---
title: "0979ded0 · 18 januari 2011 · Belastbaarheid, werkingssfeer · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 18 januari 2011. Ref. 0979ded0."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2011-01-18-0979"
lang: "nl"
---

# Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, voldoening van de belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

18 januari 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

83 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 18.01.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER – OPENBARE TERECHTZITTING VAN 18 JANUARI 2011

**Rolnummer AR 09/1298/A**

In de zaak van :

**De G. W.**, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen, met bestuurszetel te …, …;

**eiseres,**

voor wie als raadsman optreedt Mter. **L. D. M.**, advocaat, met kantoor te …, …;

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, BTW-Ontvangkantoor van en te Wetteren, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur a.i., waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg nr. 93,

**verweerder,**

voor wie als raadsman optreedt Mter. **E. V. A.**, advocaat, met kantoor te …, …;

**Vonnist de rechtbank als volgt** **:**

## 1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 21 december 2010 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het geding inleidende verzoekschrift d.d. 2 april 2009 en de conclusies van die partijen.

## 2. DE VORDERING

De eiseres verhaalt zich tegen de vordering, gesteld door de BTW-administratie in het dwangbevel, aan de eiseres ter kennis gebracht op 15 december 2008 en het daaraan gehechte proces-verbaal. Tevens wordt door de eiseres de betaalde BTW, boete .en nalatigheidsinteresten teruggevorderd (BTW in hoofdsom, 119.003,53 EUR; boete 11.900,00 EUR; interesten, p.m.) die werden verrekend via de rekening-courant van de eiseres bij de BTW-administratie.

De eiseres formuleert de vordering als volgt :

*"a. In hoofdorde*

*De vordering van de administratie in haar geheel ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat concluante terecht voor het boekjaar 2005 de som gelijk aan 119.003,53 EUR hoofdens BTW in aftrek heeft gebracht en dienvolgens de BTW-administratie te veroordelen tot terugbetaling van de door de administratie uit de rekening-courant van concluante geboekte sommen te vermeerderen met de moratoriuminteresten vanaf de datum van deze overboeking in het voordeel van de BTW-administratie.*

*b. In eerste subsidiaire orde*

*Minstens te zeggen voor recht dat concluante recht heeft op de aftrek van voorbelasting geheven op de bedrijfsmiddelen aangekocht in de loop van het jaar 2005 en bijgevolg de vordering van·de BTW-administratie overeenkomstig te vernietigen en de BTW-administratie te veroordelen tot terugbetaling van de overeenkomstige som te vermeerderen met de moratoriuminteresten te rekenen vanaf de datum van overboeking in het voordeel van de BTW-administratie (via de rekening-courant).*

*c. In tweede subsidiaire orde*

*De opgelegde boete geheel, minstens gedeeltelijk kwijt te schelden, dan wel te verminderen tot een passend bedrag en dienvolgens de BTW-administratie te veroordelen tot terugbetaling van het overeenkomstige bedrag, vermeerderd met de moratoriuminteresten te rekenen vanaf de datum van overboeking in het voordeel van de BTW-administratie (via de rekening-courant).*

*De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding, vastgesteld op het basisbedrag gelijk aan 5.000 EUR.*

*“*

## 3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

De gemeente **W.** zet uiteen dat wanneer zij zelf niet instaat voor de levering van drinkwater, ze BTW-plichtige wordt voor de inzameling en afvoer van afvalwater, wanneer deze diensten kunnen worden aangemerkt als transportdiensten en zij deze diensten onder bezwarende titel verstrekken aan een derde, bijvoorbeeld een drinkwatermaatschappij. Daarvoor is vereist dat de gemeenten naast de terbeschikkingstelling en het onderhoud van de rioolinfrastructuur, ze ook actief moeten tussenkomen (via het gemeente personeel of onderaannemer) bij het inzamelen en afvoeren van het afvalwater, door bijvoorbeeld het onderhoud en operationeel houden van de riolering, toezicht en bediening van pompstations, persleidingen en overstorten, enz..

De gemeente **W.** acht zich sinds 1 januari 2005 belastingplichtige voor de inzameling en afvoer van afvalwater. De gemeente stelt dat ze haar BTW-plichtige activiteit heeft aangevat op 1 januari 2005.

De gemeente **W.**, is sinds 20 december 2005 geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE … voor de activiteit van sanering afvalwater en inzamelen en afvoeren van vervuild water. De gemeente **W.** is gehouden tot het indienen van periodieke maandaangiften, zoals voorzien bij [artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) van 29 december 1992, in uitvoering van artikel 53, § 1,eerste lid, 2° W.BTW.

In de aangifte voor de maand december 2005 bracht de eiseres een totaal bedrag gelijk aan 148.157,60 EUR BTW in aftrek. De BTW-aftrek had betrekking op alle kosten en investeringen gedaan in de loop van het jaar 2005 ..

Met betrekking tot deze aangifte en de in aftrek gebrachte BTW werd een controletoezicht uitgevoerd door de BTW-controle te Wetteren tijdens de tweede helft van het jaar 2008. Door de verbaliserende ambtenaar werden volgende vaststellingen verricht :

\- op 20 december 2005 werd door de eiseres een BTW-identificatienummer aangevraagd. Als datum begin activiteit werd 1 januari 2005 opgegeven;

\- de BTW-aangifte met betrekking tot de maand december 2005 werd ingediend op 23 januari 2006 waarbij geen enkele omzet werd aangegeven;

\- de aftrek van de BTW is gebeurd aan de hand van aankoopfacturen uitgereikt vanaf 31 januari 2005 en die betrekking hadden op de aanschaffing van bedrijfsmiddelen, zijnde hoofdzakelijk de uitbreiding of verbeteringswerken aan de rioleringen; een totaalbedrag van 148.157,60 EUR werd aangegeven als aftrekbare BTW in de BTW-aangifte van december 2005.

De eiseres heeft bij brief van 28 augustus 2008 aan de administratie gevraagd of zij recht heeft op de historische BTW-aftrek op de riolering verwijzend naar de ministeriële beslissing nr. ET 110.559 van 24 november 2006. Tot staving van deze aanvraag stuurde de eiseres een aantal stukken waaruit zou moeten blijken dat zij reeds vóór 1 juli 2005 de ondubbelzinnige bedoeling had om belastbare handelingen te verrichten inzake het inzamelen en afvoeren van afvalwater.

Uit de controle door de administratie is gebleken dat een concessieovereenkomst werd gesloten tussen de gemeente **W.** en **A.** met betrekking tot het beheer en de verdere uitbouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur. Op de zitting van de gemeenteraad d.d. 28 april 2005 werd een principebeslissing genomen voor het in concessie geven van het beheer en de verdere uitbouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur.

Uit het ontwerp van concessieovereenkomst van openbare dienst inzake rioolwater infrastructuurbeheer die werd opgemaakt overeenkomstig de gemeenteraadszitting van 28 april 2005 is gestipuleerd dat :

\- artikel 1 : de concessiehouder instaat voor het beheer van het gemeentelijk rioleringsstelsel;

\- bijlage 4 : de concessiehouder het recht verleent de rioolinfrastructuur en zijn aanhorigheden te gebruiken en te exploiteren voor de verwezenlijking van de door de concessiegever aan de concessiehouder toegewezen opdracht inzake rioolbeheer;

\- bijlage 5 : de concessiehouder moet instaan voor het dagelijks beheer van het volledig rioolstelsel, dit heeft betrekking op openbare rioleringen voor de afvoer van het afvalwater, voor de leidingen voor de afvoer van het afvalwater als de infrastructuur, voor de bijhorende hydraulische structuren ….

Uit de brief van 14 juli 2005 van **A.** aan de gemeente **W.** is vermeld dat de uitgaven van de concessiehouder fiscaal kunnen geoptimaliseerd worden door te factureren aan de drinkwatermaatschappij.

Nadat twee offertes werden ingediend en na verder onderzoek werd op 7 oktober·2005 beslist dat de concessie inzake het beheer en de verdere uitbouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur wordt toegewezen aan de NV **A.**.

Een eerste stuk dat is voorgelegd met betrekking tot een overeenkomst tussen de drinkwatermaatschappij met name de intercommunale Maatschappij voor Watervoorziening in Vlaanderen (IMVW) en de gemeente **W.**, betreft een uittreksel van het register van de gemeenteraadszitting van 15 december 2005 waaruit blijkt dat het ontwerp van overeenkomst tussen de IMVW en de gemeente **W.** met betrekking tot het saneren van het door de IMVW aan haar abonnees geleverde water, wordt goedgekeurd en waarbij het college van burgemeester en schepenen worden belast verder te onderhandelen met de IMVW om tot de meest optimale situatie te komen.

De administratie is van oordeel dat geen enkel ander document werd voorgelegd waaruit blijkt dat de gemeente **W**. reeds vóór 15 december 2005 een ondubbelzinnige keuze zou hebben gemaakt om daadwerkelijke handelingen te stellen die aan de BTW zouden onderworpen zijn (= inzamelen en afvoeren van afvalwater tegen vergoeding).

Na het onderzoek werd door de verbaliserende ambtenaar geoordeeld dat de gemeente **W.** niet aantoont dat zij vroeger dan 15 december 2005 de hoedanigheid van belastingplichtige heeft verkregen voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater. De ondubbelzinnige wil van de gemeente **W.** om onder bezwarende titel voorde drinkwatermaatschappij het afvalwater in te zamelen en af te voeren blijkt volgens de administratie ten vroegste uit de beraadslaging van de gemeenteraad van die datum.

In het kader van deze controle werd aldus het proces-verbaal van 2 december 2008 opgesteld waarbij de BTW-aftrek voor het jaar 2005 voor een bedrag van 119,003,53 EUR werd verworpen.

De BTW-administratie baseert zich op een gewijzigd administratief standpunt (beslissing nr. E.T.110559, d.d. 24 november 2006), waarin wordt gesteld dat de gemeente slechts de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige bekomt vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst voor het vervoer van afvalwater effectief werd gesloten met de drinkwatermaatschappij. De administratie aanvaardt daarbij ook niet dat de investeringen die vóór het sluiten van die overeenkomst werden gedaan, aangemerkt worden als ondubbelzinnige voorbereidende handelingen met het oog op het verrichten van belastbare handelingen.

Aangezien er geen betaling van de verschuldigde sommen werd bekomen, werd op 4 december 2008 door de e.a. inspecteur, ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Wetteren een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 8 december 2008 werd 'geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoor te Wetteren, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de BTW te Gent. Dit dwangbevel werd op 15 december 2008 bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de gemeente **W.** op grond van artikel 85, § 1 W.BTW. Het inzonderheid tegen dit dwangbevel dat de eiseres op 2 april 2009 een verzoekschrift op tegenspraak heeft neergelegd ter griffie van deze rechtbank.

## 4. BEOORDELING

De BTW-belastingplicht van de gemeente **W.** voor het inzamelen en transporteren van afvalwater staat in het huidige geschil niet ter discussie (artikel 6 en 18, § 1 W.BTW).

Het geschil betreft het tijdstip waarop de BTW-belasting plicht van de gemeente is ontstaan. Overeenkomstig de administratieve beslissing E.T. 110.925 (d.d. 28 maart 2006) zou de BTW-belastingplicht pas ontstaan vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij voor het vervoer van afvalwater effectief werd gesloten. Nadien werd dit standpunt gewijzigd bij beslissing E.T. 110.559 (d.d. 24 november 2006). De BTW-administratie aanvaardt ook dat het bewijs van de ondubbelzinnige bedoeling van de gemeente om belastbare handelingen te verrichten inzake het inzamelen en afvoeren van afvalwater kan geleverd worden door documenten waaruit zonder twijfel die bedoeling blijkt.

In het proces-verbaal d.d. 2 december 2008 wordt onder verwijzing naar voormelde principes gesteld dat de gemeente **W.** de hoedanigheid van belastingplichtige zeker heeft verkregen op 15 december 2005. De eiseres kan zich met dit standpunt niet akkoord verklaren en meent dat de BTW-belastingplicht is ontstaan sinds 1 januari 2005.

Vanaf 1 januari 2005 rust overeenkomstig het decreet van 24 december 2004 een saneringsverplichting op de drinkwatermaatschappijen, waardoor de gemeenten die zelf instaan voor het inzamelen en afvoeren van afvalwater zich in een concurrentiele positie bevinden ten aanzien van de drinkwater-maatschappijen.

Wanneer de gemeente op 1 januari 2005 reeds beschikte over een functionele uitrusting (een rioleringsnetwerk), en de belastbare activiteiten derhalve onmiddellijk hebben plaatsgevonden, zal de gemeente de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige op deze datum verwerven.

Uit de volgende concrete elementen blijkt dat de gemeente reeds vóór de formalisering van' de overeenkomst d.d. 15 december 2005 diverse voorbereidende inlichtingen, initiatieven nam en handelingen trof teneinde aan haar saneringsplicht met ingang van 1 januari 2005 te voldoen. De hierna vermelde stukken wijzen uit dat de latere formalisering zijn oorzaak kende in de nog aanwezig zijnde onduidelijkheden en de praktische regeling van de saneringsplicht.

\- het uittreksel d.d. 26 augustus 2004 uit het register van de beslissingen van de gemeenteraad (stuk nr. 16 van verweerder) betreft de goedkeuring van de statutenwijziging van de T.M.V.W. : er wordt ten eerste uitdrukkelijk vermeld : "een goedkeuring van de thans voorgestelde statutenwijziging verbindt de gemeente geenszins met betrekking tot de keuze om al dan niet de waterzuiverings- en transportactiviteit in de gemeente aan de TMVW toe te vertrouwen". Er wordt tevens vermeld dat deze goedkeuring enkel de TMVW in de mogelijkheid stelt om deze activiteit uit te voeren in de gemeenten die daarvoor wensen toe te treden.

\- het uittreksel d.d. 25 november 2004 (stuk nr. 17 van verweerder) betreft het verslag met 'slides' van een vertegenwoordiger van **A.** inzake de werking en de (volgens hem) BTW-regeling van een eventuele overeenkomst met **A.**. Naast dit verslag met aanduiding aan de betrokken bladzijden werd de inhoud van 'een vragenronde' vermeld in dit uittreksel waarop er door deze vertegenwoordiger wordt geantwoord : "de definitieve wetgeving moet nog beslist worden en dat een toetreding tevens mogelijk is begin 2005, onder dezelfde voorwaarden, maar dat het wel wenselijk is een principieel akkoord te verlenen". Door deze vertegenwoordiger werd tevens vermeld dat "bepaalde gemeenten interesse betonen maar dat ze nog meer zekerheden afwachten".

De eiseres merkte terecht op dat dit uittreksel het feit bevestigt dat de formalisering van het stellen van de belastbare handelingen betreffende het inzamelen en afvoeren van afvalwater, meer tijd in beslag nam, onder meer door het feit dat de BTW-situatie voor de drinkwatermaatschappijen onduidelijk was. Er werd door de watermaatschappijen begin van het jaar 2005 een ruling bij de FOD Financiën aangevraagd. De beslissing van de ruling-diensten werd op 8 juli 2005 verleend. In afwachting van deze ruling. konden de drinkwatermaatschappijen niet eerder concrete voorstellen uitwerken om aan hun saneringsverplichting te voldoen. Ondertussen waren zij wel reeds saneringsplichtig en werd het afvalwater getransporteerd door de eiseres.

\- het verslag d.d. 2 februari 2005 van de Commissie Openbare Werken (stuk nr. 18 van verweerder) betreft, "net zoals TMVW in een voorgaande Commissie d.d. 25 november 2004 haar totale dienstverlening inzake rioolzuiveringsinfrastructuur voorstelde", de toelichting van haar concurrent. namelijk **A.**, op een "totaal-zuiveringsconcept". Dit verslag toont inderdaad aan dat de gemeente **W.** actief bezig was om de beste oplossing in verband met het beheer van haar rioleringsinfrastructuur en afvalwaterbeheer te realiseren.

\- uit het uittreksel d.d. 4 maart 2005 (beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen) (stuk nr. 19 van verweerder) blijkt dat de gemeente **W.** op 4 februari 2005 had beslist om tot marktconsultatie over te gaan en dat haar technische Dienst een voorstel diende uit te werken over welke taken in eigen beheer van de gemeente zouden blijven en welke taken uitbesteed zouden worden. Het uittreksel d.d. 24 maart 2005 (stuk nr. 20 van verweerder) bevestigt de beslissingen waarvan sprake in de vergadering d.d. 4 maart 2005.

\- het uittreksel d.d. 22 juli 2005 (stuk nr. 21 van verweerder) bevestigt dat er twee offertes, respectievelijk vanwege TMVW en van **A.**, officieel waren ingediend,

Het geheel van deze gegevens wijst uit dat de gemeente daadwerkelijk met ingang van 1 januari 2005 de saneringsplicht heeft opgenomen en zich in een concurrerende positie bevond ten aanzien van de drinkwatermaatschappijen, in navolging van het decreet van 24 december 2004. Overeenkomstig artikel 13, 1) van richtlijn 2006/112/EG moeten overheidslichamen die zodanige werkzaamheden of handelingen verrichten, als BTW-plichtige worden aangemerkt wanneer een behandeling als niet BTW-plichtige tot concurrentievervalsing van enige betekenis zou leiden. De BTW-plicht moet worden geacht te bestaan vanaf het moment dat de desbetreffende transportactiviteit werd uitgevoerd in een concurrentiële marktpositie, zijnde 1 januari 2005. Dit is het gevolg van de samenloop tussen de gevolgen van de dwingende wetgeving (decreet van 24 december 2004 waardoor een concurrentiële positie ontstond) en de bestaande feitelijke situatie die erin bestond dat een functionele uitrusting reeds voorhanden was (rioleringsnetwerk) waardoor de belaste werkzaamheden onmiddellijk hebben plaatsgevonden (Rb. Hasselt; 2010, www.monKEY.be, besproken in AFT, 2010/8-9, 63; B. BUELENS, "Historische herziening na aanvang BTW-plicht - Standpunten fiscus over BTW-aftrek rioolinfrastructuur naar prullenmand verwezen ?". Fisc. Act. 2010, afl. 21, 4-8.).

[Artikel 17 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) verleent de ondernemer het recht de BTW op zijn kosten gemaakt voor het stellen van belaste handelingen af te trekken. Het systeem is er op gericht de ondernemer volledig te bevrijden van de last van de BTW. Het stelsel garandeert de neutraliteit wat betreft de fiscale lasten van de economische activiteiten welke ook de doelstelling of resultaten van deze activiteit zijn.

Aangezien de exploitant van het openbaar distributienetwerk sinds 1 januari 2005 saneringsplichtig was en voor het transport van het afvalwater gebruik maakte van de riolering van de gemeente en de gemeente daarbij de riolering in eigen beheer had behouden, was vanaf 1 januari 2005 niet enkel de bedoeling aanwezig om BTW-plichtige handelingen te stellen maar volgde deze BTW-plicht ook uit de wet. De rechtbank onderschrijft de stelling dat de hoedanigheid van BTW-plichtige automatisch is verworven uit kracht van wet zonder enige formaliteit, van zodra aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Het sluiten van een overeenkomst met de drinkwatermaatschappij is niets anders dan het formaliseren van een economische realiteit die in het voor de rechtbank voorgelegde geval al bestond vanaf 1 januari 2005. De rechtbank is aldus van oordeel dat het sluiten van de overeenkomst met de drinkwatermaatschappij op 15 december 2005 (met ingang van 1 januari 2005) het louter formaliseren betrof van een economische realiteit die al bestond vanaf 1 januari 2005. Aangezien deze economische realiteit er was vanaf 1 januari 2005, is er geen sprake van terugwerkende kracht (Rb. Hasselt, 2010, www.monKEY.be, besproken in AFT, 2010/8-9,63; B. BUELENS, "Historische herziening na aanvang BTW-plicht - Standpunten fiscus over BTW-aftrek rioolinfrastructuur naar prullenmand verwezen ?", Fisc. Act. 2010, afl. 21, 4-8.).

De rechtbank sluit zich aan bij het standpunt van de eiseres en besluit dat een persoon die belastingplichtige is in de zin van artikel 4 W.BTW, het recht heeft op aftrek wanneer de goederen en/of diensten voor bepaalde handelingen worden gesteld. Gelet op hetgeen hiervoor werd uiteengezet. wordt de BTW-aftrek betreffende het jaar 2005 dan ook ten onrechte verworpen, aangezien de aftrekbare BTW betrekking heeft op kosten gemaakt in het kader van handelingen die werden gesteld binnen een belastbare activiteit waarvoor de gemeente de hoedanigheid heeft van BTW-belastingplichtige.

De Belgische Staat dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek). De kosten in het huidige geschil betreffen enkel de rechtsplegingsvergoeding. De vordering is in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de in het dwangbevel gevorderde bedragen bestreden aanslag(en), in de schijf van 100.000,01 tot 250.000 EUR.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond.

Doet het bestreden dwangbevel, aan de eiseres ter kennis gebracht op 15 december 2008 en het daaraan gehechte proces-verbaal d.d. 2 december 2008 teniet.

Zegt voor recht dat de eiseres terecht voor het boekjaar 2005 de som gelijk aan 119.003,53 EUR hoofdens BTW in aftrek heeft gebracht en dienvolgens de BTW-administratie te veroordelen tot terugbetaling van de door de administratie uit de rekening-courant van de eiseres geboekte sommen te vermeerderen met de moratoriuminteresten vanaf de datum van deze overboeking in het voordeel van de BTW-administratie.

Veroordeelt de verweerder tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van de eiseres : de rechtsplegingsvergoeding : 5.000.000 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **achttien januari tweeduizend en elf**, waar aanwezig waren :

de heer **S. R.**, alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer.

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **S. R.**

## Aangehaalde teksten

2

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Gemengde belastingplichtige, Aftrek, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gemengde-belastingplichtige-aftrek-werkelijk-gebruik-rechtbank-luxemburg-2022-05-11-e285) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2011-06-28-2fa3) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, voldoening van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2011-11-18-8363) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, vrijstelling, uitvoer, invoer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-rechtbank-brussel-2004-05-28-b662) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, voldoening van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2011-01-18-c4d3) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-leuven-2007-06-15-ef8c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wettelijk vermoeden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzet-wettelijk-vermoeden-rechtbank-brugge-2020-12-15-0871) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Gerechtelijke geschillen, Termijn hoger beroep, Hoger beroep onontvankelijk](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijke-geschillen-termijn-hoger-beroep-cassatie-brussel-2022-06-23-0c2a) 1 gemeenschappelijke bepalingen
