---
title: "Bewijskracht, Neutraliteitsbeginsel · Hof van beroep te Gent, 27 juni 2017"
description: "Bewijskracht, Neutraliteitsbeginsel, administratie van de bijzondere belastinginspectie. Hof van beroep te Gent (België), 27 juni 2017."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-bewijskracht-neutraliteitsbeginsel-administratie-bijzondere-hof-van-beroep-gent-2017-06-27-9d9c"
lang: "nl"
---

# Bewijskracht, Neutraliteitsbeginsel, administratie van de bijzondere belastinginspectie · BBI - Bewijskracht - Neutraliteitsbeginsel

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

27 juni 2017

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

175 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het hof van beroep te Gent d.d. 27.06.2017

**2015/AR/3385**

## Samenvatting

Samenvatting niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**2015/AR/3385** - ln de zaak van:

**K.** **B.V.B.A**., met maatschappelijke zetel te … , ingeschreven met KBO-nummer … ,

*appellante,*

*hebbende als raadsman mr.* ***Z. M.****, advocaat te …*

tegen

**BELGISCHE STAAT**/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN,

vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, van wie het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

vertegenwoordigd door de rekenplichtige ambtenaar van de F.O.D. FINANCIEN, Administratie van de lnning en lnvordering, in de persoon van de adviseur­ eerstaanwezend inspecteur van het BTW Ontvangkantoor Gent I, wiens kantoren gevestigd zijn te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6/107,

vertegenwoordigd door de heer **C. D.**, adviseur-eerstaanwezend inspecteur diensthoofd, verbonden aan de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie van Brugge, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 8200 Brugge, Koning Albert I-laan 3/5,

*geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door de heer* ***Ch. T.****, adviseur*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure

Bij verzoekschrift van 17 december 2015 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 9 september 2015 werd uitgesproken. ln het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*“Het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren.*

### *VOORAFGAANDELIJK*

*Minstens alvorens recht te doen bij toepassing van artikel 877 GERW de administratie zich te zien en te horen bevelen alle stukken in verband met de fiscale controle en het fiscaal onderzoek bij* ***NV*** ***CR. DR.*** *in het geding te brengen en in het bijzonder:*

*-* *de processen - verbaal van verhoor van de bestuurders van de* ***NV*** ***CR. DR.****, alsook van de personeelsleden, de (externe) boekhouder(s), (bedrijfs)revisoren en commissarissen;*

*-* *de stukken die specifiek betrekking hebben op appellante;*

*-* *de processen-verbaal van verhoor van klanten van* ***NV*** ***CR. DR.*** *omtrent de werkwijze van levering en facturering door de* ***Nv*** ***CR. DR.****;*

*-* *de machtiging van de heer* ***DE.****, ambtenaar verbonden aan de BBI om inzage te nemen in het strafdossier lastens de* ***NV*** ***CR. DR.****;*

*-* *de integrale voorleggen van het verslag* ***I- F.***

*-* *alle originele en ondertekende leveringsbons voor te leggen op naam van appellante*

*-* *de excell lijst voor te leggen waarop de BBI haar taxatie gesteund heeft*

*Minstens de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:*

*“ Schenden de bepalingen van de artikelen* [*63*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) *WBTW en 319 WIB92 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 22 GW en artikel 8 EVRM, ln die zin dat indien de voormelde bepalingen het recht inhouden om over te gaan tot een observatie van belastingplichtigen deze bepalingen niet voorzien in materiële en formele voorwoorden voor het uitvoeren van een observatie, daar waar dit krachtens de artikelen 47sexies en 47septies W.Sv wel het geval is voor wat betreft de observaties in strafonderzoeken, zodat er een ongerechtvaardigd onderscheid ontstaat tussen rechtsonderhorigen die het voorwerp vormen van een observatie in fiscale onderzoeken en rechtsonderhorigen die het voorwerp vormen van een observatie in strafonderzoeken.”*

### *IN HOOFDORDE EN ONDERGESCHIKTE ORDE*

*Dienvolgens het vonnis dd. 9 september 2015 gewezen door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer in de zaak gekend onder rolnummer … te vernietigen en opnieuw wijzende te zeggen voor recht dat de dwangbevel dat op 5 december 2012 aan appellante werd betekend, nietig is en derhalve geen enkel rechtsgevolg kunnen resorteren, minstens vast te stellen dat het bestaan van de vermeende BTW schuld niet is bewezen:*

*Dienvolgens te zeggen voor recht dat alle sommen die ingevolge de bestreden BTW ­vordering mochten zijn of worden geïnd door geïntimeerde, door deze dienen terugbetaald te worden, samen met de moratoriuminteresten verschuldigd overeenkomstig de wet.*

*Kosten lastens gedaagde, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van het basisbedrag, m.n. 11.000,00 Euro, per aanleg.*

### *IN MEEST ONDERGESCHIKTE ORDE*

*De opgelegde belastingverhoging gelijk aan 200% van de te betalen BTW, hetzij in casu 368.360,00 Euro te vernietigen, kwijt te schelden of te verminderen minstens het uitstel van de opgelegde sanctie uit te spreken. “*

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

> *“Het verzoekschrift van 15 december 2015 ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;*
>
> *Dienvolgens het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen afdeling Gent dd. 9 september 2015 in al zijn onderdelen te bevestigen, alsook het dwangbevel van 4 december 2012 met bijgevoegd proces-verbaal van 19 november 2012 te bevestigen;*
>
> *Tot slot: te zeggen voor recht dot eventuele, reeds betaalde of ingehouden bedragen in uitvoering van het dwangbevel dd. 4 december 2012 (RCIV nr. …) terecht zouden zijn gebeurd.*
>
> *Appellante in al haar eisen af te wijzen.*
>
> *Appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding”*

## 2. De feitelijke gegevens

De appellante is opgericht bij notariële akte van 19 april 2004 en heeft als maatschappelijk doel de uitbating van de cafés “**Het S.**”, "**J. v. G.**", “**De Dj. Zi.**”, "**A.**” en "**B.**", allen gelegen te Gent. De appellante bevoorraadt zich voornamelijk bij de drankenhandel **CR. DR. nv**, met maatschappelijke zetel te … .

Op 25 maart 2010 verzond de 3de BBI-Inspectie Brugge naar de appellante een kennisgeving zoals bedoeld in [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) waarbij de verjaringstermijn van drie jaar naar zeven jaar werd uitgebreid op basis van vermoedens van belastingontduiking in hoofde van appellante. Deze kennisgeving zet uiteen dat de appellante voorkomt in een strafdossier dat de Procureur des Konings te Gent aanvatte lastens **CR. DR. nv**, e.a. (notitienummers … en …). De BBI had inzage genomen van dit strafdossier.

Naar aanleiding van de inzage van dit stafdossier en de analyse gedaan door de informatica cel van de 5de BBI inspectie, deed de administratie een fiscaal nazicht van de boekhouding van de appellante. De administratie heeft de door haar vastgestelde overtredingen opgenomen in een proces-verbaal van 19 november 2012. Volgens dit proces-verbaal is de appellante aan de geïntimeerde verschuldigd:

\- btw: 184.182,19 euro

\- boete (200%): 368.360,00 euro, te vermeerderen met de interesten en kosten.

De appellante erkent de kennisname van dit proces-verbaal maar betwist integraal de inhoud ervan. Wegens de niet betaling van de verschuldigde sommen zoals vermeld in het proces-verbaal van 19 november 2012, vaardigde de administratie op 4 december 2012 een dwangbevel uit. Dit dwangbevel werd op 4 december 2012 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Gewestelijke Directeur van de BTW te Gent en op 5 december 2012 per aangetekende brief ter kennis gebracht aan de appellante.

Met een verzoekschrift van 28 december 2012 stelde de appellante haar vordering, houdende het verzet tegen het dwangbevel, in voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

De zesde kamer van rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent heeft in zijn tussenvonnis van 30 april 2014 de administratie verzocht om de stukken voor te leggen in verband met de fiscale controle en het fiscaal onderzoek bij de **NV CR. DR.**, inzonderheid de volgende stukken:

\- Welke observaties uitgevoerd werden ten aanzien van **CR. DR. nv** of haar klanten en dit gedurende welke tijdspanne en de verslagen van de vaststellingen daarvan;

\- De kennisname van het strafdossier daar de FOD Financiën;

\- Het verzoek tot inzage in het strafdossier;

\- Het bewijs van rechtsgeldige inzage door personen daartoe bevoegd binnen de FOD Financiën;

\- De fiscale akkoordverklaringen gesloten door **CR. DR. nv**;

\- De stukken 3, 4 en 5 van de verweerder, zonder enige weglating of censuur van gegevens op deze stukken;

Bij tussenvonnis van 30 april 2014 verzocht de rechtbank aan de appellante alle nuttige boekhoudkundige bescheiden voor te leggen waaruit de afrekeningen van het leeggoed met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2010 blijken, alsook de rekeninguittreksels waarop de ontvangen sommen inzake de verrekening van het leeggoed voorkomen, of in geval van contante ontvangsten, van de ontvangstbewijzen.

Bij eindvonnis van 9 september 2015 verklaarde deze rechtbank, zoals hoger vermeld, de vordering van de appellante ongegrond. Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld. Het blijkt niet dat dit vonnis is betekend of dat de appellante er in zou hebben berust. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

## 3. Beoordeling

### 3.1. Eerste middel: nietigheid van de taxaties wegens onrechtmatigheid van het onderzoek

1\. De appellante wijst op de klacht die de fiscale administratie indiende bij het parket van Oost­ Vlaanderen en waaruit blijkt dat het gehele onderzoek is aangevat naar aanleiding van 18 observaties die ambtenaren van de fiscale administratie hebben uitgevoerd. De appellante is van oordeel dat er noodzaak is tot voorlegging van deze observaties lastens **CR. DR.** en haar klanten. Deze observaties zijn volgens de appellante onregelmatig. De strafklacht van de administratie vloeit voort uit de onrechtmatig uitgevoerde observaties, die volgens de appellante gebeurden met miskenning van artikel 47sexies en septies Sv. en de regels inzake het fiscaal onderzoek (63 W.BTW). De appellante wijst er in het bijzonder op dat het geen gewone vaststellingen zijn omdat ze heimelijk en systematische gebeurden. De onregelmatigheid van die observaties leidt volgens de appellante tot de nietigheid van de vaststellingen en het gehele onderzoek waarop het proces-verbaal en het dwangbevel gesteund zijn.

2\. De administratie heeft het kader geschetst waarin de observaties zijn aangevat. Er was een vermoeden van het bestaan van verschillen tussen de leveringsbons en de facturen opgemaakt door de drankenleverancier **CR. DR. nv**. De administratie van de BBI verzocht de lokale opsporingsdiensten om een aantal leveringen van **CR. DR. nv** te controleren met het doel nadien de opgemaakte facturaties met betrekking tot die leveringen na te zien. De opsporingsdiensten voerden een 18tal vaststellingen uit, gespreid over een tijdspanne van 3 jaar. De administratie licht één van die vaststellingen concreet nader toe. De lokale opsporingsdienst stelde concreet vast dat bij een klant dat het totaal van de geleverde dranken opgenomen op de leveringsbons groter was dan het totaal van de gefactureerde dranken. Na meerdere gelijkaardige vaststellingen diende de administratie op 4 maart 2009 bij de procureur des Konings een strafklacht in.

ln het kader van het strafonderzoek werd de deskundige **I-F. cvba** aangesteld die bij **CR. DR.** een analyse uitvoerde van de boekhouding en er een fraudesysteem ontdekte van verschillen tussen de drankleveringen en de bijhorende facturen. De bij de huiszoeking gekopieerde elektronische bestanden werden ook door de deskundige **I-F**. aan de informatica cel van de 5 de BBI inspectie te Brugge bezorgd. De geïntimeerde verklaart dat ze een onafhankelijke en zelfstandige analyse gemaakt heeft en de vergelijking tussen de geanalyseerde bestanden heeft overgedaan met een ander softwarepakket waarbij de integriteit van de cijfers eveneens werd gewaarborgd. De geïntimeerde verklaart dat haar onderzoek ook leidde tot de conclusie dat niet alle leveringen gefactureerd werden. De administratie maakte dezelfde vaststellingen wat betreft de verschillen tussen de geleverde en gefactureerde dranken voor de jaren 2006 tot 2009. Met betrekking tot het jaar 2005 vergeleek de 5 de BBI inspectie de door de gerechtsdeskundige **I-F.** overgemaakte elektronische bestanden met de door **CR. DR. nv** ingediende klantenlijst. Ook voor het jaar 2005 stelde de administratie een gelijkaardig verschil vast. Met betrekking tot de appellante werden tijdens de huiszoeking op 1 juni 2010 drie leveringsbonnen gevonden en in beslag genomen. Deze en de analyse van de elektronische gegevens en klantenlistings wees uit dat ook ten aanzien van de appellante niet alle geleverde dranken gefactureerd werden.

3\. Artikel 47sexies en septies Sv. zijn toepasselijk in het kader van een strafonderzoek en niet in het kader van een fiscaal onderzoek. Deze regels inzake het strafonderzoek kunnen niet zomaar worden overgenomen in het kader van een fiscaal onderzoek dat immers een totaal ander finaliteit heeft, namelijk de vestiging van de juiste verschuldigde belasting. Op dat moment was er evenmin sprake van enige aantijging of aanklacht ten aanzien van de appellante die mogelijks aanleiding zou geven tot een administratieve sanctie met repressief karakter. Niets belet opsporingsambtenaren in het kader van de uitoefening van hun ambt om vaststellingen te maken op de openbare weg, Het maken van deze materiële vaststellingen is niet verboden en evenmin onderworpen aan specifieke regels zoals die kennelijk wel voorzien zijn in het Wetboek van Strafvordering. Artikel 63 W.BTW is niet toepasselijk op deze materiële vaststellingen die opsporingsambtenaren maken op de openbare weg. De administratie beschikt hier over de mogelijkheden waarover eenieder beschikt, namelijk zien, horen en beluisteren wat er gebeurt op een voor het publiek toegankelijke ruimte. De administratie kan van die vaststellingen een proces-verbaal opstellen. De processen-verbaal van de vaststellingen wijzen niet uit dat de administratie bijzondere technieken gebruikte om de materiële vaststellingen te maken. Het gegeven dat de ambtenaren zich niet vooraf kenbaar hebben gemaakt of het systematisch karakter van de materiële vaststellingen op de openbare weg, leiden evenmin tot de toepassing van de regelingen inzake de strafvordering of het strafonderzoek. De redenering van de appellante dat artikel 47 sexies W.Sv. toepasselijk is op elke ambtenaar van een inspectiedienst kan niet worden gevolgd. Uit niets blijkt dat de administratie haar bevoegdheden heeft overschreden of machtsafwending pleegde. De appellante licht overigens niet toe op welke wijze haar rechten van verdediging concreet geschonden zouden zijn.

### 3.2. Tweede middel: nietigheid van de navordering wegens onrechtmatige kennisname van het strafdossier

1\. De appellante stelt dat uit het fiscaal dossier nergens blijkt op welke wijze de administratie kennis kreeg van het bestaan en de inhoud van het strafdossier lastens **CR. DR. nv**. De appellante meent dat moet worden aangenomen dat de administratie op onrechtmatige wijze geïnformeerd werd omtrent het bestaan van dit strafonderzoek. De appellante leidt hieruit af dat het bewijs onrechtmatig en nietig is en niet kan worden vervangen door een bewijs dat het gevolg is van het eerste. Dit leidt volgens de appellante tot de nietigheid van de navordering.

De appellante vraagt bij dit middel de voorlegging door de administratie van de machtiging van de heer **DE.**, ambtenaar verbonden aan de BBI om inzage te nemen in het strafdossier lastens de **NV CR. DR.**.

2\. De administratie heeft kennis van het strafonderzoek omdat ze zelf op 4 maart 2009 op grond van artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bij de procureur des Konings te Gent een klacht heeft ingediend van de overtredingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde en de inkomstenbelastingen.

De administratie heeft op 25 augustus 2010 aan de heer procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent de toelating gevraagd tot inzage en kopiename van het gerechtsdossier inzake **CR. DR. nv**, **An.** **De W.**, **Pa.** **De W.** en **Sa.** **De W.** (administratief dossier, stuk 4). Bij brief van 1 september 2010 verleende de procureur Generaal bij het hof van beroep te Gent aan de gewestelijk directeur van de BBI, directie Gent, de toelating tot inzage door een door de BBI aan te duiden ambtenaar van het strafdossier aangelegd ten laste van **CR. DR. nv** e.a. (administratief dossier, stuk 5). Een ambtenaar van de BBI heeft vervolgens aan de hand van deze toelating, inzage genomen van het strafdossier. De administratie legt een proces-verbaal voor van 1 juli 2012 over de inzage van het strafdossier door de heer **Pe**. **DE.**, inspecteur bij de BBI te Brugge. De concrete delegatie van de gewestelijke directeur ten aanzien van de ambtenaar van de BBI die de inzage verrichtte betreft een regeling van de interne werking van die bevoegde dienst waarover de wet geen vormvereiste oplegt. De administratie is er niet toe gehouden een schriftelijk bewijs voor te leggen van deze interne delegatie. Het wordt kennelijk niet betwist dat de heer **DE.** de inzage verrichte en deze ambtenaar deel uitmaakt van de daartoe aangewezen BBI.

De appellante kan bij gebrek aan bewijs daarvan niet worden gevolgd in de redenering dat zomaar moet worden aangenomen dat de inzage van het strafdossier onregelmatig verliep. Op basis van deze gegevens en bij gebreke aan andersluidende bewijzen moet daarentegen worden aangenomen dat de administratie op regelmatige wijze kennis heeft genomen van het strafdossier en de erin vastgestelde gegevens kan aanwenden voor de vestiging van de juiste verschuldigde belastingen.

3\. De appellante vraagt de voorlegging door de administratie van de volgende stukken:

> *“- de processen-verbaal van verhoor van de bestuurders van* ***CR. DR.****, alsook van de personeelsleden, de (externe) boekhouder(s), (bedrijfs)revisoren en commissarissen.*
>
> *- de processen-verbaal van verhoor van klanten van* ***NV*** ***CR. DR.*** *omtrent de werkwijze van levering en facturering door de* ***Nv CR. DR.****”*

De appellante brengt geen gegronde redenen aan om de voorlegging van deze stukken te verantwoorden. De bestreden navordering is niet gesteund op de verklaringen van deze personen. De beoordeling van de juistheid van de aangetroffen leveringsbonnen en aangenomen meeromzet is niet afhankelijk van de verklaringen van deze personen maar van de beoordeling van deze stukken in de concrete situatie van de appellante. Deze stukken houden niet het bewijs in van een ter zake dienend feit, reden waarom de vraag tot voorlegging ervan niet gegrond is.

4\. De appellante vraagt de voorlegging door de administratie van de volgende stukken:

*“De stukken die specifiek betrekking hebben op appellante;”*

Alle stukken die betrekking hebben op de concrete situatie van de appellante en op grond waarvan de administratie de bestreden belasting steunt, zijn door de administratie voorgelegd in het administratief dossier. De appellante duidt geen andere stukken aan die de administratie in haar bezet zou hebben dan deze die in zich het administratief dossier bevinden. Het zijn overigens ook enkel de stukken die de administratie voorlegt in het administratief dossier op grond waarvan het hof de aanslag beoordeelt, zonder dat er aanwijzingen zijn dat de administratie andere stukken in haar bezit zou hebben die voor die beoordeling noodzakelijk of nuttig zouden zijn.

### 3.3. Derde middel: nietigheid van de aanslag wegens miskenning van de rechtsfiguur "feitelijk vermoeden"

1\. De appellante betwist de juistheid van de bij **CR. DR. nv** aangetroffen leveringsbonnen en wijst erop dat deze geen gelijkenissen vertonen met de facturen. De appellante verwijst naar rechtspraak die de juistheid van de leveringsbonnen in twijfel trekt. Volgens de appellante zijn er geen gewichtige en met elkaar overeenstemmende gegevens die kunnen doen aannemen dat de leveringsbonnen het bewijs leveren dat te weinig geleverde dranken gefactureerd zijn. Aangezien het strafdossier is afgehandeld met een minnelijke schikking is er geen rechterlijke toetsing gebeurd van de gegevens waardoor die volgens de appellante niet kunnen worden aangewend als een feitelijk vermoeden. De inhoud van de boekhouding van **CR. DR. nv** geldt volgens de appellante niet als een zeker en vaststaand feit. De appellante verwijst naar de zaken van leveringen van zwarte bloem waarover bepaalde rechtspraak oordeelde dat deze eenzijdige stukken en verklaringen van derden niet bewijskrachtig zijn. Er gebeurde volgens de appellante een niet toegelaten opeenstapeling van vermoedens die niet kunnen gelden als bewijs van een meeromzet.

2\. De administratie steunt de bestreden taxatie niet enkel op de gegevens van het strafonderzoek en het onderzoek van de gerechtsdeskundige **I-F.**, maar ook op de gegevens van de boekhouding van de appellante zelf.

Het verslag van **I-F.** geeft een objectief overzicht van de wijze waarop de gegevens zijn verzameld en geanalyseerd. Deze vaststellingen en de resultaten van dit onderzoek zijn op zich vaststaande feiten. De administratie heeft de bestanden uit het gerechtsdossier geanalyseerd met de data-analysesoftware **AL.** en op basis van de daarmee gemaakte excelbestanden de belastbare basis berekend. Dit houdt in dat de belastbare basis niet willekeurig werd bepaald. De wijze waarop de deskundigen de gegevens hebben verzameld garandeert de integriteit ervan.

Het proces-verbaal van 19 november 2012 stelt naast objectieve materiële vaststellingen en feiten een geheel van gewichtige en met elkaar overeenstemmende vaststellingen vast die leiden tot de vaststelling dat de appellante dranken zonder factuur heeft aangekocht bij **CR. DR. nv**. Het proces-verbaal geeft een duidelijk overzicht van de aangetroffen leveringsbons en de facturen. ln het bijzondere de volgende concrete vaststellingen en overwegingen, opgenomen in het proces-verbaal van 19 november 2012, leiden tot de conclusie dat de bij **CR. DR. nv** aangetroffen leveringsbonnen betrouwbaar zijn en met de werkelijkheid overeenstemmen.

Naar aanleiding van de huiszoeking bij **CR. DR. nv** werden op naam van de appellante de volgende drie leveringsbons aangetroffen (administratief dossier, stuk 39):

| Bonnr. | Bondatum | Leverdatum | Totaal goederen | Leeggoed geleverd | Leeggoed terug | Totaal bon |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| … | 13/06/2007 | 14/06/2007 | € 3.558,79 | € 1.323,60 | € 352,90 | € 5.089,19 |
| … | 01/04/2010 | 2/04/2010 | € 1.433,82 | €322,00 | €224,85 | €1.792,90 |
| … | 05/04/2010 | 6/04/2010 | €2.560,35 | €934,90 | €1.441,35 | €4.347,72 |

De gegevens van deze drie aangetroffen leveringsbons komen overeen met de prijzen en de aantallen en soorten producten opgenomen op de elektronische datalijst, waaruit blijkt dat deze elektronische gegevens juist zijn.

Deze leveringsbonnen vermelden handgeschreven vermeldingen en tonen ook aan dat:

\- de leveringsbon nr. … voor niet betaald (“NB”) werd afgetekend en de leveringsbons met nrs. … en … voor betaald (“Bet”) werden afgetekend;

\- de leveringsbon nr. … van 5 april 2010. vermeldt een niet betaald saldo van 1.792,90 euro. Dit is het niet betaald totaal van leveringsbon nr. … van 1 april 2010. Er is dus een verwijzing van de ene naar de andere bon, wat op een doorlopende levering van de drankenleverancier aan de appellante wijst;

\- de leveringsbonnen steeds een duidelijke verrekening van het leeggoed vermelden, waarbij het terug genomen leeggoed met de hand geschreven is. Dit duidt erop dat het terug te nemen leeggoed ter gelegenheid van de levering ter plaatse werd verrekend met de nieuwe levering van dranken en leeggoed;

\- leveringsbon nr. … is afgetekend door **L. Ve.**, zijnde de zaakvoerder van de appellante. De administratie wijst er terecht op dat de op de leveringsbon voorkomende handtekening grote gelijkenissen vertoont met zijn handtekening die voorkomt op de overeenkomst handelsonderhuur brasserie (administratief dossier, stuk 40). Deze leveringsbon dateert van 13 juni 2007 waaruit blijkt dat de appellante reeds bij **CR. DR. nv** dranken afnam véér het contract van 1 januari 2008. Deze leveringsbon weerlegt ook de stelling van de appellante dat ze de dranken **Co.-Ca**., **Co.-Ca. li**., **lc.-Te.**, **Kr. Ma.** niet zou verkopen.

\- uit een vergelijking van deze leveringsbonnen met de facturen blijkt dat voor de 2 bestelbons met nummer … en … geen facturen bij de appellante werden teruggevonden. Zoals vermeld, is de leveringsbon … getekend door de zaakvoerder van de appellante. Deze leveringen zijn als volledig officieuze of zwarte leveringen aan te merken. De leveringsbon met nummer … van 4 april 2010 kan in verband gebracht worden met de factuur nr. …. Er is tussen de leveringsbon en de factuur een verschil terug te vinden in de hoeveelheden die worden geleverd en gefactureerd. Deze gegevens bevestigen dat de appellante jarenlang meewerkt aan een systeem van zwarte leveringen en dat de bij **CR. DR.** aangetroffen (papieren en elektronische) leveringsbonnen met werkelijke leveringen overeenstemmen.

\- enkel de leveringsbonnen vermelden een verrekening van het leeggoed in tegenstelling tot de facturen.

Op het verzoek van de eerste rechter om boekhoudkundige stukken of betalings- of ontvangstbewijzen met betrekking tot het leeggoed voor te leggen, antwoorde de appellante als volgt:

> *“Het leeggoed werd door* ***CR. DR.*** *nooit aan- of afgerekend. Wel vond er steeds een controle van teruggave plaats na elke levering, zodat de administratieve rompslomp van de stockleeggoed tot een minimum werd gereduceerd.”*

De relatief belangrijke waarde van het leeggoed en de impact ervan op de liquide middelen en de boekhouding maakt dat deze verklaring van de appellante niet geloofwaardig voorkomt. De appellante toont niet aan op welke wijze het geleverd en teruggenomen leeggoed verrekend werd met de geleverde goederen. De appellante kon met betrekking tot het leeggoed bij de fiscale controle en na het verzoek van de eerste rechter geen stukken voorleggen.

De voorgehouden leveringen aan sportverenigingen worden door de appellante niet aangetoond door uitgereikte facturen. De appellante is daartoe nochtans gehouden op grond van artikel 53, §2, eerste lid, 1 W.BTW. De appellante bewijst deze leveringen evenmin op enige andere wijze.

3\. Het staat vast dat op basis van de digitale documenten die tijdens het strafonderzoek bij **CR. DR.** op haar computer werden teruggevonden, de conclusie zou moeten getrokken worden dat de appellante wel degelijk gebruik maakte van het binnen die drankenhandel bestaande fraudesysteem. ln de bestanden van **CR. DR.** waren immers in digitale vorm zowel facturen als leveringsbonnen aanwezig op de naam, adres en btw-nummer van de appellante, waarbij er een voldoende duidelijk verband bestaat tussen de leveringsbonnen en de verzamelfacturen. Het hof stelt vast dat de administratie op zeer overtuigende wijze aantoont dat de digitale bestelbonnen op naam van de appellante wel degelijk de weergave zijn van leveringsbonnen die daadwerkelijk bij het leveren van de dranken aan de appellante werden gebruikt, maar waarbij het fraudesysteem noodzakelijk maakte dat die papieren leveringsbonnen vernietigd werden, precies omdat ze weergaven dat de appellante in werkelijkheid meer drank afnam dan wat haar werd gefactureerd. ln het fraudesysteem was het voor de appellante van belang de originele leveringsbonnen niet te bewaren. Deze originele leveringsbonnen zijn door haar zelf vernietigd, waardoor ze thans niet redelijk de voorlegging ervan kan eisen vanwege de administratie. Het is relevant dat de gedelegeerd bestuurders van **CR. DR. nv** bekend hebben het fraudesysteem zoals beschreven te hebben toegepast, en daarvoor een akkoord met de geïntimeerde hebben aangegaan. Een zelfde bevestiging gaat uit van het feit dat de administratie met verschillende andere caféhouders akkoorden afsloot.

De appellante was overigens geen onbelangrijke klant van **CR. DR.** waardoor het niet aannemelijk is dat de leverancier het risico zou nemen deze klant te verliezen door er fictieve leveringen aan toe te rekenen. Het kan bezwaarlijk worden aangenomen dat een grote drankenhandel waarvan gebleken is dat ze gebruik maakte van een fraudesysteem door onderfacturatie, ook nog energie zou steken in het opmaken van documenten die deels op een andere naam zijn dan de werkelijke bestemmeling van de niet-gefactureerde dranken. Dat zou een onmogelijk kluwen zijn om bij te houden. Bovendien valt in die hypothese niet te verklaren dat **CR. DR.**de gegevens vermeld op de papieren leveringsbonnen systematisch en integraal elektronisch verwerkte en bijhield, uitsluitend op de naam van de appellante en dit in digitale documenten die verborgen werden gehouden. Er kan redelijkerwijze slechts verwacht worden dat de verborgen bestanden dan de werkelijke toestand bijhield; de werkelijke toestand was dus dat alle dranken op de papieren leveringsbonnen aan de appellante werden geleverd en dat de digitale leveringsbonnen dezelfde leveringen weergeven, dus deze die werkelijk aan de appellante werden gedaan.

Er kan bovendien in alle redelijkheid geen andere zinnige verklaring gegeven worden voor het bestaan van de leveringsbonnen in de boekhouding van **CR. DR. nv**, gekenmerkt met deze gelijkaardige specifieke vermeldingen zoals deze terug te vinden zijn op de facturen. De leveringsbonnen en de met de facturen overeenstemmende vermeldingen zijn coherent en consistent en kunnen niet anders verklaard worden dan zijnde een systeem voor zwarte leveringen. Er zijn geen redenen om aan de ernst en de waarachtigheid van de in de boekhouding van **CR. DR. nv** aangetroffen leveringsbonnen te twijfelen of om deze aan te merken als zijnde onjuist. Het hof aanvaardt de leveringsbonnen als bewijselementen van de aangenomen fraude. Het louter ontkennen van de feiten door de appellante ontkracht deze overwegingen niet en kan niet volstaan als tegenbewijs.

Ondanks de middelen en argumenten van de appellante, die niet tot een ander oordeel kunnen doen besluiten, oordeelt het hof dat de geïntimeerde aan de hand van het proces­ verbaal en de stukken uit het dossier wel degelijk voldoende vaststaande feiten bewijst waaruit het vermoeden volgt dat de appellante in de betreffende periode de aankopen gedaan heeft bij **CR. DR. nv** die weergegeven zijn in de digitale leveringsbonnen die op naam van de geïntimeerde ln de computerbestanden van die drankhandelaar werden aangetroffen. Dit levert het bewijs op van de zwarte aankopen. Dit houdt geen verboden opeenstapeling in van vermoedens. De aanvaarding van de aankopen vermeld op de leveringsbonnen leidt ertoe dat art 64 W.BTW toepasselijk is en deze gegevens moeten worden aangewend bij de bepaling van de omzet. De administratie heeft terecht het verschil tussen de leveringsbonnen en facturen aangemerkt als zwarte aankopen.

### 3.4. Vierde middel: de bewijskracht van het proces-verbaal

1\. De appellante meent dat het proces-verbaal geen bewijskracht heeft omdat het beperkt blijft tot gevolgtrekkingen of andere redeneringen die de verbalisant uit zijn vaststellingen afleidt. De appellante benadrukt dat nergens wordt aangetoond dat er bekentenissen zijn of zwarte leveringen gedaan. Het proces-verbaal bevat volgens de appellante enkel vermoedens en illusoire gevolgtrekkingen.

2\. Op grond van [artikel 59, §1 van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) kunnen overtredingen van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën. Deze processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. De elementen uit het proces-verbaal waaraan de wettelijke bewijswaarde verbonden is, zijn de door de verbalisant persoonlijk, binnen de perken van zijn wettelijke opdracht, regelmatig gedane vaststellingen.

De verschuldigdheid van de btw of van een geldboete kan door de administratie aangetoond worden via het bewijs door feitelijke vermoedens ([artikel 59 btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59)).

Overeenkomstig artikel 1349 BW zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Het is de rechter die soeverein oordeelt of het feit waarop hij zich steunt al dan niet bekend is en hij kan een feitelijk vermoeden afleiden uit een geheel van gegevens, ook al geven die gegevens, elk afzonderlijk genomen, geen voldoende zekerheid.

3\. Het hof oordeelde reeds dat de inhoud van het proces-verbaal wel bewijskrachtig is omdat het steunt op materiële vaststaande en zekere gegevens waaruit de administratie aan de hand van een geheel van overtuigende en overeenstemmende gegevens de verantwoorde juiste gevolgtrekkingen heeft afgeleid.

### 3.5. Vijfde middel: gebrek aan bewijs van meeromzet

Ook in dit middel kan de appellante niet worden gevolgd. De hoger gemaakte beoordeling geeft aan dat de administratie terecht een juiste meeromzet heeft berekend die in hoofde van de appellante kon worden belast.

### 3.6. Zesde middel: Het neutraliteitsprincipe op het vlak van BTW

1\. De appellante stelt dat **CR. DR.** naar aanleiding van een akkoordverklaring een bedrag aan ontdoken btw betaald heeft waardoor de administratie niet nogmaals voor dezelfde periode een bedrag aan ontdoken btw van de appellante kan vorderen zonder miskenning van het verbod op dubbele taxatie en het principe van de neutraliteit inzake BTW.

2\. Uit de voorgaande vaststellingen en beoordeling volgt dat de appellante de bedoeling had de zwarte drankleveringen volledig buiten het officieel economisch circuit te houden en de administratie de verschuldigde btw terecht op grond van [artikel 64 van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) kan navorderen. De appellante beschikt over niet regelmatig uitgereikte facturen om haar in staat te stellen haar recht op aftrek van de BTW te kunnen uitoefenen op grond van [artikel 3, §1, 1° van het koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969.

3.7. Zevende middel: de ingeroepen nietigheid van de opgelegde sanctionering wegens gebrek aan bewijs van fraude en de miskenning van artikel 6 EVRM.

1\. De administratie kan op grond van [artikel 70, §1 van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) voor de vastgestelde overtredingen van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opleggen gelijk aan het dubbel van de ontdoken en/of niet tijdig betaalde belasting.

[Artikel 84, derde lid van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) stelt dat binnen de door de Wet gestelde grenzen het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in het btw -wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten bepaald wordt volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. ln uitvoering van die wetsbepaling is de schaal van verminderde boetes vastgesteld bij KB nr. 41 van 30 juni 1987. Tabel A bij dat besluit regelt de geldboetes van toepassing voor de overtredingen beoogd in [art. 70, §1 van het btw­ wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70). [Artikel 1, laatste lid van KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) bepaalt dat de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De administratie leidt terecht het voorhanden zijn van het oogmerk om de belasting te ontduiken in hoofde van de appellante uit verschillende feitelijke vaststellingen :

\- er zijn de elektronische computerbestanden die de zwarte drankleveringen aantonen ;

\- er zijn de schriftelijke bewijzen van de zwarte drankleveringen bij verscheidene klanten van de drankenleverancier **CR. DR.**;

\- er is de bekentenis van het bestaan van een fraudecircuit van drankleveringen in het zwart van de gedelegeerd bestuurders van **CR. DR.**;

\- er zijn de bekentenissen van het overgrote deel van de gecontroleerde klanten;

\- de appellante verstrekt geen geloofwaardig antwoord over de verrekening van het leeggoed;

\- er werden originele leveringsbonnen op naam van de appellante aangetroffen;

\- de administratie heeft terecht de betrouwbaarheid van de leveringsbonnen kunnen aannemen;

\- er kan worden vastgesteld dat steeds dezelfde producten worden geleverd en gefactureerd, mits de vastgestelde verschillen in de hoeveelheden die worden geleverd en gefactureerd;

\- in tegenstelling tot de facturatie, de leveringsbonnen een afrekening voor de levering en terugname van het leeggoed vermelden;

Deze bevindingen en de mogelijke boete zijn vermeld en aangekondigd in het proces-verbaal van 19 november 2012.

2\. De appellante heeft zich tot de rechter kunnen wenden en gewend om met voile rechtsmacht uitspraak te doen over de boete (voorwerp van het huidige geschil), zonder dat de appellante de sanctie al heeft ondergaan (wat ondanks het betekenen van het dwangbevel nog niet gebeurde aangezien de appellante precies door het instellen van haar gerechtelijke vordering elke uitvoering van die sanctie heeft kunnen beletten), waardoor er geen schending is van een vermoeden van onschuld in de zin van artikel 6 EVRM.

3\. Hoger werd al vastgesteld dat er geen schending van de rechten van de verdediging kan worden aangenomen. De appellante ontwikkelt geen andere of nieuwe middelen in dat verband.

4\. Met betrekking tot de ingeroepen schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, verwijst het hof naar het arrest van 11 september 2012 in de zaak **Op. & ln**. tegen B. (volg nr. …, (http://hudoc.echr.coe.int/sites/eng/pages/search.aspx?i=001-113464). ln dit arrest heeft het EHRM de grief afgewezen die was afgeleid uit artikel 1 van het eerste aanvullend protocol. Het EHRM laat opmerken dat op die bepaling slechts beroep kan worden gedaan om bescherming van goederen, waaronder ook 'patrimoniale waarden' kunnen gerekend worden, af te dwingen; schuldvorderingen die voldoende zeker en opeisbaar zijn, maar ook 'het recht om van zijn schuld bevrijd te worden', op voorwaarde dat het naar intern recht beantwoordt aan een rechtmatige verwachting op een concrete, werkelijke, cijfermatig vastgestelde schuld, kunnen met 'patrimoniale waarden' en dus met goederen gelijk gesteld worden. Waar het EHRM aanvaardt dat de verzoekers een rechtmatige verwachting hadden, stelt het evenwel vast dat de bestreden belasting niet beschouwd kan worden als een 'opeisbare en vaste schuld' waardoor ze niet doormiddel van uitvoeringsmaatregelen kan worden ingevorderd. ln dat geval, zo oordeelt het EHRM, kan de fiscale schuld niet als werkelijk (bestaand) worden beschouwd, en is ze evenmin cijfermatig vastgesteld. In dat verband wordt verwezen naar het feit dat het geschil ten gronde nog hangende is voor de fiscale rechtbank. Het Hof concludeert dat de vraag niet onder haar materiële bevoegdheid valt. ln de lijn van die rechtspraak, is het hof van oordeel dat er geen sprake 1s van een inbreuk op het eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het 1ste aanvullende protocol bij het EVRM zolang de rechter nog met volle rechtsmacht kan oordelen over de omvang van de boete en daartoe in het bijzonder een proportionaliteitstoets doet. Het is in dat debat dat het aan de belastingplichtige toekomt elementen aan te reiken die het hof toelaten uit te maken hoe groot de boete kan zijn om geen inbreuk in te houden op het recht op ongestoord genot door de belastingplichtige van zijn eigendom, dit in afweging met het algemeen belang, de wet en de algemene beginselen van het internationaal belang en het recht van de Belgische Staat om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren.

5\. Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de vastgestelde inbreuken - waarvan het frauduleus karakter vaststaat - is alleen een effectieve boete zinvol. Een boete met uitstel zou ingaan tegen het doel van de. boete; ze moet immers zowel vergoeden (een compensatie bieden voor het verloren gaan van menselijke energie en van financiële middelen die door de belastingoverheid ten gunste van de gemeenschap besteed wordt aan controles en verificaties om fraude en onjuiste aangiften op te sporen), straffen als afschrikken om herhaling in de toekomst te herhalen. Alleen met een effectieve straf kan dit doel bereikt worden. Rekening houdend met het feit dat het aannemelijk is dat ook inzake inkomstenbelasting voor de betreffende periode een sanctie met strafrechtelijk karakter moet zijn opgelegd, met de gegevens die (slechts) ter beschikking zijn om in te schatten wat het vermogen van de appellante is en dus met de impact van de sanctie op zijn vermogen en om zeker te zijn dat de sanctie beantwoordt aan het doel om zowel vergoedend, straffend als afschrikkend te zijn, vermindert het hof de boete tot 100%, zijnde een bedrag van 184.180,00 euro in hoofdsom

## 4. De gerechtskosten

De appellante wordt gedeeltelijk in het ongelijk gesteld. Door het herleiden van de boete wordt de appellante voor 2/3 en de geïntimeerde voor 1/3 in het ongelijk wordt gesteId, Om die reden past het de rechtsplegingsvergoeding in die mate om te slaan.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 500.000,01 tot 1.000.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 11.000,00 euro toepasselijk voor de procedure in eerste aanleg en 12.000,00 euro voor de procedure in hoger beroep. Aangezien de geïntimeerde niet vertegenwoordig wordt door een advocaat, maakt enkel de appellante aanspraak op 1/3 van deze rechtsplegingsvergoedingen.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en verklaart het gedeeltelijk gegrond;

bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de opgelegde geldboete wordt herleid van 200% naar 100% en ook de rechtsplegingsvergoeding in die zin wordt hervormd;

veroordeelt de appellante tot het betalen van 2/3 van de gerechtskosten en de geïntimeerde tot 1/3 van de gerechtskosten van de beide instanties, hetgeen concreet ertoe leidt dat de geïntimeerde aan de appellante een rechtsplegingsvergoeding moet betalen van 3.667 euro voor de procedure in eerste aanleg en 4.000 euro voor de procedure in hoger beroep;

Aldus gewezen door de VIJFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, recht doende in fiscale zaken, samengesteld uit:

**Gu. Ti., Kamervoorzitter,**

**Dri. Van., raadsheer,**

**Sti. Rav., raadsheer,**

en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van **27 juni 2017**, bijgestaan door **Je. Dam., griffier.**

## Aangehaalde teksten

8

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 63](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) 1 voorkomen

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Fiscale controle, Proces-verbaal](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-controle-proces-verbaal-rechten-rechtbank-namen-2021-06-23-191f) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlenging van de verjaringstermijn, Kennisgeving van vermoedens van belastingontduiking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlenging-verjaringstermijn-kennisgeving-vermoedens-hof-van-beroep-luik-2020-01-20-7d01) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetverhoging, Vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetverhoging-vermoedens-vermoeden-hof-van-beroep-antwerpen-2022-03-29-4427) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale geldboete, Evenredigheid, Genaderecht, fiscale boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10) 4 gemeenschappelijke bepalingen
