---
title: "Belastbaarheid, teruggaaf van belasting · Hof van beroep te Gent, 17 maart 2000"
description: "Belastbaarheid, teruggaaf van belasting, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist. Hof van beroep te Gent (België), 17 maart 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-teruggaaf-belasting-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2000-03-17-0a78"
lang: "nl"
---

# Belastbaarheid, teruggaaf van belasting, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

17 maart 2000

## Procesverloop

2 stappen · 3 jaar 7 maanden

1. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Gent 17.03.2000
2. [Beslissing in cassatie Hof van Cassatie van België 06.11.2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-geldboete-dwangbevel-verzet-cassatie-brussel-2003-11-06-39ed)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

114 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 17.03.2000

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent - 16****e** **Kamer**

**1969/AR/32224** - In de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging

1\. van de Rekenplichtige van het 1° BTW-Ontvangkantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

2\. van de Hoofdcontroleur van het 2de BTW-Ontvangkantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

**appellant**, hebbende als raadsman Meester **D. C.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**D. J.-P.**, burgerlijk conducteur, wonende te …, …,

**geïntimeerde**, hebbende als raadsman Meester **D. P.**, advocaat te …, …,

velt het Hof het volgend arrest :

**1.**

**1.1.** Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 13 augustus 1987, heeft appellant tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis d.d. 12 maart 1987 van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, vierde kamer, waarbij het verzet van geïntimeerde tegen een dwangbevel d.d. 28.02.1980, uitgaande van het Ontvangkantoor van de BTW te Kortrijk, ontvankelijk en deels gegrond werd verklaard.

Er werd in het bestreden vonnis nog het volgende beslist :

\- Er werd gezegd voor recht dat geïntimeerde aan appellant slechts verschuldigd is in hoofdsom : … fr, meer de rente op dit bedrag, verminderd met het bedrag van … fr;

\- Appellant werd veroordeeld om aan geïntimeerde te betalen … fr meer de rente vanaf 1.4.1978 tot aan de werkelijke terugbetaling;

\- Het meergevorderde werd afgewezen als ongegrond;

\- Elk van de partijen werd veroordeeld tot de helft van de kosten;

**1.2.** Vóór de beschikking, die genomen werd op 16.04.1999 in toepassing van artikel 747 paragraaf 2 Ger.W. en waarbij de pleitdatum werd bepaald op 1 oktober 1999 nam geïntimeerde besluiten, die zijn neergelegd op 9 november 1990 en 26 mei 1998.

Na genoemde beschikking legde geïntimeerde nog twee pleitnota's neer, meer bepaald op 1 oktober 1999 en op 21 januari 2000. De zaak werd op 1 oktober 1999 uitgesteld naar 18 februari 2000.

Het verzoek van appellant om de pleitnota's, neergelegd na de beschikking van 16.04.1999, uit de debatten te weren is volkomen gewettigd.

**1.3.** Bij conclusies van 9 november 1990 stelde geïntimeerde op rechtsgeldige wijze incidenteel beroep in.

In deze conclusies vordert geïntimeerde voor het eerst een teruggave van BTW op … fr (dit is … fr), welk bedrag werd opgenomen in het gewone passief van het faillissement van de PVBA **B.**.

**2.**

**2.1.** Aan het opmaken van het voornoemde dwangbevel ging een en ander vooraf.

Op 30 april 1978 gebeurde een definitieve afsluiting van de rekening­courant met een tegoed voor geïntimeerde ten belope van … fr.

Op 26 december 1978 ondertekende geïntimeerde een naheffingsopgave waarbij hij erkende volgende sommen verschuldigd te zijn :

\- BTW : … fr

\- verminderde geldboete : … fr

\- van rechtswege verschuldigde intresten.

Op 10 december 1979 maakte de verificateur een proces-verbaal op met zijn bevindingen :

\- aangaande de door geïntimeerde gevraagde teruggave van … fr BTW, aangerekend op een factuur aan de PVBA **B.** ten belope van … fr (exclusief BTW).

\- aangaande het feit dat geïntimeerde aan NV **E.**, NV **A.-D.**, NV **C.** en **J. F.** bepaalde sommen aanrekende uit hoofde van zijn bemiddeling ( samen … fr) en dat er daarbij geen BTW werd gerekend terwijl deze diensten volgens hem aan de BTW dienden onderworpen te worden d.i. aan 16 % een bedrag van … fr.

Op 13 december 1979 liet de hoofdcontroleur **H.** weten dat hij zich genoodzaakt zag een invorderingsprocedure aan te vatten omdat er geen minnelijk akkoord kon bereikt worden voor sommige overtredingen (zaak **B.** + zaak commissielonen, respectievelijk … fr en … fr, samen … fr).

In dat schrijven vermeldde hij dat er op de totaal verschuldigde BTW van … fr (… fr volgens de ondertekende correctie-opgave d.d. 26.12.78 en … fr volgens het proces-verbaal van 10.12.79) het tegoed van … fr zou in mindering gebracht worden. Op het verschil van … fr zouden dan intresten berekend worden vanaf 21 januari 1978.

Hij besloot : "Door de ontvanger van de BTW te Kortrijk zal u bijgevolg een betalingsbericht toegestuurd worden voor volgende sommen :

BTW : … fr

boete : (… fr + … fr) … fr

intresten : ( berekend tot 20/1/1980) : … fr

… fr

uw tegoed rekening-courant … fr

blijft in te vorderen … fr

Op 14 december 1979 werd dit bericht al verstuurd door de ontvanger, doch op 25.01.1980 werd het vervangen door een nieuw bericht dat strekte tot betaling van … fr BTW, … fr intresten en … fr geldboete (verminderde boete … + … fr). De directeur van de administratie had tot een vermindering van boete beslist onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat alle verschuldigde sommen zouden betaald worden -zonder voorbehoud- binnen de termijn, bepaald door de Ontvanger.

Geïntimeerde deed twee betalingen, en zonder enige nadelige bekentenis :

\- op 1 februari 1980 betaalde hij de boete ten bedrage van … fr

\- op 15 februari 1980 betaalde hij de som van … fr + … fr = … fr

**2.2.** Nadat het dwangbevel op 28 februari 1980 was opgemaakt met het oog op de invordering van een boete van … fr - … fr = … fr (hetgeen nog verschuldigd was nadat er op de belasting van … fr, een boete van … fr en intresten op … fr een aanrekening was gedaan van hetgeen intussen betaald was en van het tegoed uit hoofde van de afsluiting van de rekening-courant) en vervolgens op 7 maart 1980 werd uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur werd het aan geïntimeerde betekend op 17 maart 1980.

De Adjunct-directeur **K. S.** besliste dan op 11 juni 1980 om de boeten te verminderen tot … fr.

Intussen had geïntimeerde reeds een 'verzet en daging' laten betekenen waardoor de zaak aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. In dat exploot dat betekend werd aan de Belgische Staat, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen :

1) op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het BTW­kantoor te Kortrijk,

2) op vervolging en benaarstiging van de heer Hoofdcontroleur van het tweede Controlekantoor

werd vermeld "Het verzet betreft in de eerste plaats de Ontvanger, de terugvordering betreft in de eerste plaats de Hoofdcontroleur, doch wordt de andere voor zoveel als nodig medebetekend wat betreft verzet of terugvordering.

**3.** Wat betreft de vordering tot teruggave van … fr BTW (sub 1.2.) beweert appellant dat die vordering niet thuis hoort in onderhavig geding. Die bewering komt erop neer dat de ontvankelijkheid van deze nieuwe vordering wordt betwist en die betwisting is terecht. Er is immers niet voldaan aan de voorwaarden, gesteld in artikel 807 en 808 van het Gerechtelijk Wetboek.

**4.** Appellant stelde hoger beroep in omdat hij niet kon akkoord gaan met de veroordeling door de eerste rechter om het ingehouden bedrag van … fr meer de rente vanaf 1/4/1978 te betalen aan geïntimeerde.

De eerste rechter stelde de vraag zeer duidelijk : heeft de Administratie het recht de tegoeden op de rekening-courant in te houden tot beloop van alle verschuldigde belastingen, zowel deze gekend uit de aangifte en deze voortvloeiend uit onregelmatigheden na controle.

De administratie meent dat recht te kunnen halen uit [artikel 76 BTW­Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) omdat dat artikel spreekt van "verschuldigde" en “af te trekken" bedragen zonder deze te beperken tot de bedragen die uit de aangiften voortvloeien.

Het artikel 76 par. 1 van het BTW-Wetboek bepaalt dat wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de [artikel 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) tot [48](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) van hetzelfde wetboek voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de door de belastingplichtige verschuldigde belasting, het verschil wordt teruggegeven binnen drie maanden.

De verschuldigde belasting, in de zin van dit artikel wordt vastgesteld op grond van werkelijk verrichte leveringen en diensten binnen het tijdvak waarop de afrekening betrekking heeft. De op andere gronden verschuldigde belastingen komen niet in aanmerking om het verschil dat aan de belastingplichtige wordt teruggegeven te berekenen. (Cass. 12 maart 1993, RW 93-94, p. 270).

In casu werd niettemin een volgens genoemd artikel berekend bedrag van … fr toegerekend op navorderingen, die deels niet betwist waren, deels wel betwist waren, maar waarvoor in alle geval nog geen uitvoerbare titel bestond. Aldus maakte die toerekening een feitelijkheid uit, die werd aangeklaagd door geïntimeerde, die een herstel van deze feitelijkheid vorderde.

In zijn conclusies van 9 december 1997 waarin hij zelf heeft gewezen op deze cassatierechtspraak, heeft appellant gewezen op de wens van geïntimeerde om te betalen onder voorbehoud, geuit in de brieven van 23.10.1918, 5.9.1979, 22.10.1979 en 3.1.1980. Uit deze brieven blijkt dat geïntimeerde de betwistingen wilde laten beslechten door de rechtbank en dat hij daarom onder voorbehoud zou betalen van zodra dit hem zou mogelijk gemaakt worden door de voorlegging van een afrekening. Daaruit blijkt niet dat hij vragende partij was of akkoord ging om een compensatie te laten geschieden en aldus aan de feitelijkheid een einde te stellen. Integendeel geïntimeerde zelf had al op 23 maart 1979 een brief geschreven om hem dat geld te laten geworden. Op 22 augustus 1979 protesteerde de raadsman van geïntimeerde formeel tegen de inhouding van … fr : hij stelde de vraag met welk recht die inhouding werd gedaan.

Toen de inhouding gebeurde heeft appellant dit gedaan zonder dat er daartoe een recht bestond. Dat is reeds een vaststaand feit en ook een feitelijkheid, die moet hersteld op de wijze zoals beslist is door de eerste rechter.

**5.** Geïntimeerde verliest de omstandigheden uit het oog waarin het dwangbevel werd opgemaakt en betekend.

Na de controle van 14 juni 1978 is er op 16 juni 1978 aan geïntimeerde meegedeeld welke vaststellingen waren gedaan. Daarop is er briefwisseling gevoerd. Op 26 december 1978 aanvaardde geïntimeerde een naheffingsopgave, waarbij hij erkende verschuldigd te zijn : …. Fr BTW, … fr boete meer de intresten. Geïntimeerde kreeg nog een naheffingsopgave voorgelegd voor … fr (… fr uit hoofde van zaak **B.** + … fr uit hoofde van commissielonen) + … fr geldboete + de intresten, maar hij weigerde daarop in te gaan.

Op 13 december 1979 besloot de hoofdcontroleur dat er geen minnelijk akkoord kon bereikt worden voor sommige overtredingen (zaak **B.** + commissielonen) en dat hij aldus genoodzaakt was de invorderingsprocedure aan te vatten. Zijn brief luidt verder als volgt :

> “Het bij niet-betaling uit te vaardigen dwangbevel zal verwijzen naar het proces-verbaal, opgemaakt door de heer **F.**, verificateur, op 10 december 1979. Van laatstgenoemd stuk gaat een afschrift hierbij. Het proces-verbaal vermeldt de aard van iedere overtreding, de als BTW verschuldigde som, de wettelijke boeten en de wettelijke intresten.”

Het dwangbevel vermeldde de gans vordering van de Belgische Staat en zo blijkt dat deze vordering beliep :

\- aan belasting : … fr.

\- aan wettelijke boeten : … fr.

\- aan intresten : de intresten bedoeld in artikel 91, par. 1 van het BTW-wetboek te rekenen vanaf 21 januari op een bedrag van … fr.

Toen geïntimeerde tegen dat dwangbevel opkwam door middel van verzet heeft hij duidelijk geargumenteerd tegen de ganse vordering, met inbegrip van de rechten ten bedrage van … fr., waarvan hij de terugbetaling vorderde. Er werd van de eerste rechter verwacht dat hij het geschil nopens de rechten zou beslechten en hij heeft dit ook gedaan. Nu beweren dat het verzet zonder voorwerp is geworden toen door de herleiding van de boete tot … fr in het dwangbevel vermeld saldo van … fr verviel is niet ernstig en volledig in strijd met de houding die geïntimeerde aannam voor de eerste rechter. Geïntimeerde verliest daarbij uit het oog dat hij de betaling van de rechten slechts beschouwde als voorlopig in afwachting van een gerechtelijke beslissing over de rechten. De beslissing van de adjunct-directeur van 11 juni 1980 om de boete te verminderen tot … fr kon niet tot effect hebben dat het voorwerp van het verzet, zijnde de betwisting over de rechten- wegviel en dat is ook nooit de bedoeling geweest.

De eerste rechter heeft niet méér gedaan dan hetgeen van hem gevorderd werd. Hij heeft geen veroordeling uitgesproken. Hij besliste dus niet ultra petita zoals geïntimeerde beweert. Waar hij besliste dat het verzet ten dele gegrond was en ten dele ongegrond heeft hij moeten zeggen in welke mate de vordering gehandhaafd bleef. Dat gebeurde als volgt : "Zegt voor recht dat eiser aan verweerder slechts verschuldigd is in hoofdsom : …, meer de rente op dit bedrag, verminderd met het bedrag van … fr" De verklaring daarvan is te vinden bij de recapitulatie, die aan het dispositief voorafging.

**6.** Het bedrag van … fr is samengesteld uit twee bedragen, namelijk … fr en … fr. Het eerste bedrag betreft betwiste rechten. Het laatste bedrag betreft niet-betwiste rechten (zie de op 26.12.1978 ondertekende naheffingsopgave, die ook gewag maakt van een boete van … fr. en de rente). Terecht stelde de eerste rechter het volgende : “Zodoende erkende eiser aan verweerder schuldig te zijn … fr + … fr of … fr + de boete en intresten. De rechtbank stelt derhalve nu reeds vast dat eiser alleszins dit bedrag aan hoofdsom verschuldigd is”.

De eerste rechter wees terecht het verzet af waar het betrekking had op de belasting ten belope van … fr (begrepen in het bedrag van … fr, dat vermeid werd in het dwangbevel als belasting). Door de kennisgeving van het dwangbevel werd de vordering tot voldoening van de belasting, van de boete en van de intresten gestuit en deze stuiting sorteert effect gedurende de ganse duur van het rechtsgeding.

In de mate dat het verzet betrekking had op de geldboete van … fr, die vermeld werd in de naheffingsopgave, heeft geïntimeerde zelf gezegd dat die som is betaald (begrepen in de som van … fr) en dat hij daarvan geen terugbetaling kan vragen gelet op het akkoord van 25.12.1978 (zie conclusies van 9 november 1990 p.20, in fine van A).

**7.** De eerste rechter heeft het verzet van geïntimeerde gegrond verklaard in de mate dat deze laatste argumenteerde dat er in de vordering van appellant ten onrechte … fr belasting was begrepen benevens de daaraan verbonden boete en rente. Appellant is daardoor gegriefd.

Deze som van … fr is de BTW op een commissieloon van … fr, aangerekend aan de PVBA **B.** met een commissienota d.d. 08.04.1975. Geïntimeerde heeft deze BTW betaald maar ook teruggekregen. Hij nam deze BTW op in de aangifte, die hij op 20 januari 1978 indiende. In het proces-verbaal werd gesteld dat het recht op de teruggaaf dan al was verjaard aangezien de verjaringstermijn twee jaar bedraag en deze begon te lopen op 8 april 1975.

Toen de BVBA **B.** failliet was verklaard deed geïntimeerde een aangifte van schuldvordering voor een bedrag van … fr; daarin was de bedoelde commissienota begrepen. De curator was niet akkoord om het bedrag van de commissienota (… fr.) op te nemen in het passief. In het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge d.d. 24 november 1977 gebeurde alleen een opname ten belope van … fr, verschuldigd om een andere reden dan de genoemde commissienota, waarin de curator stelde dat de PVBA **B.** deze nooit ontving en dat ze waarschijnlijk werd opgemaakt nadat het faillissement was uitgesproken.

Er kan niet ernstig worden voorgehouden dat geïntimeerde het bestaan van een schuldvordering ten belope van … fr. niet heeft bewezen. Die schuldvordering is het voorwerp geweest van een rechtsgeding. De rechtbank van koophandel heeft in haar vonnis van 24 november 1977 niet gezegd dat de schuldvordering onbestaande is : deze bewering van appellant is onjuist. Uit het vonnis kan alleen afgeleid worden dat de gegrondheid van de schuldvordering niet bewezen is.

In de hypothese dat zou aangenomen worden dat de schuldvordering bestond zou volgens appellant het artikel 77, par. 1, 1° BTW-Wetboek toepasselijk zijn en niet het artikel 77, par. 1, 7°, waarop geïntimeerde zich beroept.

In artikel 77, par. 1, 1° wordt de teruggave voorzien van de belasting “wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is”. Dat veronderstelt dat geïntimeerde de belasting heeft betaald zonder deze verschuldigd te zijn en dat dus de belasting ten onrechte werd betaald. Dat is niet het geval dat zich ter zake voordoet : dat is althans niet aangetoond door appellant.

Zoals de eerste rechter oordeelt het Hof dat geïntimeerde zich terecht beroept op artikel 77, par. 1, 7°, dat bepaalt dat de belasting wordt teruggegeven wanneer de schuldvordering geheel of ten dele verloren is gegaan. Appellant blijft steeds uitgaan van de gedachte dat de factuur fictief is en ziet een bewijs daarvan in het feit dat appellant heeft berust in het vonnis van 24.11.1977. Er kan niet echt gezegd worden dat geïntimeerde heeft berust, wel dat hij geen beroep heeft ingesteld wegens intimeerde heeft berust, wel dat hij geen beroep heeft ingesteld wegens opportuniteitsredenen. Anders dan wanneer de rechtbank de opname in het gewone passief had toegelaten in welk geval de geïntimeerde nog had moeten bewijzen dat er geen dividend zou kunnen uitgekeerd worden aan de schuldeiser, volstaat het voor geïntimeerde om het vonnis in te roepen als bewijs dat de schuldvordering verloren is gegaan. Het is niet vereist dat dit vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen.

De eerste rechter merkte terecht op dat de datum waarop het vonnis werd uitgesproken moet beschouwd worden als het tijdstip van de oorzaak van de teruggave en aldus de verjaringstermijn deed lopen.

**8.** De eerste rechter heeft het verzet van geïntimeerde niet gegrond verklaard in de mate dat deze laatste argumenteerde dat er geen BTW­belasting moet geheven worden op het bedrag van … fr, welk bedrag bestaat uit de vergoeding die hij op 5 april 1978 had aangerekend aan NV **E.**, aan NV **A.-D.**, aan NV **C.** en aan **J. F.** voor zijn bemiddeling bij de overdracht van grond, gelegen te …, langs de ….

In het proces-verbaal van 10 december 19ï9 werd gesteld dat de 4 verrichtingen werden gedaan in het kader van de geregelde werkzaamheid waarvoor geïntimeerde reeds belastingplichtige was en dat de belastbare werkzaamheid niet definitief werd stopgezet op 31 december 1977 zodat deze verrichtingen aan de BTW hadden moeten onderworpen worden.

Op 26 maart 1969 heeft geïntimeerde om inschrijving verzocht in het handelsregister te Kortrijk. Deze inschrijving onder nr. … vermeldt als handelswerkzaamheid: onderneming in onroerende goederen. Op 10 november 1969 werd de inschrijving gewijzigd door volgende werkzaamheid toe te voegen : groothandel in bouwmaterialen en - producten (in hoofdzaak zand).

Op het inlichtingsformulier dat geïntimeerde de Administratie heeft toegestuurd op 15 september 1969 met het oog op zijn immatriculatie voor de BTW-wetgeving werden volgende werkzaamheden vermeld : wegenisontwerper, handelaar in onroerende goederen (occasioneel).

**D.** deed op 23.12.1977 een aangifte van stopzetting van werkzaamheid waarin hij verklaarde iedere werkzaamheid, waardeer hij aan BTW onderworpen was, stop te zetten op 31 december 1977.

Uit het proces-verbaal blijkt dat alle verrichtingen in de periode van 1970 tot en met 1978 zijn onderzocht geworden. Dat onderzoek liet toe te zeggen dat er door geïntimeerde geen werkzaamheid van wegenisontwerper werd uitgevoerd, dat er geen verrichtingen werden gedaan bestaande uit gewoon aankopen en verkopen van onroerende goederen en dat de hoofdwerkzaamheid bestaande uit verkoop in het groot van zand niet werd uitgeoefend na 1 januari 1974. Zowel voor als na 1 januari 1974 had geïntimeerde aanvullende werkzaamheden, die spontaan aan de BTW werden onderworpen door geïntimeerde.

Het onderzoek leidde tot volgende overweging in het proces-verbaal :

> *"Uit hetgeen hiervoor werd aangetoond blijkt dat de heer* ***D.*** *benevens zijn hoofdwerkzaamheid, namelijk de groothandel in zand op aanvullende en geregelde wijze ook nog volgende werkzaamheden heeft uitgeoefend, zij het dat deze laatste werkzaamheden met min of meer lange tussenpozen werden verricht: namelijk,*
>
> *het bemiddelen bij onroerende goederen*
>
> *het bemiddelen bij werkaannemingen*
>
> *het onderzoek van gronden en eigendommen*
>
> *Daar de diensten die de Heer* ***D.*** *verricht heeft met betrekking tot de overdracht van de grond te … voltooid waren ten laatste enkele dagen nadat volgens hem iedere zelfstandige werkzaamheid werd stopgezet moet worden aangenomen dat hij niet het inzicht had alle belastbare werkzaamheden stop te zetten op 31 december 1977.*
>
> *De diensten die hij heeft verricht met betrekking tot de overdracht van het onroerend goed te … dienden bijgevolg aan de BTW te worden onderworpen"*

De betwisting houdt verband met het [artikel 4 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4), luidend als volgt : “Belastingplichtige is ieder wiens werkzaamheid erin bestaat geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk hoofdzakelijk of aanvullend leveringen van goederen of diensten te verrichten die in dit wetboek zijn omschreven”.

Wanneer geïntimeerde zijn inschrijving in het handelsregister liet wijzigen was dat niet om de reeds gedane inschrijving te verfijnen maar wel om te vermelden dat hij zijn activiteit bestaande uit 'onderneming in onroerende goederen' zou uitbreiden met de activiteit, bestaande uit ‘groothandel in bouwmaterialen en producten (in hoofdzaak zand)'.

Geïntimeerde heeft duidelijk gezien dat hij in de rand van de activiteit van het studiebureau PVBA **D.** (wegens – riolering – opmetingen) persoonlijk werkzaamheden zou kunnen uitvoeren verband houdend met onroerende goederen en dat hij gediend zou zijn met een brede omschrijving van de activiteiten waarmee hij zich persoonlijk zou kunnen bezighouden. Zo is het te verklaren dat hij bij zijn inschrijving in het handelsregister gewag maakte van onderneming in onroerende goederen en dat hij het bij de omschrijving van zijn werkzaamheden voor de BTW-administratie had over “handelaar in onroerende goederen (occasioneel). Ten onrechte beweert geïntimeerde nu dat hij nooit een andere beroepsactiviteit op het oog had dan de verkoop van zand. De werkelijkheid is dat hij, de verkoop van zand buiten beschouwing gelaten, aan derden diensten inzake onroerende goederen heeft geleverd en dat dit paste in de ruim bedoelde beroepsactiviteit waarvoor hij oorspronkelijk zijn inschrijving in het handelsregister had genomen. Hij is dat geregeld blijven doen ook al gaf dit slechts op zeer uiteenlopende ogenblikken aanleiding tot het uitschrijven van een commissienota. Dat verklaart ook waarom geïntimeerde zijn inschrijving in het handelsregister is blijven behouden tot hij op 4 januari 1978 een verzoek deed om de inschrijving door te halen met vermelding dat de handelswerkzaamheid werkelijk had opgehouden op 31 december 1977. Geïntimeerde beweert dat hij reeds eind 1976 aangifte wilde doen van de stopzetting van zijn beroepswerkzaamheid maar dat het hem werd aangeraden om dat niet te doen tot de zaak PVBA **B.** was beslecht, hetgeen gebeurd is bij vonnis van 24.11.1977. Deze bewering is niet bewezen maar is vooral niet relevant omdat niets hem belette intussen de beroepsactiviteit waarvoor hij was ingeschreven verder te zetten.

De betalingen die geïntimeerde op 8 april 1978 vorderde aan NV **E.**, N.V. **A.-D.**, N.V. **C.** en **F.** hebben blijkens het geschrift dat geïntimeerde zelf opstelde betrekking op commissieloon voor de bemiddeling bij de verkoop van grond. De notariële akten waarbij de overdracht van de grond werd vastgesteld, dagtekent van 9 januari 1978, zodat de diensten ongetwijfeld geleverd zijn geweest voor 31 december 1977. Deze diensten horen thuis bij het eregeld en zelfstandig verrichten -hoofdzakelijk of aanvullend- van diensten die in dit wetboek zijn omschreven. De argumenten van geïntimeerde om aan te tonen dat het terzake zou gaan om toevallig geleverde diensten falen door hun kunstmatigheid.

Terecht werd door de eerste rechter besloten dat het verzet ongegrond is waar het betrekking had op de belasting ten belope van … fr, op de daarmee verband houdende rente en op de daarmee verband houdende (herleide) boete van … fr , die op 1 februari 1980 betaald is geworden onder voorbehoud.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,** recht doende op tegenspraak,

Gelet op het artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het principaal en incidenteel hoger beroep ontvankelijk en ongegrond.

Verklaart de eis om te bevelen dat de BTW ten belope van … fr. berekend op de som van … fr. (opgenomen in het passief van het faillissement PVBA **B.**) – moet worden teruggegeven onontvankelijk.

Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat gezegd wordt dat het op 15 februari 1980 betaalde bedrag van … fr bestaat uit … fr belasting en … fr rente en dat deze laatste bedragen respectievelijk moeten in mindering worden gebracht op de in het dwangbevel terecht opgenomen belasting van … fr en op de in het dwangbevel opgenomen rente.

Compenseert de rechtsplegingsvergoeding van deze aanleg in hoger beroep. Legt de helft van de overige kosten bij helften ten laste van elke partij en zegt dat er geen andere kosten zijn begroot door de partijen.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **ZESTIENDE KAMER**, zitting houdende in burgerlijke zaken, van **ZEVENTIEN MAART TWEEDUIZEND**.

Aanwezig de heren :

**P. D. B.**, Raadsheer Waarnemend Kamervoorzitter, alleenrechtsprekend,

**B. C.**, Griffier.

**B. C.** **P. D. B.**

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 1 voorkomen

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

[WBTW art. 48](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op teruggaaf, niet in België gevestigde belastingplichtigen, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-teruggaaf-in-belgie-gevestigde-hof-van-beroep-brussel-2019-12-03-1e6c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Periodieke Btw-aangifte, Teruggaaf van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/periodieke-btw-aangifte-teruggaaf-belasting-cassatie-brussel-2022-06-17-6785) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Passieve of actieve holding, Externe dienstverlening (managementadvies)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/passieve-actieve-holding-externe-dienstverlening-rechtbank-nijvel-2022-07-01-69ab) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplichtige, Kwalificatie actieve en passieve holding, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-kwalificatie-actieve-passieve-holding-rechtbank-2024-02-05-1892) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[B.T.W.-carrousel, Nietigheid van de overeenkomst, Goede trouw medecontractant, Btw-carrousel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/carrousel-nietigheid-overeenkomst-goede-trouw-hof-van-beroep-luik-2003-06-13-15ae) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, teruggaaf van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-bewijs-hof-van-beroep-gent-2003-09-16-2b31) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Invordering, Dwangbevel, Zekere en vaststaande schuld, zekere schuld](https://juriel.be/nl/rechtspraak/invordering-dwangbevel-zekere-vaststaande-schuld-cassatie-brussel-2006-03-09-b912) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Herziening recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-uitoefening-beroepswerkzaamheid-hof-van-beroep-antwerpen-2021-02-0056) 2 gemeenschappelijke bepalingen
