---
title: "Belastbaarheid, bewijs · Hof van beroep te Gent, 27 september 2005"
description: "Belastbaarheid, bewijs, controlemaatregel, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling. Hof van beroep te Gent (België), 27 september 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-bewijs-controlemaatregel-vrijstelling-uitvoer-hof-van-beroep-gent-2005-09-27-99e2"
lang: "nl"
---

# Belastbaarheid, bewijs, controlemaatregel, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

27 september 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

104 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 27.09.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 5****e** **kamer - terechtzitting van 27-09-2005**

Nr. **2002/AR/1279**

in de zaak van :

**S. H.**, zaakvoerder, wonende te …, …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. W.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, wiens kantoor gevestigd is te 9300 AALST, Graanmarkt 1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. P.**, advocaat te…, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 6 juni 2002 werd door de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken op 11 april 2002 door de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, negende kamer, waarbij zijn verzet tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 22 april 1993 door de ontvanger van het ontvangkantoor Aalst, uitvoerbaar verklaard op 27 april 1993 en betekend op 11 mei 1993 als ongegrond werd afgewezen, met dien verstande dat de administratieve boete werd gebracht op 50 % van … BEF (… EUR).

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis van de eerste rechter te doen vernietigen en dienvolgens de eis van de appellant integraal ontvankelijk en gegrond te verklaren, het dwangbevel te vernietigen en de vordering van de Belgische Staat ongegrond te verklaren zowel wat de hoofdsom als wat de intresten en de kosten betreft, dit alles met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van de beide aanleggen. Minstens in ondergeschikte orde de opgelegde BTW-boeten kwijt te schelden, minstens gevoelig te verminderen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis en stelt bij conclusies neergelegd op 16 december 2003 incidenteel beroep in, in de mate dat de opgelegde boete van 200 % verminderd werd tot 50 % met veroordeling van de appellant in alle kosten van het geding. Op zijn beurt vordert de appellant het incidenteel beroep af te wijzen.

## Feitelijke gegevens

De appellant baat in de betrokken periode een groot- en kleinhandel uit in diverse textielproducten en bezit de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige zoals bedoeld in [art. 4, § 1 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4).

Op 6 juli 1992 werd bij de appellant een fiscale controle verricht m.b.t. de periode 1990 en 1991. Hangende het controleonderzoek werden tevens bijkomende inlichtingen gevraagd aan de Administratie der Douane en Accijnzen alsmede aan enkele leveranciers van de appellant.

Naar aanleiding van deze controle zouden diverse onregelmatigheden in de naleving van de BTW-Wetgeving zijn vastgesteld. Uiteindelijk werden de resultaten van het BTW-onderzoek vastgelegd in een proces-verbaal van 27 januari 1993.

Volgens dit proces-verbaal is de appellant volgende sommen verschuldigd :

\- wegens niet gefactureerde verkopen van T-shirts, anoraks en joggings : een bedrag van … BEF (… EUR);

\- wegens niet aangegeven verkopen van frauduleus ingevoerde goederen : een bedrag van … BEF (… EUR);

\- wegens niet aangegeven verkopen van tapijten : … BEF (… EUR);

\- wegens niet bewezen uitvoer van T-shirts : … BEF (… EUR);

meer een geldboete gelijk aan het dubbele van de verschuldigde rechten.

Bij gebreke aan vrijwillige betaling werd een dwangbevel betekend waartegen de appellant verzet heeft aangetekend dat bij het bestreden vonnis werd afgewezen, waarmede de appellant zich niet akkoord kon verklaren.

In zijn akte hoger beroep zet de appellant uiteen dat de eerste rechter ten onrechte aan het Proces-verbaal van 27 januari 1993 de bewijskracht toebedeelt zoals bedoeld in artikel 59, § 1 BTW-Wet, dat de bewijsregeling der feitelijke vermoedens op verschillende punten werd geschonden en dat gebruik gemaakt werd van een bewijsvoering van vermoedens op vermoedens. De appellant betwist dat hij goederen heeft ingevoerd en zonder factuur heeft verkocht. Tevens betwist hij de niet-aangegeven verkopen van tapijten. Volgens hem kon hij terecht aanspraak maken op de vrijstellingsregeling van artikel 39, § 1 BTW-Wet. Tenslotte meent de appellant dat de boete geheel moet worden kwijtgescholden minstens moet worden verminderd tot 10 %.

## Beoordeling

**1.** Door de appellant wordt de bewijswaarde van het proces­verbaal in vraag gesteld. Terecht laat de appellant gelden dat deze bewijswaarde enkel geldt voor de materiële vaststellingen die door de verbalisanten werden gedaan en niet voor de afleidingen, vermoedens, veronderstellingen of interpretaties uit deze vaststellingen.

Te dezen werden door de verbaliserende ambtenaar diverse leemten in de boekhouding vastgesteld. Het betrof telkens visuele vaststellingen betreffende inschrijvingen in de boekhouding die werden vergeleken met de invoerbewijzen, de inschrijvingen in de boekhouding van de overeenstemmende facturen en de inschrijving op de algemene rekening 60000. Tevens werden de verklaringen van de appellant m.b.t. deze onregelmatigheden geacteerd zoals blijkt uit het proces­verbaal.

Andere vaststellingen gebeurden in het BTW-dossier alsmede in het dossier gehouden door de administratie van Douane en Accijnzen. Op basis daarvan werd onder meer vastgesteld dat bepaalde invoeren niet werden terug gevonden in de boekhouding van de appellant.

De vergelijking van de boekhouding van de appellant, de door hem voorgelegde invoerdocumenten met de gegevens in het bezit van de Administratie van Douane en Accijnzen bracht tevens aan het licht dat goederen frauduleus in België werden ingevoerd door middel van valse namen en BTW­nummer.

Dit zijn alle ambtsverrichtingen die door de verbalisant zelf zijn gesteld en waarvan de bijzondere bewijskracht in het proces-verbaal geldt tot bewijs van het tegendeel. Het spreekt voor zich dat verklaringen afgelegd door derden aan alle beschikbare gegevens moeten worden getoetst.

**2.** De appellant laat verder gelden dat leemten of onjuistheden in de boekhouding alleen dan de bewijskracht aantasten wanneer zij een wezenlijke invloed hebben op het geheel.

Te dezen blijkt evenwel op afdoende wijze uit het Proces-verbaal van 27 januari 1993 dat de boekhouding niet bewijskrachtig van de Wet van 17 juli 1975 m.b.t. de boekhouding en de jaarrekeningen. Het volstaat vast te stellen dat de appellant niet beschikt over een ontvangstenboek evenmin als over een maakloonregister. Dit alles maakt een afdoende controle onmogelijk.

**3.** Vervolgens meent de appellant dat de administratie is overgegaan tot een onregelmatige bewijsvoering omdat de berekening van de meeromzet het resultaat zou zijn van een opeenstapeling van vermoedens. De uitgangspunten van de administratie zouden geen bekende feiten zijn maar gissingen en veronderstellingen.

Evenmin kan de appellant in deze zienswijze worden bijgetreden. De bruto-winstberekening werd bepaald aan de hand van de eigen inschrijvingen in het inventarisboek, de op grond van art. 50, § 1, 3° BTW-Wet ingediende aangiften van verkopen en de op rekening 60000 geboekte aankopen. Dit zijn alle gekende gegevens die bij de appellant werden aangetroffen en die betrekking hebben op alle verhandelde goederen.

Enkel werd uit de verschillen tussen de aan- en verkoopfacturen en de inventaris afgeleid dat een aantal verkopen niet werden gefactureerd. Dit gegeven op zichzelf maakt geen verboden bewijsvoering uit.

**4.** De appellant werpt nog op dat een bewijsvoering op grond van art. 59, § 1 BTW-Wet (feitelijk vermoeden) niet kan met art. 64, § 1 BTW-Wet (wettelijk vermoeden).

Dit laatste artikel bepaalt : *"Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt"*.

Dit wettelijk vermoeden laat de administratie toe de omzet te berekenen door de brutowinstpercentage toe te passen op de aankopen. Voor de toepassing van art. 64, § 1 BTW-Wet volstaat het voor de administratie aan te tonen dat de appellant BTW-plichtige is en dat hij aankopen heeft gedaan (zie bv. hierna invoer van goederen). Eens dit bewijs geleverd behoort het aan de appellant aan te tonen aan de hand van een inventarisboek of andere bewijskrachtige stukken dat de goederen nog in zijn bezit zijn op het tijdstip van de controle of dat ze een bestemming hebben gekregen die de belasting niet opeisbaar maakt.

Zoals hierna zal blijken is de toepassing van art. 64, § 1 BTW-Wet niet op voorhand uit te sluiten.

**5.** De afrekening van de nog verschuldigde BTW in het PV van 27 januari 1993 wordt door de appellant betwist.

**5.1.** In het proces-verbaal werd m.b.t. de verkoop van T­shirts in 1990 een tekort vastgesteld van 3402 stuks (zie PV blz.47, A). Op cijfermatig vlak wordt dit tekort door de appellant niet betwist. De appellant stelt alleen dat dit tekort te wijten is aan proefdrukken die niet verkoopbaar bleken.

Deze loutere bewering tast de bewijswaarde van het PV niet aan.

**5.2.** Voor 1991 (blz.48, B) werd het tekort van T-shirts vastgesteld op 35.844 stuks. Ook dit cijfer wordt door de appellant als dusdanig niet betwist. Opnieuw verwijst de appellant naar niet verkoopbare proefdrukken alsmede naar een begane vergissing in de stockopname die zou zijn gecorrigeerd op 31 juli 1992. Deze loutere beweringen worden opnieuw door geen enkel gegeven gestaafd zodat het PV ook wat dit punt betreft overeind blijft.

**5.3.** Op blz. 48, C van het PV worden 2500 stuks niet gefactureerde aankopen van anoraks weerhouden. Als tegenbewijs legt de appellant factuur nr. 60 voor van 17 april 1991 aan BVBA **M.** waarbij 2500 anoraks werden geleverd. Bij gebrek aan weerlegging door de Belgische Staat dient het bedrag van … BEF (… EUR) uit de belastbare grondslag te worden geweerd.

**5.4.** Op blz. 48, D van het PV worden 3939 stuks niet gefactureerde aankopen van joggings weerhouden. Daaromtrent voert de appellant aan dat de administratie willekeurig en onnauwkeurig te werk is gegaan omdat geen rekening gehouden werd met de voorraad en omdat een brutowinstpercentage werd gehanteerd van T-shirts i.p.v. van joggings.

Uit de vergelijking van de aan- en verkoopfacturen (blz. 45 van het PV) blijkt dat er 3939 joggings gekocht zijn voor een bedrag van … BEF en dat geen joggings in 1991 werden verkocht. Terecht wijst de appellant erop dat nog 140 stuks op 31.12.1991 in voorraad waren met een gezamenlijke waarde van … BEF. Voor de andere verkopen zonder factuur (… - … = …) wordt door de appellant geen uitleg gegeven. Het tekort van 3799 stuks mag derhalve als vaststaand worden beschouwd.

Hiervoor onder drie werd reeds uiteengezet dat de berekening van het bruto winstpercentage gebeurde op alle te verhandelen goederen (zie de berekening op blz. 44 en 45 van het PV) en niet alleen op de T-shirts.

Rekening houdend met wat voorafgaat dient de belastbare grondslag als volgt te worden herberekend : … BEF (… EUR) - voorraad … BEF (… EUR) = … BEF (… EUR) x 137,78 % = … BEF (… EUR).

**5.5.** Op blz. 49 onder E worden niet aangegeven verkopen m.b.t. ingevoerde goederen weerhouden. Het gaat om een pro forma factuur van 11 juli 1991 en twee "Enig document Com 4" van 12, respectievelijk 13 juni 1990 m.b.t. de invoer van 5.520 en 4896 T-shirts. Deze invoeren zouden niet ingeschreven zijn in het boek der inkomende facturen.

Blijkens de overgelegde stukken van de appellant is de pro forma factuur van 11 juli 1991 wel ingeschreven weze het in 1992 zodat niet bewezen voorkomt dat de er op vermelde T-shirts zouden zijn verkocht.

Wat de andere invoeren betreft zijn deze wel degelijk geadresseerd op naam van de appellant. Het bewijs dat een derde misbruik zou hebben gemaakt van diens naam ligt niet voor. Het hiervoor vermelde vermoeden van art. 64 ,§ 1 BTW­Wet speelt hier ten volle.

**5.6.** Wat de frauduleuze invoeren betreft door middel van een valse naam (zie blz. 49, onder F) gaan de beide partijen akkoord dat daaromtrent een dading werd getroffen en ook betaald (zie blz. 11 en 12 van het proces-verbaal). Deze dading had o.m. betrekking op de invoer op 7 oktober 1991 t.b.v. … BEF (… EUR), op deze van 19 augustus 1991 t.b.v. … BEF (… EUR) en deze van 28 juni 1991 van … BEF (… EUR).

Het bedrag van … BEF (… EUR) dient dus geheel uit de belastbare grondslag te worden verwijderd.

**5.7.** Tevergeefs laat de appellant nog gelden dat de frauduleuze invoeren van goederen door middel van valse naam en BTW-nummer zoals vermeld op blz. 50 onder G. dubbel gebruik uitmaakt met de dading waarvan in 5.6. sprake. Deze had betrekking op de invoeren van 7 oktober 1991 t.b.v. … BEF (… EUR), op deze van 19 augustus 1991 t.b.v. … BEF (… EUR) en deze van 28 juni 1991 van … BEF (… EUR) alsook nog op een telefax van 5 september 1991 t.b.v. … BEF (… EUR). Deze laatste frauduleuze invoer waarvoor eveneens een dading werd getroffen op 26 juni 1992 staat noch vermeld onder F, noch onder G van de frauduleuze invoeren.

Derhalve is de BTW verschuldigd op de niet-aangegeven verkopen overeenkomstig art. 64, § 1 BTW-Wet aangezien het vaststaat dat de appellant goederen heeft ingevoerd zonder inschrijving in de boekhouding.

**5.8.** Volgens het PV op blz. 51, H werden op naam van de appellant facturen uitgereikt door de NV **T. I.** nl. factuur nr. 419 van 1 oktober 1991 voor de aankoop van 170 tapijten voor de prijs van … BEF (… EUR) en factuur nr. 437 voor de aankoop van 46 tapijten voor de prijs van … BEF (… EUR) of samen … BEF (… EUR) zonder BTW.

De stelling van de appellant dat hij slechts tapijten aankocht voor een bedrag van … BEF (… EUR) kan niet worden gevolgd. Er dient aangenomen dat de appellant het inzicht had ook tapijten te gaan verkopen. De beide op zijn naam gestelde facturen werden overigens nooit betwist en ontvangen betalingen werden aangerekend ( zie stuk 3 appellant, laatste blad).

Evenmin kan de zienswijze van de administratie worden gedeeld dat alle goederen werden geleverd en verkocht. Enerzijds werden de aangekochte goederen slechts afgehaald naargelang van de behoeften, anderzijds werden er door de leverancier aanzienlijke creditnota's verleend voor een bedrag van … BEF (… EUR), … BEF (… EUR) en … BEF (… EUR), hetzij voor … BEF (… EUR) zonder BTW (zie de stukken 4, 5 en 6 van de appellant).

In de gegeven omstandigheden dient de BTW als volgt te worden berekend :

… BEF (… EUR) - … BEF (… EUR) … BEF (… EUR) x 137,78 % … BEF (… EUR) aan 19 % … BEF (… EUR).

**5.9.** Op blz. 52 van het PV worden een aantal leveringen van goederen opgesomd die op grond van artikel 39, § 1, 1° en 2° BTW-Wet met vrijstelling van BTW werden gefactureerd. Daar het bewijs van de echtheid van de uitvoer niet was geleverd werden de leveringen onderworpen aan het toen geldende tarief van 19 %.

De appellant stelt daar tegenover dat telkens opgaven Benelux 50 werden opgesteld. Behoudens voor factuur nr. 251 van 19 december 1991 blijkt dit juist te zijn, alhoewel grote vragen rij zen bij de leesbaarheid van de voorgelegde documenten.

Onder verwijzing naar blz. 27 tot en met 38 van het proces-verbaal blijkt dat er voor de “kwestieuze uitvoeren" geen betalingsbewijzen worden voorgelegd, terwijl noch inschrijvingen van betalingen in de boekhouding werden teruggevonden. De appellant zou zelfs zijn rekeninguittreksels hebben weggegooid. Bij nazicht van de duplicaten was geen vergelijking mogelijk met eventuele in- of uitvoeren welke in zijn boekhouding waren vastgesteld.

Behoudens de opgave Benelux 50 werden geen andere documenten voorgebracht zoals bestelbons, betalingsdocumenten en/of andere vervoerdocumenten. Nochtans moet de verkoper van de goederen te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt.

Bij gebrek aan een geheel van overeenstemmende elementen waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt zoals bestelbons, vervoerdocumenten en betalingsdocumenten werden deze leveringen terecht aan de BTW onderworpen. De belastbare grondslag blijft dus wat dit onderdeel betreft behouden op … BEF (… EUR).

**5.10.** Recapitulatie :

5.1. niet gefactureerde T-shirts in 1990 … BEF (… EUR)

5.2. niet gefactureerde T-shirts in 1991 … BEF (… EUR)

5.3. niet gefactureerde anoraks in 1991 … BEF (… EUR)

5.4. niet gefactureerde joggings in 1991 … BEF (… EUR)

5.5. niet aangegeven ingevoerde goederen … BEF (… EUR)

5.6.frauduleus ingevoerde goederen … BEF (… EUR)

5.7.frauduleus ingevoerde goederen … BEF (… EUR)

5.8.niet gefactureerde tapijten … BEF (… EUR)

5.9.verrichtingen waarvan de echtheid … BEF (… EUR)

van de uitvoer niet is bewezen … BEF (… EUR)

Totaal … BEF (… EUR)

aan 19 % BTW = … BEF (… EUR).

**6.** De boete aan de appellant opgelegd in toepassing van [artikel 70, § 1 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) is een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 – tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, *Silvester's Horeca Service t/België*, www.echr.coe.int ).

Te dezen moet worden vastgesteld dat een boete van 200 % onevenredig is met de door de appellant begane inbreuken, en dient te worden herleid tot redelijke proporties. In dit verband dient er op gewezen dat de appellant zich toch bewust schuldig gemaakt heeft aan een reeks onregelmatigheden. Het bedrag van de ontdoken BTW bedraagt … BEF (… EUR) en een boete van 50 % van de ontdoken rechten is in redelijkheid gerechtvaardigd. Het incidenteel beroep van de geïntimeerde is derhalve ongegrond.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat het dwangbevel vernietigd wordt in de mate dat het voor de verschuldigde BTW een hoger bedrag vaststelt dan … BEF (… EUR) en voor de geldboete een hoger bedrag dan … BEF (… EUR), en wat de gerechtskosten aangaat.

Veroordeelt de appellant tot 9/10 en de geïntimeerde tot 1/10 van de kosten van de beide aanleggen en begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van de appellant :

\* dagvaardingskosten eerste aanleg … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde :

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, op **ZEVENENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN VIJF**.

Aanwezig :

Mevrouw **N. v. I.**, Voorzitter,

De Heren **A. D. M.** en **G. T.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **G. T.** **A. D. M.** **N. v. I.**

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Economische activiteit, Economisch karakter, Winstmarge](https://juriel.be/nl/rechtspraak/economische-activiteit-economisch-karakter-winstmarge-rechtbank-brussel-2023-02-23-49ee) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplicht, Uitoefening van een economische activiteit, Aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-uitoefening-economische-activiteit-aftrek-rechtbank-2021-09-03-5ad2) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd Kassasysteem, Omzetcijfer, Gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-omzetcijfer-gelijkheids-rechtbank-brussel-2021-03-17-7717) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlenging van de verjaringstermijn, Voorafgaande kennisgeving, Motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlenging-verjaringstermijn-kennisgeving-motivering-hof-van-beroep-luxemburg-2022-05-17-bad5) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-proportionele geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboeten-macht-rechter-verminderen-rechtbank-2023-01-18-bb2e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Paardenfokkerij, Recht op aftrek, Economische activiteit, Privé-activiteit als hobby](https://juriel.be/nl/rechtspraak/paardenfokkerij-recht-aftrek-economische-activiteit-rechtbank-2022-11-24-c56d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Evenredigheid van de boete, Vermindering van de boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-evenredigheid-vermindering-cassatie-brussel-2022-09-23-f674) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Antimisbuikbepaling, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/antimisbuikbepaling-misbruik-cassatie-brussel-2020-05-14-fafb) 2 gemeenschappelijke bepalingen
