---
title: "Belasting over de toegevoegde waarde-werk in onroerende staat-verlaagd Btw tarief bij renovatie-nieuw · Hof van beroep te Gent, 5 februari 2019"
description: "Belasting over de toegevoegde waarde-werk in onroerende staat-verlaagd Btw tarief bij renovatie-nieuw gebouw. Hof van beroep te Gent (België), 5 februari 2019."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-werk-in-hof-van-beroep-gent-2019-02-05-03f1"
lang: "nl"
---

# Belasting over de toegevoegde waarde-werk in onroerende staat-verlaagd Btw tarief bij renovatie-nieuw · belasting over de toegevoegde waarde-werk in onroerende staat-verlaagd Btw tarief bij renovatie-nieuw gebouw

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

5 februari 2019

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

89 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 05.02.2019

(gunstig voor administratie)

WF 709-15-15/062939

*Belasting over de toegevoegde waarde - werk in onroerende staat - verlaagd btw tarief bij renovatie – nieuw gebouw*

## Wettelijke bepalingen

WBTW: art. 1, §9; art. 18

KB WBTW: art. 1, 1°, tabel A van KB nr. 20 van 20 juli 1970

VCRO: art. 4.1.1,12°

## Samenvatting

## 1)Feiten en voorgaande procedure

Belastingplichtige is eigenaar van een woning gelegen te K. Op 23 april 2012 verkreeg belastingplichtige een stedenbouwkundige vergunning met oog op het “verbouwen van een woning”. Belastingplichtige verklaarde dat er op 5 januari 2012 hevig stormweer plaatsvond waardoor de linker zijgevoel van het gebouw, een deel van het dak, instortte. Wegens gevaar voor instabiliteit was belastingplichtige op bevel van de toezichthoudende architect genoodzaakt de zijgevel verder af te breken tot minstens het niveau van de eerste volledige laag bakstenen.

Uit nazicht van het btw-dossier bleek volgens de administratie dat de oprichtingswaarde van de woning in orde was maar volgens de administratie heeft belastingplichtige ten onrechte het verlaagd tarief van 6% toegepast. De werken aan de woning betreffen volgens de administratie geen verbouwing maar wel herbouw van een woning. Op grond daarvan vordert de administratie van belastingplichtige een aanvullende betaling lastens btw en een boete.

Belastingplichtige gaat niet akkoord met de zienswijze van de administratie. De administratie blijft echter bij haar standpunt. Op 8 oktober 2015 ontving belastingplichtige het proces-verbaal. Belastingplichtige legt op 11 december 2015 een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie voor de rechtbank van eerste aanleg. Bij vonnis van 12 oktober 2017 verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk doch ongegrond. Belastingplichtige stelt beroep in tegen het tussengekomen vonnis.

## 2)De procedure in hoger beroep

Het hoger beroep ingesteld door belastingplichtige strekt ertoe om het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw wijzende, de vordering van belastingplichtige ontvankelijk en gegrond te verklaren; Te zeggen voor recht dat belastingplichtige uit hoofde van de gedane verbouwingen terecht recht heeft op het verminderd tarief van 6 % btw; het proces-verbaal te vernietigen, de administratie te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of ingehouden sommen, te vermeerderen met de interesten.

Belastingplichtige is van oordeel dat zij terecht het btw tarief gelijk aan 6 % btw heeft toegepast. De rechtbank volgt de stelling van belastingplichtige echter niet. De vraag of de bouwwerken als een verbouwing hetzij als een nieuwbouw kwalificeren in de zin van de voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet onderzocht worden. De omschrijving in artikel 4.1.1,12° VCRO (Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) van een verbouwing bepaalt niet het toepasselijke btw-tarief. Daarmee is niet tegenstrijdig de feitelijke vaststelling door de administratie dat de bouwvergunning op zich vermeld dat deze betrekking heeft op “het oprichten van een woning met carport na sloping van de restanten van de bestaande woning die zich in een slechte bouwfysische toestand bevond en vernield geweest is door brand”.

Bovendien wijst de administratie er terecht op dat uit de ingediende bouwplannen blijkt dat de geplande werken niet op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke structuur van het bestaand gebouw. Het argument van de storm waardoor ongewild en ingevolge overmacht een zijgevel instortte, weerlegt de voormelde analyse niet. Belastingplichtige bewijst niet dat enige dragende constructie behouden werd. Om die reden vindt het oppervlaktecriterium hier geen toepassing.

Bovendien bewijst belastingplichtige aan de hand van de plannen niet dat bij de initiële bouwaanvraag van 29 december 2011 er louter de intentie bestond om de bestaande woning (gedeeltelijk) te verbouwen. De stormschade en de beweerde overmacht van de heropbouw van de zijgevel, verandert de vaststellingen over de aanvankelijke plannen van belastingplichtige niet.

Het hof volgt de eerste rechter in zijn motivering dat de werkelijke aard van de werken en het uiteindelijke resultaat primeert. Voor de toepassing van het juiste btw-tarief doet het niet ter zake waarom de vroegere muren en het dak dienden afgebroken en/of vervangen. Wanneer een gebouw praktisch volledig wordt gesloopt kan niet meer gesproken worden van een verbouwing, maar dient het begrip nieuwbouw te worden gebruikt.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 05.02.2019**

**Rolnummer: 2017/AR/2208**

In de zaak van:

**C. F.,** RRN: …

wonende te …, …,

appellant,

hebbende als raadsman mr. **H. J.**, advocaat te …, …

tegen

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN,**

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Centrumdirecteur van het KMO Centrum Aalst, met burelen te 9300 AALST, Dr.A.Sierensstraat 16 bus 1,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. **D. C.**, advocaat te …, …

wijst het hof het volgend arrest:

## 1 De procedure

Bij vonnis van de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, gewezen op 12 oktober 2017, werd de vordering van de appellant ongegrond verklaard, namelijk in het bijzonder de vordering tot vernietiging van het proces-verbaal van 8 oktober 2015 en dat hem naar aanleiding van de verbouwing krachtens de stedenbouwkundige vergunning van 23 april 2012 aan het onroerend goed, gelegen te …, …, het btw-tarief van 6% en geen 21% verschuldigd was, en de terugbetaling van alle op grond van het voormelde proces-verbaal geïnde sommen.

Bij verzoekschrift van 21 december 2017 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

De zaak werd behandeld op de openbare terechtzitting van 8 januari 2019, waarna het debat gesloten werd, de zaak in beraad werd genomen en voor arrest en uitspraak vastgesteld op de zitting van 5 februari 2019.

## 2 De feitelijke gegevens

De appellant is eigenaar van een woning gelegen te …, …, kadastraal gekend 8ste afdeling/…, sectie C nr. …. Met het oog op verbouwing van deze woning diende de appellant een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning in die hem op 23 april 2012 werd verleend. Zoals in de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning werd gemeld, en zoals ook blijkt uit de plannen, gevoegd bij de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning, beoogde de aanvraag "het verbouwen van een woning".

De appellant verhaalt dat echter op 5 januari 2012 een hevig stormweer plaats vond, waardoor de linker zijgevel van het gebouw, een deel van het dak, instortte. Wegens gevaar voor instabiliteit was de appellant op bevel van de toezichthoudende architect van 6 januari 2012 genoodzaakt de zijgevel verder af te breken tot minstens het niveau van de eerste volledige laag bakstenen.

Op 9 mei 2014 meldde de fiscale administratie dat uit het nazicht van het btw-dossier gebleken is dat wat de oprichtingswaarde betreft het dossier in orde werd bevonden. De fiscale administratie stelde echter te hebben vastgesteld dat ten onrechte het verlaagd tarief van 6% werd toegepast. De werken aan de woning betreffen volgens de administratie geen verbouwing maar wel de herbouw van een woning. Op grond daarvan vordert de btw administratie een aanvullende betaling lastens de appellant ten bedrage van … € aan btw, vermeerderd met … € boete.

Bij brief van 12 juni 2014 heeft de raadsman van de appellant dit standpunt van de administratie betwist.

Bij brief van 18 juni 2014 wees de administratie op de verleende stedenbouwkundige vergunning van 23 april 2012 die melding maakt van "Het oprichten van een woning en carport na slopen van restanten van een bestaande woning". De administratie stelde nog dat gezien de aanvraagdatum van 29 december 2011 tot herbouw het voorval van de stormschade van 5 januari 2012 niet relevant is. Volgens de administratie had de appellant vooraf al de intentie tot het slopen van deze woning, die (volgens de administratie) overigens voorheen reeds door een brand in slechte staat verkeerde.

De appellant heeft dit standpunt van de administratie opnieuw geprotesteerd bij brief van 29 augustus 2014. De appellant voegde daarbij een attest van de architect waarin de architect bevestigde dat de plannen ontegensprekelijk de verbouwing van de bestaande woning beoogden, met verwijzing naar artikel 4.1.1, 12° VCRO.

Bij brief van 10 februari 2015 deelde de administratie aan de appellant mee dat de Directie btw Antwerpen besliste dat het verlaagd tarief geen toepassing kon vinden. Bij brief van 8 oktober 2015 ontving de appellant een eensluidend verklaard afschrift van een proces-verbaal van 8 oktober 2015. De administratie vordert van de appellant de betaling van … € te vermeerderen met een geldboete van … €. Omstreeks 26 november 2015 werd de appellant door de geïntimeerde aangemaand tot betaling van … €.

Met een verzoekschrift van 11 december 2015 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. De zesde kamer van deze rechtbank heeft in zijn vonnis van 12 oktober 2017, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellant ongegrond verklaard.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld. Het blijkt niet dat dit vonnis is betekend of dat de appellant er in zou hebben berust. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

## 3 De vorderingen van de partijen

### 3.1 De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om :

> *"het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren,*
>
> *Dienvolgens het vonnis a quo teniet te doen en opnieuw wijzende.*
>
> *De vordering van concluant, zoals voor de eerste rechter uitgebreid, ontvankelijk en gegrond te verklaren en te zeggen voor recht:*
>
> \- *dat concluant, uit hoofde van de verbouwingen krachtens de stedenbouwkundige vergunning dd. 23.4.2012 aan het onroerend goed, gelegen en gestaan te …, … , kadastraal gekend Be afdeling/Kallo, sectie C nr . …, 6% BTW verschuldigd was;*
>
> \- *dat concluant, uit hoofde van de verbouwingen krachtens de stedenbouwkundige vergunning dd. 23.4.2012 aan het onroerend goed, gelegen en gestaan te …, …, kadastraal gekend se afdeling/…, sectie C nr. …, geen 21% BTW verschuldigd was;*
>
> *Vervolgens:*
>
> \- *te zeggen voor recht dat concluant uit hoofde van de verbouwingen krachtens de stedenbouwkundige vergunning dd. 23.4.2012 aan het onroerend goed, gelegen en gestaan te …, …. kadastraal gekend se afdeling/…, sectie* C *nr. … geen aanvullende BTW noch boete noch rente verschuldigd is;*
>
> \- *het proces-verbaal dd. 8/10/2015, waarvan een afschrift aan het inleidend verzoekschrift is gehecht, te vernietigen, en te zeggen voor recht dat het zonder waarde is en er geen enkel rechtsgevolg aan kan verbonden worden,*
>
> \- *geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle op grond van voormelde proces­verbaal dd. 8.10.2015 betaalde of ingehouden sommen, te vermeerderen met de interesten tot de dag van de volledige terugbetaling;*
>
> *geïntimeerde tot slot te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in art. 1022 Ger. W., aan zijde van concluant als volgt begroot:*
>
> \- *rpv eerste aanleg… €*
>
> \- *rpv hoger beroep… €"*

### 3.2 De.geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

> " • *Het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;*
>
> • *Het bestreden vonnis zoals verleend door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, 6**de* *Kamer, op de terechtzitting van 12 oktober 2017, in de zaak met rolnummer … te bevestigen in al haar beschikkingen;*
>
> • *Appellant te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding hoger beroep zoals bepaald in art. 1022 Ger. W.* , *begroot op … euro."*

## 4 De beoordeling

1\. Het geschil betreft de vraag naar de toepassing van cijfer XXXI, § 1, 1° van Tabel A, bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, op de bouwwerken. De vraag stelt zich of de bouwwerken dienen geïnterpreteerd of beschouwd als handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele tot voorwerp hebben (btw-tarief van 6%) dan wel dienen beschouwd als "nieuwbouw " (btw-tarief van 21%). De vraag of de bouwwerken als een verbouwing hetzij als een nieuwbouw kwalificeren in de zin van de voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De begrippen 'omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering' (transformation, renovation, réhabilitation, amélioration), moeten in hun gewone betekenis worden uitgelegd. Onder deze begrippen worden normaal niet begrepen handelingen of behandelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXI, §3,1 ° van KB nr. 20 van 20 juli 1970 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrokken wordt , met name doordat er al een bestaande woning is; het gaat dus in het meest verregaande geval over 'verbouwen'. Zelfs wanneer er redelijkerwijze met enige marge moet rekening gehouden worden, dan blijkt dat de mate waarin de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1986-aanschrijving-7f20) toelaat om onder 'omvorming ' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan, een administratieve toegeving op de wettekst is.

2\. De omschrijving in artikel 4.1.1, 12° VCRO van een verbouwing bepaalt niet het toepasselijke btw-tarief. Daarmee is niet tegenstrijdig de feitelijke vaststelling door de administratie dat de bouwvergunning op zich vermeld dat deze betrekking heeft op *"het oprichten van een woning met carport na sloping van de restanten van de bestaande woning die zich in een slechte bouwfysische toestand bevond en vernield geweest is door brand".* Op basis van deze verleende bouwvergunning blijkt dat de oude woning zich in een slechte staat bevond, gesloopt zou worden en een nieuwe woning zou worden opgericht. De appellant die deze bewoordingen betwist, laat na deze duidelijke bewoordingen van de verleende vergunning te weerleggen.

Bovendien wijst de administratie er terecht op dat uit de ingediende bouwplannen blijkt dat de geplande werken niet op een relevante wijze steunen op de oude dragende muren en, meer algemeen, op de wezenlijke structuur van het bestaand gebouw. De doorsneden van die plannen wijzen uit dat het gedeelte van het bestaand gebouw dat zou worden behouden, beperkt wordt tot de vloerplaat van de kelder en de vloerplaat van het gelijkvloers. De appellant betwist ook dit objectieve gegeven maar bewijst zijn stellingen niet. Overigens blijkt uit de voorgelegde facturen dat wel een nieuwe vloerplaat werd gelegd (factuur **D. M.** van 14 september 2012).

Het argument van de storm waardoor ongewild en ingevolge overmacht een zijgevel instortte, weerlegt de voormelde analyse niet. De appellant bewijst niet dat enige dragende constructie behouden werd. Om die reden vindt het oppervlaktecriterium hier geen toepassing. Anders dan hij voorstelt, bewijst de appellant aan de hand van de plannen niet dat bij de initiële bouwaanvraag van 29 december 2011 enkel en louter de intentie bestond om de bestaande woning (gedeeltelijk) te verbouwen. Hierbij moet herhaald worden dat aldus de stormschade en de beweerde overmacht van de heropbouw van de zijgevel, de vaststellingen over de aanvankelijke plannen van de appellant niet veranderd. De goedgekeurde stedenbouwkundige vergunning en de externe adviezen vermelden duidelijk "het oprichten van een woning en carport na slopen van restanten van een bestaande woning" en maken geen gewag van verbouwingswerken.

Het hof volgt de eerste rechter in zijn motivering dat de werkelijke aard van de werken en het uiteindelijke resultaat primeert. Voor de toepassing van het juiste btw-tarief doet het niet ter zake waarom de vroegere muren en het dak dienden afgebroken en/of vervangen. Wanneer een gebouw praktisch volledig wordt gesloopt kan niet meer gesproken worden van een verbouwing, maar dient het begrip nieuwbouw te worden gebruikt.

Het hoger beroep is ongegrond.

## 5 De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 10.000,01 tot 20.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis;

veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellant:

bijdrage begrotingsfonds:… EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep:… EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER,** zitting houdende in fiscale zaken, van **5 februari 2019.**

Aanwezig: …

## Rechtspraak

1

### België

1

Rechtbank van eerste aanleg 06.01.2025

#### [Werken in onroerende staat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-voorwaarden-rechtbank-2025-01-06-1d5f)
