---
title: "Bedrijfsvisitatie, Zetel van economische activiteit · Hof van beroep te Gent, 21 april 2026, 2024/AR/542"
description: "Bedrijfsvisitatie, Zetel van economische activiteit, Postbusadres, Ontduiking van Belgische btw. Hof van beroep te Gent (België), 21 april 2026, 2024/AR/542."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bedrijfsvisitatie-zetel-economische-activiteit-postbusadres-hof-van-beroep-gent-2026-04-21-6d63"
lang: "nl"
---

# Bedrijfsvisitatie, Zetel van economische activiteit, Postbusadres

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Rolnummer**

2024/AR/542

**Datum**

21 april 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

156 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 21.04.2026 (2024/AR/542)

FIN 54966781/01

*Bedrijfsvisitatie - Zetel van economische activiteit - Postbusadres - Ontduiking van Belgische btw - Bedrieglijk opzet*

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Hof van Beroep Gent**

**Arrest**

**Vijfde kamer**

**21 april 2026**

**2024/AR/542**

Rolnummer: 2024/AR/542

In de zaak van:

**BELGISCHE STAAT**, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering — Team Bijzondere Invordering Gent, met kantoor gevestigd te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 107,

en de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Gewestelijke Directie Brussel waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 33, bus 49 en hebbende als correspondentieadres: Gaston Crommenlaan 6 bus 806, 9050 Ledeberg

appellant, ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw Evi Conruyt, Attaché

tegen

**cie1**,

met zetel te ...,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. VAN VLIERDEN Bernard en mr. VANDINGENEN Ellen, advocaat te 2600 BERCHEM, Grotesteenweg 214 bus 4

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 3 april 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 19 februari 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/1255/A waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 24 februari 2026, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

2.1. De geïntimeerde werd op 31 januari 2018 opgericht als vennootschap naar Luxemburgs recht door de heer B.B. die haar enige aandeelhouder en bestuurder is. Haar maatschappelijke zetel was bij oprichting gevestigd in een business center in ... (Groothertogdom Luxemburg) waar ook tal van andere bedrijven gevestigd zijn. Met ingang van 4 september 2019 werd haar maatschappelijke zetel overgebracht naar een woning in ..., ... (huidige benaming), waar ook de sarl cie2 (hierna kortweg aangeduid als 'cie2') gevestigd was. Die laatste vennootschap wordt ook bestuurd door en maakt deel uit van de vennootschapsgroep rond de heer B.B. die hierna kortweg aangeduid wordt als de CES-groep (waarbij CES staat voor 'Contracting & Engineering Services' of 'Consulting & Engineering Services').

De geïntimeerde was in de periode van 1 april 2018 tot 20 december 2022 voor btw-doeleinden geregistreerd onder een Luxemburgs btw-nummer.

2.2. Op 4 december 2019 vond een onaangekondigde belastingcontrole plaats op de maatschappelijke zetel van verschillende vennootschappen van de CES-groep, aan de ....

Naar aanleiding van deze controle werden verschillende processen-verbaal opgemaakt.

In een van deze processen-verbaal werden de volgende verklaringen van de heer B.B. opgetekend:

\- de maatschappelijke zetel van cie1 is gelegen in Luxemburg, ...; voorheen werd een bureau gehuurd in ..., boven een shoppingcenter, waar het mogelijk was om mZ bij te huren afhankelijk van de noodzaak;

\- cie1 verricht hoofdzakelijk marketing activiteiten voor cie2 en de cie3, aan wie zij haar prestaties factureert;

\- als zaakvoerder neemt hij de beslissingen met betrekking tot de cie1;

\- de vergaderingen van cie1 vinden plaats daar waar de klant dat wil;

\- het is onbeschrijfbaar hoe vaak hij ter plaatse gaat naar de maatschappelijke zetel van de cie1; dat is in functie van de noodzaak van de vennootschap;

\- hij kan niet zeggen door wie de uitgaande facturen van de cie1 opgesteld worden;

\- de reden van de aanwezigheid van documenten van cie1 op de maatschappelijke zetel van de cie3 is dat de paperflow wordt gecentraliseerd op de zetel van de cie3 en dan doorgegeven aan de boekhouder in Luxemburg.

In een ander proces-verbaal werd opgaaf gedaan van de wijze waarop kennis en kopij genomen werd van data afkomstig van het informaticamateriaal en/of informatiedragers van de geïntimeerde. De raadsman van heer B.B. maakte bij afsluiting een aantal schriftelijke bemerkingen op dit proces-verbaal.

Op 1 juni 2021 werd een proces-verbaal inzake btw opgemaakt voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 maart 2021. Daarin werd omstandig verslag uitgebracht van het onderzoek gevoerd naar de activiteiten van de geïntimeerde en de lokalisatie van haar bedrijfszetel. Met name werd ingegaan op de vaststellingen gedaan en stukken gevonden tijdens en naar aanleiding van het plaatsbezoek op de bedrijfszetel aan de ... (onder meer op de computer van de heer B.B.), op de verklaringen die de heer B.B. aflegde tijdens het bezoek ter plaatse (zoals genotuleerd in het hierboven vermelde proces-verbaal van 4 december 2019) en op de resultaten van de bevraging van de leveranciers van de cie1. De administratie kwam op grond van al die vaststellingen en bevindingen tot de conclusie dat de geïntimeerde, niettegenstaande zij zich voordeed als een btw-plichtige in het Groothertogdom Luxemburg, haar fiscaal domicilie minstens sinds 31 januari 2018 in België had.

Bijgevolg zouden de door haar ontvangen diensten overeenkomstig [artikel 21 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) en de door haar ontvangen goederen overeenkomstig [artikel 14 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14), gelokaliseerd moeten worden in België en had zij Belgische btw moeten betalen op al die diensten en goederen (eerste inbreuk). Wat betreft de leveringen van goederen stelde de administratie dat het, gezien de aard van de goederen, de informatie bekomen van de leveranciers van de geïntimeerde en het feit dat de geïntimeerde vanuit België beheerd wordt en geen personeel in het Groothertogdom Luxemburg heeft, ongeloofwaardig was dat de goederen ook effectief naar de geïntimeerde in het Groothertogdom Luxemburg vervoerd werden en België verlaten hadden. De administratie stelde dat de geïntimeerde als medecontractant medeschuldenaar was van de btw die was verschuldigd (maar niet aangerekend) op de aan haar gefactureerde goederen en diensten, op grond van artikel 51bis, §1, 3" WBTW. Nog volgens de administratie had de geïntimeerde haar leveranciers ten onrechte en bewust verkeerdelijk geïnformeerd en misleid over haar werkelijke fiscale situatie. Bovendien waren, zo vervolgde de administratie, de door de geïntimeerde aangekochte goederen en de aan haar verleende diensten in hoofdzaak goederen en diensten bestemd voor privégebruik, waardoor hiervoor mogelijk geen btw-aftrek mogelijk was overeenkomstig [artikel 45 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Het besluit was dat cie1 Belgische btw verschuldigd was op inkomende facturen inzake goederen die ze aankocht bij en diensten die aan haar verstrekt werden door Belgische leveranciers.

Daarnaast werd vastgesteld dat de geïntimeerde aan verschillende Belgische vennootschappen van de CES-groep management- en engineeringprestaties, alsook kosten en wijnen met betrekking tot evenementen factureerde. De administratie stelde dat die diensten overeenkomstig [artikel 21, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) gelokaliseerd waren in België, ten gevolge waarvan de geïntimeerde Belgische btw had moeten aanrekenen (tweede inbreuk). Besloten werd dat de geïntimeerde foutief geen btw had aangerekend aan haar Belgische klanten, door onterechte toepassing van de verlegging van de heffing conform [artikel 51, §2, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51).

De administratie stelde nog dat de geïntimeerde het bedrieglijk opzet zou hebben gehad om de door haar geleverde diensten van Belgische origine alsook de aan haar geleverde goederen en diensten, voor de Belgische belastingadministratie te verbergen en zelf de btw niet te moeten voldoen. Naast een proportionele geldboete van 200% werden (maximale) niet-proportionele geldboeten voorzien wegens het niet indienen van een aangifte bij de aanvang van activiteit, het niet indienen van de btw-kwartaalaangiftes en het niet indienen van btw-klantenlistings in de periode 2018-2021 (eerste kwartaal).

Ingevolge deze beide inbreuken, begaan met bedrieglijk opzet, werden volgende bedragen verschuldigd verklaard voor de boekjaren 2018, 2019, 2020 en 2021 (eerste kwartaal) samen:

\- btw: 116.534,39 EUR

\- proportionele geldboete (200%): 233.060,00 EUR

\- niet-proportionele geldboete: 37.000,00 EUR

\- de wettelijke interest op de btw te rekenen vanaf 21 april 2021.

2.3. Op 9 juni 2021 werd aan de geïntimeerde een betaalbericht gestuurd voor een verschuldigde btw van 116.534,39 EUR, een totaal bedrag aan geldboeten van 270.060,00 EUR en intresten tot 20 juni 2021 van 1.553,73 EUR.

Op 13 juli 2021 werd deze schuld uitvoerbaar verklaard en opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500242028312.

Bij brief van 5 november 2021 diende de geïntimeerde bezwaar in tegen het proces-verbaal. Dit bezwaar werd afgewezen bij beslissing van 14 februari 2022.

Met een verzoekschrift neergelegd op 25 mei 2022 stelde de geïntimeerde haar vordering tegen voormelde beslissing in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In het vonnis van 19 februari 2024 heeft de zesde kamer van deze rechtbank beslist om:

*-* *de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond te verklaren in volgende mate;*

*-* *het betaalbericht van 9 juni 2021 met nummer 500/2420/28312 te vernietigen;*

*-* *de terugbetaling te bevelen van alle op grond van het hierboven genoemde betaalbericht ten onrechte geïnde sommen in hoofde van eiseres, vermeerderd met de moratoriumintrest;*

*-* *verweerster te veroordelen tot de kosten van deze aanleg, met name:*

· de bijdrage bedoeld in artikel 4 §2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 22,00 EUR ten hare laste te leggen, en

*·* *de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van eiseres te begroten op 10.500,00 EUR.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vorderingen van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*dienvolgens het bestreden vonnis in die mate te vernietigen;*

*en het proces-verbaal d.d. 1 juni 2021 en van de opname van de belastingschuld in*

*het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500242028312 te willen bevestigen;*

*en tot slot de geïntimeerde te verwijzen in de kosten van het geding, in beide aanleggen.*

### 3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep van appellante (de Belgische Staat) ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;*

*Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 19 februari 2024 (A.R. 22/1255/A) integraal te willen bevestigen, zoals aldus:*

*·* *De oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*·* *Het Proces-Verbaal m.b.t. de periode van 1 januari 2018 t.e.m. 31 maart 2021, opgemaakt bij toepassing van artikel 59, §1 W.BTW. en voor eensluidend verklaard op 1 juni 2021 door de heer Timothy DE DECKER, Attaché BBI Brussel Inspectie 4, en aangetekend verzonden per brief van 1 juni 2021 vanwege de heer Johan RONSSE, Adviseur-Generaal, gekend onder het kenmerk 502-15-21/069741 - STIR-Fr.: BRU/18/0106/20/0002, geheel te horen vernietigen dan wel van nul en generlei waarde te horen verklaren;*

*·* *Het betaalbericht dd. 9 juni 2021, met schuldnr. 500.2420.28312, geheel te horen vernietigen;*

*·* *De negatieve beslissing dd. 14 februari 2022, met kenmerk STIR-FR.: BRU/18/0106/20/0002, geheel te horen vernietigen;*

*Te horen zeggen voor recht dat geïntimeerde de middels voormeld Proces-Verbaal en betaalbericht gevorderde bedragen niet verschuldigd is en appellante te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen aan geïntimeerde terug te betalen, vermeerderd met de moratoriuminteresten;*

*Appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de bijdrage aan het Fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 22 EUR (voor de procedure in eerste aanleg) én de rechtsplegingsvergoeding zoals bepaald in artikel 1022 Ger.W. en het K.B. dd. 26 oktober 2007 (BS 9 november 2007) (en zoals van toepassing vanaf 1 november 2022 resp. vanaf 1 maart 2025), dewelke thans wordt begroot op 10.500,00 EUR (voor de procedure in heerst aanleg) resp. 10.988,37 EUR (voor de procedure in hoger beroep) (i.e. basisbedrag voor in geld waardeerbare vorderingen met een waarde tussen 250.000,01 EUR en 500.000,00 EUR).*

## 4. De betwistingen en de beoordeling ervan

### 4.1. Over het gebruik van de gegevens verkregen ingevolge de visitatie van 4 december 2019

4.1.1. De geïntimeerde verwijt de administratie dat die haar onderzoeksbevoegdheden heeft overschreden, door zelf informaticabewerkingen uit te voeren op haar computersystemen en een kopie van de digitale data nemen, ondanks haar uitdrukkelijk verzet daartoe zoals tot uiting gebracht in het proces-verbaal van informaticahandelingen. Zij stelt dat deze handelswijze in strijd is met [artikel 61, §1, vierde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) dat zou vereisen dat de informaticaverrichtingen gebeuren oor de belastingplichtige zelf. Bijgevolg zou het gevoerde onderzoek onrechtmatig zijn en de daaruit volgende taxatie nietig.

De appellant stelt dat het uitgevoerde onderzoek rechtsgeldig is. Hij voert aan dat de heer B.B. wel degelijk vrije toegang heeft verleend tot de beroepslokalen en het daar aanwezige informaticamateriaal, overeenkomstig [artikel 63 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63). Volgens hem gebeurde de kopiename in overeenstemming met de artikelen [61, §1, vierde lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) en [63, eerste lid, 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) WBTW. Hij verwijst op zijn beurt naar het proces-verbaal inzake informaticahandelingen en wijst erop dat de heer B.B. gedurende de volledige duur van de fiscale controle blijvend zijn medewerking verleende en zich niet verzet heeft tegen de wijze waarop de ambtenaren toegang hebben genomen tot het informaticamateriaal, maar in tegendeel alles in het werk stelde om de kopiename zo vlot en efficiënt mogelijk te laten verlopen. De appellant verwerpt de handmatige opmerkingen op het proces-verbaal (inzake informaticahandelingen) die niet van de hand van de heer B.B. zijn en slechts nadien werden geuit.

4.1.2. Krachtens [artikel 60, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60), in zijn toepasselijke versie, is iedere belastingplichtige ertoe gehouden de kopieën te bewaren van de facturen die door hemzelf, door zijn afnemer of zijn verkrijger of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde worden uitgereikt, en is eenieder gehouden zijn ontvangen facturen te bewaren.

[Artikel 61, §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61), in zijn toepasselijke versie, bepaalt dat eenieder gehouden is de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de btw-administratie, zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan. [Artikel 61, §1, vierde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) bepaalt het volgende:

*Wanneer de boeken, facturen en andere stukken in een elektronisch formaat worden bewaard, heeft deze administratie het recht zich de op informatiedragers geplaatste gegevens in een leesbare en verstaanbare vorm te doen voorleggen. Deze administratie kan eveneens de in het eerste lid bedoelde persoon verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopieën te maken onder de door hen gewenste vorm van het geheel of een deel van de voormelde gegevens, evenals om de informaticabewerkingen te verrichten die nodig worden geacht om de juiste heffing van de belasting na te gaan.*

Verder bepaalt [artikel 61, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) dat de btw-ambtenaren het recht hebben om de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, te behouden telkens wanneer zij meent dat de boeken, stukken of kopieën de verschuldigdheid van een belasting of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen. Wanneer die boeken in een elektronisch formaat worden bewaard, heeft de voornoemde administratie het recht zich kopieën van die boeken te doen overhandigen onder de door haar gewenste vorm. De administratie is verplicht dienaangaande binnen de vijf werkdagen een proces-verbaal van retentie op te maken. Dat proces-verbaal levert bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

[Artikel 63, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) verleent de belastingadministratie de bevoegdheid om ter plaatste alle boeken en stukken te onderzoeken die zich aldaar bevinden, om de betrouwbaarheid na te gaan van de geïnformatiseerde inlichtingen, gegevens en bewerkingen en om de aard en de belangrijkheid vast te stellen van de aldaar uitgeoefende werkzaamheid en van het daarvoor aangestelde personeel, alsook van de aldaar aanwezige koopwaren en goederen, met inbegrip van de productie- en vervoermiddelen. De belastingplichtige moet de administratie daartoe vrije toegang verlenen tot de ruimten waar zij haar activiteit uitoefent.

Wat de inzage in de computerbestanden betreft, hebben de bevoegde ambtenaren, teneinde de verschuldigde belasting te kunnen bepalen, het recht om tijdens de visitatie na te gaan welke elektronische bestanden zich in de bedrijfslokalen bevinden en ze te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging ervan te moeten verzoeken, net zoals het geval is voor de boeken en stukken bedoeld in het eerste lid van [artikel 61, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61). Een zinvolle interpretatie van de verplichting tot medewerking vereist dat de belastingadministratie niet afhankelijk is van de keuze van de belastingplichtige om te bepalen in welke elektronische documenten hij inzage verleent en dat de belastingplichtige zijn medewerking moet verlenen om toegang te verlenen tot elektronische documenten op computers. Het is de belastingambtenaren toegelaten om zelf informaticabewerkingen te verrichten op de informatiedragers van de belastingplichtige, wanneer die laatste medewerking verleent en geen bezwaar formuleert. De informatiedragers vormen als het ware de digitale ruimte van de belastingplichtige; het openen van een bestandslocatie en het onderzoeken van de daar aanwezige bestanden op een PC waartoe vrije toegang is verleend, is als het openen en onderzoeken van een digitale schuif in plaats van de fysieke schuif van een fysieke kast in een bedrijfslokaal waartoe de belastingplichtige vrije toegang verleent. Het is de bevoegde ambtenaren evenwel niet toegelaten om de inzage van de computerbestanden eigenmachtig af te dwingen indien de belastingplichtige zich daartegen verzet (bijvoorbeeld door toegang te nemen indien de bestanden zijn beveiligd met een paswoord; zie ook GWH nr. 116/2017, 12 oktober 2017, te raadplegen op www.const-court.be). De toestemming moet bovendien blijvend aanwezig zijn gedurende de ganse duurtijd van de onderzoeksverrichtingen, inzonderheid wanneer die onaangekondigd geschieden en nadat de controlerende ambtenaren de vrije toegang in de zin van [artikel 63, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) hebben verkregen. Wanneer de belastingplichtige na het verlenen van die vrije toegang en tijdens de uitvoering van de onderzoeksverrichtingen zijn toestemming intrekt, kunnen deze niet verdergezet worden en moeten zij gestaakt worden.

Wat kopiename van computerbestanden betreft, vereist artikel 61, §1, vierde lid WIB92 dat het verzoek tot kopiename van de boeken, facturen en andere stukken in elektronisch formaat wordt gericht aan de belastingplichtige die in het bijzijn van de administratie en op zijn uitrusting de kopieën maakt. Niettegenstaande de administratie recht heeft op een kopie, dient de administratie hiervoor de medewerking te vragen van de belastingplichtige en is het in principe de belastingplichtige die de daartoe vereiste handelingen stelt. Geen wetsbepaling verleent de administratie het recht om zelf een kopie te nemen van computergegevens, tenzij de belastingplichtige de administratie hiervoor toestemming geeft. Wanneer dergelijke toestemming voorhanden is, mag de administratie daarentegen het aldus verzamelde bewijs gebruiken (vgl. Cass. 19 september 2014, [C.12.0375.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-ambtenaren-onderzoeksbevoegdheden-onrechtmatig-verkregen-cassatie-brussel-2014-09-19-d6e5)).

4.1.3. *In casu* staat in het proces-verbaal van informaticahandelingen (blz. 2/10) het volgende:

*Wij hebben hem daarna op grond van de artikelen 60 t/m 63 van het BTW-Wetboek (waarvan de volledige teksten als bijlage aan dit proces-verbaal worden opgenomen) verzocht voorlegging van en inzage te verlenen in alle boeken en stukken, al dan niet geïnformatiseerd bijgehouden, op om het even welke informatiedragers ongeacht de aard en de locatie van de gegevensdragers waarop deze zich bevinden (interne harde schijven, verwisselbare media zoals externe harde schijven, banden, flashgeheugen, CD's, DVD's, diskettes, online opslag, enz.) en om in ons bijzijn en op zijn uitrusting kopij te maken van alle door de administratie gewenste software en bestanden die op de bedrijfscomputers worden aangetroffen teneinde de juiste heffing en toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde na te gaan.*

*Aan de belastingplichtige werden de wetteksten overhandigd (bijlage 1) en werden waar nodig de gevraagde bijkomende inlichtingen verstrekt.*

*De heer B.B. verleent omstreeks 09:45 de beëdigde ambtenaren vrije toegang tot de beroepslokalen conform* [*artikel 63, eerste lid, van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) *en tot zijn PC (Bart-SurfacePRO). 1...\]*

*Voornoemde verbalisanten zijn vervolgens overgegaan tot het stellen van de nodige informaticaverrichtingen teneinde een selectieve kopiename van een aantal mappen en bestanden uit te voeren.*

*Mijnheer B.B. werd bijgestaan door extern accountant \[...\] dewelke arriveerde omstreeks 10u35.*

*Mijnheer B.B. nam telefonisch contact op met advocatenkantoor 1...\]. Mijnheer B.B. werd bijgestaan door Ellen Vandingenen, Senior Assciate \[...\], die arriveerde omstreeks 11u.*

Aldus staat vast, tot het bewijs van het tegendeel, dat bij aanvang van het plaatsbezoek een summiere maar correcte toelichting betreffende de onderzoeksbevoegdheden van de administratie werd verschaft aan de heer B.B. die de geïntimeerde rechtsgeldig kan vertegenwoordigen, en dat de heer B.B. vervolgens aan de betrokken ambtenaren de vrije toegang verleende tot de bedrijfslokalen en zijn PC. Dienaangaande werd tijdens de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 door de beide partijen bijkomend bevestigd dat de computer van de heer B.B. vergrendeld was met een paswoord, maar dat die laatste zijn paswoord gaf/gebruikte om toegang tot de computer te verlenen. Aldus staat vast dat de heer B.B. toestemming en medewerking verleende aan de administratie om informaticaverrichtingen te stellen op zijn computer. Waar de verbalisanten zodoende overgingen tot een selectieve kopiename van bestanden, kan aangenomen worden dat ook dit gebeurde met de voortdurende toestemming en medewerking van de heer B.B.. Een dergelijk optreden is rechtsgeldig.

Eerst bij afsluiting van het proces-verbaal van informaticahandelingen noteerde de raadsman van de geïntimeerde daarop eigenhandig het volgende (blz. 6/10; over wie dit notuleerde bestond tijdens de openbare terechtzitting van 24 februari 2026 geen betwisting meer):

*De heer B.B., bestuurder, heeft geen vrije toegang verleend tot de beroepslokalen, noch heeft hij uitdrukkelijke toestemming gegeven om de Administratie eigenhandig bewerkingen te laten uitvoeren op zijn pc. Administratie heeft zichzelf toegang verschaft tot de beroepslokalen en IT.*

Deze stelling mist geloofwaardigheid binnen de concrete context van de uitgevoerde visitatie, zoals die wordt geschetst in het hierboven aangehaalde proces-verbaal en waarvan het feitelijke verloop vaststaat tot bewijs van het tegendeel, overeenkomstig [artikel 61, §2, derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61). Uit het proces-verbaal is gebleken dat de heer B.B. kort na de aanvang van het plaatsbezoek (omstreeks 09:45) aan de verbalisanten vrije toegang verleende tot zijn computer en dat hij die toestemming gedurende de inzageverrichtingen en kopiename op geen enkel ogenblik introk, tot bij afsluiting van het proces-verbaal. De raadsman van de geïntimeerde was bij aanvang van de visitatie en de onderzoeksverrichtingen niet aanwezig en dus, logischerwijze, ook niet op het ogenblik dat de heer B.B. de gewraakte toestemming verleende, maar zij verleende vanaf omstreeks 11:00 wel gedurende een drietal uren bijstand aan haar cliënte. Al deze feiten staan vast, bij gebrek aan bewijs van het tegendeel. Pas rond 14:00, bij afsluiten van het proces-verbaal, liet de raadsman van de geïntimeerde klaarblijkelijk haar verzet tegen de, minstens gedeeltelijk in haar bijzijn gestelde onderzoeksverrichtingen optekenen en stelde zij dat er toch geen uitdrukkelijke toestemming of toegang gegeven was. Deze stelling loochent de feitelijke vaststellingen die de belastingambtenaren voorheen in het proces-verbaal deden en kan dus niet aangenomen worden.

Bovendien bevat het proces-verbaal (noch enige andere processen-verbaal van die dag) geen enkele indicatie dat de toestemming die de heer B.B. bij aanvang gaf, gedurende visitatie zou zijn bijgesteld of ingetrokken, dat de raadsman van de geïntimeerde hierover bij aankomst vragen of opmerkingen zou hebben gehad of dat zij zich (ten behoeve van de geïntimeerde) tijdens de werkzaamheden op enigerlei wijze zou hebben verzet tegen de wijze waarop de ambtenaren toegang hebben genomen tot de elektronische bestanden. Van enig verzet of afwezigheid van toestemming bij de heer B.B., alsook van enig eigenmachtig of dwangmatig handelen door de administratie liggen geen daadwerkelijke aanwijzingen, laat staan bewijs, voor, wat de geïntimeerde dienaangaande ook moge beweren in conclusies.

De verklaring van de raadsman van de geïntimeerde op het proces-verbaal kan geen afbreuk doen aan de vaststellingen van de verbalisanten eerder in het proces-verbaal van informaticahandelingen en aan de doorlopende medewerking en toestemming van de geïntimeerde die eruit blijkt om informaticaverrichtingen te stellen op de computer van de heer B.B. en kopij te nemen van relevant geachte bestanden. Het protest van de raadsman van de geïntimeerde, zo het reëel was, kwam te laat. Terecht stelt de geïntimeerde hierover trouwens zelf dat de ambtenaren, zolang de toestemming bestaat en de belastingplichtige zich er niet tegen verzet, hun onderzoeksverrichtingen kunnen uitvoeren, wat zij hier deden. Het toevoegen van de hierboven aangehaalde clausule op het proces-verbaal bij het afsluiten van de visitatie maakt de onderzoeksverrichtingen die tijdens de visitatie werden gesteld met toestemming van de belastingplichtige niet onrechtmatig. Het hof stelt geen onregelmatigheid vast met betrekking tot de inzage in en kopiename van computerbestanden van de computer van de heer B.B. tijdens het plaatsbezoek op 4 december 2019. Er is geen reden om de data betreffende de geïntimeerde, aangetroffen in diens computer tijdens het plaatsbezoek aan de ... te weren, of de bestreden taxatie om die reden te vernietigen.

### 4.2. Over de fiscale residentie van de geïntimeerde en de nagevorderde btw

4.2.1. De betwisting ten gronde tussen de partijen betreft in essentie de vraag of de geïntimeerde in de betrokken periode van navordering wel of niet kwalificeerde als een in België gevestigde belastingplichtige voor de doeleinden van de btw. De administratie betwist niet dat de statutaire zetel van de geïntimeerde gevestigd is in ..., Groothertogdom Luxemburg en dat de vennootschap daar ook kantoren huurt. Zij stelt evenwel dat de geïntimeerde wordt geleid en bestuurd vanuit België, door de heer B.B.. De geïntimeerde betwist dit en wijst er o.m. op dat zij aan al haar verplichtingen in het Groothertogdom Luxemburg heeft voldaan.

Het is niet betwist dat indien de geïntimeerde moet beschouwd worden als een Belgische btw-belastingplichtige, de door haar ontvangen diensten in België te lokaliseren zijn ([artikel 21 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21)) en de door haar ontvangen goederen te beschouwen zijn als interne leveringen van goederen in afwezigheid van afdoende bewijs dat ze verzonden of vervoerd werden naar het Groothertogdom Luxemburg ([artikel 14 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)). Waar de leveranciers van de geïntimeerde geen btw hebben aangerekend op hun facturen — aangezien de geïntimeerde zich manifesteerde als Luxemburgse btw-belastingplichtige — is in dat geval de geïntimeerde op grond van [artikel 51bis, §1, 1° en 3° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51bis) als medecontractant gehouden tot voldoening van de niet-gefactureerde Belgische btw op haar inkomende facturen. Dit betreft de eerste inbreuk vastgesteld in het proces-verbaal van 1 juni 2021.

Het is evenmin betwist dat indien de geïntimeerde moet beschouwd worden als een Belgische btw-belastingplichtige, de door haar geleverde diensten (aan vennootschappen van de CES-groep) te lokaliseren zijn in België ([artikel 21, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21)), ten gevolge waarvan zij daarop Belgische btw diende aan te rekenen waarvan zij schuldenaar was op grond van [artikel 51, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51). Er was in dat geval geen grond om toepassing te maken van de verlegging van heffing conform [artikel 51, §2, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), zoals de geïntimeerde deed. Dit betreft de tweede inbreuk vastgesteld in het proces-verbaal van 1 juni 2021.

4.2.2. Voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw moet de economische realiteit in aanmerking genomen worden. De zetel van economische activiteit voor de toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van btw heeft betrekking op de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding van deze vennootschap warden genomen en waar de centrale bestuurstaken ervan worden uitgeoefend. Bij het bepalen van de plaats van de zetel van economische activiteit van een vennootschap, moet rekening gehouden worden met tal van factoren, waarvan de belangrijkste zijn de statutaire zetel, de plaats van het centrale bestuur, de plaats waar de bestuurders van de vennootschap vergaderen en de plaats waar het algemene beleid van deze vennootschap wordt bepaald.

Ook andere elementen, zoals de woonplaats van de hoofdbestuurders, de plaats waar de algemene vergaderingen worden gehouden, waar de administratie en de boekhouding zich bevinden en waar de financiële en vooral de bankzaken hoofdzakelijk worden geregeld, kunnen in aanmerking worden genomen. Bijgevolg kan een fictieve vestiging, zoals die welke kenmerkend is voor een 'brievenbusmaatschappij' of een 'schijnvennootschap', niet worden aangemerkt als zetel van vestiging voor toepassing van de btw (zie ook o.m. HvJ van 28 juni 2007, zaak [C-73/06](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-73-06-arrest), Planzer Luxembourg, randnummers 60-63). De administratie draagt ter zake de bewijslast.

4.2.3. Toegepast op de geïntimeerde is het duidelijk dat haar zetel van economische activiteit voor de toepassing van de btw-wetgeving moet worden gesitueerd in België. Immers:

\- De enige bestuurder van de geïntimeerde was de heer B.B., die ook haar enige aandeelhouder en enige deeltijdse werknemer was (zie stuk 7a, blz. 13 van de appellant). De heer B.B. was in de betrokken periode onafgebroken gedomicilieerd in België, .... Als gedelegeerd bestuurder van de CES-groep, beschikte hij over een eigen bureel op de centrale bedrijfszetel van CES aan de ..., dit is in de directe nabijheid van zijn domicilie. Tijdens de bedrijfsvisitatie op 4 december 2019 was de heer B.B. aanwezig en werden in zijn bureel fysieke stukken betreffende de operationele activiteiten van de geïntimeerde (aankoop wijn en het organiseren van races) aangetroffen.

\- Het is in wezen onbetwist dat de heer B.B. de enige is die de belangen van de geïntimeerde waarneemt en beslissingen voor haar neemt (zie stuk 4 van de appellant, blz.3/10). Uit het (door de geïntimeerde bijgebrachte) gsm-verkeer van de heer B.B. blijkt dat die laatste slechts een tiental dagen per jaar naar het Groothertogdom Luxemburg ging. A fortiori beschikte de geïntimeerde niet over eigen permanent aanwezig personeel in het Groothertogdom Luxemburg. Zelf verklaarde de heer B.B. tijdens de visitatie van 4 december 2019 zowel in België als in het Groothertogdom Luxemburg te werken, maar niet te kunnen beschrijven hoe vaak hij naar de maatschappelijke zetel van de geïntimeerde. Hij stelde te gaan daar waar de klant wilde dat vergaderingen plaatsvonden.

\- De klanten van de geïntimeerde waren tijdens de betrokken periode CES-gerelateerd. De geïntimeerde behaalde quasi haar gehele omzet uit facturatie aan de CES-vennootschappen waarmee zij verbonden is via de heer B.B..

\- De geïntimeerde draagt de kosten met betrekking tot verschillende (race)voertuigen die tot de privé-eigendom van de heer B.B. behoren (zoals een BMW 2002, een Ferrari 550 Maranello, Aston Martin Vanquish). Bepaalde van deze voertuigen werden aangewend om deel te nemen aan races en promotie voor CES te voeren. De discussie over het beroepsmatige karakter van deze kosten acht het hof hier niet aan de orde.

\- De geïntimeerde heeft de race- en bijhorende sponsoringactiviteiten overgenomen die vóór haar oprichting werden georganiseerd vanuit een van de Belgische CES-vennootschappen. Dat er met de oprichting van de geïntimeerde een verschuiving van economische activiteiten of bedrijfsmatige organisatie vanuit de CES-groep van België naar het Groothertogdom Luxemburg is gebeurd, blijkt niet. De inkomende facturen van de geïntimeerde waren in de onderzochte periode nagenoeg uitsluitend afkomstig van Belgische leveranciers en dienstverrichters.

\- Tijdens de bedrijfsvisitatie in ... werden (via de computer van de heer B.B.) de ondertekende oprichtingsakte van de geïntimeerde, haar bankrekeninguittreksels, door haar afgesloten contracten, haar inkomende en uitgaande facturen, e-mailverkeer dat haar betreft, alsook de jaarrekening voor het jaar 2018 aangetroffen.

Onder meer blijkt uit het e-mailverkeer aangetroffen op de computer van de heer B.B., dat hij instond voor de bestelling van wijn voor evenementen die de geïntimeerde organiseerde en daarbij instructies gaf omtrent de levering en facturatie. Veelal e-mailde hij naar (Belgische) leveranciers vanop zijn Belgische CES-mailadres (bbl@ces.be) en verzocht hij om de aangekochte wijnen op de CES-bedrijfszetel of op zijn thuisadres te leveren of ging hij de wijn zelf afhalen, stellende dat de wijn naar het buitenland vervoerd zou worden. In de meeste gevallen ontbreken afdoende bewijzen dat de door de geïntimeerde aangekochte wijnen effectief naar het Groothertogdom Luxemburg vervoerd of verzonden werden, zodat sprake is van interne leveringen. Tijdens het plaatsbezoek van de Luxemburgse belastingadministratie aan de maatschappelijke zetel in ... werd overigens wijn, noch een stockageplaats daarvoor aangetroffen.

Ook Communicatie met leveranciers/dienstverrichters van de geïntimeerde inzake de (sponsoring van) race-evenementen, herstel- en onderhoudswerken aan racewagens gebeurde veelal door de heer B.B. vanop diens Belgische CES-mailadres.

\- Waar de heer B.B. enerzijds tijdens de bedrijfsvisitatie niet kon antwoorden op de vraag wie de facturen voor de geïntimeerde opstelt, verklaarde hij anderzijds wel aan de verbalisanten dat de paperflow wordt gecentraliseerd op de zetel van CES in ... en dan doorgegeven wordt aan de boekhouder in Luxemburg. In conclusies bevestigt de geïntimeerde dat de administratie van de geïntimeerde gebeurt op de centrale zetel van de CES-groep in .... Voortgaand op de vaststellingen gedaan door de Luxemburgse belastingadministratie op 14 april 2022 op de maatschappelijke zetel van de geïntimeerde (zie verder), gebeurde deze 'centralisatie' *in concreto* door de post die op de maatschappelijke zetel van de geïntimeerde toekwam, daar te bewaren en na verloop van tijd naar België te brengen — per hypothese naar de heer B.B. die immers als enige de belangen van de geïntimeerde behartigt en beslissingen voor haar neemt. Nadien werden de relevante documenten klaarblijkelijk aan de Luxemburgse fiduciaire bezorgd voor boekhoudkundige en/of fiscale doeleinden.

Uit het bovenstaande blijkt dat de geïntimeerde tijdens de bedrijfsvisitatie, in de persoon van haar bestuurder en aandeelhouder, aanwezig was op de bedrijfszetel in ... en aldaar beschikte over alle essentiële gegevens voor het voeren van haar bedrijf, het behartigen van haar bedrijfsbelangen en het nemen van haar beleidsbeslissingen. Ook is het onbetwist dat de heer B.B. in de hier relevante periode (vanaf begin 2018 tot en met het eerste kwartaal van 2021) daadwerkelijk de economische en strategische belangen van de geïntimeerde waarnam en voor haar optrad. Papieren briefwisseling voor de geïntimeerde werd in het Groothertogdom Luxemburg opgespaard en naar België gebracht opdat de heer B.B. erover kon beslissen. De bovenstaande elementen en overige stukken van het dossier wijzen erop dat het zenuwcentrum van de professionele activiteit van de heer B.B. de bedrijfsgebouwen van CES in ... betreft; het is daar waar hij zijn verschillende bestuursmandaten in de regel waarneemt — zo ook dat van de geïntimeerde. Dat de heer B.B. niet daar, maar in het Groothertogdom Luxemburg het algemeen beleid van de geïntimeerde zou hebben uitgetekend, strategische (beleids)beslissingen voor haar zou hebben genomen of bestuurstaken zou hebben uitgevoerd of haar financiële huishouding zou hebben bestierd, blijkt in het geheel niet. De loutere vaststelling dat de heer B.B. een tiental dagen per jaar naar het Groothertogdom Luxemburg ging, bewezen aan de hand van roaming-gegevens van diens telefoon en tankbeurten, zonder dat deze verplaatsingen op enigerlei wijze met de geïntimeerde in verband gebracht kunnen worden en in de wetenschap dat in het Groothertogdom Luxemburg ook cie2 actief is, kan hiertoe niet doen besluiten. Waar de geïntimeerde in conclusies gewaagt van een 'toch wel frequente' aanwezigheid van de heer B.B. in het Groothertogdom Luxemburg miskent zij de feitelijke omstandigheden van de zaak.

De volgende vaststellingen en overwegingen bevestigen de stelling van de appellant verder:

\- De bedrijfsactiviteit van de geïntimeerde bestaat in het organiseren van evenementen voor klantenrelaties van CES, in het bijzonder het bijwonen van autoraces met wagens met een CES-logo en van voetbalwedstrijden in een op maat ingerichte loge op cie11.

Dienaangaande blijkt dat de uitgaande facturen van de geïntimeerde aan de verschillende CES-groepsvennootschappen geen melding maken van haar adres, telefoonnummer, faxnummer of e-mailadres. De gefactureerde sommen zijn veelal forfaitaire bedragen, waarbij de omschrijving van de geleverde prestaties in algemene bewoordingen is gesteld (marketing, management & engineering prestaties), zonder gedetailleerde beschrijving van de geleverde prestaties. De algemene voorwaarden zijn opgesteld in naam van de cie3, waarbij het Belgische recht van toepassing wordt verklaard en de Brusselse rechtbanken bevoegd worden verklaard in geval van geschillen en waarbij de Nederlandstalige versie de Franstalige voorafgaat. De geïntimeerde zelf wordt in deze algemene voorwaarden niet één keer vermeld. Dat alles wijst op een gebrek aan eigenheid en identiteit in hoofde van de geïntimeerde. Er blijkt ook uit dat de geïntimeerde geen nood had om door haar klanten (waarmee zij verbonden is via de heer B.B.) te worden bereikt in het Groothertogdom Luxemburg.

\- Dat haar sponsoringactiviteit gericht zou zijn op Luxemburgse klanten van de CES-groep, zoals de geïntimeerde in conclusies lijkt te suggereren, is niet bewezen.

\- In de periode van 31 januari 2018 tot 4 september 2019 had de geïntimeerde haar maatschappelijke zetel in ... in het Groothertogdom Luxemburg. Uit een overeenkomst van 10 november 2017 (aangetroffen op de computer van de heer B.B. die de overeenkomst zowel voor de huurder als voor de verhuurder ondertekende) blijkt dat de geïntimeerde kantoorruimte (onder)huurde bij cie2 voor een maandelijkse huurprijs van 315,00 EUR. Sinds 4 september 2019 heeft de geïntimeerde haar maatschappelijke zetel te ... in ... (Groothertogdom Luxemburg), waar zij voor een maandelijkse vergoeding van 315,00 EUR over een bedrijfsruimte beschikt in een huis aangekocht door Belgische vennootschappen van de CES-groep. Een huurovereenkomst wordt dienaangaande niet bijgebracht; wel liggen de nodige boekhoudkundige stukken voor waaruit de betaling van de huur blijkt. Ook cie2 is in datzelfde gebouw gevestigd.

De stelling dat de geïntimeerde in het kader van haar administratieve en organisatorische werkzaamheden op haar maatschappelijke zetel, een beroep zou doen op personeelsleden van cie2, wordt niet ondersteund door enige facturatie van diensten door die laatste aan de geïntimeerde. Dit doet vermoeden dat de aldus geleverde prestaties minimaal zijn en dat de aanwezigheid van de geïntimeerde op de maatschappelijke zetel in ... ook minimaal is.

Dat de aanwezigheid van de geïntimeerde in ... (...) minimaal is, is ook de conclusie van een controle van de Luxemburgse belastingadministratie op 14 april 2022 op de maatschappelijke zetel van de geïntimeerde. Hoewel deze controle aangekondigd werd met een aangetekende brief van 29 maart 2022, was op 14 april 2022 geen verantwoordelijke/vertegenwoordiger van de geïntimeerde aanwezig die de betrokken belastingambtenaren te woord kon staan. De betrokken brief was ongeopend in een doos met bestemming België gedeponeerd door een werknemer van cie2. Wel werd op de bovenste verdieping van het gebouw een lokaal (van ongeveer 15 m2) met naamstikker van de geïntimeerde aangetroffen, waarin zich een aantal lege kasten en een bureautafel met laptop en wat bureauaccessoires bevonden. Van enige operationele activiteit of een daadwerkelijk beslissings- of beleidscentrum in hoofde van de geïntimeerde, was op de betrokken zetel niets te zien.

Bovendien merkt de appellant niet zonder reden op dat het organiseren van een administratieve aanwezigheid niet volstaat om te oordelen dat een onderneming in Luxemburg is gevestigd voor de doeleinden van de btw. Het is de plaats waar de voornaamste beslissingen betreffende de algemene leiding genomen worden en waar de centrale bestuurstaken worden uitgeoefend die determinerend is. Uit hetgeen voorafgaat is gebleken dat dit, wat de geïntimeerde betreft, de plaats is waar het centrum van de professionele werkzaamheden van de heer B.B. zich bevindt.

Bovenstaande elementen zijn samenhangend en overeenstemmend, en worden niet tegengesproken door andere overtuigende en pertinente elementen (zie ook paragraaf hierna). Het geheel van deze elementen samen toont aan dat het algemene beleid van de geïntimeerde werd bepaald in België door de heer B.B. en dat het centrale bestuur alsook haar werkelijke bedrijfsactiviteiten zich in de betrokken periode situeerden in België.

Het feit dat de geïntimeerde haar statutaire zetel in het Groothertogdom Luxemburg had en aldaar over een Luxemburgs btw-nummer en Luxemburgse bankrekening beschikte, alsook daar haar fiscale verplichtingen vervulde met bijstand van een lokaal fiduciair kantoor, kan aan voorgaande vaststellingen geen afbreuk doen. Uit wat voorafgaat blijkt immers dat het de facto om een postbus ging, die niet kan worden aangemerkt als werkelijke zetel van vestiging voor toepassing van de btw. De geïntimeerde toont geen noemenswaardige activiteit in het Groothertogdom Luxemburg aan. Waar de geïntimeerde er nog op wijst dat cie2 in de betrokken periode haar belangrijkste klant was, is de vaststelling dat er een grote facturatiestroom loopt van de geïntimeerde naar cie2 hoegenaamd niet van aard om het bewijs dat de administratie levert, m.n. dat het algemene beleid van de geïntimeerde werd bepaald in België en dat het centrale bestuur zich situeerde in België waar de heer B.B. woont en gebruikelijk werkt, te ontkrachten.

Het besluit is dat de werkelijke zetel van bedrijfsuitoefening van de geïntimeerde in de betrokken periode in België gelegen was, ten gevolge waarvan de geïntimeerde kwalificeerde als een in België gevestigde belastingplichtige voor de doeleinden van de btw. 4.2.4. Van dan af is het onbetwist dat de door de geïntimeerde ontvangen diensten in België te lokaliseren zijn ([artikel 21 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21)) en dat de door haar ontvangen goederen, in afwezigheid van afdoende bewijs dat ze verzonden of vervoerd werden naar het Groothertogdom Luxemburg, te beschouwen zijn als interne leveringen van goederen ([artikel 14 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14)). Op grond van [artikel 51bis , §1, 1° en 3° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51bis) is de geïntimeerde als medecontractant gehouden tot voldoening van de niet-gefactureerde Belgische btw op haar inkomende facturen. Evenzeer staat vast dat de door de geïntimeerde geleverde diensten te lokaliseren zijn in België ([artikel 21, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21)), ten gevolge waarvan zij daarop Belgische btw diende aan te rekenen waarvan zij schuldenaar was op grond van [artikel 51, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51). Er was geen grond om toepassing te maken van de verlegging van heffing conform [artikel 51, §2, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51).

### 4.3. Over de opgelegde proportionele en niet-proportionele geldboeten

Aan de geïntimeerde werd op grond van [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) een proportionele geldboete van 233.060,00 EUR opgelegd, dit is 200% van de nagevorderde btw.

In haar laatste middel betwist de geïntimeerde deze geldboete. Zij stelt enerzijds dat er geen sprake was van enig bedrieglijk opzet over verbergingsinzicht in haren hoofde en anderzijds dat de betwisting een principiële discussie betreft.

Krachtens [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens [artikel 84, derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens [artikel 1, laatste lid van het koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Het ontduikingsoogmerk in hoofde van de geïntimeerde is onmiskenbaar bewezen. Hoewel de geïntimeerde in de betrokken periode kwalificeerde als een in België gevestigde belastingplichtige voor de doeleinden van de btw, werd het tegendeel geveinsd. In het Groothertogdom Luxemburg werd een op het eerste gezicht geloofwaardige structuur opgezet, waarbij een bedrijfsruimte werd gehuurd bij een verbonden vennootschap, een Luxemburgse bankrekening werd geopend en werd voldaan aan de Luxemburgse vennootschapsrechtelijke en fiscale verplichtingen. In werkelijkheid werden evenwel alle beslissingen genomen door de heer B.B. (overwegend) in België en stuurde hij de vennootschap aan vanop de centrale bedrijfszetel van CES in .... De heer B.B. communiceerde met de Belgische leveranciers en dienstenverrichters vanop zijn Belgische CES-e-mailadres maar liet facturen richten aan de geïntimeerde. Dat er op de maatschappelijke zetel in .../... reële activiteiten werden ontwikkeld of (beleids)beslissingen werden genomen, is in de feiten in het geheel niet bewaarheid. Het centrum van de economische belangen van de geïntimeerde bevond zich ononderbroken en uitsluitend in België. De stelling van de appellant dat de geïntimeerde haar leveranciers ten onrechte en bewust verkeerdelijk geïnformeerd heeft over haar werkelijke fiscale situatie, kan het hof slechts onderschrijven.

Wat de goederenleveringen van wijn (voor evenementen) betreft, werd — in het mailverkeer (Ces.be-adres) aangetroffen op de computer van de heer B.B. — vastgesteld dat bestellingen werden gedaan door de heer B.B., met instructie om te factureren aan de geïntimeerde 'voor export' maar om te leveren in ..., op zijn thuisadres of het bedrijfsadres van CES. In verschillende gevallen werden daarover nadien afwijkende verklaringen afgelegd door de leveranciers (bvb. cie4, cie5). In andere gevallen meldde de heer B.B. dat hij de goederen zelf zou afhalen, waarbij hij volgens bevraagde leveranciers aangaf dat de goederen naar een andere lidstaat vervoerd zouden warden zonder dat dit vervoer wordt bewezen (bvb. cie6, cie7, cie8, cie9). Bij de cie10 werd een Birkin handtas aangekocht zonder toepassing van de Belgische btw, maar werd een door de heer B.B. ondertekend attest van intracommunautair transport pas maanden later en na aandringen van de leverancier bezorgd.

Door te fingeren dat haar werkelijke zetel in het Groothertogdom Luxemburg gevestigd was en dat Belgische goederenleveringen bestemd waren voor vervoer naar een andere lidstaat, heeft de geïntimeerde zich bewust en langdurig onttrokken aan haar btw-verplichtingen in België en de Belgische btw ontdoken. Meer bepaald werd inzake de door haar uitgereikte facturen doelbewust een inbreuk gepleegd op de verleggingsregel van [artikel 51, §2, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51), door de verschuldigdheid van de btw te verschuiven naar de ontvanger van de dienst, ten gevolge waarvan de voorfinanciering inzake btw vermeden werd ten nadele van de Belgische Schatkist. Door haar leveranciers en dienstenverrichters te misleiden over haar hoedanigheid van Belgische btw-belastingplichtige en intracommunautair transport, hebben zij ten onrechte geen btw aangerekend op hun facturen en heeft de geïntimeerde op deze facturen geen Belgische btw betaald. De intentie om de btw te ontduiken is bewezen in hoofde van de geïntimeerde.

Van een principiële discussie is geen sprake. De discussie betreft een feitelijk onderzoek van de vraag of de geïntimeerde in de betrokken periode kwalificeerde als een in België gevestigde belastingplichtige voor de doeleinden van de btw, waarbij feitelijk vast is komen te staan dat dit niet het geval is niettegenstaande de geïntimeerde de schijn van het tegendeel heeft opgehouden. Enige principiële vraag over de interpretatie van een rechtsregel of wetsbepaling was niet aan de orde. Dat de geïntimeerde lijnrecht tegenover de fiscus staat in een alles-of-niets-discussie (over de toepassing van een wetsbepaling) maakt het geschil niet tot een principiële discussie.

In die omstandigheden is het hof van oordeel dat de opgelegde proportionele geldboete niet onevenredig is met de begane inbreuk en ziet het geen reden om deze te herleiden. De geldboete is in feite en in rechte aangekondigd, verantwoord en bevindt zich in een evenredige verhouding ten aanzien van de omvang en de ernst van de begane inbreuk, met name het zich jarenlang onttrekken aan de verplichtingen inzake de Belgische btw-wetgeving door doelbewust en met ontduikingsopzet voor te houden dat de zetel van economische activiteit in het Groothertogdom Luxemburg gevestigd was én interne leveringen te verdoezelen en te (doen) omschrijven als intracommunautaire leveringen. Er zijn geen gegronde redenen om de belastingverhoging te verminderen, kwijt te schelden of om hiervoor uitstel te verlenen.

## 5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van beide instanties dragen.

Aangezien de appellant in het gelijk wordt gesteld, maar noch in eerste aanleg noch in graad van beroep door een advocaat wordt vertegenwoordigd/bijgestaan, maakt hij geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding en is er geen reden om een rechtsplegingsvergoeding vast te stellen.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

· het hoger beroep is ontvankelijk en in onderstaande mate gegrond;

· het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart;

· het hof doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de vordering van de geïntimeerde ongegrond;

· de geïntimeerde wordt veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellant:

. bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

\- aan de kant van de geïntimeerde:

· bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep Gent, de VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 21 april 2026.

(…)

## Aangehaalde teksten

12

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 7 voorkomens

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 6 voorkomens

[WBTW art. 51](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51) 6 voorkomens

[WBTW art. 63](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) 5 voorkomens

[WBTW art. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-14) 3 voorkomens

[WBTW art. 51bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51bis) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

[WBTW art. 60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

[C-73/06, arrest van 28 juni 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-73-06-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Sekwester, domiciliefraude, huisvisitatie, dringende en voorlopige maatregelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/sekwester-domiciliefraude-huisvisitatie-dringende-voorlopige-rechtbank-gent-2024-10-02-1e0d) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Vermoeden van fraude, Zwijgrecht, Valse facturen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vermoeden-fraude-zwijgrecht-valse-facturen-hof-van-beroep-brussel-2023-06-28-77bf) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautair handelsverkeer, Btw-boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautair-handelsverkeer-btw-boete-rechtbank-brussel-2025-11-14-f437) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskracht proces-verbaal, Verjaring, Rechten van de verdediging, Redelijke termijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskracht-proces-verbaal-verjaring-rechten-hof-van-beroep-gent-2014-01-21-2c28) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Voorlegging van de boekhouding, Controlemaatregelen, Verplichtingen, aangifteplicht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voorlegging-boekhouding-controlemaatregelen-verplichtingen-hof-van-beroep-brussel-2016-11-16-7b8d) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 4 gemeenschappelijke bepalingen
