaring anders dan deze bedoeld in artikel 134 § 3 van voormeld K.B. niet of te laat te hebben afgelegd.

te Gent in de periode van 01.01.1996 tot 31.07.2000


De rechtbank nam inzage van de stukken van de rechtspleging.

De rechtbank heeft als tolk aangesteld de heer C. S., geboren op 4 januari 1944, wonende te 9000 Gent, K. 119, teneinde de beklaagde bij te staan voor de vertaling van de gezegden van de Nederlandse taal in de Engelse taal en vice versa en die de door de wet voorziene eed heeft afgelegd.

De rechtbank is voor alle feiten bevoegd, gelet op hun onderlinge samenhang.

De rechtbank aanhoorde op de openbare terechtzitting van 8 oktober 2001:

-de vordering van het openbaar ministerie, uitgesproken door de heer Y. Medaer , substituut-procureur des Konings;

-de beklaagde, P•••• L. , in zijn middelen van verdediging, voorgedragen door hemzelf en bijgestaan door meester Johann K., advocaat te 9920 Lovendegem, A. 64, die de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling vraagt;

-het advies van het openbaar ministerie nopens de opschorting van de uitspraak van de veroordeling;


De beklaagde wordt er van beticht daden van koophandel te hebben gesteld met inbreuk op de bijzondere fiscale (tenlasteleggingen A en B), handelsrechtelijke (tenlasteleggingen C en D) en bij samenhang sociaalrechtelijke (tenlastelegging E) bepalingen terzake.

1. Wat betreft de feiten

De beklaagde was in de geïncrimineerde periode sedert 9 oktober 1995 tijdelijk en vanaf 29 juli 1996 volledig werkloos (stuk 50 OK I). Vanaf augustus 2000 werd hij voltijds tewerkgesteld via een interim-bureau.

In de kwestieuze periode zou hij werkzaam zijn geweest in de autohandel, meer bepaald in de export van alhier aangekochte voertuigen naar Ghana, zonder hiervan melding te maken aan de R.V.A. noch zich in orde te hebben gesteld conform de administratieve en fiscale bepalingen terzake.

2. Het verweer

De beklaagde houdt onder meer voor dat:

-hij slechts occasioneel voertuigen in België aankocht en uitvoerde, op uitdrukkelijke vraag van zijn familie in Ghana

-hij uit deze tussenkomsten geen winst puurde en dat de door de familie betaalde sommen giften uitmaken

-met betrekking tot de tenlastelegging B de vraag zich opdringt wat moet begrepen worden onder «een niet nader te bepalen winst»

-het niet aangeven van dergelijke «winsten» algemeen gangbaar is.

De beklaagde pleit dan ook onschuldig en vraagt de vrijspraak. In subsidiaire orde verzoekt de beklaagde hem de gunst van de opschorting toe te kennen.

3. Bespreking

3.1.

Met betrekking tot de hoedanigheid van koopman

3.1.1.

De rechtbank dient vooreerst te onderzoeken of de activiteiten van de beklaagde beantwoorden aan de definitie daden van koophandel, zoals voorzien in titel 1 van boek 1 van het wetboek van koophandel.

3.1.2.

Kooplieden zijn immers (artikel 1) zij «die daden uitoefenen, bij de wet daden van koophandel genoemd, en daarvan, hoofdzakelijk of aanvullend, hun gewoon beroep maken.»

3.1.3.

Onder daden van koophandel verstaat de wet (artikel 2) onder meer:

«-elke aankoop van voedingsmiddelen en koopwaren om die, al dan niet na bewerking of verwerking, weder te verkopen of om het gebruik ervan te verhuren (...)

-alle verbintenissen van handelsagenten voor het bemiddelen of afsluiten van zaken»

3.1.4.

Er bestaan verscheidene gegevens die aanduiden dat de beklaagde daden van koophandel in voormelde zin stelde:

-Naar aanleiding van de huiszoeking verricht in zijn woning op 15 februari 2000 werden onder meer documenten aangetroffen die wezen op de aankoop en de verscheping van een truck van het merk DAF, de verzekering en de verscheping van een BMW 525, de gelijkvormigheidattesten van personenwagens Opel Kadett en Ford Escort, een nylonmap met opschrift Belgo Malienne met 4 zelfklevers om op te verschepen voertuigen te plakken, rekeninguittreksels met diverse betalingen verricht ten gunste van het expeditiebedrijf Belgo Malienne, documenten die wijzen op handelsactiviteiten tussen de beklaagde en de Ghanese vennootschap «Letrade Ghana Ltd.» En een zwarte map (Randstad I.B. met 71 naamkaartjes van handelaars in in- en verkoop van voertuigen.)

-In zijn verhoor van dezelfde datum gaf de beklaagde toe 10 à 20 auto's te hebben verscheept naar Ghana. Dit zou gebeurd zijn op verzoek van familieleden die daartoe gelden meegaven aan personen van wie de beklaagde nauwelijks de voornaam kent.

-Een naar eigen zeggen goede bekende van de beklaagde ANSU Awuah bevestigde (stuk 203) dat de beklaagde handel dreef in tweedehandswagens die hij naar Ghana verscheepte.

-S. A. (zaakvoerder Garage Nissan) verklaarde (stuk 247) dat een persoon die zich identificeert met de bijklaagde bij haar tweedehandswagens aankocht, haar verzocht hem te contacteren mocht zij nog soortgelijke occasiewagens te koop hebben en zelfs - het weze in het gezelschap van ene «Schmitt» - een oude stock wisselstukken aankocht, die zij in een zeecontainer hebben ingeladen.

-R. C. (eveneens garagehouder) bevestigde (stuk 252) dat de beklaagde af en toe bij hem auto's (2) en/of wisselstukken aankocht en een week voor het verhoor nog navraag had gedaan nopens eventueel andere beschikbare tweedehandswagens.

-Onderzoek bij de verschepingsmaatschappij wees uit dat de beklaagde verschillende voertuigen naar Ghana liet vertransporteren, ook op naam van andere personen

-Volgens de verbalisanten (stuk 256) stelde de beklaagde zich bij de door hen gecontacteerde garagehouders voor als een opkoper van occasiewagens

-Ondervraagd omtrent de frequentie van de verscheping van aangekochte wagens, legt de beklaagde uit dat hij in opdracht van zijn zuster Nana (die een bedrijf van drankenverdeling zou hebben in Ghana) en zijn oudere broer Isaac (die autohandelaar zou zijn in Ghana) in België voertuigen aankocht en verscheepte.

-De beklaagde geeft toe geld te hebben ontvangen van zijn familie, maar dit te hebben beschouwd als een gift

-Een vriendin van de beklaagde, S. T., verklaarde dat zij wist dat de beklaagde zich bezig hield met het verschepen van voertuigen naar Ghana. Volgens haar vormde dit zijn beroep (stuk 69 OK II).

3.1.5.

Hieruit moet geconcludeerd worden dat de beklaagde, hetzij voor eigen rekening, hetzij als tussenpersoon tegen vergoeding, in België een belangrijk aantal tweedehandsauto's aankocht en deze naar Ghana verscheepte. Deze activiteiten deden zich op een georganiseerde wijze voor en de beklaagde is niet geloofwaardig in zijn uitleg dat dit een loutere dienstverlening was voor zijn familie. Op de vraag hoe het komt dat bepaalde voertuigen verscheept worden met als bestemmeling P. A. kan de beklaagde geen zinnig antwoord geven: deze persoon is een familielid die veearts is en wiens adres door Nana en Isaac zou gebruikt worden als postadres...

Ook zijn vraag naar de garagehouders toe hem te verwittigen mochten zij nog wagens te koop hebben, wijst er op dat de beklaagde op eigen initiatief handelde.

3.2.

Wat de tenlasteleggingen betreft

3.2.1.

Nu vaststaat dat de beklaagde in de periode van 1 januari 1996 tot 31 juli 2000 wel degelijk de hoedanigheid van handelaar bezat, volgt dat hij in deze periode nagelaten heeft de dienovereenkomstige fiscale en administratiefrechtelijke verplichtingen te vervullen.

De tenlasteleggingen sub A, B, C en D zijn naar voldoening van recht bewezen.

3.2.2.

In de periode, gaande van 29 juli 1996 tot en met 31 juli 2000 genoot de beklaagde een werkloosheidsuitkering, waarbij hij zijn handelsactiviteiten verborgen hield en daaromtrent valse verklaringen aflegde. Op de duidelijke vraag of hij er nevenactiviteiten op nahield, antwoordde de beklaagde telkens negatief.

In de periode van 1 januari 1996 tot 29 juli 1996 (zie stuk 50 OK I) was de beklaagde nog niet steungerechtigd, zodat hij voor wat deze periode betreft dient te worden vrijgesproken van de tenlastelegging E, die voor het overige naar voldoening van recht bewezen is.

3.3.

Met betrekking tot tenlastelegging B laat de beklaagde nog gelden dat de dagvaarding onduidelijk is waar er sprake is van een «niet nader te bepalen winst» en dat het gemeen goed is dat dergelijke «winsten» fiscaal niet worden aangegeven.

Het is door de eigen nalatigheid van de beklaagde, met name door het niet houden van een passende boekhouding, dat het niet mogelijk is de exacte winst die hij uit zijn handelsactiviteiten puurde, te berekenen.

Verder is het niet bewezen dat dergelijke fiscale fraude gemeengoed is, laat staan dat dit een rechtvaardiging zou inhouden.voor de door de beklaagde gepleegde feiten.

4. De strafmaat en de straf

4.1.

De tenlasteleggingen A tot en met E (van 29 juli 1996 tot en met 31 juli 2000) zijn de uiting van eenzelfde misdadig opzet, zodat bij toepassing van artikel 65 Strafwetboek slechts één straf dient te worden uitgesproken, de zwaarste, met name deze gesteld op de tenlasteleggingen A en B.

4.2.

Er bestaan geen redenen om aan de beklaagde de gunst van de opschorting toe te staan. De beklaagde bewijst niet dat zijn toekomst door een veroordeling zou gehypothekeerd zijn en het betreft toch ernstige feiten waarvan het ongeoorloofd karakter dient te worden duidelijk gesteld.

4.3.

Het is duidelijk dat de beklaagde op een systematische wijze optrad.

Het feit dat hij niet enkel zijn handelsactiviteiten verborgen hield teneinde aan de daarmee gepaard gaande verplichtingen te ontkomen, maar bovendien bewust ten onrechte genoot van een sociale uitkering mits een onjuiste verklaring, maakt het gedrag van de beklaagde bijzonder laakbaar. De hierna bepaalde straf komt dan ook passend voor.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN, en gelet op de volgende artikelen:

art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935; art. 162, 182, 184, 185 § 2, 189, 190, 191, 194, 226, 227 Wetboek van Strafvordering;

art. 3, 38, 40, 41, 65, 100 Strafwetboek;

art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952 - gew. art. 1, 2° Wet 24 december 1993;

art. 28, 29 van de wet van 1 augustus 1985 - gew. art. 3 Wet van 24 december 1993;

evenals de artikelen aangehaald in de dagvaarding

DE RECHTBANK, recht doende OP TEGENSPRAAK,

Ontslaat P. L. van rechtsvervolging voor de betichting E (ENKEL wat de periode van 01.01.1996 tot 28.07.1996 betreft).

Veroordeelt de beklaagde voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde betichtingen A, B, C, D en E (periode 29.07.1996 tot 31.07.2000) samen, tot een GELDBOETE van VIJFTIGDUIZEND frank.

Beveelt dat bij gebreke van betaling binnen de termijn bepaald bij art. 40 van het Strafwetboek, de geldboete zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf van ACHTTIEN DAGEN.

Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van TIEN frank, verhoogd met duizend negenhonderd negentig decimes, aldus gebracht op TWEEDUIZEND frank, te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

Veroordeelt de beklaagde tot de kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 24.448,- frank, kosten ondeelbaar veroorzaakt zijnde door de weerhouden en bewezen verklaarde betichtingen.

Legt de veroordeelde eveneens een vergoeding op van DUIZEND frank in uitvoering van art. 71 van de Wet van 28 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 tot wijziging van art. 91 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950, houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd door het Koninklijk Besluit van 23 december 1993.

Beveelt de teruggave aan de rechtmatige eigenaar van de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie alhier onder nrs. 2000 1320, 2000 4252 en 4253.

Beveelt de terbeschikkingstelling aan het openbaar ministerie, van het overtuigingsstuk neergelegd ter correctionele griffie alhier onder nr. 2000 2072, teneinde te handelen als naar recht.

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.