Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 17.02.2012
Samenvatting
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, 33ste Kamer
In zake van :
Mevrouw L. L., wonende te …, … en met KBO-nummer …,
Eisende partij,
Vertegenwoordigd door Mr. R. T., advocaat te …, …,
Tegen :
De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in persoon van de directeur van het controlecentrum Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32, Verwerende partij,
Vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, …,
In deze zaak, in beraad genomen op 20/01/2012, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
- het verzoekschrift op grond van art. 1385decies Ger.W., neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 21/05/2004;
- de besluiten en de synthesebesluiten voor verweerder. neergelegd ter griffie op respectievelijk 22/09/2004 en 07/09/2011;
- de besluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op 28/10/2005;
- de stukken voor eiseres, neergelegd ter griffie op 12/12/2006; en
- de stukken van verweerder, neergelegd ter zitting op 20/01/2012.
Gehoord dhr. E. G. echtgenoot van eiseres, en de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 20/01/2012, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 Juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1.Eiseres is actief op het domein van het fokken van paarden, opleiden van dressuurpaarden en de verkoop ervan sinds 1994. In het kader hiervan baat zij de stoeterij "D. Z. M." uit. Huidig geding heeft betrekking op de discussie of deze activiteit een economische activiteit is in de zin van art. 4 W.BTW.
Op 31/08/1999 werd een proces-verbaal opgesteld door de diensten van verweerder. Ingevolge een controle op 27/08/1999 waren de diensten van verweerder van oordeel dat er geen sprake was van een economische activiteit in de zin van art 4 W.BTW, daar de investeringen niet in verhouding zouden staan met de uitgaande verrichtingen (stuk 3 eiseres).
Hierna werd op 13/09/1999 een akte van inhouding betekend, doch hiertegen werd bij de beslagrechter verzet aangetekend (stuk 4 eiseres). Per 21/10/2002 werden deze gelden evenwel vrijgegeven (stuk 8 eiseres).
Op 11/04/2000 werd aan eiseres een correctieopgave, gedateerd op 31/08/1999, verstuurd, waarbij om dezelfde redenen als in het aangehaalde proces-verbaal afgetrokken BTW wordt teruggevorderd (stuk 5 eiseres). Eiseres verklaarde zich hiermee niet akkoord bij aangetekende brief van 08/05/2000 (stuk 6 eiseres). Als antwoord hierop lieten de diensten van verweerder op 20/12/2000 weten de hoedanigheid van Btw-belastingplichtige voorlopig te aanvaarden (stuk 7 eiseres; stuk 4 verweerder).
Op 26/03/2003 volgde een nieuwe correctieopgave waarin vanaf 01/01/1998 enkel de activiteit van organisatie van seminaries werd aanvaard als Btwbelastingplichtige activiteit, doch niet de stoeterij (stuk 9 eiseres; stuk 8 eiseres). Ook met deze correctieopgave het eiseres haar niet akkoord weten bij brief van 25/04/2003 (stuk 10 eiseres). Bij brief van 14/11/2003 lieten de diensten van verweerder dan weten dat op het verleden niet zou teruggekomen worden en dat de activiteit van paardenhouderij niet meer zou aanvaard worden vanaf 26/03/2003 (stuk 11 eiseres; stuk 6 verweerder).
Hierna werd eiseres per brief van 28/04/2004 een derde correctieopgave toegestuurd (stuk 12 eiseres; stuk 1 verweerder). Het is deze correctieopgave die het voorwerp uitmaakt van huidige betwisting.
2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
2.De vordering van eiseres strekt ertoe te zeggen dat eiseres een economische activiteit uitoefent voor de periode waarop de correctieopgave werd opgesteld (01/01/2001 tot 31/12/2003). In ondergeschikte orde vordert eiseres de teruggave te bevelen van de door haar betaalde BTW, meer intresten.
Verweerder concludeert tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
3.
3.1. De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt betwist. Eiseres zou in deze geen afdoende belang hebben, daar er geen dwangbevel werd uitgevaardigd of BTW wordt teruggevorderd. De artikelen 85 en 89 W.BTW voorzien een specifieke procedure. Bovendien werd het voorafgaande administratief beroep in de zin van art. 1385undecies Ger.W. niet uitgeput, art. 84 W.BTW voorziet in een dergelijk administratief beroep.
3.2. In eerste instantie dient te worden vastgesteld dat de huidige betwisting een betwisting betreft omtrent de individuele toepassing van een belastingwet (art. 568, 32°, 632 en 1385decies Ger.W).
Hoewel er op zich nog geen taxatie heeft plaatsgevonden (in casu een dwangbevel werd uitgevaardigd), neemt dit niet weg dat een vordering kan ingesteld worden inzake een pretaxatiegeschil (vgl. .J. V., P. V. en C. V., Tien jaar nieuwe fiscale procedure. Een evaluatie voor en vanuit de praktijk, Brussel, Larcier, 2009, p. 105; E. V. D. V., "De “geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet” in de zin van art. 569, eerste lid, 32° Ger.W. Een analyse van achtergrond en betekenis", A.F.T. 2005, p. 11-12, nr. 17). De algemene bewoordingen van de art. 568, 32°, 632 en 1385decies Ger.W. sluiten dit niet uit, in de mate dat aan de gemeenrechtelijke en fiscale ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan.
De specifieke fiscale ontvankelijkheidsvoorwaarde zoals opgenomen in de artikelen 1385decies en undecies Ger.W. betreft de vereiste van de uitputting van een voorafgaand administratief beroep. Deze voorwaarde is in deze niet aan de orde, nu dergelijke voorafgaande administratieve procedure in casu niet voorhanden is. Artikel 84 W.BTW is geen formeel administratief beroep in de zin van artikel 1385undecies Ger.W., doch enkel een willige administratieve procedure. Deze staat bovendien los van en kan geen gerechtelijke procedure verhinderen. De bepaling heeft het immers enkel over "moeilijkheden inzake de heffing die vóór het inleiden van de vordering zijn ontstaan”.
Vervolgens rijst de vraag naar de gemeenrechtelijke ontvankelijkheidsvoorwaarde : het belang.
De wetgever heeft bij de wetswijziging van 23/03/1999 geen expliciete wijzigingen aan gebracht aan de artikelen 17 en 18 Ger.W. Er dient dus beoordeeld te worden of er sprake is van een dadelijk en reeds verkregen belang in de zin van deze bepalingen.
Het belang is elk moreel of materieel voordeel dat diegene die een eis instelt, mag verwachten waardoor zijn rechtstoestand gewijzigd, en verbeterd kan worden (vgl. .J. L., K. B. en D. S., Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2004, p. 84, nr. 131). Dit belang moet actueel zijn - met name reeds verkregen en dadelijk -, persoonlijk en rechtmatig. Tenzij er sprake is van een ernstig bedreigd recht (art. 18, al. 2 Ger.W.).
In deze heeft eiseres een reeds verkregen en rechtmatig belang. Enerzijds doordat verweerder zou kunnen overgaan tot inhouding van een Btw-tegoed en anderzijds omwille van de aanhoudende onzekerheid, mede veroorzaakt door de wijzigende standpunten van de diensten van verweerder (zie hoger feitenweergave), omtrent haar Btw-situatie.
De rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid, de vordering van eiseres is bijgevolg ontvankelijk.
3.2. Ten gronde
4.Mondeling werpt eiseres ter zitting op dat de vordering ondertussen zou verjaard zijn. Terecht stelt verweerder dat de vordering lopende huidig geding niet kan verjaren, nu dit geding de termijnen van verjaring schorst (art. 83, §1, al. 2 en 3 W.BTW). Op het moment. van de inleiding van de vordering (21/05/2004) kon de vordering nog niet verjaard zijn, nu de regularisatieopgave die ter discussie staat betrekking heeft op de periode na 26/03/2003 (stukken 11 en 12 eiseres: brief van de administratie van 14/11/2003 en de correctieopgave van 28/04/2004).
5.
5.1. Eiseres verwijst in een eerste middel naar het vertrouwensbeginsel en de houding van de administratie van de directe belastingen. In een vonnis van 20/02/2004 (aanslagjaren 1998 en 1999), vonnis van 26/09/2005 (aanslagjaar 2000) en directorale beslissing van 29/03/2004 (aanslagjaar 2001) werd het beroepsmatig karakter van de stoeterij aanvaard in het kader van de inkomstenbelastingen.
Verweerder meent dat in deze zaken geen uitspraak is gedaan over het beroepsmatige karakter van de activiteit in kwestie. Uit onderzoek blijkt een wanverhouding tussen de opbrengsten en de inkomsten. Op 9 jaar tijd was er nog geen sprake van duurzame inkomsten.
5.2. Het vertrouwensbeginsel kan niet aangevoerd worden om het legaliteitsbeginsel terzijde te schuiven. In deze gaat het evenwel, zoals tussen partijen ook niet ter discussie staat, om de interpretatie van feitelijke omstandigheden teneinde uit te maken of er sprake is van een economische activiteit in de zin van art. 4 W.BTW.
De aangehaalde vonnissen van deze rechtbank van 20/02/2004 en 26/09/2005 zijn wel degelijk relevant. Op zich werd hierin dan wel geen uitspraak gedaan over de feitelijke gegevens om te besluiten tot een beroepsmatig karakter van de activiteit van eiseres. ln deze vonnissen (die betrekking hebben op de aanslagjaren 1998, 1999 en 2000) werd evenwel gesteund op het vertrouwensbeginsel om aan te nemen dat er sprake was van een beroepsactiviteit in het kader van de inkomstenbelasting. Bovendien wordt door verweerder niet betwist (de volledige beslissing wordt niet bijgebracht) dat voor het aanslagjaar 2001 bij directorale beslissing van 29/03/2004 wel werd aanvaard dat de paardenhouderij van eiseres te beschouwen is als een beroepsactiviteit in de zin van het W.I.B. '92.
Hoewel deze beslissingen betrekking hebben op de inkomstenbelastingen en de beslissing van de gewestelijke directeur uitgaat van een andere belastingadministratie, zijn deze wel degelijk dienstig. Om te kunnen spreken van een economische activiteit in Btw-aangelegenheden moet er immers sprake zijn van handelingen met een voldoende opeenvolging en regelmaat (vgl. Tiberghien. Handboek voor fiscaal recht 2008, Mechelen, Kluwer, 2008, nr. 5203). In essentie verschilt dit begrip niet van dit van beroepswerkzaamheid in de inkomstenbelastingen, met name een geheel van verrichtingen die zich vaak genoeg voordoen en met elkaar verbonden zijn om een voortdurende en gewone bedrijvigheid op te leveren (vgl. Cass. 27/10/1993, Bull.Bel. afl. 637, 471 geciteerd in Tiberghien. Handboek voor fiscaal recht 2008, Mechelen, Kluwer, 2008, nr. 1096; de diensten van verweerder verwijzen trouwens zelf naar deze omschrijving op p. 3 van de correctieopgave van 31/08/1999).
Eiseres kon dus terecht spreken van een rechtmatig vertrouwen dat werd gewekt in de directorale beslissing van 29/03/2004 en, hoewel deze uitspraak dateert van na de belastbare periode, blijkens de vonnissen van 20/02/2004 en 26/09/2005 was deze houding ook al aanwezig in de voorgaande jaren. Hoewel dit verweerder niet verhinderd om voor een ander belastbaar tijdperk tot de conclusie te komen dat er geen sprake meer is van een economische activiteit, is het dan aan verweerder om de nieuwe elementen hieromtrent aan te voeren. Dergelijke nieuwe elementen worden niet aangevoerd. Meer nog, ter staving van zijn vordering blijft verweerder hoofzakelijk verwijzen naar de situatie van voor 2003.
Toch blijkt uit de stukken van eiseres dat de activiteit in kwestie blijft groeien. Hoewel stuk 80 een eenzijdig door eiseres opgesteld stuk is, wordt de correctheid hiervan niet betwist. Hieruit blijkt een aanhoudende groei van de inkomsten sinds 2000. Indien dan al door verweerder werd aanvaard dat er sprake was van een beroepswerkzaamheid (en dus economische activiteit in de zin van art. 4 W.BTW) tot en met het aanslagjaar 2001, is het onbegrijpelijk dat dit vanaf 2003 niet meer zou aanvaard worden terwijl de inkomsten sindsdien bijna verdrievoudigden (stuk 80 eiseres).
Ten overvloede moet trouwens de beoordeling van de economische activiteit, dewelke een feitelijk gegeven is, gebeuren rekening houdende met de eigenheid van de activiteit. Nu de activiteit van eiseres betrekking heeft op het fokken en vervolgens opleiden van dressuurpaarden, is de ruime periode waarin de activiteit opgestart werd en geen of weinig opbrengsten voorbrengt niet van dien aard om te stellen dat er geen activiteit werd ontplooid. Dit volgt uit de aard van de activiteit zelve. Uit de stukken 45-75 van eiseres blijkt dat al deze jaren publiciteit werd gevoerd, lidmaatschap voorhanden was van organisaties en deelnames aan evenementen. De nodige infrastructuur is voorhanden (stukken 77-79 eiseres). Ook dit wijst op een voortdurende bedrijvigheid.
De vordering van eiseres is gegrond. De overige middelen dienen niet verder onderzocht te worden.
4. KOSTEN, WAARDE VAN DE. V0RDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDINGEN
6. Aangezien de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding ten laste van verweerder gelegd.
Partijen verklaren ter zitting over en weer het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te vorderen, begroot op basis van de waarde van de vordering. Partijen vorderen van het basisbedrag geen verlaging of verhoging, zodat dit bedrag kan toegekend worden (thans te verhogen conform art. 8 K.B. 26/10/2007).
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 3, 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond.
Zegt dat eiseres in de periode waarop de correctieopgave van 28/04/2004 betrekking heeft (met name 01/01/2001 tot 31/12/2003) een economische activiteit in de zin van art. 4 W.BTW met betrekking tot de paardenfokkerij uitoefende.
Veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot op € … (rechtsplegingsvergoeding).
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 17 februari 2012.
Waar aanwezig waren en zitting namen:
De heer J. V. B. toegevoegd rechter
Mevrouw L D. griffier
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.