---
title: "Belasting over de toegevoegde waarde ; controlemaatregelen ; toegang tot bedrijfslokalen · Hof van beroep te Antwerpen, 4 december 2012, 2011/AR/2372"
description: "Belasting over de toegevoegde waarde ; controlemaatregelen ; toegang tot bedrijfslokalen. Hof van beroep te Antwerpen (België), 4 december 2012, 2011/AR/2372."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-controlemaatregelen-toegang-hof-van-beroep-antwerpen-2012-12-04-e81b"
lang: "nl"
---

# Belasting over de toegevoegde waarde ; controlemaatregelen ; toegang tot bedrijfslokalen

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Rolnummer**

2011/AR/2372

**Datum**

4 december 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

205 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen dd. 04.12.2012 (2011/AR/2372)

WF 711-15-09/007618

\[Ongunstig voor de administratie\]

*belasting over de toegevoegde waarde ; controlemaatregelen ; toegang tot bedrijfslokalen ; meenemen documenten ; schending van het privéleven ; machtiging politierechter*

## Wettelijke bepalingen

Art. 61, § 1, 62 en 63, eerste, tweede en derde lid WBTW; art. 319, tweede lid, in fine, WIB92;

Art. 148 Sw;

Antigoon-arrest van 4 oktober 2003 (Cass. AR S.07.0073.N)

## Samenvatting

De belastingplichtige is uitbater van een restaurant. Bij een controle van de bedrijfskeuken werd door de btw-ambtenaren gevraagd om de boekhouding in te kijken. Daarop werden de ambtenaren, met toestemming van de belastingplichtige naar een lokaal geleid dat zowel op een living leek als op een kantoor. Op vraag van de verbalisanten werd een ringmap met overzichten van economische handelingen per dag voor de jaren 2002 tot en met 2005 overhandigd. Na opmaak van proces-verbaal werden 63 documenten meegenomen. Op basis van een vergelijking tussen die documenten en de reeds belaste omzetcijfers van de belastingplichtige werd een meeromzet berekend, een dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

De administratie is ten onrechte van mening dat het onderzoek een toepassing is van [art. 61, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61), volgens hetwelk de belastingplichtige verplicht is om boeken, facturen en andere stukken ter plaatse voor te leggen. Zelfs als vermoed wordt dat er belastbare handelingen worden verricht is voor de betreding van bewoonde lokalen, de machtiging van de politierechter nodig. De administratie stelt echter dat de belastingplichtige vrijwillig meeging naar de privévertrekken. Er zou dus geen inbreuk zijn op de onschendbaarheid van de woning.

De administratie wees ook op volgende passage in arrest van Cassatie (AR P.07.1878.N, Cass. 11 maart 2008, www. cass.be): “...dat art. 319, tweede lid, in fine WIB92 (de tegenhanger van [art. 63, derde lid, in fine WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63)) niet belet dat een ambtenaar van de administratie der directe belastingen, die geen houder van een machtiging van de politierechter is, met het oog op een fiscale visitatie toegang heeft tot een particuliere woning, wanneer dit met de toestemming van de bewoner geschiedt”.

Het hof van beroep oordeelt dat dit arrest niet kan ingeroepen worden. Dit arrest betrof het art. 148 Sw., dat iedere ambtenaar van de administratieve of rechtelijke orde of agent van de openbare macht strafbaar stelt die, in die hoedanigheid optredend, in de woning van een ingezetene binnendringt tegens diens wil. Het Hof van Cassatie oordeelde enkel dat het betreden van de woning met toestemming van de bewoner het misdrijf in art. 148 Sw. niet kan opleveren. Dit arrest vormt geen beoordeling van de vraag of de particuliere woning zonder machtiging van de politierechter, doch met de toestemming van de bewoner, een inbreuk maakt op artikel 319 WIB92 ([art. 63, derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63)).

Bovendien kan men zich de vraag stellen in hoever de belastingplichtige werkelijk toestemming heeft gegeven tot visitatie. Het is slechts omdat de ambtenaren erop stonden om naar de ruimte te gaan waar de boekhoudkundige stukken zich bevonden dat de belastingplichtige hen is voorgegaan naar het andere gebouw. Dit is geen volwaardige toestemming. De stukken werden onrechtmatig verkregen.

De administratie is van mening dat, zelfs al werd een bewijselement onrechtmatig verkregen, dit element slechts mag geweerd worden, wanneer er sprake is van een schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde, wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of wanneer het gebruik van dit bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces (Antigoon). Het hof van beroep oordeelt dat de documenten, waarop de navordering van de btw is gebaseerd, werden bekomen met schending van [art. 63, derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63). De vordering van de Belgische Staat is onwettig.

## Houding Belgische Staat

De Belgische staat heeft berust in het arrest. Het hof van beroep doet hier een feitenweging waartoe geen cassatiemiddel open staat

Tekst van het arrest

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen

**dd. 04.12.2012**

**(2011/AR/2372)**

DE BELGISCHE STAAT,vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Inning en invordering BTW (voorheen Administratie van de BTW, registratie en domeinen), in de persoon van de waarnemend eerstaanwezend inspecteur, optredend als rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Hasselt I, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 46 eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door **Mr. V. L. D. J. A.**, advocaat te …, … tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 17 november 2010

tegen

1\. D. H.,

2\. V. G. N..beiden wonende te …, … verweerders in hoger beroep,vertegenwoordigd door Mr. G. P., advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 17 november 2010, dat op verzoek van **H. D.** en **N.V. G.** werd betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 25 juli 2011, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 5 augustus 2011, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

1\. Voorafgaande feiten en procedure

1\. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting betreft een verzet tegen het dwangbevel, uitgevaardigd door F. H. van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt op 4 december 2007, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **J. V. L.** van de gewestelijke directie van de administratie van de B.T.W. te Hasselt op 5 december 2007 (stuk 71 administratie) en aangetekend verstuurd op 7 december 2007.

De belastingplichtigen zijn uitbaters van Hoeve **D.**, een restaurant-feestzaal in Riemst. Tot 1 april 2005 werd Hoeve **D.** uitgebaat door de belastingplichtigen als natuurlijk persoon (BTW-nummer …). Vanaf die datum werd de uitbating waargenomen door B.V.B.A. **D.** (BTW-nummer …).

1.2. Onderzoek, processen-verbaal en dwangbevel.

Op 24 november 2005 vond op Hoeve **D.** een onaangekondigd bezoek plaats van twee ambtenaren van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (hierna AOIF) van Hasselt. De betrokken ambtenaren namen hun bevindingen op in een proces verbaal van 29 november.

In dit proces verbaal (stuk 1 administratie) werd gesteld dat de heren **E. N.** en **B. S.**, ambtenaren van de AOIF, zich op 24 november 2005 onaangekondigd hadden aangeboden bij Hoeve **D.**en dat ze daar te woord werden gestaan door **H. D.** en zijn echtgenote **N. V. G.**. Er werd verwezen naar de artikelen 61, §1, 63 en 62, §1 W.B.T.W.

De verbalisanten vervolgden :

> "Tijdens de personeelscontrole die we uitvoerden in de bedrijfskeuken., waarvan we een apart proces verbaal hebben gemaakt, kwam mevrouw **V. G. N.**, voornoemd, ook de keuken binnen met een personeelsregister in haar hand. Ze vroeg of we nog andere stukken wilden inzien. We vroegen haar om de boekhouding in te kijken van het bedrijf. Hierop vroeg ze welke stukken we concreet wensten in te kijken zodat ze deze stukken kon gaan halen daar deze privé lagen. We deelden haar mede dat we naar wilden gaan waar de boekhouding wordt gevoerd en zich de boekhoudkundige stukken bevonden. Terwijl we naar deze ruimte gingen vertelde ze ons dat de éénmanszaak ondertussen was overgegaan naar een BVBA en dit sinds april 2005 en dat om die reden heel wat boekhoudkundige stukken bij de externe boekhouder waren. Ter gelegenheid van deze overstap werd volgens haar ook het boekhoudpakket "Briljant"' in gebruik genomen. Ze verklaarde dit boekhoudpakket nog niet voldoende onder de knie te hebben zodat voorlopig de externe boekhouder de gegevens in dit pakket invoert, wat de verklaring was waarom heel wat boekhoudkundige stukken bij de externe boekhouder waren.
>
> Ondertussen hadden we het gebouw verlaten en kwamen we voor de deur van een ander bijgebouw. Mevrouw **V. G. N.**, voornoemd, verzocht ons daar om even in de hal te wachten daar ze eerst de hond uit het aanpalende lokaal wou verwijderen. Nadat ze dit had gedaan liet ze ons in deze ruimte binnen. In deze ruimte, van naar schatting 9 op 9 meter, was zowel een gedeelte dat voor ons op een living leek als een kantoor aanwezig. Links achteraan in deze ruimte was het kantoor gevestigd. We ramen de grootte van dit kantoor op 2 op 5 meter. Het kantoor had geen andere ingang. Tegen de lange muur stond een lang werkblad waarop twee desktop computers stonden. Voor dit bureel stonden twee bureaustoelen. Er was ook een lange hangkast tegen de muur in dit kantoor. Een faxtoestel evenals een papierversnipperaar stonden aan de rechterzijde in dit kantoor. "

Mevrouw **V. G.** overhandigde de verbalisanten een factuur van de B.V.B.A. uit een map, die ze nam uit een kast met openstaande schuifdeuren die boven het bureel hing. Ze overhandigde op vraag van de verbalisanten ook meteen het dagontvangstenboek en het kasboek. Ze legde ook een kladkasboek voorr bijgewerkt tot 21 november 2005.

De verbalisanten stelden verder vast :

> "Op het werkblad in dit kantoor lagen onder meer volgende stukken :
>
> Bonnen met hoofding Hoeve **D.** waarop manueel onder meer dranken werden genoteerd. (...)
>
> Op het bureel lagen ook bladen waarop reservaties met klanten voorkwamen en dit van onder meer december 2005 en april 2006.
>
> Enerzijds waren dit handgeschreven documenten, anderzijds faxberichten (... )"

Verderop in het proces verbaal werd het volgende weergegeven :

"**N. E.**, voornoemd, wees een ringmap aan waarop, op de rug ervan, "2004” vermeld stond en die zich in de hangkast boven het bureel bevond. Hij vroeg mevrouw **V. G. N.**, voornoemd" or daarin de uitgaande facturen van het jaar 2004 staken.

Hierop schoof ze de linker schuifdeur van deze kast een tiental centimeter naar rechts en nam een ander ringmap. **N. E.**, voornoemd, vroeg **V. G. N.**, voornoemd, waarom ze de schuifdeur wat meer dicht schoof en of hierachter soms iets stond wat we niet mochten zien. **N. E.**, voornoemd, schoof deze deur terug in zijn oorspronkelijke positie en nam daar een ringmap uit. Hij kon vaststellen dat vooraan in deze map een overzicht stak van het jaar 2002 tot en met een augustus 2005. Daarachter staken 62 documenten met overzichten per dag. Dan kwam er terug een overzicht voor van de jaren die vooraf gingen aan het jaar 2002.

We deelden mevrouw **V. G. N.**, voornoemd, mede dat we deze eerste 63 documenten die voorkwamen in deze map zouden behouden. Mevrouw **V. G. N.**, voornoemd, drong een aantal malen aan om deze documenten terug te krijgen. **N. E.**, voornoemd, stelde in verband met het behouden van deze documenten een proces-verbaal op op naam van BVBA Hoeve **D.** en vroeg mevrouw **V. G. N.**, voornoemd, een kopie voor de BVBA te maken van dit proces-verbaal. Ze maakte gebruik van het faxtoestel om deze kopie te maken.

(...) We hebben diezelfde dag op ons kantoor deze stukken ingekeken en konden vaststellen dat deze cijfers hoofdzakelijk betrekking hadden op de éénmanszaak van de heer **D. H.**. (...)

We hebben op ons kantoor de cijfers die voorkwamen op het overzicht van de jaren 2002 tot en met het eerste kwartaal 2005 vergeleken met de BTW-aangiften die werden ingediend op naam van de éénmanszaak.

Dit resulteerde in het volgende :

| Jaar |  | Omzet volgens BTW-aangiften | Omzet volgens kladbladen | Verschil |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| 2005 (1ste kw) | Omzet excl. BTW | 125286,4 |  |  |
|  | BTW | 26310,08 |  |  |
|  | Totaal | 151596,48 | 175545,52 | 23949,04 |
| 2004 | Omzet excl. BTW | 582204,04 |  |  |
|  | BTW | 122262,92 |  |  |
|  | Totaal | 704467,32 | 989246,19 | 284778,87 |
| 2003 | Omzet excl. BTW | 486212,76 |  |  |
|  | BTW | 102104,68 |  |  |
|  | Totaal | 588317,44 | 989877,38 | 401559,94 |
| 2002 | Omzet excl. BTW | 322777,91 |  |  |
|  | BTW | 67783,36 |  |  |
|  | Totaal | 390561,27 | 953457,06 | 562895,79 |
|  |  |  | Totaal Verschil : | 1.273.183,64 |

Dit proces verbaal, dat inventarisnummer 1/1/2006 kreeg, werd op 27 november 2006 aangetekend verzonden naar de belastingplichtigen (stukken 2 en 3 administratie).

In deze brief van 27 november 2006 deed de administratie ook kennisgeving in toepassing van artikel 84ter W.B.T.W. van vermoedens van belastingontduiking tijdens de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 met betrekking tot de door de belastingplichtigen uitgeoefende handelsuitbating. Er werd aangekondigd dat toepassing zou worden gemaakt van artikel 81bis, §1, tweede lid W.B.T.W. wat betreft het BTW-nazicht over de jaren 2002, 2003 en 2004 dat op 25 oktober 2006 werd aangevangen.

Er werd tevens meegedeeld dat de 63 kladbladen, die op 24 november 2005 bij toepassing van artikel 61, §2 W.B.T.W. werden behouden tegen afgifte van een ontvangstbewijs, verder zouden worden behouden, zolang de taxatieprocedure dit vereiste.

**J. X.**, fiscaal deskundige bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, die op 26 november 2007 een proces verbaal opstelde, maakte daarin melding van het feit dat hij zich op 25 oktober 2006, na voorafgaande schriftelijke aankondiging en voorzien van zijn aanstellingsbewijs bij de belastingplichtige had begeven teneinde een controle uit te voeren betreffende de juiste toepassing van de BTW-wetgeving en BTW-reglementering over de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2004.

Verbalisant **J.** vervolgde : *''Aan de hand van de mij voorgelegde boeken en bescheiden en van de stukken voorhanden in het btw-dossier van belastingplichtige, waaronder het proces-verbaal van 29.11.2005* van de opsporingsambtenaren **N.** en **S.** en de 63 op 24.11.2005 bij belastingplichtige aangetroffen boekhoudkundige geschriften, en tevens aan de hand van een raadpleging van de gegevens vermeld in de door belastingplichtige met betrekking tot de jaren 2002 tot en met 2005 ingediende aangiften inzake personenbelasting met bijgevoegde winstafrekeningen, en alsmede op grond van de door mij gedane vaststellingen, heb ik de hierna vermelde overtredingen vastgesteld”.

Meer bepaald stelde hij dat de gegevens, vermeld op de 62 bladen, na het "verzamelblad", die op 24 november 2005 werden meegenomen, een volledig detail van de gerealiseerde ontvangsten betroffen van de ontvangsten van het restaurant en de feestzaal in de periode van 1 januari 2005 tot en met 11 november 2005. De totalen op die bladen stemden overeen met de maandelijkse inschrijving op het "verzamelblad" in de betreffende kolom van het jaar 2005.

De verbalisant vervolgde :

> "Een vergelijking van de op het voormelde "verzamelblad'' terug te vinden omzetcijfers met betrekking tot de periode van 01.01.2002 tot 31.03.2005 met de in hoofde van belastingplichtige reeds belaste omzetcijfers voor deze periode, wijst uit dat niet alle ontvangsten werden aangegeven door belastingplichtige en dat de op deze niet-aangegeven ontvangsten betrekking hebbende verschuldigde btw evenmin werd afgedragen aan de Staat”.

De verbalisant maakte vervolgens een vergelijking tussen :

\- de aan te geven omzet, bestaande uit :

§ de bedragen vermeld op het "verzamelblad", waarbij hij ervan uitging dat het ging om de werkelijke ontvangsten, inclusief BTW;

§ de bijkomend aan te geven "doorgerekende voordelen", zoals vermeld in de samen met de aangiften inzake personenbelasting door de belastingplichtige ingediende winstafrekeningen;

\- de reeds belaste omzet met betrekking tot de jaren 2002, 2003, 2004 en tot het eerste kwartaal van 2005, verminderd met de in de BTW-aangiften van 2003 aangegeven omzet met betrekking tot het jaar 2001 en verhoogd met een reeds geregulariseerde omzetverhoging voor het jaar 2002;

Deze vergelijking gaf als resultaat een te weinig aangegeven omzet, exclusief B.T.W. met betrekking tot de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005 van 1.040.876,71 EUR.

Aldus was volgens de verbalisant verschuldigd :

\- als B.T.W. : 218.584,11 EUR

\- als administratieve geldboete : 437.168,22 EUR, hetzij 2x de verschuldigde rechten

\- als Interesten : 0,8% per maand over 218.580,00 EUR.

Op 4 december 2007 werd een dwangbevel uitgevaardigd voor deze bedragen, te vermeerderen met de moratoire interesten en de vervolgingskosten. Dit dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 december 2007 (stuk 71 administratie) en bij aangetekende brief van 7 december 2007 ter kennis gebracht van de belastingplichtigen (stuk 72 administratie).

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

De belastingplichtigen legden een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 4 januari 2008. Ze verzochten om het proces verbaal van 26 november 2007 en het dwangbevel van 7 december 2007 nietig te verklaren en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

Bij tussenvonnis van 9 december 2009 werden de debatten heropend. De eerste rechter stelde immers vast dat bij aangetekende brief van 27 november 2006 overeenkomstig artikel 84ter W.B.T.W. was medegedeeld dat toepassing zou worden gemaakt van artikel 81bis, §1, tweede lid W.B.T.W., terwijl het BTW-onderzoek over de jaren 2002, 2003 en 2004 reeds was gestart op 25 oktober 2006. Aan partijen werd gevraagd om hierover standpunt in te nemen.

Er werd bijkomend geconcludeerd.

De eerste rechter ging in haar eindvonnis van 17 november 2010 na of de controle van 24 november 2005 in het kader van de B.T.W.-wetgeving regelmatig was gebeurd. Daarbij werd eerst onderzocht of het de opsporingsambtenaren toegestaan was om de ruimte, die door de belastingplichtigen werd aangeduid als zijnde de privéwoonst te betreden op grond van artikel 63 W.B.T.W.

Na onderzoek·van de feitelijke omstandigheden van het gevoerde onderzoek, besloot de eerste rechter dat de controleambtenaren met miskenning van artikel 63 W.B.T.W. en derhalve op onwettige wijze de privéwoonst van de belastingplichtigen hadden betreden.

Zij hadden deze privéwoonst betreden zonder machtiging van de politierechter, ondanks het feit dat zij wisten of behoorden te weten dat het om een privéwoonst ging. De eerste rechter oordeelde dat het verbod om privéruimten te betreden zonder machtiging van de politierechter niet kan worden omzeild door een vraag om gebracht te worden 'naar de ruimten waar de boekhoudkundige stukken zich bevinden'. Er waren immers, voorafgaandelijk aan het betreden van dit gebouw, geen aanwijzingen dat in de betrokken privéruimtes ook belastbare handelingen werden verricht.

De eerste rechter oordeelde derhalve dat de belastingplichtigen zich terecht beriepen op de door artikel 8.1 EVRM en artikel 15 van de Grondwet bepaalde onschendbaarheid van de woning.

De eerste rechter oordeelde dat de administratie zich ten onrechte beriep op artikel 61, §1 W.B.T.W., volgens hetwelk de belastingplichtige gehouden is de boeken en stukken zonder verplaatsing ter inzage voor te leggen.

De eerste rechter oordeelde dat de vordering van de Belgische Staat, zoals vermeld in het dwangbevel enkel gesteund was op de aldus onrechtmatig bekomen documenten, zodat de wettigheid van de fiscale vordering verviel en de invordering ervan middels het bestreden dwangbevel onwettig diende te worden verklaard.

Het dwangbevel, uitgevaardigd op 4 december 2007 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 december 2007 werd onwettig verklaard en de uitvoering ervan werd verboden. De terugbetaling werd bevolen van de op grond van dit dwangbevel betaalde bedragen, meer de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91, §4 W.B.T.W. en de Belgische Staat werd veroordeeld tot de kosten van het geding vereffend op een rechtsplegingsvergoeding van 10.000,00 EUR.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

Voor het hof van beroep vordert de Belgische Staat, thans eiser in hoger beroep om het bestreden vonnis van 17 november 2010 te vernietigen, om de vordering van de belastingplichtigen ongegrond te verklaren en om hen te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep, begroot op 12.100,00 EUR.

De belastingplichtigen, thans verweerders in hoger beroep vorderen in hoofdorde om het bestreden vonnis te bevestigen en om in ondergeschikte orde te beslissen :

\- dat artikel 84ter W.B.T.W. werd miskend;

\- dat het proces verbaal nietig was;

\- dat de stukken wederrechtelijk werden toegeëigend.

Ze vorderen bijgevolg om het bestreden dwangbevel onwettig te verklaren en de uitvoering ervan te verbieden en om terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk werden geïnd, te vermeerderen met de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91, §4 W.B.T.W. en met veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 12.100,00 EUR.

2\. Bespreking.

2.1 Onderzoek ter plaatse op 24 november 2005.

2.1.1. Argumenten van partijen.

Volgens de administratie kadert het opsporingsonderzoek van 24 november 2005 binnen de bepalingen van artikel 61, §1 W.B.T.W. en hebben de betrokken ambtenaren niet meer gedaan dan de belastingplichtigen verzocht om hen naar de ruimte te begeleiden waar de boekhoudkundige stukken zich bevonden. Zij hebben hen enkel verzocht om hen te brengen naar de bureelruimte van het bedrijf, teneinde daar inzage te kunnen nemen van de boeken en de stukken. Het feit dat de stukken zich in een privégedeelte van het gebouw bevonden, vormt volgens de administratie geen belemmering voor de correcte toepassing van artikel 61,. §1 W.B.T.W. Bovendien heeft mevrouw **V. G.** de ambtenaren vrijwillig en zonder protest toegang verleend tot de betrokken ruimte. Pas toen zij de betrokken ruimte betraden hebben de ambtenaren vastgesteld dat zij gedeeltelijk was ingericht voor bewoning.

Zelfs wanneer het betreden van de woning zou kaderen in de toepassing van artikel 63 W.B.T.W. stelt de administratie dat hiertegen geen bezwaar bestaat, wanneer dit gebeurt met instemming van de belastingplichtige. Ze verwijzen hierbij naar het arrest van het Hof van Cassatie van 11 maart 2008 en naar een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 maart 2011.

Bovendien zou een onderzoek bij veel belastingplichtigen aldus de facto onmogelijk worden, vermits veel zelfstandigen, die werken bij hun klanten (vloerders, stukadoors...) hun boekhouding in hun privéwoning houden.

Zelfs indien zou geoordeeld worden dat het onderzoek in strijd was met artikel 63 W.B.T.W., brengt dit niet de nietigheid van de aanslag met zich mee, vermits de Antigoondoctrine volgens de administratie moet worden doorgetrokken in fiscale zaken. Dit kan volgens de administratie worden afgeleid uit het arrest van het Hof van Cassatie van 10 maart 2008 dat de Antigoonleer doortrekt naar het domein van de sociale zekerheid. Bij dit alles moet rekening gehouden worden met de ernst van de begane onregelmatigheid, waarbij uit de stukken is gebleken dat 40% van de omzet niet werd aangegeven.

De belastingplichtigen volgen dezelfde redenering als de eerste rechter.

2.1.2. Beoordeling.

● relevante wetteksten.

Artikel 63 W.B.T.W. luidt als volgt:

"Eenieder die een economische activiteit uitoefent, moet aan de ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde te controleren en in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, vrije toegang verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend teneinde hen in staat te stellen :

1 ° de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden;

2° door middel van de gebruikte uitrusting en met de bijstand van de betrokkene de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen, door onder meer de voorlegging ter inzage te vorderen van stukken die in het bijzonder zijn opgesteld om de op informatiedragers geplaatste gegevens om te zetten in een leesbare en verstaanbare vorm;

3° de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de produktie- en vervoermiddelen.

Als ruimten waar een activiteit wordt uitgeoefend moeten onder meer worden beschouwd de burelen, de fabrieken, de werkplaatsen, de opslagplaatsen, de bergplaatsen, de garages alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen.

Met hetzelfde doel mogen die ambtenaren eveneens op elk tijdstip, zonder voorafgaande verwittiging, vrij binnentreden in alle gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht. Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter.

Zij mogen ook, op elk tijdstip en zonder voorafgaande verwittiging, alle vervoermiddelen tegenhouden en onderzoeken, met inbegrip van de containers, die gebruikt of vermoedelijk gebruikt worden om in dit Wetboek bedoelde handelingen te verrichten, teneinde de vervoerde goederen, boeken en stukken te onderzoeken. “

De relevante passages van artikel 61 W.B.T.W. luiden als volgt :

"§ 1. Eenieder is gehouden de boeken, facturen en andere stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan. (...)

§ 2. De ambtenaren van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder haar bevoegdheid heeft, hebben het recht om de boeken, facturen en andere stukken, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig § 1, tweede lid, gemaakte kopies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.

Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kopies van die boeken te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm.”

● Bedrijfsruimte ?

De vraag stelt zich derhalve vooreerst of de ruimte waarin de 63 stukken werden aangetroffen, te beschouwen is als een ruimte waar een activiteit wordt uitgeoefend in de zin van artikel 63 W.B.T.W.

Het hof stelt vast dat het onderdeel van de ruimte, waar de verbalisanten zijn binnengetreden, nadat mevrouw **V. G.** de hond had verwijderd, inderdaad het uitzicht had van een bureel : er bevonden zich laptops en diverse papieren, een papierversnipperaar en een faxmachine.

Dit op zich impliceert evenwel niet dat het ging om een bureel in de strikte zin van het woord.

De betrokken ruimte kan, gelet op het gebruik dat er deels van werd gemaakt, evenwel beschouwd worden als ‘gebouwen, werkplaatsen, inrichtingen, lokalen of andere plaatsen die niet in het vorige lid zijn bedoeld en waar in dit Wetboek bedoelde handelingen verricht of vermoedelijk worden verricht' in de zin van artikel 63, derde lid W.B.T.W.

● Ook bewoond ?

Hierbij wordt dan in datzelfde derde lid van artikel 63 W.B.T.W. evenwel onmiddellijk bij vermeld : "Tot particuliere woningen of bewoonde lokalen hebben zij evenwel slechts toegang tussen vijf uur 's morgens en negen uur 's avonds en uitsluitend met de machtiging van de politierechter".

Het feit dat het gaat om een ruimte waarvan kan vermoed worden dat er belastbare handelingen worden verricht, belet derhalve niet dat de ambtenaren deze ruimte niet mogen betreden zonder machtiging van de politierechter. Wanneer blijkt dat het gaat om een particuliere woning of bewoonde lokalen hebben zij derhalve in elk geval een machtiging van de politierechter nodig.

Dat het ging om bewoonde lokalen kan in deze niet worden betwist :

\- de verbalisanten stelden in hun proces verbaal van 29 november zelf vast dat het ging om een ruimte, van naar schatting 9 op 9 meter, waarvan minstens een gedeelte voor hen op een living leek. Het deel van 2 op 5 dat volgens de verbalisanten een kantoor betrof maakte deel uit van de grotere ruimte en had volgens de verbalisanten geen andere ingang;

\- **N. V. G.** had aan de verbalisanten gezegd dat de stukken privé lagen. Ze wilde ze gaan halen, maar de verbalisanten verkozen om zich te begeven naar de vertrekken waar de stukken lagen;

\- **H. D.** en **N. V. G.** hadden hun woonplaats in hoeve **D.**. Zowel de handelszaak als hun woning bevonden zich aan de … te ….

De administratie kan evenmin voorhouden dat de verbalisanten niet wisten of konden weten dat het om een bewoond gedeelte ging :

\- de verbalisanten, die een onderzoek kwamen verrichten naar een handelszaak, uitgebaat door twee natuurlijke personen (**H. D.** en **N. V. G.**) wisten dat de natuurlijke personen hun woonplaats hadden op hetzelfde adres als de handelszaak.

\- de verbalisanten noteerden zelf dat mevrouw **V. G.** hen meedeelde dat de stukken 'privé lagen';

\- de verbalisanten omschreven de ruimte die ze betraden zelf als een living, waarvan het 'kantoor', dat geen andere ingang had, deel uitmaakte;

\- de verbalisanten noteerden dat mevrouw **V. G.** hen, bij aankomst bij het andere gebouw, had gevraagd om te wachten, vermits ze eerst de hond diende te verwijderen;

● De toepassing van artikel 61, §1 W.B.T.W.

De administratie is ten onrechte van mening dat het onderzoek een toepassing uitmaakte van artikel 61, §1 W.B.T.W., volgens hetwelk de belastingplichtige verplicht is om de boeken, facturen en andere stukken zonder verplaatsing ter inzage voor te leggen. Het hof oordeelt immers dat de vermelding 'zonder verplaatsing' enkel tot doel heeft te benadrukken dat de belastingplichtige niet verplicht kan worden zich met zijn boeken en stukken tot bij de administratie te begeven, doch dat de belastingplichtige kan vragen dat de administratie deze stukken ter plaatse komt inzien.

Artikel 61, §1 W.B.T.W. impliceert evenwel niet dat de administratie zich voor de consultatie van deze boeken en stukken zou mogen begeven in particuliere woningen of bewoonde lokalen zonder te beschikken over een machtiging daartoe van de politierechter. Dit zou een flagrante miskenning uitmaken van artikel 63 W.B.T.W. Artikel 61, §1 W.B.T.W. dient geïnterpreteerd worden in samenhang met de overige bepalingen die het onderzoek betreffen en de toepassing van de ene bepaling kan geen schending van de andere bepaling verantwoorden. Van zodra de ruimte, waar de stukken zich bevinden bijgevolg deel uitmaakt van een particuliere woning of een bewoonde ruimte, dient de ambtenaar zich derhalve te voorzien van een machtiging van de politierechter vooraleer deze ruimte te betreden.

De onderlinge samenhang van de artikelen 61, §1 en 63 W.B.T.W. wordt trouwens nog benadrukt door het feit dat in artikel 63, eerste lid, 1° W.B.T.W. wordt bepaald dat men vrije toegang moet verlenen tot de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend, teneinde 'de boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden'.

Het van Cassatie heeft zich in een arrest van 16 december 2003 (AR [P.03.1087.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/onderzoeksbevoegdheid-fiscale-ambtenaren-vrije-toegang-cassatie-brussel-2003-12-16-3cc9), neergelegd door de administratie als stuk 74) uitgesproken over de onderlinge relatie tussen beide artikelen. Het Hof oordeelde dat beide controlemaatregelen van elkaar te onderscheiden zijn en dat artikel 63, eerste lid, 1° W.B.T.W. aan de bevoegde ambtenaar een onderzoeksbevoegdheid beoogt te verlenen, die hij niet kan putten uit artikel 61, §1, eerste lid W.B.T.W. Hieruit volgt volgens het Hof dat de bevoegde ambtenaar, krachtens artikel 63, eerste lid, 1° W.B.T.W. het recht heeft om na te gaan welke boeken en stukken zich bevinden in de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend, alsook de boeken en stukken die hij aldaar aantreft, te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging van die boeken en stukken te moeten verzoeken. Onderhavig hof stelt vast dat het Hof van Cassatie aldus veeleer benadrukt heeft dat een boekenonderzoek in het kader van een bezoek ter plaatse, onder toepassing valt van artikel 63 W.B.T.W. A fortiori blijkt hieruit dat in dergelijk geval artikel 63 W.B.T.W. dient te worden nageleefd, en dat aldus een machtiging van de politierechter moet worden bekomen, wanneer men zich in particuliere woningen of bewoonde lokalen wenst te begeven.

De administratie kan zich hierbij trouwens niet beklagen over een gebrek aan medewerking vanwege de belastingplichtigen. Op de vraag van de verbalisanten naar boekhoudkundige stukken verklaarde **N. V. G.** zich bereid om de stukken te gaan halen uit het privé-gedeelte van het gebouw. De verbalisanten hadden deze stukken derhalve ter plaatse kunnen inkijken.

Artikel 61, §1, tweede lid W.B.T.W. kan in deze niet dienstig ingeroepen worden, vermits deze bepaling betrekking heeft op de boeken, facturen en andere stukken die door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgemaakt, uitgereikt, ontvangen of bewaard. In onderhavig geval betrof het onderzoek niet dergelijke gegevens, doch wel de gegevens die zich in kaften in de kast in het betreffende lokaal bevonden.

Bij dit alles dient te worden vastgesteld dat het in deze niet ging om een (passief) boekenonderzoek, doch wel om een (actieve) visitatie. De ambtenaren hebben er zich immers niet toe beperkt om de boeken, die hen werden voorgelegd in te kijken. Ze noteerden zelf in hun proces verbaal dat ambtenaar **N.** de deur van de kast verder openschoof en daar een ringmap uitnam. Het betrof bijgevolg wel degelijk een onderzoeksdaad, die verder ging dan een toepassing van artikel 61, §1 W.B.T.W., zodat de ambtenaar in elk geval diende te beschikken over een machtiging van de politierechter, nu de betrokkenen wisten of behoorden te weten dat ze zich in een bewoond vertrek bevonden.

● Toestemming van de belastingplichtige ?

De administratie stelt dat de belastingplichtige vrijwillig meeging met de verbalisanten naar de privévertrekken en hen daar toegang tot de living bood, na de hond te hebben verwijderd. Er zou volgens de administratie aldus geen schending zijn van het privéleven of een inbreuk op de onschendbaarheid van de woning.

Het hof oordeelt dat het arrest van het Hof van Cassatie van 11 maart 2008 {AR P.07.1878.N) ter zake niet dienstig kan worden ingeroepen. Dit arrest betrof immers een vermeende schending van artikel 148 Strafwetboek. Dit artikel stelt strafbaar iedere ambtenaar van de administratieve of rechterlijke orde, ieder officier van justitie of van politie, ieder bevelhebber of agent van de openbare macht die, in die hoedanigheid optredend, in de woning van een ingezetene tegen diens wil binnendringt buiten de gevallen die de wet bepaalt en zonder inachtneming van de vormen die zij voorschrijft. Het Hof van Cassatie oordeelde dat artikel 319, tweede lid, in fine WIB 92 (de tegenhanger van artikel 63, derde lid, in fine W.B.T.W.) niet belet dat een ambtenaar van de administratie der directe belastingen die geen houder is van een machtiging van de politierechter, toegang heeft tot een particuliere woning, wanneer dit met toestemming van de bewoner geschiedt. Het Hof van Cassatie oordeelde dat in dat geval het betreden van de woning het misdrijf bepaald in artikel 148 Strafwetboek niet kan opleveren.

Dit arrest vormt geen beoordeling van de vraag of de betreding van een particuliere woning zonder machtiging van de politierechter, doch met toestemming van de bewoner al dan niet een inbreuk uitmaakt op artikel 319 WIB92 (artikel 63 W.B.T.W.).

Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 1 maart 2011 betrof evenmin de vraag of een toestemming van de belastingplichtige de machtiging door de politierechter kan vervangen. Het ging daarentegen over de vraag of al dan niet ten onrechte bepaalde documenten werden meegenomen.

Bovendien kan men zich de vraag stellen in hoeverre de belastingplichtigen werkelijk toestemming hebben kunnen geven voor de visitatie. De ambtenaren kwamen onaangekondigd binnen en bevonden zich in de bedrijfskeuken,toen mevrouw **V. G.** binnenkwam. Ze verklaarde zich bereid om stukken die de ambtenaren wilden inzien te gaan halen, vermits ze privé lagen. Het is slechts omdat de ambtenaren erop stonden om naar de ruimte te gaan waar de boekhoudkundige stukken zich bevonden,dat **N. V. G.** hen is voorgegaan naar het andere gebouw. Van een volwaardige toestemming,die een machtiging van de politierechter kan vervangen, is derhalve geen sprake.

● Antigoon ?

De administratie is van mening dat, zelfs al werd een bewijselement op onrechtmatige wijze verkregen, dit bewijselement slechts geweerd dient te worden, wanneer er sprake is van een schending van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde, wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of wanneer het gebruik van dit bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.

De administratie is aldus van mening dat ook in fiscale zaken toepassing moet gemaakt worden van de leer van het Antigoon-arrest van 14 oktober 2003 in strafzaken. De administratie wijst er in dit verband op dat deze leer door het Hof van Cassatie ook reeds werd toegepast in het domein van de sociale zekerheid (Cass. AR S.07.00 73.N,10 maart 2008).

Het hof heeft hierboven geoordeeld dat de documenten, op basis waarvan de navordering inzake B.T.W. is gebeurd, werden bekomen met schending van artikel 63 W.B.T.W. Doordat de ambtenaren wetens en willens een particuliere woning hebben betreden,zonder voorafgaande machtiging van de politierechtbank en daar zelf documenten uit een kast hebben gehaald, hebben zij zich tevens schuldig gemaakt aan een schending van artikel 8, lid 1 EVRM en artikel 15 Grondwet.

Het hof stelt ook vast dat de navordering van de B.T.W. en de daarbij horende boetes uitsluitend gebaseerd zijn op een vergelijking tussen de onrechtmatig bekomen documenten en de aangiftes die door de belastingplichtigen werden verricht. Zonder deze onrechtmatig bekomen stukken, hadden de ambtenaren nooit tot navordering van deze bedragen kunnen overgaan.

Het hof oordeelt dat de omschrijving van de controlebevoegdheden van de fiscale ambtenaren en de bepaling van de grenzen daarvan een noodzakelijke waarborg biedt voor de belastingplichtigen ten opzichte van het overheidsapparaat. Deze wettelijke bepalingen beogen een gezond evenwicht tot stand te brengen tussen de noodzaak voor de fiscale ambtenaren om de nodige onderzoekingen te doen teneinde tot een correcte inning van de verschuldigde belastingen te komen enerzijds en het recht tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de belastingplichtigen anderzijds. Het betreft bepalingen van openbare orde, waarop een inbreuk niet getolereerd kan worden. Het afwijken van deze bepalingen, rekening houdend bijvoorbeeld met de ernst van de inbreuk door de belastingplichtige of met de omvang van de mogelijks gederfde belastinginkomsten, zou tot gevolg hebben dat voormeld evenwicht wordt verstoord en dat een ongelijkheid tot stand wordt gebracht tussen belastingplichtigen.

Het hof oordeelt dan ook dat de navordering,die tot stand gekomen is op basis van het onrechtmatig verkregen bewijs als onrechtmatig dient te worden beschouwd. De eerste rechter is dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat de vordering van de Belgische Staat volledig gesteund is op onrechtmatig verkregen bewijs en dat daardoor de wettigheid van de fiscale vordering vervalt, met als gevolg dat de invordering ervan middels het bestreden dwangbevel onwettig moet worden verklaard.

2.2. Overige argumenten.

Nu de vordering van de Belgische Staat onwettig is op grond van de schending van artikel 63 W.B.T.W., dienen de overige argumenten niet verder te worden onderzocht.

### Beschikkend gedeelte

3\. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof verwijst de Belgische Staat in de gedingkosten in hoger beroep, vereffend aan de zijde **H. D.** en **N. V. G.** op 12.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Dit arrest werd gewezen door

Ondertekeningen

De voorzitter van de zesde kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig art. 782bis, eerste lid Ger. W. in openbare zitting van 04 december 2012 waar aanwezig waren

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 63](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) 3 voorkomens

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Procedure, Dwangbevel, Handtekeningsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-dwangbevel-handtekeningsbevoegdheid-artikel-85-cassatie-brussel-2020-12-04-34b9) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, fraudetermijn, voorafgaande kennisgeving, verplichtingen en controlemaatregelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-fraudetermijn-kennisgeving-verplichtingen-cassatie-brussel-2023-06-16-b8a8) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Huisvisitatie, Domiciliefraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/huisvisitatie-domiciliefraude-visitatie-hof-van-beroep-gent-2025-02-04-030a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van Btw, bewijslast, territoriale bevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-btw-bewijslast-territoriale-rechtbank-bergen-2025-09-01-066f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Voorlegging boeken, facturen en andere stukken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voorlegging-boeken-facturen-andere-stukken-hof-van-beroep-gent-2023-11-28-1cf2) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Sekwester, domiciliefraude, huisvisitatie, dringende en voorlopige maatregelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/sekwester-domiciliefraude-huisvisitatie-dringende-voorlopige-rechtbank-gent-2024-10-02-1e0d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Kunstmatige opsplitsing van handelingen, misbruik, tarief, splitsing van prestatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kunstmatige-opsplitsing-handelingen-misbruik-tarief-hof-van-beroep-gent-2024-10-15-26d8) 2 gemeenschappelijke bepalingen
