Tekst van de beslissing
Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 21.01.2002
BTW - Belastbare grondslag - Subsidie - Aftrek - Tarief - Dwangbevel
Aangezien de feiten die aan deze zaak ten grondslag liggen dateren van voor 1 januari 1999, dient het verzet tegen het dwangbevel te worden gedaan per dagvaarding, en niet per verzoekschrift. Het deel dat werd ingeleid per verzoekschrift is dan ook onontvankelijk. Het deel ingeleid per dagvaarding, herneemt de inhoud van het onontvankelijke verzoekschrift. De subsidies en de werkingstoelagen die de B.T.W.-belastingplichtige ontvangt, dienen te worden opgenomen in de noemer van de breuk om het algemeen verhoudingsgetal te bepalen. De B.T.W. geheven van kosten en investeringen die worden gemaakt voor de speelzaaal is niet aftrekbaar, aangezien deze rechtstreeks kunnen worden toegewezen aan een niet-belaste activiteit. De verkoop van eetbons aan het personeel van de B.T.W.-belastingplichtige slaan op maaltijden die ter plaatste worden verstrekt. Derhalve zijn deze onderworpen aan het standaard-B.T.W.-tarief en is het verlaagd B.T.W.-tarief niet van toepassing.
Vierde kamer
Alleenrechtsprekend rechter: Dhr. Haemers Nicolas
E-a. adjunct-griffier: Mevr. Lhoest Nathalie
Partij: NV Blankenberge Casino Kursaal t. De Belgische Staat
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift houdende verzet de dato 22 oktober 1999 in de zaak 99/2810/A.
Gelet op het proces-verbaal van vrijwillige verschijning de dato 25 juni 2001 in de zaak 01/1885/A.
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 24 december 2001.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
2.1. Op 5 juli 1985 werd eiseres opgericht. Zij is een gemengde belastingplichtige.
Op 23 april 1998 werd door de administratie van ondernemings- en inkomensfiscaliteit, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 december 1997.
Bij gebrek aan akkoordverklaring werd op 20 oktober 1998 door de controlerende ambtenaren een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.
Op 29 maart 1999 werd op basis van dit proces-verbaal door de met de invordering belaste ambtenaar, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 10 mei 1999 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Roland Deceuninck, directeur bij een fiscaal bestuur, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge.
Op 19 mei 1999 werd het dwangbevel aan eiseres ter kennis gegeven door middel van een aangetekend schrijven.
2.2. Eiseres vraagt dat de zaken 99/2810/A en 01/1885/A worden samengevoegd en dat de vorderingen ontvankelijk en gegrond worden verklaard en dat dienvolgens de terugbetaling wordt bevolen van de in uitvoering van het haar op 19 mei 1999 ter kennis gebrachte dwangbevel ten onrechte betaalde rechten, boeten en intresten, verhoogd met de moratoire rente vanaf de dag der betaling en met de gerechtelijke rente vanaf 22 oktober 1999. Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de gedingkosten, inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoedingen en dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement.
2.3. Verweerder vraagt eveneens de samenvoeging en vordert dat de vorderingen ontvankelijk en ongegrond worden verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoedingen ten bedrag van 2 × 13.200,- Bf.
III. BEOORDELING
3.1 Nopens de samenvoeging
Beide zaken betreffen identieke betwistingen. Op vraag van de partijen kunnen beide zaken dan ook worden samengevoegd.
3.2 Nopens de ontvankelijkheid van het verzoekschrift in de zaak 99/2810/A
3.2.1. De rechtbank stelt vast dat huidige vordering tegen de belastingadministratie werd ingesteld bij tegensprekelijk verzoekschrift de dato 22 oktober 1999.
3.2.2. Het artikel 89, 2° lid W.BTW, in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel slechts kan worden gestuit bij een door de belastingschuldige gedaan en met redenen omkleed verzet met dagvaarding.
3.2.3. Artikel 59 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 89, 2° lid W.BTW wordt vervangen door de volgende bepaling: «De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte.»
Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97 derde lid van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 59 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.
3.2.4. De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende: «In boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt: Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak.»
In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.
3.2.5. Het is duidelijk dat het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het gerechtelijk wetboek, zoals ingevoerd door de wet van 23 maart 1999) maar van toepassing is in zoverre er hierop geen uitzonderingen zijn voorzien in het bijzonder fiscaal procesrecht (Lex specialis derogat legi generali).
In casu is het duidelijk dat artikel 89, tweede lid W.BTW en de artikelen 59 en 97 derde lid van de wet van 15 maart 1999 uitzonderingsbepalingen vormen op het gemeen fiscaal gerechtelijk recht (art. 1385decies en undecies van het gerechtelijk wetboek);
3.2.6. Gelet op het voorgaande dient te worden besloten dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.
De twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent kwam in haar vonnis de dato 9 november 2000 in de zaak C. C•••••• vs. BELGISCHE STAAT tot dezelfde conclusie.
3.2.7. Uit de door partijen voorgelegde stukken blijkt dat de oorzaak van opeisbaarheid van de hier betwiste sommen zich heeft voorgedaan voor 1 januari 1999, meer bepaald in de jaren 1995, 1996 en 1997 zodat het verzet ten onrechte werd ingeleid bij verzoekschrift. De wet (cf. supra) voorziet in onderhavig geval dat de gedinginleiding dient te geschieden bij dagvaarding.
Aangezien voormelde regels met betrekking tot de rechtsingang ressorteren onder de rechterlijke organisatie houdt de miskenning ervan zonder meer de onontvankelijkheid van de vordering in (Cass. 27 mei 1994, R.W. 1994-1995, 1017).
3.3 Nopens de grond van de zaak
3.3.1 M.b.t. het algemeen verhoudingsgetal
3.3.1.1. Eiseres stelt dat, overeenkomstig artikel 17, 5° lid van de 6 e BTW-richtlijn, bij de berekening van het algemeen verhoudingsgetal enkel rekening moet worden gehouden met het totaal van de directe tegenprestaties van leveringen van goederen en diensten.
Bij de berekening van het algemeen verhoudingsgetal moet volgens eiseres dus enkel rekening worden gehouden met de prijzen die door de klanten werden betaald voor de levering van goederen of diensten in uitvoering van een contract onder bezwarende titel. Het is te dezen duidelijk, aldus eiseres, dat de subsidies en werkingstoelagen een financieringsmethode betreft en niet als een specifieke vergoeding voor het leveren van een goed of dienst kunnen beschouwd worden en derhalve niet in de noemer moeten worden opgenomen.
3.3.1.2. Voor de berekening van het algemeen verhoudingsgetal voor de jaren 1995, 1996 en 1997 heeft de administratie rekening gehouden met de financiële transfers die door de VZW Prive Club Casino Blankenberge ten gunste van eiseres werden verricht en wel voor resp. 135.136.095,- Bf. (3.349.936,29 EUR), 105.768.632,- Bf. (2.621.935,90 EUR) en 103.608.516,- Bf. (2.568.388,02 EUR).
3.3.1.3. De speciale vergunning tot uitbating van het Casino van Blankenberge staat op naam van de NV Blancas. In uitvoering van het parket van de Procureur des Konings moest die uitbating echter gebeuren als een aparte entiteit onder de vorm van een VZW. Op 5 juli 1985 werd dan ook de VZW Privé Club Casino Blankenberge opgericht.
3.3.1.4. De rechtbank stelt vast dat het eigenlijk doel van de VZW bestaat in het uitbaten van de speelzaal en het verzamelen van de inzetten van diverse gokspelen. De VZW werd dus blijkbaar enkel en alleen opgericht voor de exploitatie van de speelzaal in het casino en voor het inzamelen van de inzetten. Andere inkomsten heeft de VZW niet. De andere vermakelijkheden zoals het uitbaten van het restaurant, het inrichten van diverse manifestaties, e.d. worden uitsluitend door eiseres georganiseerd.
Iedere overeenkomst die gesloten wordt om de exploitatie van een casino mogelijk te maken is aangetast door een ongeoorloofde oorzaak en derhalve absoluut nietig. Het oprichten van de VZW is derhalve een absoluut nietige rechtshandeling dewelke niet tegenstelbaar kan zijn aan verweerder voor wat betreft de vestiging van de belasting.
Verder stelt de rechtbank vast dat uit de voorliggende stukken duidelijk blijkt dat beide rechtspersonen afhankelijk zijn van elkaar aangezien de NV de inkomsten van de VZW nodig heeft om rendabel te zijn. Deze band van afhankelijkheid blijkt ondermeer ook uit de vaststelling dat eiseres een groot deel van de algemene kosten en een aantal specifiek kosten draagt, dat de speelzaal zich in hetzelfde gebouw bevindt waarover eiseres de concessie heeft, dat het restaurant uitgebaat door eiseres ondergebracht is in dezelfde zaal dan de speelzaal en dat de inzetten (omzet VZW) praktisch wekelijks worden doorgestort aan eiseres onder de noemer «financiële transferten», hetgeen in feite neerkomt op het doorboeken van de omzet van de VZW naar eiseres.
Gelet op het voorgaande is het dan ook duidelijk dat eiseres die de eigenlijke vergunning voor de uitbating van de speelzaal bezit en de eigenlijke uitbater is, verplicht werd om een tussenpersoon (VZW) aan te stellen om de opbrengsten te innen dewelke voortkomen uit de normale beroepsactiviteit van eiseres zelf.
Deze opbrengsten (financiële transferten) dienen derhalve te worden opgenomen in de noemer van de breuk om het algemeen verhoudingsgetal te bepalen.
3.3.2 M.b.t. de weigering van het recht op aftrek op goederen en diensten m.b.t. de speelzaal
3.3.2.1. Eiseres stelt dienaangaande dat er een voldoende verband is tussen de kosten en investeringen bestemd voor de van BTW vrijgestelde activiteit in de speelzaal van het casin en de door haar ontwikkelde, belaste horeca-activiteit. Bijgevolg kan volgens eiseres de voorbelasting ten bedrage van 699.434,- Bf. die op deze kosten en investeringen drukt worden afgetrokken.
3.3.2.2. Uit bijlage VII van het proces-verbaal de dato 20 oktober 1998 blijkt dat de kwestieuze facturen door hun aard enkel betrekking hebben op de speelzaal. Het gaat hier meer bepaald om beveiligingssystemen tegen het valsspelen, om een biljettenmachine, om een seminarie inzake spelverslaving, om onderdelen van spelen, enz. Het betreft hier dus geen kosten en investeringen gemaakt om belaste handelingen te verrichten.
Verweerder stelt terecht dat volgens het artikel 45, § 1, 1° W.BTW en de regels van het werkelijk gebruik, de BTW over deze kosten en investeringen niet aftrekbaar zijn omdat zij rechtstreeks kunnen toegewezen worden aan een niet belastbare activiteit (artikel 44, § 3, 130).
3.3.3 M.b.t. de toepassing van het 6%-tarief
3.3.3.1. Eiseres stelt dat de verkoop van eetbons door eiseres aan haar personeel de personeelsleden uitsluitend recht geven op eetwaren en dat er verder aan hen niet de minste dienstprestatie wordt verleend. Volgens eiseres is dan ook op die levering van spijzen het 6%-tarief van toepassing.
3.3.3.2. Volgens vaststellingen ter plaatse worden de maaltijden verstrekt aan het personeel in een daartoe voorbestemde refter. Deze maaltijden worden bereid in de keuken van het restaurant en worden aangeboden op een beperkte menukaart. Het is bijgevolg duidelijk dat er niet enkel eetwaren worden meegegeven aan het personeel maar dat er ook tegelijkertijd restaurantdiensten worden gepresteerd.
Volgens het K.B. nr. 20 kan deze dienstprestatie niet ondergebracht worden onder de tabel A of B.
3.3.4 M.b.t. de schending van het vertrouwensbeffinsel
Uit de drie correctieopgaves van de BTW-controles (stukken 4, 5 en 6) blijkt dat de aftrek van de BTW over de kosten en investeringen waarvoor geen precieze afzondering was, beperkt werden tussen eiseres en de VZW. Het toen geldende verhoudingsgetal was bepaald op 50%.
Het is duidelijk dat men bij de eerste controle enkel getracht heeft een representatief verhoudingsgetal vast te stellen. Bij de latere controles die uitgevoerd werden door dezelfde controleagent werd voormeld verhoudingsgetal gewoon overgenomen, los van enig akkoord met de BTW-administratie.
Dat er nooit een duidelijke overeenkomst is geweest blijkt trouwens uit de houding van eiseres. De controleagent was immers bij de controles telkens weer verplicht de toepassing van het verhoudingsgetal op te dringen. Daarbij was telkens weer de uitdrukkelijke toestemming van de belastingplichtige nodig.
Op 23 april 1998 werd een grondige controle aangevat door het A.O.I.F. Terug moest worden vastgesteld dat het systeem van het verhoudingsgetal niet werd toegepast i.v.m. de BTW over de algemene kosten en investeringen met betrekking tot de speelzaal. Zodoende heeft de controleur via de beschikbare balansen een algemeen verhoudingsgetal bepaald in het systeem van het werkelijk gebruik en dit bij ontstentenis van een bijzonder verhoudingsgetal.
Niettegenstaande eiseres uitdrukkelijk akkoord was met het principe van de gemengde belastingplicht weigerde zij telkenmale om de vigerende regels die dit regime meebrengt, na te leven. Het moge duidelijk zijn dat het standpunt van de administratie vanaf de eerste controle duidelijk was. De berekening van het verhoudingsgetal door de heer Gerets van het A.O.I.F., op basis van duidelijke en logische boekhoudkundige gegevens omdat eiseres terug nagelaten had dit te doen, was geen nieuw standpunt of een wijziging van een eerder ingenomen standpunt van de administratie. Van een afwijking van een vaste gedragslijn is hier geen sprake.
Het vertrouwensbeginsel is nooit geschonden geweest.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.
Voegt de beide zaken met A.R. nr. 99/2810/A en A.R. nr. 01/1885/A samen.
Verklaart het verzet in de zaak met A.R. nr. 99/2810/A onontvankelijk.
Verklaart het verzet in de zaak met A.R. nr. 01/1885/A ontvankelijk en ongegrond.
Veroordeelt eiseres in de zaak met A.R. nr. 99/2810 tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 327,22 EUR (DRIEHONDERD ZEVENENTWINTIG EURO TWEEËNTWINTIG CENT), uit hoofde van geïndexeerde rechtplegingsvergoeding.
Veroordeelt eiseres in de zaak met A.R. nr. 01/1885/A tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 327,22 EUR (DRIEHONDERD ZEVENENTWINTIG EURO TWEEËNTWINTIG CENT), uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.
De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.