---
title: "Belastbare handeling, Handeling onder bezwarende titel · Hof van Cassatie van België, 7 april 2016, F.14.0209.N"
description: "Belastbare handeling, Handeling onder bezwarende titel, Beginselen van behoorlijk bestuur. Hof van Cassatie van België, 7 april 2016, F.14.0209.N."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbare-handeling-onder-bezwarende-titel-cassatie-brussel-2016-04-07-ca99"
lang: "nl"
---

# Belastbare handeling, Handeling onder bezwarende titel

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Rolnummer**

F.14.0209.N

**Datum**

7 april 2016

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

154 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 07.04.2016 (F.14.0209.N)

Belastbare handeling - Handeling onder bezwarende titel - Beginselen van behoorlijk bestuur - Rechtszekerheidsbeginsel

## Wettelijke basis

Btw-wetboek, Artt. 2, eerste lid, en 4, § 1

**Samenvatting** (door het Hof)

Een handeling onder bezwarende titel onderstelt een rechtstreeks verband tussen de verrichte handeling en de ontvangen tegenwaarde; de vraag of er een rechtstreeks verband bestaat in de zin van [artikel 2, eerste lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) tussen een handeling en een ontvangen tegenprestatie betreft geen feitenkwestie maar een rechtskwestie aangezien het antwoord op die vraag bepalend is voor de belastbaarheid van die handeling (Zie concl. OM).

Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur sluit het recht op rechtszekerheid in dat inhoudt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid; daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd, zonder dat de verwachtingen van de burger evenwel mogen gegrond zijn op een onwettelijke praktijk (Zie concl. OM).

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 07.04.2016**

**(F.14.0209.N)**

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Algemene Administratie Fiscaliteit, voor wie optreedt de e.a. Inspecteur van het Ontvangkantoor te … , eiser, vertegenwoordigd door mr. … , advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. … , advocaat bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te … , waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

O.I.S.O.K.I.H.O. vzw, met zetel te …, verweerster, bijgestaan door mr. … , advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te …, waar de verweerster woonplaats kiest.

## I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 16 juni 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 9 november 2015 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

## II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

## III. BESLISSING VAN HET HOF

### Beoordeling

1\. Krachtens [artikel 4, § 1, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) is belastingplichtige eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.

Krachtens [artikel 2, eerste lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.

Een handeling onder bezwarende titel onderstelt een rechtstreeks verband tussen de verrichte handeling en de ontvangen tegenwaarde.

De vraag of er een rechtstreeks verband bestaat in de zin van [artikel 2, eerste lid, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) tussen een handeling en een ontvangen tegenprestatie betreft geen feitenkwestie maar een rechtskwestie aangezien het antwoord op die vraag bepalend is voor de belastbaarheid van die handeling.

2\. Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur sluit het recht op rechtszekerheid in. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd. De verwachtingen van de burger mogen evenwel niet gegrond zijn op een onwettelijke praktijk.

3\. De appelrechters oordelen dat:

\- het lidmaatschapsgeld dat aan de eiseres wordt betaald door de kopers van door de eiseres verkochte softwarepaketten hoofdzakelijk voor de door de eiseres verleende ondersteuning wordt betaald en niet zozeer voor het lidmaatschap;

\- de eiseres niet betwist dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de verrichte diensten en het lidmaatschapsgeld;

\- de vraag of de in het geding zijnde lidmaatschapsgelden al dan niet belastbaar zijn in de btw een loutere feitenkwestie betreft; of de door de leden aan de eiseres betaalde lidmaatschapsgelden belastbaar zijn hangt immers af van het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de levering van een goed of het verrichten van een dienst ten aanzien van de leden van een vzw en de door de vzw ontvangen tegenwaarde;

\- het gewettigde vertrouwen van de eiseres zich ertegen verzet dat de verweerder retroactief btw navordert op de lidmaatschapsgelden, vermits zij sedert haar oprichting in 1993 op de ontvangen lidmaatschapsgelden nooit btw afdroeg, zonder enige bemerking van de verweerder.

4\. De appelrechters die op die gronden het dwangbevel vernietigen en voor recht zeggen dat de bedragen erin vermeld ten titel van btw, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn en de eiser veroordelen tot terugbetaling van alle betaalde bedragen meer de interesten, evenals tot de kosten van beide aanleggen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

### Beschikkend gedeelte

## Dictum

**Het Hof,**

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit … .

Ondertekeningen

---

## Verzoekschrift

## VOORZIENING TOT CASSATIE

VOOR: De BELGISCHE STAAT, …, eiser tot cassatie,

TEGEN:

O.I.S.O.K.I.H.O. vzw, verweerster in cassatie,

Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter, de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie,

Hooggeachte Dames en Heren,

Eiser heeft de eer het arrest aan Uw toezicht te onderwerpen dat op 16 juni 2011 op tegenspraak werd gewezen door de zesde fiscale kamer van het Hof van Beroep te Brussel (2007/AR/3216).

## FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

Verweerster verkocht softwarepakketten ("Doelpunt" en "Doelbewust") aan scholen en leerkrachten waarover zij BTW aanrekende. Daarnaast verleende zij aan haar leden die het jaarlijks lidgeld betaalden ondersteuning bij het gebruik van die software. Op dit lidgeld werd geen BTW aangerekend.

Bij een BTW-controle, uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2003, werd vastgesteld dat verweerster ten onrechte geen BTW aanrekende op die lidgelden, ofschoon tegenover die lidgelden een tegenprestatie stond.

Dienaangaande werd op 7 december 2005 een dwangbevel uitgevaardigd waarin eiser de betaling vorderde van een BTW-bedrag van 23.258,83 EUR in hoofdsom en een geldboete van 2.320,00 EUR.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 6 februari 2006, tekende verweerster verzet aan tegen dit dwangbevel.

Voormelde rechtbank verklaarde de vordering van verweerster bij vonnis van 19 september 2007 ongegrond.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Brussel op 5 december 2007, tekende verweerster hoger beroep aan tegen dit vonnis.

Het bestreden arrest van 16 juni 2011 van het Hof van Beroep te Brussel hervormde het vonnis van de eerste rechter en vernietigde het dwangbevel op grond dat het gewettigde vertrouwen van verweerster er zich tegen verzet dat eiser thans retroactief BTW navordert op de lidgelden, aangezien hij gedurende meer dan 12 jaren geen bemerkingen heeft gemaakt omtrent het feit dat geen BTW werd geheven over de lidgelden.

## ENIG MIDDEL TOT CASSATIE

## Geschonden bepalingen:

\- het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel;

\- de artikelen 159, 170 en 172 van de Grondwet, en het daaruit afgeleide wettelijkheidsbeginsel;

\- de artikelen 2, eerste lid, en 4, §1, van de Wet van 3 juli 1969 tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW-wetboek);

## Aangevochten beslissing

Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van verweerster gegrond, hervormt het beroepen vonnis, vernietigt het dwangbevel van 7 december 2005 en zegt voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn.

Het bestreden arrest veroordeelt eiser tot terugbetaling van alle bedragen ten titel van BTW, geldboeten en intresten, die reeds door haar werden betaald of door eiser werden ingehouden ter delging van de beweerde BTW-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke intresten te rekenen vanaf de inleiding van de vordering in rechte, en voor de inhoudingen geschied na die datum, vanaf de datum van de inhouding zelf.

Het bestreden arrest neemt aan dat verweerster aan haar leden die het lidgeld betaalden, ondersteuning verleende in het kader van haar economische activiteit zodat er wel degelijk een rechtstreeks verband bestond tussen die diensten en het lidgeld waardoor er in beginsel BTW was verschuldigd over die lidgelden (ziep.5-7), doch oordeelt dat het gewettigde vertrouwen van verweerster er zich tegen verzet dat eiser thans retroactief BTW navordert op de bedoelde lidgelden in zoverre eiser gedurende meer dan 12 jaren geen bemerkingen heeft gemaakt omtrent het feit dat daarover geen BTW werd geheven:

" (Verweerster) roept het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel in, daar zij sedert haar oprichting in 1993 op de ontvangen lidgelden nooit BTW afdroeg, zonder enige bemerking van de administratie. Mocht thans blijken dat de lidgelden toch belastbaar zijn, dan verzet de gerechtvaardigde verwachting van (verweerster) er zich, volgens haar, tegen dat de BTW op de lidgelden wordt ingevorderd voor het verleden.

" (Eiser), zonder te betwisten dat de administratie gedurende twaalf jaren geen bemerkingen maakte op de door (verweerster) toegepaste werkwijze, doet gelden dat het recht op rechtszekerheid van de belastingplichtige niet kan worden ingeroepen tegen uitdrukkelijke wetsbepalingen in.

" Evenwel betreft de vraag of de in het geding zijnde lidgelden al dan niet belastbaar zijn in de BTW een louter feitenkwestie. Of de door de leden aan een VZW betaalde lidgelden belastbaar zijn hangt immers af van het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de levering van een goed of het verrichten van een dienst ten aanzien van de leden en de door de VZW ontvangen tegenwaarde (zie supra).

> " Het gewettigde vertrouwen van (verweerster) verzet er zich tegen dat (eiser) thans retroactief BTW navordert op de lidgelden."

(arrest, p.7, punt 3).

## Grieven:

1\. Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat bindend is voor eiser, sluit het recht op rechtszekerheid in.

Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd.

2\. De miskenning van het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel veronderstelt dat het vertrouwen van de burger ten overstaan van het overheidsoptreden rechtmatig is.

De verwachtingen van de burger mogen dus niet gegrond zijn op een onwettelijke praktijk.

De belastingadministratie moet immers de wet toepassen en het staat haar niet vrij afstand te doen van haar verplichtingen om de wettelijk verschuldigde belasting vast te stellen. Dit betekent dat het recht op rechtszekerheid geen toepassing kan vinden wanneer rechtskwesties aan de orde zijn.

Het recht op rechtszekerheid kan bijgevolg niet worden ingeroepen indien dat leidt tot een beleid dat tegen uitdrukkelijke wetsbepalingen ingaat.

Het wettelijkheidsbeginsel, dat rechtstreeks is gegrond op een grondwettekst (artikelen 159, 170 en 172 G.W.), primeert het recht op rechtszekerheid van een individuele belastingplichtige, tenzij wanneer loutere feitenkwesties aan de orde zijn, in welk geval het gewettigde vertrouwen van de belastingplichtige wel moet worden gehonoreerd.

3\. Belastingplichtige is eenieder die in de uitvoering van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het BTW-wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend ([artikel 4, §1, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4)).

Krachtens [artikel 2, eerste lid, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), zijn de leveringen van goederen of diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen wanneer zij in België plaatsvinden.

Er is sprake van een dienst onder bezwarende titel wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen het geleverde goed of de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde. Tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst dient een rechtsbetrekking te bestaan waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en waarbij de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst.

De vraag of er rechtstreeks verband bestaat in de zin van [artikel 2, §1, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) tussen een handeling en een ontvangen tegenprestatie betreft een rechtskwestie in zoverre het antwoord op die vraag bepalend is voor de belastbaarheid van die handeling.

Anders dan bij het louter vaststellen van feiten, gaat de beoordeling van het bestaan van een rechtstreeks verband tussen een dienstverrichting en de ontvangen tegenprestatie, en dus van het bezwarend karakter van die handeling, gepaard met een juridische kwalificering van feiten waarbij eiser strikt gebonden is door de wet.

4\. Het bestreden arrest neemt aan dat verweerster aan haar leden die het lidgeld betaalden, ondersteuning verleende in het kader van haar economische activiteit en dat er wel degelijk een rechtstreeks verband bestond tussen die diensten en het lidgeld (zie p.5, tweede alinea).

Het bestreden oordeelt evenwel dat:

" de vraag of de in het geding zijnde lidgelden al dan niet belastbaar zijn in de BTW een loutere feitenkwestie (betreft). Of de door de leden aan een VZW betaalde lidgelden belastbaar zijn hangt immers af van het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de levering van een goed of het verrichten van een dienst ten aanzien van de leden en de door de VZW ontvangen tegenwaarde" (p.7, derde laatste alinea).

Het bestreden arrest oordeelt op die grond dat het gewettigde vertrouwen van verweerster er zich tegen verzet dat eiser, nu niet wordt betwist dat hij gedurende meer dan 12 jaren geen bemerkingen heeft gemaakt omtrent het feit dat geen BTW werd geheven over de lidgelden, thans retroactief BTW navordert op de lidgelden (p.7, voorlaatste alinea).

Waar de beoordeling van het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de diensten verricht door verweerster en de ontvangen lidgelden een juridische aangelegenheid aanbelangt en geen feitenkwestie uitmaakt, in zoverre de belastbaarheid van de handeling ervan afhangt, heeft het bestreden arrest bijgevolg het recht op rechtszekerheid en de toepassing van het vertrouwensbeginsel ten onrechte laten voorgaan op het wettelijkheidsbeginsel.

Uit het loutere feit dat eiser gedurende meer dan 12 jaren geen bemerkingen heeft gemaakt omtrent het feit dat geen BTW werd geheven over de lidgelden, kon verweerster immers geen gewettigd vertrouwen putten nu deze houding van eiser strijdt met een wettelijke regel en deze onwettelijke praktijk bijgevolg bij een voorzichtig en bezonnen belastingplichtige geen redelijk vertrouwen kon hebben opgewekt.

5\. Hieruit volgt dat het bestreden arrest niet wettig, zonder schending van het wettelijkheidsbeginsel, heeft beslist dat verweerster de bij dwangbevel ingevorderde rechten niet is verschuldigd op grond dat de vraag of de in het geding zijnde lidgelden al dan niet belastbaar zijn in de BTW, wat afhangt van het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de diensten en de ontvangen tegenwaarde, een loutere feitenkwestie betreft zodat het gewettigde vertrouwen van verweerster er zich tegen verzet dat eiser thans retroactief BTW navordert op de lidgelden (schending van de artikelen 159, 170, 172 G.W., het wettelijkheidsbeginsel, het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, de artikelen [2, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), en [4, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), BTW-wetboek).

## TOELICHTING

1\. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die bindend zijn voor de belastingadministratie, sluiten het recht in op rechtszekerheid. Dit houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de door de overheid gewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd.

De verwachtingen mogen evenwel niet gegrond zijn op een onwettelijke praktijk. Een gedragslijn van de administratie zal bij de belastingplichtige derhalve nooit de gewettigde overtuiging kunnen wekken dat de administratie afziet van de strikte toepassing van de wet. Het recht op rechtszekerheid sluit enkel in dat de belastingplichtige zich op de vroegere gedragslijn van de administratie kan beroepen, voor zover die gedragslijn betrekking heeft op feitenkwesties.

Wanneer juridische of rechtskwesties aan de orde zijn, kunnen derhalve geen gewettigde verwachtingen worden gekoesterd in hoofde van de belastingplichtige aangaande een niet strikte toepassing van die wet. Zelfs wanneer de administratie jarenlang een wettelijke regel verkeerd uitlegt, kan de belastingschuldige daaruit geen gerechtvaardigd vertrouwen putten, omdat hij geacht wordt de wet te kennen: "Wie geacht wordt de wet te kennen, kan niet voorhouden dat hij een gerechtvaardigd vertrouwen put uit een verkeerde toepassing van de wet door een derde" (conclusie van Adv.-gen. THIJS, bij [Cass., 11 februari 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/behoorlijk-bestuur-rechtszekerheidsbeginsel-gewettigde-cassatie-brussel-2011-02-11-4d26), A.C., 2011, nr.123).

Bij feitenkwesties gaat het bijv. om vragen betreffende de schatting van het bedrag van een inkomen of een aftrek, het vaststellen van een percentage, de bewijskrachtige aard van een boekhouding (zie bijv. i.v.m. de raming van een voordeel in natura: Cass., 11 mei 1998, A.C., 1998, nr.237).

Een rechtsvraag daarentegen heeft betrekking op de toepassing of draagwijdte van een wettelijke norm, de kwalificatie van sommige inkomsten, de belastbaarheid of vrijstelling van een bepaald inkomen, de aftrekbaarheid van beroepskosten (zie bijv. i.v.m. de kwalificering van de inkomsten van een belastingplichtige: Cass., 20 november 2006, A.C., 2006, nr.578).

Het recht op rechtszekerheid mag bijgevolg niet worden ingeroepen indien dat leidt tot een beleid dat tegen uitdrukkelijke wetsbepalingen ingaat. Wanneer rechtskwesties aan de orde zijn primeert steeds het wettelijkheidsbeginsel (zie [Cass., 11 februari 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/behoorlijk-bestuur-rechtszekerheidsbeginsel-gewettigde-cassatie-brussel-2011-02-11-4d26), A.C., 2011, nr.123, met conclusie van Adv.-gen. THIJS, D.; Cass., 10 december 2009, A.C., 2009, nr.736, met conclusie van Adv.-gen. THIJS, D.; [Cass., 30 mei 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/cassatieberoep-in-belastingzaken-verzoekschrift-ondertekend-cassatie-brussel-2008-05-30-b358), A.C., 2008, nr.334; Cass., 29 november 2004, A.C., 2004, nr.574; Cass., 6 november 2000, A.C., 2000, nr.598, met conclusie van voormalig Proc.-gen. LECLERCQ, J.F.; Cass., 11 mei 1998, A.C., 1998, nr.237; Cass., 13 februari 1997, A.C., 1997, nr.84; Cass., 27 maart 1992, A.C., 1991-92, nr.405; cf. HvJ, 14 september 2006, [C-181/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-181-04-arrest), Elmeka, nrs. 31-36; HvJ, 1 april 1993, [C-31/91](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-31-91-arrest) en C-44/91, Lageder).

2\. Ingevolge [artikel 2, eerste lid, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), zijn de leveringen van goederen of diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen wanneer zij in België plaatsvinden.

Artikel 2.1 van de Zesde BTW-Richtlijn bepaalt dat "Aan de BTW zijn onderworpen: de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht".

De vereiste dat handelingen onder bezwarende titel moeten worden verricht, houdt in dat er een tegenprestatie tegenover staat (VANDENBERGHE, L., Aftrek en teruggaaf van BTW, Antwerpen, Intersentia, 1998, 52, nr.46).

Er is sprake van een dienst onder bezwarende titel wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen het geleverde goed of de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde (HvJ, 9 juni 2011, C 285/10, Campsa Estaciones de Servicio SA, nr.25).

Tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst dient een rechtsbetrekking te bestaan waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst (HvJ, 27 oktober 2011, C 93/10, Finanzamt Essen-Nordost, nr.18; HvJ, 16 december 2010, C 270/09, MacDonald Resorts Ltd, nr.16).

3\. De vraag of er rechtstreeks verband bestaat in de zin van [artikel 2, §1, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) tussen een handeling en een ontvangen tegenprestatie betreft geen feitenkwestie maar een rechtskwestie in zoverre het antwoord op die vraag bepalend is voor de belastbaarheid van die handeling.

Anders dan bij het louter vaststellen van feiten, gaat de beoordeling van het al dan niet bestaan van een rechtstreeks verband tussen een dienstverrichting en de ontvangen tegenprestatie gepaard met een juridische kwalificering van feiten waarbij eiser strikt gebonden is door de wet.

Dit blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat zich herhaaldelijk bevoegd verklaarde om zich uit te spreken over de vraag of er tegenover een bepaalde dienst al dan niet een tegenprestatie staat in rechtstreeks verband met die dienst. Zo werd bijv. vastgesteld dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de handeling en de vergoeding, wanneer deze bestaat uit een jaarlijks forfaitair lidgeld van de leden van een sportvereniging, ook al maken zij weinig of zelfs geen gebruik van de voorzieningen van de sportvereniging (HvJ, 21 maart 2002, C 174/00, Kennemer Golf & Country Club; zie ook HvJ, 5 februari 1981, [C-154/80](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-154-80-arrest), Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats; HvJ, 8 maart 1988, [C-102/86](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-102-86-arrest), Apple and Pear Development Council; HvJ, 23 november 1988, [C-230/87](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-87-arrest), Naturally Yours Cosmetics; HvJ, 3 maart 1994, [C-16/93](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-93-arrest), Tolsma).

Het bestreden arrest heeft bijgevolg niet wettig beslist dat de vraag of er een rechtstreeks verband bestaat tussen de diensten verricht door verweerster en de ontvangen lidgelden een loutere feitenkwestie aanbelangt, aangezien de beoordeling van het "rechtstreeks verband" een juridische kwalificatie van de feiten veronderstelt en bijgevolg een rechtskwestie aanbelangt zodat de appelrechters niet zonder schending van het wettelijkheidsbeginsel hebben beslist dat het gewettigde vertrouwen van verweerster er zich tegen verzet dat eiser thans retroactief BTW navordert op de lidgelden.

**OM DEZE REDENEN,**

besluit voor eiser ondergetekende advocaten, dat het U behage, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht

---

## Conclusie van advocaat-generaal Thijs:

1\. Verweerster verkocht softwarepakketten ("Doelpunt" en "Doelbewust") aan scholen en leerkrachten waarover zij BTW aanrekende. Daarnaast verleende zij aan haar leden die het jaarlijks lidgeld betaalden ondersteuning bij het gebruik van die software. Op dit lidgeld werd geen BTW aangerekend.

Bij een BTW-controle, uitgevoerd voor de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2003, werd vastgesteld dat verweerster ten onrechte geen BTW aanrekende op die lidgelden, ofschoon tegenover die lidgelden een tegenprestatie stond.

Op 7 december 2005 vaardigde eiser een dwangbevel uit waarin eiser de betaling vorderde van een BTW-bedrag van 23.258,83 EUR in hoofdsom en een geldboete van 2.320,00 EUR.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel op 6 februari 2006, tekende verweerster verzet aan tegen dit dwangbevel.

In graad van beroep vernietigde het Hof van Beroep te Brussel bij het thans voor Uw Hof bestreden arrest van 16 juni 2011 het dwangbevel op grond dat het gewettigde vertrouwen van verweerster er zich tegen verzet dat eiser thans retroactief BTW navordert op de lidgelden, aangezien hij gedurende meer dan 12 jaren geen bemerkingen heeft gemaakt omtrent het feit dat geen BTW werd geheven over de lidgelden.

2\. In het enig middel tot cassatie voert eiser aan dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat verweerster de bij dwangbevel ingevorderde rechten niet is verschuldigd op grond dat de vraag of de in het geding zijnde lidgelden al dan niet belastbaar zijn in de BTW, wat afhangt van het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de diensten en de ontvangen tegenwaarde, een loutere feitenkwestie betreft zodat het gewettigde vertrouwen van verweerster er zich tegen verzet dat eiser thans retroactief BTW navordert op de lidgelden(1).

3\. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die bindend zijn voor de belastingadministratie, sluiten het recht in op rechtszekerheid. Dit houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de door de overheid gewekte gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel moeten worden gehonoreerd.

De verwachtingen mogen evenwel niet gegrond zijn op een onwettelijke praktijk. Een gedragslijn van de administratie zal bij de belastingplichtige derhalve nooit de gewettigde overtuiging kunnen wekken dat de administratie afziet van de strikte toepassing van de wet. Het recht op rechtszekerheid sluit enkel in dat de belastingplichtige zich op de vroegere gedragslijn van de administratie kan beroepen, voor zover die gedragslijn betrekking heeft op feitenkwesties(2).

Wanneer juridische of rechtskwesties aan de orde zijn, kunnen derhalve geen gewettigde verwachtingen worden gekoesterd in hoofde van de belastingplichtige aangaande een niet strikte toepassing van die wet. Zelfs wanneer de administratie jarenlang een wettelijke regel verkeerd uitlegt, kan de belastingschuldige daaruit geen gerechtvaardigd vertrouwen putten, omdat hij geacht wordt de wet te kennen: "Wie geacht wordt de wet te kennen, kan niet voorhouden dat hij een gerechtvaardigd vertrouwen put uit een verkeerde toepassing van de wet door een derde"(3).

4\. Bij feitenkwesties gaat het bijv. om vragen betreffende de schatting van het bedrag van een inkomen of een aftrek, het vaststellen van een percentage, de bewijskrachtige aard van een boekhouding(4).

Een rechtsvraag daarentegen heeft betrekking op de toepassing of draagwijdte van een wettelijke norm, de kwalificatie van bepaalde inkomsten, de belastbaarheid of vrijstelling van een bepaald inkomen, de aftrekbaarheid van beroepskosten(5).

5\. Het recht op rechtszekerheid mag bijgevolg niet worden ingeroepen indien dat leidt tot een beleid dat tegen uitdrukkelijke wetsbepalingen ingaat. Wanneer rechtskwesties aan de orde zijn primeert steeds het wettelijkheidsbeginsel(6).

6\. Ingevolge [artikel 2, eerste lid, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), zijn de leveringen van goederen of diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting over de toegevoegde waarde onderworpen wanneer zij in België plaatsvinden.

Overeenkomstig artikel 2.1 van de Zesde BTW-Richtlijn zijn aan de BTW onderworpen: "de leveringen van goederen en de diensten, welke in het binnenland door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht".

De vereiste dat handelingen onder bezwarende titel moeten worden verricht, houdt in dat er een tegenprestatie tegenover staat(7).

Er is sprake van een dienst onder bezwarende titel wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen het geleverde goed of de verrichte dienst en de ontvangen tegenwaarde(8).

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking dient te bestaan waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst(9).

7\. Zoals eiser aanvoert, betreft de vraag of er een rechtstreeks verband bestaat in de zin van [artikel 2, §1, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), bestaat tussen een handeling en een ontvangen tegenprestatie geen feitenkwestie maar een rechtskwestie nu het antwoord op die vraag bepalend is voor de belastbaarheid van die handeling.

Anders dan bij het louter vaststellen van feiten, gaat de beoordeling van het al dan niet bestaan van een rechtstreeks verband tussen een dienstverrichting en de ontvangen tegenprestatie gepaard met een juridische kwalificatie van de feiten waarbij eiser strikt gebonden is door de wet.

Vanuit die optiek heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie zich herhaaldelijk uitgesproken over de vraag of er tegenover een bepaalde dienst al dan niet een tegenprestatie staat in rechtstreeks verband met die dienst. Zo werd bijv. vastgesteld dat een rechtstreeks verband bestaat tussen de handeling en de vergoeding, wanneer deze bestaat uit een jaarlijks forfaitair lidgeld van de leden van een sportvereniging, ook al maken zij weinig of zelfs geen gebruik van de voorzieningen van de sportvereniging(10).

8\. Het bestreden arrest heeft bijgevolg niet wettig beslist dat de vraag of er een rechtstreeks verband bestaat tussen de diensten verricht door verweerster en de ontvangen lidgelden een loutere feitenkwestie aanbelangt, aangezien de beoordeling van het "rechtstreeks verband" een juridische kwalificatie van de feiten veronderstelt en bijgevolg een rechtskwestie aanbelangt zodat de appelrechters het wettelijkheidsbeginsel hebben geschonden door te oordelen dat in de gegeven omstandigheden het gewettigde vertrouwen van verweerster er zich tegen verzet dat eiser thans retroactief BTW navordert op de lidgelden.

Het middel komt mij dan ook gegrond voor.

9\. In de memorie van antwoord werpt verweerster onder verwijzing naar het "ELMEKA"-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie op dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel ook van toepassing is wanneer een handelen van de belastingdienst in hoofde van de belastingplichtige een gewettigd vertrouwen heeft doen ontstaan, zelfs indien dit handelen van de belastingdienst onwettig is(11).

In die zaak oordeelde het Hof van Justitie dat "met betrekking tot het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen van de begunstigde van een gunstige handeling, in de eerste plaats moet uitgemaakt worden of de handelingen van de administratieve instanties bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een gewettigd vertrouwen hebben gewekt. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, moet in de tweede plaats worden nagegaan of dit vertrouwen gewettigd is".(12)

10\. In deze zaak had de fiscale controle betrekking op het vak "00" van de BTW-aangifte waarin door eiseres de lidmaatschapsgelden werden ondergebracht waarover geen BTW werd aangerekend. Het standpunt van de fiscale administratie impliceert dat de lidmaatschapsgelden de werkelijkheid vermommen: zij betreffen in werkelijkheid geen echte lidmaatschapsgelden maar vergoedingen voor ondersteuning na aankoop van een softwarepakket.

De afwezigheid van controle gedurende twaalf jaar op een vermomd deel van de boekhouding, hebben m.i. 'geen gewettigd vertrouwen kunnen wekken bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer' in de zin van voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie.

Het bestreden arrest kan aldus ook de toets aan het zgn. 'communautaire vertrouwensbeginsel' niet doorstaan(13).

Besluit: VERNIETIGING.

\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_\_

(1) Schending van de artikelen 159, 170, 172 G.W., het wettelijkheidsbeginsel, het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, de artikelen [2, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2), en [4, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), BTW-wetboek.

(2) Cf. concl. OM bij [Cass. 11 februari 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/behoorlijk-bestuur-rechtszekerheidsbeginsel-gewettigde-cassatie-brussel-2011-02-11-4d26), AR F.09.161.N, AC 2011, nr. 123, en Cass. 10 december 2009, AR AR F.08.0038.N, AC 2009, nr. 736.

(3) Cf. concl. OM bij [Cass. 11 februari 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/behoorlijk-bestuur-rechtszekerheidsbeginsel-gewettigde-cassatie-brussel-2011-02-11-4d26), AR F.09.161.N, AC 2011, nr. 123.

(4) Zie bijv. i.v.m. de raming van een voordeel in natura: Cass. 11 mei 1998, AR [F.09.0161.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/behoorlijk-bestuur-rechtszekerheidsbeginsel-gewettigde-cassatie-brussel-2011-02-11-4d26), AC 1998, nr. 237.

(5) Zie bijv. i.v.m. de kwalificering van de inkomsten van een belastingplichtige: Cass. 20 november 2006, AR F.05.0059.F, AC 2006, nr. 578.

(6) Zie Cass. 11 februari 2011, AR [F.09.0161.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/behoorlijk-bestuur-rechtszekerheidsbeginsel-gewettigde-cassatie-brussel-2011-02-11-4d26), AC 2011, nr. 123, met concl. OM; Cass. 10 december 2009, AR F.08.0038.N, AC 2009, nr. 736, met concl. OM; Cass. 30 mei 2008, AR F.06.0083.F, AC 2008, nr. 334; Cass. 29 november 2004, AR S.03.0057.F, AC 2004, nr. 574; Cass. 6 november 2000, AR F.99.0108.F, AC 2000, nr. 598, met concl. van voormalig Procureur.-generaal LECLERCQ; Cass. 11 mei 1998, AR F.97.0075.F, AC 1998, nr. 237; Cass. 13 februari 1997, AR F.96.0037.F, AC 1997, nr. 84; Cass. 27 maart 1992, AC 1991-92, nr. 405; cf. HvJ, 14 september 2006, [C-181/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-181-04-arrest), Elmeka, nrs. 31-36; HvJ, 1 april 1993, [C-31/91](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-31-91-arrest) en C-44/91, Lageder.

(7) L. VANDENBERGHE, Aftrek en teruggaaf van BTW, Antwerpen, Intersentia, 1998, 52, nr. 46.

(8) HvJ, 9 juni 2011, C 285/10, Campsa Estaciones de Servicio SA, nr.25.

(9) HvJ, 27 oktober 2011, C 93/10, Finanzamt Essen-Nordost, nr.18; HvJ, 16 december 2010, C 270/09, MacDonald Resorts Ltd, nr.16.

(10) HvJ, 21 maart 2002, C 174/00, Kennemer Golf & Country Club; zie ook HvJ, 5 februari 1981, [C-154/80](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-154-80-arrest), Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats; HvJ, 8 maart 1988, [C-102/86](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-102-86-arrest), Apple and Pear Development Council; HvJ, 23 november 1988, [C-230/87](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-87-arrest), Naturally Yours Cosmetics; HvJ, 3 maart 1994, [C-16/93](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-93-arrest), Tolsma.

(11) HvJ, 14 september 2006, C-183/04, www.curia.europa.eu.

(12) R.o. 32.

(13) J. VAN DYCK, "Vertrouwensbeginsel: eigen communautaire inhoud", Fisc. 2007, afl. 1063, p. 2; H. VANDEBERGH, "Het vertrouwensbeginsel volgens het Europees Hof van Justitie,", TFR 2007, afl. 332, p. 1029.

## Aangehaalde teksten

8

[WBTW art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) 11 voorkomens

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 4 voorkomens

[102/86, arrest van 8 maart 1988](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-102-86-arrest) 2 voorkomens

[154/80, arrest van 5 februari 1981](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-154-80-arrest) 2 voorkomens

[C-16/93, arrest van 3 maart 1994](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-16-93-arrest) 2 voorkomens

[C-181/04, arrest van 14 september 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-181-04-arrest) 2 voorkomens

[230/87, arrest van 23 november 1988](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-230-87-arrest) 2 voorkomens

[C-31/91, arrest van 1 april 1993](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-31-91-arrest) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Schuldenaar van de belasting, Verlegging van de btw-heffing -Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-belasting-verlegging-btw-heffing-rechtbank-brussel-2019-12-05-6dc1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wetboek-belasting-toegevoegde-waarde-art-grondwettelijk-hof-brussel-2021-12-02-914d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Holding, Onroerende verhuur, Essentieel karakter, holdingvennootschap](https://juriel.be/nl/rechtspraak/holding-onroerende-verhuur-essentieel-karakter-hof-van-beroep-2026-04-20-31c6) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet aangegeven omzet, inzage gerechtsdossier, una via overleg](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-inzage-gerechtsdossier-una-rechtbank-gent-2024-03-13-576c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Consulting, Bedrieglijk opzet, Plaats van de dienst, adviesverstrekking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/consulting-bedrieglijk-opzet-plaats-dienst-hof-van-beroep-brussel-2025-03-19-77c1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Kennisgeving aanwijzingen van fraude, Bedrieglijk opzet, Niet aangegeven omzet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kennisgeving-aanwijzingen-fraude-bedrieglijk-opzet-rechtbank-bergen-2024-06-21-ac1d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Voldoening van de belasting, Verlegging van de heffing, Medecontractant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-verlegging-heffing-medecontractant-grondwettelijk-hof-all-2012-10-c02e) 2 gemeenschappelijke bepalingen
