Proces-verbaal, verjaring, zevenjarige verjaringstermijn, verkrijgen bewijskrachtige gegevens · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Gent 20 februari 2019

Zoeken

Proces-verbaal, verjaring, zevenjarige verjaringstermijn, verkrijgen bewijskrachtige gegevensbelasting over de toegevoegde waarde- proces-verbaal - verjaring- zevenjarige verjaringstermijn- verkrijgen bewijskrachtige gegevens- aanslag van ambtswege- fiscale geldboete- vermoedens van belastingontduiking

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-proces-verbaal-rechtbank-gent-2019-02-20-d8ad

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Gent
Datum
20 februari 2019

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gunstig voor de Belgische Staat

Tekst

123 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 20.02.2019

WF 701-15-17/037487

[gunstig voor administratie]

Belasting over de toegevoegde waarde – proces-verbaal – verjaring – zevenjarige verjaringstermijn - verkrijgen bewijskrachtige gegevens - aanslag van ambtswege – fiscale geldboete – vermoedens van belastingontduiking

Wettelijke bepalingen

art. 63, 66, 67, art. 70, § 1 en art. 81bis, derde lid, 3° WBTW

Samenvatting

1)Feiten en voorgaande

De belastingplichtige is sinds 1990 tot en met 2006 geregistreerd voor de beroepsactiviteit van architect. De administratie verwittigt de belastingplichtige in 2009 dat de weigering om boeken en stukken voor te leggen kon leiden tot een geldboete en een ambtshalve vaststelling van de belasting op basis van de vermoede btw-omzet.

De belastingplichtige (eiser)reageert niet op deze kennisgeving en daarop wordt bij aangetekende zending van 23 december 2009 het dwangbevel met kennisgeving van ambtelijke aanslag betekend.

2)Procedure in eerste aanleg

a)Niet ontvangst van het dwangbevel

De eiser ontkent het dwangbevel ontvangen te hebben. De rechtbank stelt dat de administratie dit dwangbevel op 24 december 2009 voor aangetekende zending naar de eiser ter post heeft aangeboden en daarvan bewijs levert.

De loutere ontkenning vanwege de eiser dat betrokken zending niet werd ontvangen, levert geen afdoende bewijs op.

b)De verjaring van de btw-vordering

De administratie heeft zich in de ambtelijke aanslag beroepen op de zevenjarige termijn voorzien in art. 81bis, derde lid, 3° WBTW. In het bijzonder zou de administratie over een termijn beschikken van zeven jaar ingevolge het verkrijgen van bewijskrachtige gegevens vanwege de controle van de directe belastingen.

Ingevolge de omstandigheid dat de eiser belemmerd heeft dat de administratie de aangekondigde controle kon uitvoeren en hij geen btw-aangiften heeft ingediend, kan niet zonder meer worden aangenomen dat de administratie tijdens de gewone driejarige verjaringstermijn kennis had of had moeten kunnen hebben van de gegevens om een ambtelijke aanslag te kunnen vestigen. Van een “eenvoudige controle van de belastingplichtige” was in deze geen sprake, gezien het absoluut gebrek aan medewerking van de eiser. De rechtbank besluit zich dat de administratie zich terecht kon beroepen op de zevenjarige verjaringstermijn.

c)Het overdreven karakter van de vordering

Krachtens art. 66 WBTW kan de ambtshalve aanslag worden opgelegd tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijk bedrag van de handelingen gedurende het bedoelde tijdperk.

Art. 67 WBTW bepaalt dat de bedoelde persoon moet bewijzen dat de aanslag overdreven is.

Het argument van de eiser dat uit de vaststelling dat de belastingplichtige een bepaalde omzet of winstmarge heeft behaald in een eerder jaar, niet kan worden afgeleid dat de exploitatie in de volgende jaren gebeurde onder dezelfde omstandigheden, geldt evenzo voor de kosten. Het is niet omdat de eiser in een eerder tijdperk bepaalde kosten heeft gemaakt, dat daarom zonder meer moet aangenomen worden dat in het bedoelde tijdperk dezelfde in gelijke verhouding kosten werden gemaakt.

De rechtbank is van oordeel de gevorderde btw-bedragen noch overdreven, noch willekeurig zijn.

d)De opgelegde boete van 200%

De administratie heeft een boete opgelegd van 200%, omdat zij ervan uitgaat dat het moedwillig niet indienen van kwartaalaangiften gebeurt om de betaling van de btw te ontlopen en dit schade berokkent aan de Staat. Zij stelt dat de opgelegde boete in verhouding is met de begane inbreuk.

De rechtbank meent dat de omvang van de boete zich in een redelijke verhouding bevindt met de omvang en de zwaarte van de inbreuk.

De halsstarrige weigering om de btw-controle te kunnen laten doorgaan en het volkomen gebrek van de eiser wijzen er op dat de belastingplichtige manifest de bedoeling had om zijn btw-verplichtingen te ontlopen.

Er is dan ook geen reden om de boete kwijt te schelden of te verminderen.

De belastingplichtige heeft berust in het vonnis.

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent

Vonnis de zesde burgerlijke kamer

Datum van de levering: 20/02/2019

Rolnummer: 17/2423/A

In de zaak van:

V. G., wonende te …, …, voorheen gekend onder het ondernemingsnummer …,

EISENDE PARTIJ. vertegenwoordigd door mr. D. M. L., advocaat te …, …;

Tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, handelend ten verzoeke van de eerstaanwezend inspecteur, ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Gent 1, met kantoren te 9050 Gent, Gasten Crommenlaan 6 bus 107,

VERWERENDE PARTIJ, voor wie optreden mevr. D. P. K., fiscaal deskundige bij een fiscaal bestuur en dhr. V. G. J., adviseur bij een fiscaal bestuur;

Vonnist de rechtbank als volgt

1.DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 19 december 2018 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het verzoekschrift op tegenspraak van 5 juli 2017, de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

2.DE VORDERING

De eiser formuleert de vordering als volgt:

"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:

In hoofdorde :

Het bestreden dwangbevel met artikelnummer …, uitgevaardigd op 24 december 2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 december 2009, te vernietigen;

De in het dwangbevel opgenomen vordering van btw, interesten en btw-boete ongegrond te verklaren wegens verjaring.

In eerste subsidiaire orde :

Het bestreden dwangbevel met artikelnummer …, uitgevaardigd op 24 december 2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 december 2009, te vernietigen;

De in het dwangbevel opgenomen vordering van btw, interesten en btw-boete ongegrond te verklaren, aangezien de ambtshalve aanslag overdreven is.

In tweede subsidiaire orde :

Het bestreden dwangbevel met artikelnummer …, uitgevaardigd op 24 december 2009, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24 december 2009, te vernietigen voor wat de btw boete betreft;

De in het dwangbevel gevorderde btw-boete te vernietigen, minstens die te verminderen tot 20% op grond van het evenredigheidsbeginsel.

In elk van de ordes :

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding, vastgesteld op het basisbedrag van … EUR, en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belasting over de toegevoegde waarde, geldboete en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten in toepassing van artikel 91, §4 WBTW, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan [de eiser] aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten."

De verweerder vraagt de vordering van de eiser ongegrond te verklaren en de eiser te veroordelen tot de kosten van het geding.

In subsidiaire orde

In zoverre de vordering van de btw voor het jaar 2005 zou verjaard zijn, de vordering van de btw en de boete voor het jaar 2006 gegrond te verklaren.

Meer subsidiair

Indien de rechtbank de gevorderde boete zou verminderen, de partijen elk te veroordelen tot de eigen kosten van het geding.

3.RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

3.1.

De eiser is sinds 1 oktober 1990 actief als architect en beëindigt deze beroepsactiviteit op 31 december 2006.

In de periode van 1 januari 2005 - 31 december 2006 dient de eiser geen btw-aangiftes in. Niettemin blijkt uit de listing-leveranciers dat hij nog steeds als btw-belastingplichtige goederen en diensten heeft aangekocht. Uit de kennisgeving van aanslag van ambtswege blijkt dat de eiser ook geen aangifte in de personenbelasting over het aanslagjaar 2006 heeft ingediend en er werd een boete voor een tweede overtreding aangekondigd.

Bij aangetekende en gewone brief van 25 april 2008 kondigt de fiscale administratie een controle van de boekhouding aan. Deze zou doorgaan op 13 juni 2008, maar de eiser liet het die dag afweten.

3.2.

Op 16 november 2009 vaardigt de Controle BTW Gent 1 een proces-verbaal uit. De administratie verwittigt de eiser bij brief van 17 november 2009 waaraan het proces-verbaal werd gevoegd, dat de weigering om de boeken en stukken voor te leggen kon leiden tot een geldboete van … euro en een ambtshalve vaststelling van de belasting op basis van de vermoede btw­ omzet in de jaren 2005 en 2006.

De eiser reageert niet op voormelde kennisgeving.

3.3.

Bij aangetekend verzonden brief van 23 december 2009 verzendt de administratie de kennisgeving van de ambtelijke aanslag voor de activiteiten die hij in de jaren 2005 en 2006 uitgeoefend heeft.

De btw-omzet voor het jaar 2005 wordt vastgesteld op basis van de aanslag in de personenbelasting over het aanslagjaar, die bij gebrek aan aangifte werd vastgesteld krachtens artikel 340 WIB92. Concreet wordt uitgegaan van een omzet van … euro en werd de verschuldigde btw berekend op … euro.

De eiser wijst er op dat geen rekening werd gehouden met de uitgaven, zoals die bleken uit de aanslag personenbelasting. De administratie ging uit van de listing-leveranciers die een eindsaldo had van … euro aan aangekochte goederen en diensten.

Voor de btw-omzet voor het jaar 2005 wordt uitgegaan van de verhouding tussen de beroepsinkomsten en -uitgaven in -de btw-aangiftes voor 2003 en 2004, en berekende de administratie een winstmarge van respectievelijk 1,95% en 1,75%, wat neerkomt op een gemiddelde coëfficiënt van 1,85, die werd afgerond naar 1,80. De maatstaf van heffing werd berekend op … euro. Aldus wordt de verschuldigde btw voor het jaar 2006 op … euro bepaald.

Daarnaast wordt wegens ontduiking van belastingen een boete van 200% opgelegd, hetzij … euro.

3.4.

De administratie vaardigt op 24 december 2009 het dwangbevel uit, waarvan de eiser beweert daar op 19 augustus 2010 kennis te hebben van genomen.

De eiser merkt op dat in het dwangbevel verkeerde btw-nummers (BE … en met BE …) zijn opgegeven in plaats van het correcte nummer BE ….

3.5.

Bij aangetekende brief van 28 april 2015 wordt het dwangbevel nogmaals ter kennis gebracht aan de eiser.

3.6.

De administratie verzendt op 6 juni 2017 een notificatie naar de instrumenterende notaris van de eiser, die belast is met de aankoop van een onroerend goed door de eiser.

3.7.

De eiser legt op 5 juli 2017 een fiscaal verzoekschrift neer waarin hij zich verzet tegen voormeld dwangbevel.

4.BESPREKING

1.Over de verjaring van de btw-vordering.

I. De eiser argumenteert dat overeenkomstig artikel 81, eerste lid, WBTW de vordering tot voldoening van de btw, interesten en boeten zijn verjaard na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid ervan zich heeft voorgedaan. Aldus zou volgens de eiser de vordering van de btw, intresten en boeten voor het jaar 2005 zijn verjaard op 1 januari 2009 en voor het jaar 2006 op 1 januari 2010.

De eiser ontkent het dwangbevel van 24 december 2009 ontvangen te hebben. De rechtbank stelt vast dat de administratie dit dwangbevel samen met de kennisgeving op 24 december 2009 voor aangetekende verzending naar de eiser ter post heeft aangeboden en daarvan bewijs levert (stuk 8bis verweerder). De loutere ontkenning vanwege de eiser dat betrokken zending niet werd ontvangen, levert geen afdoende bewijs op. De rechtbank hecht geen geloofwaardigheid aan deze bewering te meer daar de eiser noch na het betekening-bevel van 19 augustus 2010, noch na de aangetekend verzonden aanmaning van 28 april 2015 aan de administratie melding heeft gemaakt dat hij het betrokken dwangbevel niet ontvangen zou hebben.

II. Over de periode 2005:

Met betrekking tot de verjaring van de vordering tot voldoening van de btw van het jaar 2005 voert de verweerder aan dat krachtens artikel 81bis,§1, derde lid, 3° WBTW een zevenjarige verjaringstermijn van toepassing is en dat reeds in de ambtelijke aanslag werd gesteld dat deze gebaseerd is op inlichtingen verkregen uit het fiscaal dossier bij de Controle van de directe belastingen.

De verweerder heeft zich reeds in de ambtelijke aanslag beroepen op de zevenjarige termijn voorzien in artikel 81bis, §1, 3de lid, 3° WBTW. In het bijzonder zou de administratie over een termijn van zeven jaar beschikt hebben ingevolge het verkrijgen van bewijskrachtige gegevens vanwege de controle van de directe belastingen. Uit die gegevens blijkt dat de eiser nagelaten heeft een aangifte in de personenbelasting in te dienen en dientengevolge in toepassing van artikel 340 WIB92 (feitelijke vermoedens) werd belast op basis van de inkomsten en gegevens van de zelfstandige activiteit van het vorig aanslagjaar 2005. De inkomsten werden aldus bepaald op … euro. De verweerder ging uit van eenzelfde omzetcijfer, van waaruit een verschuldigde btw van … euro werd afgeleid.

Ingevolge de omstandigheid dat de eiser belemmerd heeft dat de verweerder de aangekondigde controle kon uitvoeren en hij geen btw-aangiften heeft ingediend voor de periode 2005 kan niet zonder meer aangenomen worden dat de btw-administratie tijdens de gewone driejarige verjaringstermijn (artikel 81, eerste lid, WBTW) kennis had of had moeten kunnen hebben van de gegevens om een ambtelijke aanslag te kunnen vestigen. Van een "eenvoudige controle van de belastingplichtige", zoals de eiser vooropstelt, was in deze geen sprake, gezien het absoluut gebrek aan medewerking vanwege de eiser.

De rechtbank besluit dat de verweerder zich terecht kon beroepen op de zevenjarige verjaringstermijn en dus de vordering tot voldoening van btw voor het tijdperk 2005 niet verstreken was.

III. Over de periode 2006:

Aangezien het dwangbevel van 24 december 2009 de verjaring van de vordering tot voldoening van de btw voor het tijdperk 2006 op regelmatige wijze stuit, is deze vordering evenmin verjaard.

2.Over het beweerde overdreven karakter van de vordering.

De eiser argumenteert dat de bestreden aanslagen overdreven zijn.

Krachtens artikel 66 WBTW kan de ambtshalve aanslag worden opgelegd tot beloop van de belasting die verschuldigd is over het vermoedelijke bedrag van de handelingen gedurende het bedoelde tijdperk.

Artikel 67 WBTW bepaalt dat bij toepassing van artikel 66 WBTW de bedoelde persoon moet bewijzen dat deze aanslag overdreven is.

De eiser heeft het over kosten die vorige aanslagjaren van de omzet zouden afgetrokken zijn en stelt dat de verweerder geen rekening hield met de kosten die in de periode 2005 werden gemaakt. De aanslag zou daarom overdreven en willekeurig zijn.

Het argument van de eiser dat uit de vaststelling dat de belastingplichtige een bepaalde omzet of winstmarge heeft behaald in een eerder jaar, niet kan worden afgeleid dat de exploitatie in de volgende jaren gebeurde onder dezelfde omstandigheden, geldt evenzo voor de kosten. Het is niet omdat de eiser in een eerder tijdperk bepaalde kosten (kosten onderaanneming van een derde-architect) heeft gemaakt, dat daarom zonder meer moet aangenomen worden dat in het bedoelde tijdperk dezelfde of in gelijke verhouding kosten werden gemaakt. De eiser brengt daarvan geen enkel bewijs aan, niettegenstaande niets hem verhindert om de kosten, gemaakt in de periode 2005, voor te leggen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de gevorderde btw-bedragen voor de periodes 2005 en 2006, noch overdreven, noch willekeurig zijn.

3.Over de opgelegde boeten.

De eiser stelt dat de opgelegde btw-boete moet vernietigd, zo niet verminderd worden tot 20% op grond van het evenredigheidsbeginsel. Hij stelt dat de boete een penaal karakter heeft en de rechter deze kan beoordelen.

Krachtens artikel 70, § 1, WBTW bedraagt de boete voor iedere overtreding het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Voor de periode 2005 heeft de administratie een boete van 200%, hetzij 51.412,40 euro opgelegd, omdat zij ervan uitgaat dat het moedwillig niet indienen van kwartaalaangiften gebeurt om de betaling van de btw-vordering te ontlopen en dit een schade berokkent aan de Staat. Zij stelt dat de opgelegde boete in verhouding is met de begane inbreuk en dat, gezien het vermoeden van belastingontduiking, de verminderde administratieve geldboeten, zoals voorzien in artikel 1, in fine van het K.B.nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW niet van toepassing is.

Gelet op het repressief karakter van de boete beschikt de rechter over een toetsingsrecht. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van een zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld.

De rechtbank meent dat de omvang van de boete zich in een redelijke verhouding bevindt met de omvang en de zwaarte van de inbreuk. De halsstarrige weigering om de btw-controle te kunnen laten doorgaan en het volkomen gebrek aan medewerking van de eiser wijzen er op dat de eiser manifest de bedoeling had om zijn btw-verplichtingen te ontlopen en de btw­ bedragen niet af te dragen.

Er is dan ook geen reden om de boete kwijt te schelden of te verminderen.

4.Kosten van het geding.

De eiser moet, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd. De kosten van het geding beperken zich tot de onderstaande kosten.

Bij toepassing van artikel 4, §3, en 5, §§1 en 2, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand wordt een kost van … euro begroot.

Gezien de verweerder geen beroep heeft gedaan op een advocaat, kan hij geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding laten gelden:

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, recht doende op tegenspraak,

Met inachtneming van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken;

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend;

Verklaart de vordering ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het dwangbevel met RCIV-nummer ….

Veroordeelt de eiser tot de kosten van het geding, te begroten op:

-… euro Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op woensdag 20 februari tweeduizend negentien, waar aanwezig waren…

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 81bis4 voorkomens
WBTW art. 663 voorkomens
WBTW art. 672 voorkomens
WBTW art. 812 voorkomens
WBTW art. 701 voorkomen
WBTW art. 911 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8