Belastbaarheid, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Hasselt 28 april 2011

Zoeken

Belastbaarheid, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolgingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-rechtbank-hasselt-2011-04-28-8cc4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Hasselt
Datum
28 april 2011

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

80 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 28.04.2011

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER B, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :

IN ZAKE AR nr. 10/79/A

G. D., wonende te …, ….

eiser,

niet verschijnende noch iemand voor hem.

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het 2de BTW­ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47.

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. D. D. loco mr. R. F., advocaat te …, ….

VOLGT HET VONNIS :

Gelet op :

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22.12.2009;

- de conclusies, syntheseconclusies en stukken van verweerder.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN

Eiser heeft zich op 28.08.2006 aan het douanekantoor te … (…) aangeboden, waarbij hij een inlichtingbulletin inzake verkeersbelasting betreffende een door hem verworven voertuig VW Passat Variant indiende teneinde de afgifte van een vignet 705 voor deze wagen te verkrijgen (zie stuk 1, bundel verweerder).

Hierbij heeft hij een aankoopfactuur van 25.07.2006 met nr. 03862 uitgereikt door VW Z. Aachen op naam van D. G., … te … voor een prijs van 26.642,24 euro en 4.262,76 euro Duitse BTW (zie stuk 2, bundel verweerder). Uit dit stuk blijkt dat het voertuig hem op 25.07.2006 ter hand werd gesteld met een kmstand van 11.264 km en dat het voertuig voor het eerst in gebruik werd genomen op 23.02.2006.

De administratie besloot dat het hier om een nieuw voertuig ging overeenkomstig art. 8bis, § 2, 2° W.BTW en derhalve vorderde de douane van eiser de verschuldigde BTW op de intracommunautaire verwerving van dit nieuw voertuig.

Eiser weigerde de betaling hiervan.

Vervolgens bood eiser zich op 13.09.2006 aan op het douanekantoor te …, zonder melding te maken van het feit dat hij zich reeds voordien op het douanekantoor te … met hetzelfde voertuig had aangeboden.

Eiser overlegde op dat ogenblik een aankoopfactuur van hetzelfde voertuig voor, uitgereikt op 13.09.2006 uitgaande van VW Z. Aachen, waaruit bleek dat het voertuig dezelfde dag was geleverd (zie stuk 3, bundel verweerder). Aangezien het voertuig voor het eerst in gebruik werd genomen op 23.02.2006 werd het voertuig door de douane op basis van deze stukken beschouwd als een tweedehands vervoermiddel en werd aan eiser een vignet 705 afgeleverd zonder betaling van BTW.

Eiser bood zich vervolgens op 15.09.2006 op het DIV te … aan teneinde het voertuig te laten inschrijven in België. Dit werd geweigerd aangezien het voertuig, ingevolge de weigering om de BTW te betalen, in … werd geblokkeerd (zie stuk 4, bundel verweerder).

Vervolgens maakte de toenmalige raadsman van eiser een aantal stukken inzake verhuur over en werd er gesteld dat er een verkeerde facturatie had plaatsgevonden teneinde de deblokkering van het voertuig te bekomen (zie stuk 5, bundel verweerder).

Ingevolge deze correspondentie werd het douanekantoor te … opgedragen het voertuig voorlopig te deblokkeren (zie stuk 6, bundel verweerder) en werd de douane te Luik verzocht het dossier verder te onderzoeken.

De directie te Luik verzocht eiser diverse malen om de betalingsbewijzen van het kwestieuze voertuig te overleggen, doch hieraan werd geen gevolg gegeven (zie stuk 7, bundel verweerder).

Vervolgens werden in toepassing van art. 93 quaterdecies W.BTW de gegevens ter beschikking gesteld van de BTW-administratie.

Op 01.10.2009 werd er door de heer M. M., wn. e.a. inspecteur bij de FOD Financiën en verbonden aan het BTW-controlekantoor te Lanaken, een proces-verbaal opgesteld lastens huidige eiser op basis van de vaststellingen gedaan door de ambtenaren van de Administratie der Douane en Accijnzen, waarbij werd vastgesteld dat eiser de hierna volgende bedragen verschuldigd is :

- 5.594,87 euro aan BTW;

- 550,00 euro als verminderde proportionele geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW en art. 1, tabel G, rubriek III van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot 10 % van de verschuldigde belasting;

- intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vertraging te rekenen vanaf 01.09.2006 over de som van 5.590,00 euro. (zie stuk 8, bundel verweerder).

Bij gebreke aan betaling werd op 28.10.2009 tegen eiser een dwangbevel uitgevaardigd, gesteund op het proces-verbaal van 01.10.2009. Het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 05.11.2009. Bij exploot van gerechtsdeurwaarder D. H., plaatsvervanger van B. V., gerechtsdeurwaarder te … van 25.11.2009 werd het dwangbevel samen met het proces-verbaal van 01.10.2009 betekend aan eiser (zie stukken 9 en 10, bundel verweerder).

In dit dwangbevel werden de hierna volgende bedragen gevorderd van eisers :

- 5.594,87 euro aan BTW;

- 550,00 euro als verminderde proportionele geldboete in toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW en art. 1, tabel G, rubriek III van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30.01.1987 tot 10 % van de verschuldigde belasting;

- intresten op grond van art. 91, § 1 W.BTW berekend aan 0,8 % per maand vertraging te rekenen vanaf O1.11.2009 over de verschuldigde BTW, te vermeerderen met 1.699,36 euro reeds vervallen intresten;

- moratoire intresten over de verschuldigde geldboete vanaf de eerste kennisgeving of betekening van het dwangbevel, ingevolge art. 91, § 4 W.BTW;

- de vervolgingskosten.

Bij exploot van gerechtsdeurwaarder I. G. te … van 24.01.1997 werd het dwangbevel met een bevel tot betaling nogmaals betekend aan eisers (zie stuk 5, bundel verweerder).

Eiser ging bij deze rechtbank in verzet tegen dit dwangbevel middels verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 22.12.2009.

II. BEOORDELING

1. Ontvankelijkheid

Er worden door verweerder geen middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2. Ten gronde

Krachtens art. 59, § 1 W.BTW kunnen :

- overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen;

- feiten die de verschuldigdheid van de belasting of de geldboete aantonen;

- feiten die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen;

door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal.

Bijgevolg kunnen de processen-verbaal feiten bewijzen die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen en in dat geval vormen zij de basis waarop de vermoedens zijn gesteund dat eiser niet al zijn belastbare handelingen heeft aangegeven voor de heffing van de BTW en de verschuldigde BTW over de intracommunautaire verwerving van het kwestieuze voertuig.

Krachtens art. 59, § 1 W.BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen deze bijzondere bewijskracht niet hebben.

De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen mogen echter met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met inbegrip van getuigen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed, bewezen worden en zijn dan ook aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen redenen zijn om aan de juistheid en de ernst van deze vaststellingen te twijfelen, gelet op de bevestiging en ondersteuning door andere gegevens die in dezelfde richting wijzen.

De toenmalige raadsman van eiser stelt in zijn brief van 29.05.2008 aan de BTW­controle te Lanaken dat de factuur van 25.07.2006 gecrediteerd werd wegens een materiële vergissing en dat er een nieuwe factuur werd uitgeschreven op 13.09.2006. Het voertuig zou gehuurd zijn geweest van 21.07.2006 tot 20.09.2006. Volgens inlichtingen van de Duitse administratie heeft de leverancier, VW Z. Aachen, enkel de factuur van 13.09.2006, de bestelbon van 10.07.2006 en uittreksels uit de klantenrekening van de boekhouding voorgelegd.

Eiser overlegt geen enkel bewijs dat de bewering omtrent de creditering van de factuur van 25.07.2006 wegens een materiële vergissing kan staven. Er werden geen betalingsbewijzen noch andere documenten overgemaakt die kunnen aantonen dat de eerste factuur een vergissing zou zijn en dat het voertuig eerst twee maanden zou gehuurd zijn.

Terecht heeft de administratie dan ook gesteld dat de intracommunautaire verwerving van het voertuig is gebeurd op het ogenblik dat het voertuig ter beschikking werd gesteld aan eiser, met name op 21.07.2006.

In die omstandigheden heeft de administratie terecht de ingevolge de intracommunautaire verwerving verschuldigde BTW gevorderd van eiser.

De vordering van eiser is derhalve ongegrond.


Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art. 13 en 14).

De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.


De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.


Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

De rechtbank,

rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond,

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op 990,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare zitting van de elfde kamer B, op het gerechtshof te Hasselt op 28.04.2011, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw M. C., enige rechter, en

De heer L. P., griffier.

L. P. M. C.

Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit vonnis, deze beschikking ten uitvoer zullen leggen;

Dat Onze procureurs-generaal en Onze procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;

Ten blijke waarvan dit vonnis, deze beschikking is ondertekend en gezegeld met het zegel van de rechtbank.

VOOR EENSLUIDENDE UITGIFTE, afgeleverd aan FOD Financiën

Hasselt,

De Griffier-Hoofd van Dienst,

Ph. N.