---
title: "Onroerende verhuur, verlegging van de heffing · Hof van Cassatie van België, 23 december 2016, F.15.0083.N"
description: "Onroerende verhuur, verlegging van de heffing, recht op aftrek, nietigverklaring dwangbevel. Hof van Cassatie van België, 23 december 2016, F.15.0083.N."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-onroerende-verhuur-cassatie-brussel-2016-12-23-9c99"
lang: "nl"
---

# Onroerende verhuur, verlegging van de heffing, recht op aftrek

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Rolnummer**

F.15.0083.N

**Datum**

23 december 2016

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

104 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 23.12.2016 (F.15.0083.N)

\[Gunstig voor de administratie\]

Belasting op de toegevoegde waarde – onroerende verhuur – verlegging van de heffing – recht op aftrek – nietigverklaring dwangbevel - openbare orde karakter van fiscale wetten

## Wettelijke bepalingen

[Art. 44, § 3, 2° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44); [art. 45 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45); [art. 85 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85)

[Art. 20, § 4 van het Koninklijk Besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) van 29 december 1992

Art. 6 BW

## Samenvatting van de feiten

De belastingplichtige is voor btw-doeleinden geregistreerd als projectontwikkelaar in de woningbouw. Tijdens een btw-controle werd vastgesteld dat de uitgeoefende activiteit uitsluitend de vrijgestelde onroerende verhuur van bedrijfspanden omvatte. Door zich te gedragen als een gewone btw-belastingplichtige, indiener van btw-aangiften, heeft de belastingplichtige facturen ontvangen met de verlegging van heffing. Voor welbepaalde facturen werd de verschuldigde btw opgenomen in de periodieke aangifte en onmiddellijk in aftrek gebracht. Het recht op aftrek werd verworpen door de Administratie op grond van [artikel 45, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). De verschuldigde btw werd nagevorderd door de Administratie op grond van [artikel 20, § 4 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d).

Zowel de rechter in eerste aanleg als later de beroepsrechter, stellen dat het proces-verbaal een tegenstrijdige motivering bevat, omdat het onmogelijk is om te stellen dat een belastingplichtige enerzijds vrijgesteld was, en dus geen periodieke aangiften indient, en anderzijds niet in regel was met art. 20, §§ 1 en 4 van het KB 1. Het hof van beroep bevestigt het bestreden vonnis van eerste aanleg, waarbij het dwangbevel nietig verklaard werd. De daarin opgenomen bedragen zijn nietig en de reeds betaalde sommen dienen door de Belgische Staat terugbetaald te worden.

Beslissing van het Hof

De fiscale wet raakt de openbare orde. Behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, dient de rechter te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door partijen worden gesteld.

Hieruit volgt dat wanneer de belastingplichtige betreffende een btw geschil niet alleen de nietigverklaring van het dwangbevel vordert, maar ook de terugbetaling van reeds betaalde sommen, de rechter die het dwangbevel nietig verklaart, ook moet oordelen over het bestaan van de btw-schuld.

De rechter kan de terugbetaling van de btw-schuld niet bevelen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd is. De nietigverklaring van het dwangbevel impliceert immers niet dat de belasting onverschuldigd werd betaald. De rechter dient hierbij rekening te houden met de door de partijen aangevoerde gevolgen van de nietigverklaring van het dwangbevel, onder meer op het vlak van de verjaring.

Na te hebben geoordeeld dat het dwangbevel door de eerst rechter terecht nietig werd verklaard wegens tegenstrijdige motivering oordelen de appelrechters dat zij de zienswijze dat de rechter de terugbetaling niet kan bevelen zonder te hebben nagegaan of de belasting al dan niet verschuldigd is, niet bijtreden aangezien deze een aantal onverwachte gevolgen heeft.

De rechter die over het bestaan van de belastingschuld moet oordelen zou dan met geen enkel vormvoorschrift nog rekening moeten houden en de verjaring zou buiten werking gesteld worden.

Op die gronden bevestigen zij de veroordeling van de administratie tot terugbetaling van de eventueel in uitvoering van het dwangbevel betaalde btw, zonder te hebben nagegaan of de btw al dan niet verschuldigd was.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het Hof vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de terugbetaling van de belasting en de kosten.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 23.12.2016**

**(F.15.0083.N)**

**BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-directeur, met kantoor te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24, bus 28, eiser, vertegenwoordigd door mr. … , advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te … ,

tegen

**T. nv**, met zetel te 1780 Wemmel, de Limburg Stirumlaan 71, verweerster, met als raadsman mr. Stefan Sablon, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Verenigingstraat 57-59, waar de verweerster woonplaats kiest.

## I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 november 2014.

Waarnemend procureur-generaal Dirk Thijs heeft op 31 mei 2016 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Waarnemend procureur-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

## II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

## III. BESLISSING VAN HET HOF

### Beoordeling

1\. De fiscale wet raakt de openbare orde. Behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, dient de rechter bijgevolg, ongeacht de nietigheid van de administratieve akte, zelf in feite en in rechte te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld.

Hieruit volgt dat wanneer de belastingplichtige in een geschil betreffende de belasting over de toegevoegde waarde niet alleen de nietigverklaring van het dwangbevel zoals bedoeld in [artikel 85 Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) vordert, maar ook de terugbetaling van de door hem reeds betaalde sommen, de rechter die het dwangbevel nietig verklaart moet oordelen over het bestaan van de btw-schuld.

De rechter kan de terugbetaling van de btw-schuld niet bevelen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd is. De nietigverklaring van het dwangbevel impliceert immers niet dat de belasting onverschuldigd werd betaald. De rechter dient hierbij rekening te houden met de door de partijen aangevoerde gevolgen van de nietigverklaring van het dwangbevel, onder meer op het vlak van de verjaring.

2\. Na te hebben geoordeeld dat het dwangbevel van 22 november 2007 door de eerste rechter terecht nietig werd verklaard wegens tegenstrijdige motivering, oordelen de appelrechters dat:

\- zij de zienswijze dat de rechter de terugbetaling van een belasting niet kan bevelen zonder te hebben nagegaan of de belasting al dan niet verschuldigd is, niet bijtreden aangezien deze een aantal onverwachte gevolgen heeft;

\- deze zienswijze namelijk tot gevolg heeft dat de rechter, die over het bestaan van de belastingschuld moet oordelen, met geen enkel vormvoorschrift nog rekening zou moeten houden;

\- ook de verjaring buiten werking zou worden gesteld aangezien het niet de minste rol meer zou spelen dat een nietig dwangbevel de verjaring niet stuit;

\- op het vlak van de directe belastingen de artikelen 355 en 356 WIB92 geen zin meer zouden hebben aangezien er toch, wanneer de aanslag nietig wordt ver-klaard, ten gronde moet worden onderzocht of er al dan niet belasting verschuldigd is.

### Beschikkend gedeelte

Op die gronden bevestigen zij de veroordeling van de eiser tot terugbetaling van de eventueel in uitvoering van het dwangbevel betaalde btw, zonder te hebben nagegaan of de btw al dan niet verschuldigd was.

Door aldus te oordelen verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

## Dictum

**Het Hof,**

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de terugbetaling van de belasting en over de kosten.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit …

Ondertekeningen

### Door de FOD bijgevoegd stuk

## Voorziening in Cassatie

VOOR de BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit, sector btw, vertegenwoor-digd door de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat, 12, voor wie optreedt : Mevr. Nancy Picavet, Adviseur-Directeur, Zwartzustersvest 24 bus 28, 2800 te Mechelen Bijgestaan en vertegenwoordigd door Meester Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar keuze van woonplaats wordt gedaan, eiser in cassatie,

TEGEN :

de NV T., met maatschappelijke zetel te 1780 WEM-MEL, de Limburg Stirumlaan 71, ingeschreven bij de de KBO met als on-dernemingsnummer 0430.048.906 verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer het arrest aan Uw toezicht te onderwerpen dat op 26 november 2014 op tegenspraak werd gewezen door de fiscale kamer «6D» van het Hof van Beroep te Brussel (2010/AR/2596).

FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Verweerster in cassatie, de NV T. werd geregistreerd als btw-belastingplichtige onder het nummer BE 0430.048.906 voor de door haar verklaarde btw-activiteit van ‘projectontwikkeling voor woningbouw'.

Tijdens btw-nazicht werd echter vastgesteld dat de uitgeoefende activiteit door de NV T. uitsluitend de verhuur van bedrijfspanden omvatte.

Aangezien de activiteit van onroerende verhuur vrijgesteld is van btw zoals bepaald in [artikel 44, § 3, 2° van het WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), is de NV T. een btw-belastingplichtige zonder recht op aftrek, en werd het btw-nummer van de NV T. met ingang van 01 januari 2008 doorgehaald. Op grond van de bepaling van [artikel 45,§1 van het WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) verlenen vrijgestelde handelingen geen recht op aftrek van btw.

Er werden tevens inbreuken vastgesteld op de toepassing van de verlegging van heffing van btw ([artikel 51,§§1 en 4, KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c), art.20).

Door zich te gedragen als een gewone btw-belastingplichtige die aangiften indient, en het recht op aftrek enkel uit te oefenen m.b.t. welbepaalde handelingen, namelijk op ontvangen werken in onroerende staat, heeft NV T. de betreffende diensten geheel onterecht doch zeer doelbewust belastingvrij ontvangen, en aldus behouden. De NV T. liet zich facturen uitreiken waarbij de verlegging van heffing op grond van [artikel 20 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) werd toegepast. Ze heeft zich de facto gedragen als belastingplichtige met recht op aftrek, terwijl dit niet het geval was. De ontvangen diensten zijn dus onbelast gebleven.

Op basis van art.51bis blijft de btw verschuldigd.

De door de NV T. ten onrechte afgetrokken btw én de overtredingen op de toepassing van de verlegging van heffing werden opgenomen in een regularisatieopgave die op 17 juli 2007 aan belastingplichtige werd toegestuurd.

Bij gebrek aan akkoord werd de regularisatieopgave omgezet in een proces-verbaal d.d. 12 november 2007. Door de rekenplichtige van het btw-Ontvangkantoor van Halle werd op grond van dit proces-verbaal op 12 november 2007 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 27 november 2007 uitvoerbaar verklaard werd door de wd. eerst-aanwezend inspecteur van de btw te Brussel-omtrek, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Mechelen

Blijkens dit dwangbevel is de NV T. verschuldigd aan de Belgische Staat:

btw euro 98.866,96, een geldboete wegens niet-tijdige betaling van de btw euro 197.733,92, te vermeerderen met de interest van 0,8 % per maand vertraging te berekenen op de verschuldigde btw en de moratoire interesten te berekenen op de nog verschuldigde boeten vanaf de betekening van het dwangbevel.

Het dwangbevel werd bij exploot van 06 december 2007, samen met de processen-verbaal d.d. 9 maart 2007 en 12 november 2007 en de kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn d.d. 19 juni 2007 aan de NV T. betekend.

Op 13 december 2007 werd door tegenpartij een verzoekschrift op tegenspraak ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel neergelegd.

Bij vonnis dd. 17 juni 2009 uitgesproken voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, werd de vordering van verweerster, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard.

De Belgische Staat legde vervolgens een akte van hoger beroep neer ter griffie van het Hof van Beroep te Brussel, op 22 september 2010 tegen voornoemde uitspraak .Het bestreden arrest van 26 november 2014 bevestigt het eerdere vonnis en oordeelt dat het dwangbevel van 27 november 2007 nietig was wegens tegenstrijdigheden in de motivering van het proces-verbaal, dat aan de basis ligt van het betwiste dwangbevel.

ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

Geschonden wetsbepalingen:

\- het algemeen rechtbeginsel van openbare orde van de fiscale wetten;

\- artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek;

\- de artikelen 632, 1068, eerste lid, en 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek

\- de artikelen [85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) en [86](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-86) van het BTW-wetboek;

Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest doet het beroepen vonnis teniet en, opnieuw recht doende, willigt het de oorspronkelijke vordering van eiseres in als volgt:

\- verklaart het dwangbevel van 27 november 2007 nietig;

\- beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden betaald of ingehouden, verhoogd met de intresten vanaf het gedinginleidend verzoekschrift;

\- veroordeelt eiser tot de kosten.

Het bestreden arrest besluit tot de nietigheid van het dwangbevel op grond van de volgende overwegingen :

> "Terecht oordeelde de eerste rechter dat het onmogelijk is om te zeggen dat de geïntimeerde enerzijds vrijgesteld is van de btw (en dus niet als btw-belastingplichtige kan geregistreerd worden, en dus geen aangiften moest indienen) en anderzijds niet in regel was met art. 20 §§ 1 en 4 van het KB 1".

(arrest, punt 3, p.6).

Het systeem van verlegging van de heffing is enkel van toepassing bij belastingplichtigen die periodieke aangiften indienen.

De rechter verwerpt de vordering van de administratie om de belastingschuld voor echt te verklaren.

Grieven:

De belasting raakt de openbare orde zodat de gerechtelijke rechtscolleges, ook in graad van beroep, zelf in feite en naar recht uitspraak moeten doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de grond van nietigheid van de beslissing van de administratie.

Een dwangbevel vormt een titel waarin de belastingschuld wordt geconcretiseerd bij niet spontane betaling van de verschuldigde belasting, en kan tevens gelden als uitvoerbare titel op grond waarvan de belastingschuld kan worden ingevorderd. Waar inzake btw de belastingschuld van rechtswege krachtens de wet ontstaat, los van het uitvaardigen van een dwangbevel, kan een eventuele onregelmatigheid van het dwangbevel het bestaan zelf van de belastingschuld niet aantasten.

Wanneer de rechter een dwangbevel inzake btw vernietigt, bijv. wegens de schending van de Wet Motivering Bestuurshandelingen, dan moet de rechter zich zelf uitspreken over het bestaan van de belastingschuld, waarbij zijn beslissing als uitvoerbare titel kan gelden voor de administratie.

Het bestreden arrest verklaart het litigieuze dwangbevel van 27 november 2007 nietig wegens gebrek aan motivering in de zin van de Wet Motivering Bestuurshandelingen en beveelt de terugbetaling van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden betaald of ingehouden, doch laat na zich uit te spreken over het bestaan en het verschuldigd zijn van de belastingschuld die het voorwerp uitmaakte van het vernietigde dwangbevel.

Hieruit volgt dat de appelrechters, die aldus geen uitspraak doen over het aan hen voorgelegde geschil betreffende het bestaan en het verschuldigd zijn van de litigieuze btw-schuld, en zich zonder meer beperken tot het nietig verklaren van het niet-gemotiveerde dwang-bevel, deze beslissing niet naar recht hebben verantwoord (schending van het algemeen rechtbeginsel van openbare orde van de fiscale wetten, de artikelen 6 van het Burgerlijk Wetboek, 632, 1068, eerste lid, en 1138, 3° van het Gerechtelijk Wetboek, 85 en 86 van het BTW-wetboek).

TOELICHTING

Aangezien de belasting de openbare orde raakt moeten de gerechtelijke rechtscolleges zelf in feite en naar recht uitspraak doen binnen de perken van het hen voorgelegde geschil omtrent een belastingschuld, ongeacht de nietigheid van de beslissing van de administratie (Cass., 3 maart 2011, F.080082.F/1 en Cass., 22 mei 2014, [F.12.0188.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-motivering-openbare-orde-terugbetaling-cassatie-brussel-2014-05-22-2961)). De rechter in beroep maakt hierover de volgende be-merking in zijn arrest: "Het lijkt erop dat de advocaat-generaal in zijn advies bij het arrest van 3 maart 2011 andere rechtspraak uit haar verband heeft gerukt en heeft toegepast op een hypothese die niet ten gronde lag aan die oude rechtspraak", en houdt dus geen rekening met voorgaande arresten.

Het bestreden arrest dat het dwangbevel nietig verklaarde en ver-weerster dienvolgens ontsloeg van de betaling van de in het dwang-bevel gevorderde bedragen, zonder zich uit te spreken over het be-staan van de belastingschuld, verantwoordde bijgevolg zijn beslis-sing niet naar recht.

OM DEZE REDENEN,

Besluit voor eiser ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden ar-rest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht.

G.d.F.

advocaat bij het Hof van Cassatie

## Aangehaalde teksten

6

[KB nr. 1 art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) 4 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 4 voorkomens

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 4 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 1 voorkomen

[WBTW art. 86](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-86) 1 voorkomen

## Rechtspraak

10

### België

10

Hof van Cassatie F.21.0056.N 24.03.2023

#### [Fiscale geldboete, Evenredigheid, Genaderecht, fiscale boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10)

Hof van Cassatie 27.09.2019

#### [Recht op aftrek, Onroerend goed, Oprichtingskosten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onroerend-goed-oprichtingskosten-cassatie-brussel-2019-09-27-69ce)

Hof van beroep te Gent 01.04.2025

#### [Substitutie van motieven, Feitelijke vermoedens, Plaats van de dienst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/substitutie-motieven-feitelijke-vermoedens-plaats-hof-van-beroep-gent-2025-04-01-106e)

## Administratieve doctrine

1

[Fiches van de administratieve commentaar 1](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-onroerende-verhuur-cassatie-brussel-2016-12-23-9c99/documenten?type=commentaar)

[Bekijk de 11 documenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-onroerende-verhuur-cassatie-brussel-2016-12-23-9c99/documenten)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Overeenstemming met het unierecht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-overeenstemming-unierecht-rechtbank-brussel-2022-12-21-5d36) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlegging van de heffing, Toepassingsvoorwaarden, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlegging-heffing-toepassingsvoorwaarden-bewijslast-rechtbank-brussel-2024-12-06-2b65) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bakkerij, Verhuur, Gemengde belastingsplichtige, onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bakkerij-verhuur-gemengde-belastingsplichtige-bakker-rechtbank-2025-11-06-cde0) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, onroerende werken, onroerende verhuur, vrijgestelde handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onroerende-werken-verhuur-hof-van-beroep-brussel-2015-10-15-c01b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoteluitbating, Renovatiewerken, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoteluitbating-renovatiewerken-recht-aftrek-overeenkomst-rechtbank-brussel-2012-10-03-20bf) 3 gemeenschappelijke bepalingen
