---
title: "4 december 2018 · Administratie van de bijzondere belastinginspectie · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Administratie van de bijzondere belastinginspectie. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 4 december 2018."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-administratie-bijzondere-belastinginspectie-rechtbank-gent-2018-12-04-c096"
lang: "nl"
---

# Administratie van de bijzondere belastinginspectie · BBI

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

4 december 2018

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

119 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent d.d. 04.12.2018

**17/3389/A**

## Samenvatting

Samenvatting niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

Vonnis

In de zaak van:

**B. BVBA**, ondernemingsnummer …, met maatschappelijke zetel te …,

**EISENDE PARTIJ**, vertegenwoordigd door mr. H. V., advocaat te …;

**Tegen**:

**De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën** - Stafdienst Logistiek - Koning Albert Il laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, in de persoon van de minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur­ generaal van de bijzondere belastinginspectie, met kantoren te 9050 Gent (Ledeberg), Gasten Crommenlaan 6 bus 801,

**VERWERENDE PARTIJ**, voor wie optreedt mevrouw S. E., attaché bij voornoemd fiscaal bestuur.

Beslist de rechtbank als volgt :

## I.DE RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2018 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

## II.RELEVANTE FEITEN EN VOORGAANDEN

BVBA B. is sinds 1 oktober 1988 als BTW-plichtige geregistreerd onder het BTW-nummer … voor de activiteit van groothandel in dranken, algemeen assortiment. Zij heeft haar uitbatingszetel in ...

Bij eiseres werd een controle uitgevoerd op 3 april 2015. Daarbij werden de informatica gegevens van de onderneming gecapteerd. Er volgden nog aangekondigde controles ter plaatse op 17 december 2015 en op 25 oktober 2016, waarna een vraag om inlichtingen werd verstuurd op 7 november 2016. Op 19 december 2016 werd een onaangekondigde bijkomende controle ter plaatse uitgevoerd, waarna op 5 januari 2017 een vraag om bijkomende informatie werd verstuurd naar eiseres.

Op 30 maart 2017 werd aan eiseres een voorafgaande kennisgeving verstuurd, zoals bedoeld in [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter), waarin werd gemeld dat de zevenjarige verjaringstermijn, zoals vermeld in [artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis), zou worden toegepast, met vermelding van de vermoedens van belastingontduiking die tegen eiseres bestonden in de periode 2010-2016.

Op 29 augustus 2017 werd aan eiseres een correctieopgave toegestuurd, waarin de administratie op basis van haar vaststellingen stelde dat eiseres in de jaren 2010-2016 handelingen had verricht zonder daarvoor een verkoopfactuur uit te reiken. De administratie besloot dat eiseres bewust overtredingen tegen de facturatieplicht had begaan en dat daarbij opzettelijk leveringen aan belastingplichtige afnemers niet waren gefactureerd, zodat het voor deze laatste mogelijk was om omzet in het zwart te genereren. De administratie weerhield een bedrieglijk opzet. Dit resulteerde volgens de administratie in hoofde van eiseres in een BTW-schuld van 221.873,00 euro (met name de BTW op de opgemaakte facturen onder de noemer 'Dagverkopen') en een geldboete van 443.740,00 euro (zijnde 200% op de BTW). De BTW werd gecompenseerd, zodat enkel de geldboete verschuldigd bleef.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 4 oktober 2017 maakte eiseres de zaak aanhangig bij deze rechtbank.

Op 27 oktober 2017 stelde de administratie een proces-verbaal op en op 10 november 2017 werd een dwangbevel uitgereikt met nummer …, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17 november 2017.

## III.DE VORDERINGEN VAN PARTIJEN

Eiseres vordert in haar laatst neergelegde conclusies als volgt:

\*het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\*de vordering van een boete van 443.740 € nietig te verklaren;

\*minstens de boete wegens fraude nietig te verklaren;

\*minstens de boete kwijt te schelden of ze tot een evenredig bedrag verminderen;

\*vast te stellen dat er redenen zijn om uitstel van de boete uit te spreken en de boete vervolgens te vernietigen wegens strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel;

\*minstens de boete aan het verminderd tarief van 60% toe te passen;

\*de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit dwangbevel werden geïnd;

\*de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (eerste aanleg: 16.800 €).

\*Minstens de·volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie:

1)Schendt [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) het gelijkheidsbeginsel en inherent hieraan het evenredigheidsbeginsel en artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM doordat een boete wordt opgelegd van 200 % wat ontegensprekelijk meer is dan de btw die men wil recupereren?

2)Schendt [artikel 70 § 1 en § 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) het evenredigheidsbeginsel. en gelijkheidsbeginsel door een zelfde straf te bepalen voor het geval iemand btw niet betaalt als voor degene die wel de btw betaalt, maar verkeerde facturen opstelt?"

De Belgische Staat verzoekt om de vordering van eiseres onontvankelijk te verklaren, minstens ongegrond, te zeggen voor recht dat de in de correctieopgave opgesomde bedragen terecht werden gevorderd, meer intresten, en om eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, ondergeschikt de rechtsplegingsvergoeding maximaal te begroten op 8.400,00 euro en rekening te houden met het wederzijdse gelijk/ongelijk van partijen.

## IV.BEOORDELING

1\. Omtrent de ontvankelijkheid.

De Belgische Staat betwist ten onrechte het belang van eiseres bij het instellen van haar rechtsvordering voor deze rechtbank. De correctie-opgave werd opgemaakt nadat eiseres het voorwerp had uitgemaakt van een doorgedreven BTW-controle, waarbij de verjaringstermijnen werden uitgebreid. Wanneer eiseres de door de administratie opgemaakte correctie-opgave betwist, ontstaat er tussen eiseres en de administratie een geschil over de toepassing van het BTW-wetboek waarvan deze rechtbank bevoegd is kennis te nemen op grond van artikel 569, eerste lid, 32° Ger. W. Volgend op de correctieopgave werd het dwangbevel opgemaakt, hetgeen bevestigt dat het risico op taxatie op het ogenblik van het instellen van de rechtsvordering voldoende aanwezig was. Eiseres beschikte over het vereiste belang bij het instellen van haar rechtsvordering. Er is geen enkele wettelijke bepaling waaruit volgt dat een belastingplichtige moet wachten om een rechtsvordering in te stellen tot haar een dwangbevel werd betekend.

Bij gebrek aan ambtshalve op te werpen middelen, is de vordering van eiseres ontvankelijk.

2\. Omtrent de verjaring.

2.1.

Krachtens [artikel 81bis, §1, lid 2, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) is er verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 is begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

Eiseres betwist het bestaan van een overtreding alsook het bestaan van enig bedrieglijk opzet in haar hoofde. Zij stelt dat de verjaringstermijn onterecht werd uitgebreid voor de jaren 2010-2013.

2.2.

De vraag stelt zich vooreerst of eiseres een overtreding heeft begaan bedoeld in de artikelen [70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) of [71](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-71) WBTW. De overtreding bedoeld in [artikel 70, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) betreft onder meer het niet uitreiken van een factuur waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53decies en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten. Overeenkomstig [artikel 53, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) dient eiseres een factuur uit te reiken aan haar belastingplichtige afnemers.

De administratie stelt dat er in de verzamelfacturen die eiseres op het einde van de maand trok leveringen zijn opgenomen aan belastingplichtige afnemers die gefactureerd hadden moeten worden. Deze inbreuk op de facturatieplicht zou aan de belastingplichtige afnemers hebben toegelaten om een zwarte omzet te realiseren. Eiseres stelt dat de maandelijkse verzamelfacturen enkel de dagverkopen omvatten aan particulieren die de goederen komen afhalen in het magazijn.

De rechtbank doet, samen met de administratie, volgende vaststellingen:

-uit de verzamelfacturen blijkt dat er verschillende prijzen worden gehanteerd voor producten met eenzelfde productcode en dat er een aparte regel wordt voorzien voor producten met eenzelfde productcode met dezelfde prijs.

-in december 2016, op het ogenblik van en volgend op de controle door de administratie, werden er geen verschillende prijzen in de dagverkopen (53 verrichtingen) gehanteerd daar waar prijsdifferentiatie de regel was in de daaraan voorafgaande verzamelfacturen en waar het geven van rechtstreekse prijskortingen aan particulieren werd bevestigd door de aangestelde van eiseres op 19 december 2016;

-de dagverkopen waren in december 2016, op het ogenblik van de. controle door de administratie, gehalveerd (nl. van 24.478,05 in december 2013 naar 20.133,48 euro in 2014 naar 17.589,88 euro in 2015 tot 9.402,32 euro in december 2016); ·

-de omzet van de 'dagverkopen' daalde jaar na jaar (nl. van 18% van de totale omzet in 201O naar 7% in 2016) daar waar de totale jaaromzet niet in dezelfde mate daalde.

Op basis van deze vaststellingen kon de administratie wettig aannemen dat er zich in de verzamelfacturen leveringen bevonden die niet aan particuliere afnemers werden verricht, doch wel aan belastingplichtige afnemers. Uit de afwezigheid van effectieve prijsdifferentiatie in december 2016 blijkt immers dat de verkopen aan particuliere afnemers gebeurden aan dezelfde (afhaal-)prijs (hetgeen ook initieel zo was meegedeeld door de aangestelde van eiseres op 19 december 2016; cfr. stuk 9, p. 3-4, bundel verweerder). Het is overigens weinig waarschijnlijk dat voor elke particulier een andere prijs werd gehanteerd, aangezien er noch in het magazijn noch op de website prijzen waren geafficheerd en er geen prijsoverzicht met melding van kortingsmarges voor particulieren werd teruggevonden. In die omstandigheden is de verklaring dat de prijskorting per particuliere afnemer op het ogenblik zelf werd toegepast, weinig geloofwaardig.

Waar er in de voorgaande verzamelfacturen wel sprake was van prijsdifferentiatie, wijst dit op verkopen aan niet-particuliere dus belastingplichtige afnemers. Voor deze afnemers waren er immers wel gedifferentieerde prijslijsten beschikbaar, hetgeen ook bleek uit de verschillende prijscategorieën die werden toegepast op de facturen.

Het vermoeden dat er zich in de verzamelfacturen leveringen bevonden die aan belastingplichtige afnemers werden verricht, wordt bovendien versterkt door het terugvinden van het Word-document "info per zaak" waarop ij het onderdeel 'Facturatie' voor diverse klanten de mate van zwarte leveringen werd vermeld (bvb. "helft op factuur/per levering"). Dat dit document nooit door eiseres werd gebruikt doch afkomstig is uit de in 2010 overgenomen brouwerij De Bus wordt tegengesproken door het feit dat (i) het merendeel van de in dit document vermelde klanten niet voorkomen op de klantenlisting van brouwerij De Bus alsook (ii) twee derde van de in de klantenlisting van brouwerij De Bus vermelde klanten niet voorkomen in het document.

Eiseres stelt in conclusies dat de daling van de omzet uit dagverkopen te wijten is aan het stopzetten van de particuliere drankenronde in 2016. De rechtbank stelt vast dat het bestaan van deze drankenronde nooit ter sprake is gekomen tijdens de controle en enkel in conclusies wordt opgeworpen. Van enige overname van de drankenronde in de overnameovéreenkomst tussen brouwerij D. B. en eiseres is geen sprake. De attestering door de bedrijfsrevisor wordt niet ondersteund door enig objectief bewijs (zoals een rittenschema, bestelbon en leverbon), zodat de rechtbank hiermee geen rekening kan houden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de administratie op wettige en afdoende wijze heeft bewezen (toepassing van artikel 1349 BW) dat er zich in de verzamelfacturen leveringen bevinden die aan belastingplichtige afnemers werden verricht. Aangezien voor deze leveringen geen factuur werd uitgereikt, staat de inbreuk van eiseres op [artikel 53, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) vast.

2.3.

De rechtbank is samen met de administratie van oordeel dat deze inbreuk werd gepleegd met bedrieglijk opzet. Eiseres heeft immers een systeem georganiseerd waarbij haar belastingplichtige afnemers goederen konden aankopen buiten factuur, waardoor deze in een zwart circuit terechtkwamen. Eiseres heeft haar belastingplichtige afnemers geholpen om omzet in het zwart te genereren en alzo BTW te ontduiken. Dit heeft zij ontegensprekelijk bewust gedaan, door de verkopen op te nemen in de niet-controleerbare verzamelfacturen (waardoor haar eigen voorraadbeheer klopte) doch wel de prijsdifferentiaties die golden voor de individuele afnemer toe te passen. Het bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres en zelfs het oogmerk om de belangen van de Schatkist te schaden, staat vast.

Dat eiseres de vaten bier wel steeds factureerde, toont enkel aan dat ze de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 21 november 2003, [C.02.0245.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verplichtingen-factuur-beroepsgebruik-aangifteplicht-cassatie-brussel-2003-11-21-159b), http://jure.juridat.just.fgov.be) volgde en hiervoor steeds een factuur opstelde. Ook op die manier zorgde eiseres ervoor dat haar eigen administratie en voorraadbeheer in orde was.

2.4.

Aangezien de overtreding bedoeld in [artikel 70, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) is begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, is er op grond van [artikel 81bis, §1, lid 2, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) slechts verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. De verjaring voor de jaren 2010-2013 is bijgevolg nog niet ingetreden. Dit middel van eiseres wordt afgewezen.

3\. Omtrent de facturatieplicht in hoofde van eiseres.

3.1.

Krachtens [artikel 53, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) dient eiseres een factuur uit te reiken aan haar belastingplichtige afnemers. De Koning heeft deze facturatieplicht uitgebreid in artikel 1 van het KB/BTW nr. 1 als volgt:

> "De belastingplichtige, gehouden tot het uitreiken van een factuur op grond van [artikel 53, §2, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), van het Wetboek, die hierna vermelde leveringen van goederen of diensten verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik, reikt een factuur uit wanneer deze handelingen (. ..) in België plaatsvinden (. ..):
>
> (...)
>
> 8° de leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven;
>
> (...)"

De ontheffing van de facturatieplicht geldt enkel voor kleinhandelaars die in de regel leveringen doen aan particulieren.

3.2.

In voorliggend geval is de rechtbank, opnieuw samen met de administratie, van oordeel dat eiseres kwalificeert als een groothandelaar. Uit de eigen BTW­ aangiften blijkt dat eiseres 70% à 75% van haar verkopen verricht aan belastingplichtige afnemers. Rekening houdende met het aandeel niet­ gefactureerde verkopen aan belastingplichtige afnemers opgenomen in de verzamelfacturen, zal dit aandeel in werkelijkheid nog hoger zijn. Bovendien is eiseres uitsluitend als groothandelaar geregistreerd en is haar bedrijfsinrichting niet specifiek ingericht om de verkoop aan particulieren te faciliteren. Er is geen toonbank aanwezig met kassa- of scansysteem, de prijzen worden niet geafficheerd in het magazijn, het magazijn is niet ingericht met het oog op een verkoop aan particulieren (de bakken worden gestockeerd op paletten, met hoge stapels bakken en vaten, vanwaar een vorkheftruck die ervan haalt; geen winkelrekken aanwezig). Eiseres beschikt niet over een afzonderlijke bedrijfsinrichting voor de verkoop aan particulieren. Eiseres legt geen enkel document voor dat gericht is op (potentiëie) particuliere klanten.

In die omstandigheden dient eiseres als een groothandelaar te worden beschouwd. De enkele verkopen die zij verricht aan particulieren dienen dan ook te worden gefactureerd. Hieruit volgt dat voor elk van de dagverkopen, die werden gecentraliseerd middels de verzamelfacturen, een afzonderlijke factuur diende te worden uitgereikt.

De inbreuk op [artikel 53, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) staat, ook met betrekking tot de verkopen aan particuliere afnemers, vast.

3.3.

Gelet op de gecontroleerde periode (2010-2016) en de omzet vermeld op de in die periode opgemaakte verzamelfacturen, heeft de administratie op correcte wijze de BTW, die niet was vermeld op een regelmatige factuur, bepaald op 221.873,00 euro. Eiseres betwist overigens dit bedrag niet.

4\. Omtrent de opgelegde geldboete.

4.1.

Op grond van [artikel 70, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting wanneer de factuur, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door [artikel 53 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt. Deze geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier en door zijn medecontractant.

De boete is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant. Eiseres kan bezwaarlijk voorhouden dat de door haar begane overtredingen louter toevallig waren, in het bijzonder gelet op de systematiek waarmee de praktijk over een bijzonder lange periode (2010-2016) werd toegepast en het toch niet verwaarloosbare aandeel dat deze verkopen zonder factuur vertegenwoordigden in de totale omzet van eiseres (van 17,35% in 2010, 15,53% in 2011, 13,75% in 2012, 14,36% in 2013, 12,68% in 2014, 10,86% in 2015 en 6,57% in 2016). Zoals overigens hierboven reeds geoordeeld, heeft eiseres gehandeld met bedrieglijk inzicht (zie randnummer 2.3.). Dit sluit loutere toevalligheden, die goede trouw veronderstellen, sowieso uit. Eiseres kan zich evenmin beroepen op de twijfel aangaande de niet­ belastingplichtigheid van haar medecontractant, gelet op de facturatieverplichting die in haar hoofde bestond.

Eiseres stelt dat de boete van 200% niet kan worden toegepast op het gedeelte van de verkopen aan particulieren, aangezien voor deze verkopen geen sprake is van enig bedrieglijk opzet. De rechtbank wijst er evenwel op dat eiseres doelbewust aan haar facturatieverplichting heeft verzaakt teneinde haar belastingplichtige afnemers te helpen om omzet in het zwart te genereren en alzo mogelijks BTW te ontduiken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres de inbreuk op haar facturatieplicht met bedrieglijk opzet heen begaan (zie ook randnummer 2.3. hierboven), als gevolg waarvan alle niet-gefactureerde omzet de basis vormt voor de berekening van de boete.

4.2.

Van enige willekeur is geen sprake. De inbreuk van eiseres bestaat er immers in dat zij niet voor elk van de beweerde dagverkopen een regelmatige factuur heeft uitgereikt. Deze dagverkopen dienden immers, op grond van [artikel 53 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), afzonderlijk te worden gefactureerd, ongeacht of deze werden verricht aan particuliere of belastingplichtige afnemers. Gelet op de door eiseres begane inbreuk, wordt de op de omzet verschuldigde BTW, zoals vermeld in de verzamelfacturen, door de administratie terecht als basis genomen voor de berekening van de boete. De administratie past op correcte wijze de wet toe.

4.3.

Krachtens artikeI 84 WBTW wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid van het KB/BTW nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Dit artikel verhindert dat toepassing wordt gemaakt van de vermindering opgenomen in tabel C van de bijlage bij voormeld KB/BTW nr. 41.

4.4.

De rechtbank volgt eiseres waar zij stelt dat een belastingverhoging van 200% in voorliggend geval een repressief karakter heeft en bijgevolg een sanctie is van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6 EVRM. ·

De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, zoals in voorliggend geval, moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit houdt in dat de rechter rekening moet houden met de bepalingen opgenomen in het EVRM en de Grondwet, waaronder het recht op eigendom. Dat controlerecht biedt de rechter inzonderheid de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van •die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties· en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, [F.11.0142.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-vermindering-kwijtschelding-geldboete-cassatie-brussel-2013-04-18-5d60), www.cass.be).

Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. [Artikel 70 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008), Gelet op haar volle rechtsmacht acht de rechtbank het niet nodig of nuttig om de gevraagde prejudiciële vragen te stellen.

Rekening houdend met:

-het feit dat eiseres gedurende jaren en op systematische wijze een frauduleuze praktijk heeft opgezet die haar belastingplichtige afnemers in de mogelijkheid stelde om een omzet buiten BTW (in het zwart) te genereren en op die manier in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de ontwrichting van het BTW-stelsel,

-de vaststelling dat eiseres hieruit zelf geen enkel fiscaal voordeel heeft genoten,

-de overweging dat de overtreding werd begaan onder concurrentiële druk,

-de vaststelling dat een belastingverhoging van 200%, in absolute cijfers 443.740,00 euro, voor eiseres, gelet op haar boekhoudkundige cijfers, haar financiële toestand in die mate negatief zou beïnvloeden dat de aanslag het verder voortbestaan van eiseres ongetwijfeld in het gedrang kan brengen,

is de rechtbank van oordeel dat de opgelegde geldboete van 200% onevenredig is met de door eiseres begane inbreuk en met het doel van een administratieve boete. Het is immers niet eiseres doch wel haar (niet gecontroleerde?) klanten die het onrechtmatig voordeel hebben genoten. De rechtbank herleidt de geldboete dan ook tot 100% (zie ook Gent 9 maart 2010, FJF 2011, afl. 7, 795). Deze geldboete wordt geacht de repressieve en preventieve doelstellingen van deze sanctie te bereiken en bevindt zich in een evenredige verhouding met de aard en de ernst van de overtreding.

4.5.

Er zijn geen redenen om bovendien ook nog uitstel van de opgelegde sanctie te verlenen.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde bij arrest van 21 februari 2013 (nr. 13/2013, op http://www.const-court.be/public/n/2013/2013-013n.pdf) dat [artikel 70 §2, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre het de rechtbank van eerste aanleg niet mogelijk maakt de in dit artikel voorgeschreven geldboete gepaard te laten gaan met uitstel. Het preciseert dat die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid echter niet tot gevolg heeft dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (zie ook Cass. 20 juni 2013, [F.11.0007.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechter-toepassing-maakt-artikel-70-cassatie-brussel-2013-06-20-c78a), www.cass.be).

De rechtbank stelt in voorliggend geval vast dat de door deze rechtbank herleide geldboete van 100% evenredig is met de ernst van de overtreding en is van oordeel dat er geen redenen zijn om aan eiseres uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

5\. De gerechtskosten.

Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen de partijen, die het eventueel bekrachtigt (artikel 1017, lid 1 Ger. W.).

De kosten omvatten onder meer de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6° juncto artikel 1022 Ger. W.). De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de -advocaat van de in het gelijk gestelde partij (artikel 1022, lid 1 Ger. W.).

Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (artikel 1017, eerste lid Ger. W.).

Gelet op de bovenstaande beoordeling komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

---

## BESLISSING VAN DEZE RECHTBANK:

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN.**

**RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK.**

Met inachtneming van de artikelen 2 en 30 tot 42 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in volgende mate gegrond.

Herleidt de boete gevorderd in het dwangbevel uitgevaardigd op 10 november en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 17 november 2017 met nr. …tot 100%.

Beveelt de herberekening van het voormelde dwangbevel rekening houdend met de hierboven vermelde elementen.

Beveelt de terugbetaling van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest.

Wijst de overige vorderingen van eiseres af.

Zegt voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde burgerlijke kamer** van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag **vier december tweeduizend achttien**, waar aanwezig waren :

mevrouw F. C., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw M. C., griffier.

F. C.

M. C.

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 8 voorkomens

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 7 voorkomens

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 3 voorkomens

[WBTW art. 71](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-71) 1 voorkomen

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Neutraliteitsbeginsel, proportionele geldboete, interesten, voorafgaande kennisgeving, fraudetermijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/neutraliteitsbeginsel-proportionele-geldboete-interesten-rechtbank-hasselt-2024-01-18-62ca) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlenging van de verjaringstermijn, Voorafgaande kennisgeving, Motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlenging-verjaringstermijn-kennisgeving-motivering-hof-van-beroep-luxemburg-2022-05-17-bad5) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Kennisgeving van aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kennisgeving-aanwijzingen-fraude-in-boekhouding-rechtbank-namen-2020-04-02-bf01) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet aangegeven omzet, inzage gerechtsdossier, una via overleg](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-inzage-gerechtsdossier-una-rechtbank-gent-2024-03-13-576c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Vermoeden van fraude, Zwijgrecht, Valse facturen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vermoeden-fraude-zwijgrecht-valse-facturen-hof-van-beroep-brussel-2023-06-28-77bf) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Consulting, Bedrieglijk opzet, Plaats van de dienst, adviesverstrekking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/consulting-bedrieglijk-opzet-plaats-dienst-hof-van-beroep-brussel-2025-03-19-77c1) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Fraudetermijn, Voorafgaande kennisgeving Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-fraudetermijn-kennisgeving-belasting-toegevoegde-hof-van-beroep-gent-2023-06-17-d98e) 4 gemeenschappelijke bepalingen
