---
title: "Belastingontduiking, Bedrieglijk opzet · Hof van beroep te Antwerpen, 17 juni 2014"
description: "Belastingontduiking, Bedrieglijk opzet, Fraude, dwangbevel, ontdoken belasting, frauduleuze intentie. Hof van beroep te Antwerpen (België), 17 juni 2014."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingontduiking-bedrieglijk-opzet-fraude-dwangbevel-hof-van-beroep-antwerpen-2014-06-17-6eb7"
lang: "nl"
---

# Belastingontduiking, Bedrieglijk opzet, Fraude, dwangbevel, ontdoken belasting, frauduleuze intentie · Belasting over de toegevoegde waarde – Belastingontduiking – Bedrieglijk opzet – Fraude

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

17 juni 2014

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

205 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen dd. 17.06.2014**

**(2013/AR/349)**

*Belasting over de toegevoegde waarde - Belastingontduiking - Bedrieglijk opzet - Fraude*

2013/AR/349

## Samenvatting

Krachtens [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) moet de Administratie, indien zij voornemens is de verjaringstermijn van zeven kalenderjaren bepaald in [artikel 81bis, §1, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Het in de voorafgaande kennisgeving louter vermelden van de feiten, doch niet op een precieze en nauwkeurige wijze onderbouwen waarom belastingontduiking wordt vermoed, heeft de nietigheid van zowel de voorafgaande kennisgeving als het daaropvolgende dwangbevel tot gevolg.

**Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen dd. 17.06.2014**

2013/AR/349

Volledige tekst

### Tekst van de beslissing

DE BELGISCHE STAAT. Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de Fiscaliteit in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL,Wetstraat 12, de Adviseur-e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te …, vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur van de BTW te …, waarvan de kantoren gevestigd zijn te …

eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. O. loco Mr. R. F., advocaat te …

tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 22 november 2012

tegen

P. M. accountant, ingeschreven bij de KBO onder nr. …,

kantoorhoudende te …, wonende te …

verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door Mr. V.H., advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 22 november 2012, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 6 februari 2013, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

*1.1. Voorwerp van de betwisting.*

De betwisting heeft betrekking op het dwangbevel (RCIVnr…), uitgevaardigd op 10.02.2010 door ..., rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor …. te … en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16.02.2010 door …, e.a. inspecteur van de BTW Controle …, aangewezen door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en domeinen te …

*1.2. Voorgaande feiten.*

Verweerder in hoger beroep is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE … Ingevolge de door hem uitgevoerde activiteit van boekhouder en

boekhouder-fiscalist en is onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering

ervan getroffen besluiten.

Na voorafgaande verwittiging werd bij verweerder in hoger beroep op zijn kantoor in

aanwezigheid van hemzelf op 10.06.2009 een controle aangevat teneinde de naleving van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan gegeven regels na te gaan vanaf 01.01.2006.

Deze controle werd verder gezet op 29.06.2009. Op 10.06.2009 en 29.06.2009 heeft

verweerder in hoger beroep een aantal verklaringen afgelegd en heeft de

controleambtenaar een aantal vaststellingen gedaan m.b.t. de verkoopboekhouding.

Hiervan werd op 29.06.2009 een proces-verbaal opgesteld.

Vervolgens werd er niet of slechts gedeeltelijk ingegaan op diverse vragen van de

controleambtenaar om stukken en comptabiliteitsboeken voor te leggen. Hiervan werden op 29.09.2009,30.09.2009, 13.10.2009 en 23.10.2009 processen-verbaal opgesteld.

Bij brief van 09.11.2009 werd verweerder in hoger beroep in kennis gesteld van het feit dat de administratie het voornemen had om de verjaringstermijn van art. 81 bis, §1, tweede lld, 4de WBTW toe te passen aangezien er vermoedens van belastingontduiking tegen verweerder in hoger beroep bestonden.

De overtredingen tegen de BTW-wetgeving met betrekking tot het jaar 2006 werden door de controleambtenaar opgenomen in een proces-verbaal van 09.02.2010.

Een aantal dienstverrichtingen van verweerder in hoger beroep nl. de facturen m.b.t. de

handelingen van het derde en vierde kwartaal 2006 werden niet opgenomen in de

ingediende BTW-aangifte en de verschuldigde BTW ten bedrage van 29.277,03 euro werd

niet opgenomen in de periodieke BTW-aangifte.

In het proces-verbaal werden de volgende bedragen gevorderd:

\- 29.277,03 euro aan BTW

\- 58.584,06euro wettelijke geldboete bij toepassing van [art. 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70);

\- Intresten op grond van [art. 91§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) berekend aan 0,8% per maand over de

som van 29.270,00 euro te rekenen vanaf 21.01.2007.

Op 10.02.2010 werd een dwangbevel uitgevaardigd gesteund op het proces-verbaal van

09.02.2010. Het dwangbevel werd door de e.a. inspecteur van de BTW-controle …,

aangewezen door de gewestelijke directeur, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op

16.02.2010 en met exploot van gerechtsdeurwaarder B. H. te … op 24.03.2010

betekend aan verweerder in hoger beroep.

In dit dwangbevel werden de hoger vermelde bedragen gevorderd alsook de moratoire

intresten over de nog verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel in toepassing van [art. 91§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), alsmede de vervolgingskosten.

Bij schrijven van 22.05.2010 verzocht verweerder in hoger beroep om kwijtschelding van de boeten en intresten bij de gewestelijke directeur van de BTW te …

Bij beslissing van 06.08.2010 werd het desbetreffende verzoekschrift door de gewestelijke directeur afgewezen.

*1.3. Procedure voor de eerste rechter.*

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te … op 21.10.2010 tekende verweerder in hoger beroep verzet aan tegen voormeld dwangbevel.

Verweerder in hoger beroep betwistte de BTW-vordering niet doch streefde enkel de

kwijtschelding, minstens de herleiding van de opgelegde geldboete en intresten na.

Hij vorderde:

\- het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- het dwangbevel dd. 10.02.2010 nietig te verklaren;

\- de beslissing dd. 06.08.2010 van de Gewestelijk Directeur der BTW te … te

vernietigen;

\- kwijtschelding minstens ernstige vermindering te verlenen van de opgelegde

geldboete;

\- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van

dit dwangbevel werden geïnd;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van

de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.000 euro.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond,

verleende kwijtschelding van de geldboeten en de op de geldboete verschuldigde intresten en kosten zoals opgenomen in het dwangbevel van 10.02.2010, beval de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden betaald of ingehouden, veroordeelde eiser in hoger beroep tot de kosten, begroot in hoofde van verweerder in hoger beroep op 3.300 euro rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter oordeelde dat er In hoofde van verweerder In hoger beroep geen kwade trouw bewezen was. De eerste rechter besliste dat de loutere vaststelling dat verweerder in hoger beroep te laat had gefactureerd en deze gefactureerde omzet laattijdig of niet had opgenomen in zijn BTW-aangifte, geenszins het bedrieglijk opzet in hoofde van verweerder in hoger beroep bewees. De eerste rechter oordeelde dat het intentioneel element van het bedrieglijk opzet niet bewezen was zodat de vordering tot kwijtschelding van de opgelegde geldboete derhalve gegrond was.

Tegen dit vonnis stelde eiser in hoger beroep bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 06.02.2013, hoger beroep in.

*1.4. Procedure voor het hof van beroep.*

Eiser in hoger beroep vordert:

\- het door eiser in hoger beroep ingestelde verzoekschrift tot fiscaal beroep

ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op

22.11.2012 te hervormen- en voor recht te zeggen dat verweerder in hoger

beroep de som aan rechten, boeten en intresten opgenomen in het dwangbevel

dd. 10.02.2010 verschuldigd is;

\- verweerder in hoger beroep in zijn eisen af te wijzen en hem te veroordelen tot

de kosten van het geding en tot de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.300

euro.

Verweerder in hoger beroep vordert:

\- het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

\- het dwangbevel dd. 10.02.2010 nietig te verklaren;

\- de beslissing dd. 06.08.2010 van de Gewestelijk Directeur der BTW te Hasselt te

vernietigen;

\- kwijtschelding, minstens ernstige vermindering te verlenen van de opgelegde

geldboete;

\- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van

dit dwangbevel werden geïnd;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van

de rechtsplegingsvergoeding, begroot op: 6.600 euro eerste aanleg en 6.600 euro

beroep (maximum vergoeding gelet op de ingewikkeldheid van het geding).

Ter zitting van 19.05.2014 verduidelijkt de raadsman van verweerder in hoger beroep

incidenteel beroep in te stellen tegen het vonnis van de eerste rechter.

## 2. Bespreking

*2.1* [*Artikel 84 ter WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter)

Conform [artikel 81bis §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) verjaart de vordering tot voldoening van de

belasting, de intresten en de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde

kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting,

intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. Conform artikel 81bis §1,

tweede lid WBTW (zoals van toepassing vóór de Programmawet van 22 december 2008)

wordt de verjaring verlengd tot na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Conform [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) (zoals van toepassing vóór de Programmawet van 22

december 20O8) dient de administratie wanneer zij de verjaringstermijn wil uitbreiden tot 5 jaar (artikel 81bis §1, tweede lid), op straffe van nietigheid, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van de

belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

[Artikel 81bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) werd gewijzigd bij artikel 191 van de Programmawet van 22 december 2008. Door deze wijziging blijft de gewone verjaringstermijn van drie jaar behouden ([artikel 81bis §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis)), verdwijnt de verjaringstermijn van vijf jaar en wordt de verjaringstermijn van zeven jaar uitgebreid tot wanneer 'de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden' ([artikel 81bis §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis)).

[Artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) werd gewijzigd bij artikel 192 van de Programmawet van 22 december2008 indie zin dat de voorafgaandelijke, schriftelijke en nauwkeurige kennisgeving van de vermoedens van de belastingontduiking moet gebeuren in geval van [artikel 81bis §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis).

De nieuwe bepalingen zijn in werking getreden op de dag waarop de Programmawet is

gepubliceerd in het Belgisch Staatblad, zijnde op 29 december 2008. De nieuwe versie van artikel 81bis §1, tweede lid W.BTW is van toepassing op de oude termijn van vijf jaar die nog lopende was op 29 december 2008.

Verweerder in hoger beroep roept de verjaring in van de verschuldigdheid van de BTW zodat het dwangbevel dient nietig verklaard te worden. Hij stelt dat [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter)

geschonden werd doordat er geen aanwijzingen van fraude werden voorgehouden.

Het hof stelt samen met eiser In hoger beroep vast dat verweerder in hoger beroep in eerste aanleg de verschuldigdheid van de BTW niet betwistte doch enkel de opgelegde

administratieve geldboete van 200 % van de verschuldigde BTW.

Het hof stelt tevens vast dat verweerder in hoger beroep in eerste aanleg en meer bepaald in de gedinginleidende akte reeds vorderde om het dwangbevel nietig te verklaren. In eerste aanleg betwistte verweerder in hoger beroep reeds het bestaan van het bedrieglijk inzicht in zijn hoofde.

Het is pas voor het eerst In hoger beroep dat verweerder in hoger beroep deze vordering tot integrale nietigverklaring van het dwangbevel onderbouwt met een nieuwe grief namelijk de verjaring van de vordering van de administratie wegens afwezigheid van bedrieglijk inzicht in zijn hoofde en de schending van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter). Verweerder in hoger beroep stelt onder meer daarvoor (impliciet) incidenteel beroep in. Het is een onwettigheid die verweerder in hoger beroep aanvoert ter zijner verdediging en een middel dat in elke stand van het geding kan worden ingeroepen. De toelaatbaarheid ervan staat niet ter betwisting.

Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 81bis, § 1, 1ste lid BTW-Wetboek is er dus

verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de

administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat

waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting,' interesten en administratieve

geldboeten zich heeft voorgedaan.

Het te dezen toepasselijk artikel 81bis, § I, tweede lid, 4de BTW-Wetboek, bepaalt dat, in

afwijking van het 1ste lid, er evenwel verjaring is na het verstrijken van het zevende

kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de

overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het

oogmerk te schaden.

Krachtens het te dezen toepasselijk [artikel 84ter BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) moet de administratie

bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde, indien zij voornemens is de

verjaringstermijn bepaald in [artikel 81bis, § 1, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), [4de](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) BTW-Wetboek toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Op deze wijze wordt hem een betere uitoefening van zijn rechten van verdediging

gewaarborgd, terwijl met het verweer van de belastingplichtige in verband met de

voorafgaande kwestie van de belastingontduiking de vordering van de administratie al dan niet kan komen te vervallen.

De administratie die de uitgebreide verjaringstermijn wil toepassen moet niet voorafgaand het bewijs leveren dat de belastingontduiking met bedrieglijk opzet werd begaan.

Bij brief van 09.11.2009 werd verweerder in hoger beroep in kennis gesteld van het feit dat de administratie het voornemen had om de verjaringstermijn van [art. 81bis, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), [4de](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) WBTW toe te passen aangezien er vermoedens van belastingontduiking tegen verweerder in hoger beroep bestonden.

> *"…*
>
> *Ter uitvoering van* [*artikel 84ter van het BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) *worden u bij onderhavig schrijven de vermoedens van belastingontduiking die tegen u bestaan in de betreffende periode ter kennis gebracht.*
>
> *Zoals blijkt uit uw boekhouding, zijnde al de stukken en boekhoudkundige bescheiden die*
>
> *door* u *werden voorgelegd naar aanleiding van de btw-controle aangevangen op* 10 *juni*
>
> *2009 over de periode vanaf* 1*januari 2006 tot heden, dat de door* u *verstrekte diensten zeer laattijdig* en *ruim na de voltooiing van de dienst worden gefactureerd en dat* u *stelselmatig deze omzet laattijdig of niet opneemt in een door* u *ingediende BTW-aangifte. Uit de stukken die werden voorgelegd blijkt dat de handelingen met betrekking tot het 3de en 4de kwartaal 2006 alsook de handelingen vanaf het 4de kwartaal 2007 tot heden niet werden opgenomen in een door* u *ingediende BTW-aangifte.*
>
> *Bij een eerder uitgevoerde controle aangevangen dd. 20/02/2003 over het jaar 2001 werden dezelfde overtredingen zijnde het niet aangeven van de omzet reeds vastgesteld.*
>
> *Uit nazicht van* uw *dossier blijkt verder dat er een kennisgeving werd ontvangen met*
>
> *betrekking tot de aankoop van het vruchtgebruik van een bedrijfs gebouw op 29.12.2006.*
>
> *Naar aanleiding van een aangekondigde controle op 03.11.2009 werd u gevraagd op welke wijze dit stuk in uw boekhouding werd verwerkt. Uit de voorlegging van de inkomende fakturen van het 3de kwartaal 2005 bleek het stuk overeenkomstig KBnr. 1, artikel* 5 *en het KBnr.*3, *artikelen* 2 *en* 3 *ten onrechte te zijn opgenomen in de inkomende boekhouding van het 3de kwartaal 2005.*
>
> *Deze omstandigheden wettigen de Administratie de verjaringstermijn van zeven*
>
> *kalenderjaren, bepaald in artikel* 81*bis* §1, *tweede lid,* 4", *van het BTW-wetboek toe* te
>
> *passen."*

In de voorafgaande kennisgeving wordt weliswaar vermeld wat de feiten zijn, namelijk de

laattijdige facturatie en het niet of laattijdig opnemen van omzet in de BTW-aangifte doch er wordt niet vermeld op grond waarvan de belastingontduiking vermoed wordt. Er wordt zonder meer gesteld dat het om belastingontduiking zou gaan. Uit voormelde kennisgeving blijkt niet waarom de taxatieambtenaar belastingontduiking vermoedde.

Er is bedrieglijk opzet wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of

een derde onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Er is oogmerk om te schaden wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt. Op belastinggebied gaat het vooral om handelingen die met bedrieglijk opzet zijn verricht, aangezien het nagestreefde onrechtmatige voordeel meestal de ontdoken belasting is.

Het feit dat het om een bedrieglijk voornemen moet gaan, heeft tot gevolg dat

overtredingen die hun oorsprong slechts vinden in gewone nalatigheid, materiële

vergissingen, te goeder trouw begane onjuistheden enz. niet in aanmerking komen.

Uit de conclusies van eiser in hoger beroep leidt het hof af dat eiser in hoger beroep

blijkbaar het bedrieglijk opzet afleidde Uit/vermoedde op basis van het feit dat verweerder in hoger beroep boekhouder is en op de hoogte is van de verplichtingen welke aan de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige zijn verbonden; dat systematisch ofwel laattijdig gefactureerd werd ofwel laattijdig dienstverrichtingen werden opgenomen in de periodieke BTW-aangiften ofwel zelfs niet werden aangegeven; dat in het verleden reeds meerdere bijzondere rekeningen werden opgesteld wegens het niet naleven van de BTW-verplichtingen met betrekking tot het tijdig indienen en/of betalen van de verschuldigde BTW.

Dit werd echter niet op een precieze en nauwkeurige wijze meegedeeld in de vooraf-gaande kennisgeving.

In de voorafgaande kennisgeving 'is er geen concrete aanduiding of aanwijzing met

betrekking tot enige overtreding van het WBTW, begaan met bedrieglijk opzet of het

oogmerk om te schaden.

Het feit dat de uitgaande facturen laattijdig werden uitgereikt en geboekt doch de

verschuldigde BTW niet werd opgenomen in de aangifte betreft nalatigheden maar is

onvoldoende als vermoeden van bedrieglijk opzet in hoofde van eiser. in hoger beroep. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat verweerder in hoger beroep veel te laat zijn uitgaande facturen opstelde. Tevens blijkt dat verweerder in hoger beroep de laattijdig opgemaakte facturen wel opnam in zijn boekhouding. De facturen werden reeds voor de controle opgesteld, uitgereikt en geboekt.

Voorafgaand aan de voorafgaande kennisgeving waren er tevens aanwijzingen van andere redenen die tot de overtreding konden hebben geleid. Verweerder in hoger beroep maakte toen reeds melding van een achterstand (zie ook antwoord van de heer P. opgenomen in het proces-verbaal dd. 23.10.2009).

De voorafgaande kennisgeving in de zin van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) die niet nauwkeurig de

vermoedens van belastingontduiking bevat, is nietig. De betwiste belasting die betrekking heeft op het derde en vierde kwartaal van 2006 werd ingevorderd met een dwangbevel van 10.02.2010 dat op 16.02.2010 geviseerd werd en uitvoerbaar werd verklaard. Nu er geen geldige kennisgeving in de zin van [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) gegeven werd, is het dwangbevel nietig.

Aangezien het dwangbevel nietig en zonder gevolg is, is de beslissing van 06.08.2010

betreffende de kwijtschelding van de geldboete met betrekking tot de vordering RCIV nr.

… zonder voorwerp geworden.

De overige argumenten wijst het hof af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

*2.2 De rechtsplegingsvergoeding*

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de

inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de

erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Eiser in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op 3.300 euro en in hoger beroep op 3.300 euro.

Verweerder in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg op 6.600 euro en in hoger beroep op 6.600 euro wegens ingewikkelde zaak.

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiser in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde

partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger

beroep.

Het hof ziet geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag van een in geld

waardeerbare vordering van 60.000,01 euro tot 100.000 euro. De voorliggende zaak is naar het oordeel van het hof niet meer (of minder) dan gemiddeld complex. Er is dus geen reden om af te wijken van het basisbedrag.

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van verweerder in hoger beroep ontvankelijk en

gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis.

Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van verweerder in hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond.

Het hof verklaart het dwangbevel (RCIVnr …), uitgevaardigd op 10.02.2010

door …, rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor … te … en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16.02.2010 door …, e.a. inspecteur van de BTW Controle …, aangewezen door de Gewestelijk Directeur van de Administratie van de BTW, Registratie en domeinen te … , nietig en zonder gevolg.

Het Hof beveelt de terugbetaling van de bedragen welke op basis van voormeld dwangbevel eventueel betaald werden vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig [art. 91 §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91).

Het hof veroordeelt eiser in hoger beroep, de Belgische Staat, tot de kosten van beide

aanleggen.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op een

rechtsplegingsvergoeding van 3.300 euro in eerste aanleg en 3.300 euro in hoger beroep.

Het hof wijst het meer dan wel anders gevorderde af.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17juni 2014 door

D.WOUTERS Raadsheerwd. voorzitter

M. GHYSELEN Raadsheer

C.PRINCEN Raadsheer

L. KAM Griffier

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 10 voorkomens

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 8 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 3 voorkomens

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, fictieve facturen, strafzaak, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-fictieve-facturen-strafzaak-verjaring-hof-van-beroep-antwerpen-2022-02-15-634c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlenging van de verjaringstermijn, Voorafgaande kennisgeving, Motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlenging-verjaringstermijn-kennisgeving-motivering-hof-van-beroep-luxemburg-2022-05-17-bad5) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Kennisgeving van aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kennisgeving-aanwijzingen-fraude-in-boekhouding-rechtbank-namen-2020-04-02-bf01) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Frauduleuze intentie, Aanwijzingen van belastingontduiking, Bepaling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/frauduleuze-intentie-aanwijzingen-belastingontduiking-bepaling-rechtbank-bergen-2023-12-05-2220) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 4 gemeenschappelijke bepalingen
