Belastingmisdrijven, Aangifte door de belastingambtenaren · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van Cassatie P.10.0614.F 29 september 2010

Zoeken

Belastingmisdrijven, Aangifte door de belastingambtenaren

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingmisdrijven-aangifte-belastingambtenaren-vervolging-wegens-cassatie-brussel-2010-09-29-33f9

Rechtscollege
Hof van Cassatie
Rolnummer
P.10.0614.F
Datum
29 september 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gemengd

Tekst

48 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 29.09.2010 (P.10.0614.F)

Belastingmisdrijven - Belasting over de toegevoegde waarde - Aangifte door de belastingambtenaren - Vervolging wegens niet aangegeven feiten - Advies van de gewestelijk directeur

Wettelijke bepalingen

Art. 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering

Art. 74, § 3, W.BTW

Samenvatting

Artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, verbiedt de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafbaar zijn, zonder de machtiging van de gewestelijk directeur onder wie zij ressorteren, aan te geven bij de procureur des Konings, slaat niet op de feiten die door de ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen ter kennis van het parket zijn gebracht; ter uitvoering van de handelingen van gerechtelijke politie die noodzakelijk zijn voor het door de procureur des Konings gevorderde vooronderzoek, moet bijgevolg aan de gewestelijk directeur geen machtiging worden gevraagd door de ambtenaren die onder hem ressorteren.

Wanneer de procureur des Konings geen kennis krijgt van de feiten ten gevolge van een klacht of aangifte door de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, en hij vervolging instelt wegens feiten die naar luid van het Wetboek over de toegevoegde waarde strafbaar zijn, bepaalt artikel 74, §3, van het voormelde wetboek dat het advies van de gewestelijk directeur van de belasting over de toegevoegde waarde kan worden gevraagd, maar stelt dat niet verplicht.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Cassatie

dd. 29.09.2010

(P.10.0614.F)

DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BERGEN,

tegen

D. Chr.,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen, correctionele kamer, van 2 maart 2010.

De eiser voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

In een eerste zaak werd de verweerder vervolgd wegens deelneming aan een criminele organisatie (telastlegging I), valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken (telastlegging II), valsheid in geschriften met het opzet een B.T.W.-misdrijf en B.T.W.-ontduiking te plegen (telastleggingen III.A en III.B). In een tweede zaak werd hij vervolgd wegens bedrieglijke invoer van sigaretten.

Bij de uitspraak over de strafvordering, voegt het arrest de zaken, spreekt het de verweerder vrij van de telastleggingen I en II van zaak I en van de enige telastlegging van zaak II, en verklaart het de vervolgingen voor de telastleggingen III.A en III.B van zaak I niet-ontvankelijk.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. De eiser voert aan dat de aangifte van de feiten die aan de oorsprong liggen van de vervolgingen, door ambtenaren van de Opsporingsinspectie der douane en accijnzen was gedaan in het kader van overtredingen AWDA, en hij verwijt de appelrechters dat zij de strafvordering wegens de telastleggingen III.A en III.B van zaak I niet ontvankelijk hebben verklaard.

2. Krachtens artikel 74, eerste en tweede lid, Btw-wetboek, wordt de strafvordering uitgeoefend door het openbaar ministerie ; dat kan echter geen vervolging instellen indien het van de feiten kennis heeft gekregen ten gevolge van een klacht of een aangifte van een ambtenaar die niet de machtiging had waarvan sprake is in artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

3. Artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering verbiedt de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafbaar zijn, zonder de machtiging van de gewestelijk directeur onder wie zij ressorteren, aan te geven bij de procureur des Konings.

Die bepaling slaat niet op de feiten die door de ambtenaren van de Administratie der douane en accijnzen ter kennis van het parket zijn gebracht. Ter uitvoering van de handelingen van gerechtelijke politie die noodzakelijk zijn voor het door de procureur des Konings gevorderde vooronderzoek, moet bijgevolg aan de gewestelijk directeur geen machtiging worden gevraagd door de ambtenaren die onder hem ressorteren.

4. Wanneer de procureur des Konings geen kennis krijgt van de feiten ten gevolge van een klacht of aangifte door de in het voormelde artikel 29, tweede lid, vermelde belastingambtenaren, en hij vervolging instelt wegens feiten die volgens het Btw-wetboek strafbaar zijn, voorziet artikel 74, § 3, van het voormelde wetboek in de mogelijkheid om het advies te vragen van de gewestelijk directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, maar stelt dat niet verplicht.

5. Het arrest wijst erop dat de ambtenaren van de Opsporingsinspectie der douane en accijnzen, op 29 januari 2001, in een opslagplaats een vrachtwagen met buitenlandse nummerplaat hebben ontdekt waarin sloffen sigaretten verborgen zaten.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de procureur des Konings te Charleroi de onderzoeksrechter op 30 januari 2001 heeft gevorderd een onderzoek in te stellen wegens overtreding van de artikelen 220 en volgende AWDA, 324bis en 324ter Strafwetboek, alsook wegens valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken.

Daaruit volgt dat de vordering van 22 december 2005 tot verwijzing naar de correctionele rechtbank met name wegens valsheid in geschriften met het opzet een overtreding van de wet op de belasting over de toegevoegde waarde te begaan en wegens ontduiking van de belasting over de toegevoegde waarde, niet onderworpen was aan de vormvereisten, bepaald in de artikelen 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en 74 Btw-wetboek.

6. Enerzijds vermeldt het arrest dat het openbaar ministerie vervolgingen heeft ingesteld zonder dat aan de aangiften van belastingfraude, de machtiging van de bevoegde gewestelijk directeur is voorafgegaan. Anderzijds oordeelt het arrest dat voor de door het openbaar ministerie ingestelde vervolgingen inzake ontduiking van de belasting over de toegevoegde waarde geen advies is gevraagd van de bevoegde gewestelijke directeur.

Aangezien de tegen de verweerder ingestelde vervolgingen inzake overtredingen van de wet op de belasting over de toegevoegde waarde, blijkbaar niet op aangifte van een ambtenaar van die administratie zijn ingesteld, leiden de appelrechters de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen niet naar recht af uit het ontbreken van de machtiging of van het advies van de gewestelijk directeur van de belasting over de toegevoegde waarde.

Het middel is gegrond.

7. Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen in acht genomen en is de beslissing overeenkomstig de wet gewezen.

Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de wegens de telastleggingen III.A en III.B van zaak I ingestelde strafvordering.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter …

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer …

Ondertekeningen