---
title: "Artikel 85 § 1 derde lid Btw-wetboek, Dreigende verjaring · Hof van beroep te Antwerpen, 17 maart 2026, 2022/AR/1704"
description: "Artikel 85 § 1 derde lid Btw-wetboek, Dreigende verjaring, Innings- en invorderingsregister. Hof van beroep te Antwerpen (België), 17 maart 2026, 2022/AR/1704."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/artikel-85-derde-lid-btw-hof-van-beroep-antwerpen-2026-03-17-5d9a"
lang: "nl"
---

# Artikel 85 § 1 derde lid Btw-wetboek, Dreigende verjaring

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Rolnummer**

2022/AR/1704

**Datum**

17 maart 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

70 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d.17.03.2026 (2022/AR/1704)

\[ FIN 55313476-01 \]

\[ Gunstig arrest \]

*BTW -* [*Artikel 85 § 1 derde lid Btw-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) *- Dreigende verjaring - Innings- en invorderingsregister*

*Zie ook* [*Arrest nr. 146/2024 van het Grondwettelijk Hof van 28 november 2024 (Rolnr. 8165)*](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingschuld-inning-opneming-in-innings-grondwettelijk-hof-brussel-2024-11-28-0d4d)

## Samenvatting van het arrest

1\. Feiten en vonnis in eerste aanleg

Een controle btw in 2020 voor de periode 1/1/2017-30/6/2019 leidde tot overleg tussen de belastingplichtige en de administratie op 23/11/2020 en 1/12/2020. Deze gesprekken leidden niet tot een akkoord en daarom werd een proces-verbaal opgemaakt en aangetekend verstuurd op 10/12/2020 m.b.t. onterechte aftrek van btw in het jaar 2017. In dit schrijven wordt bovendien gewezen op de kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld én op het feit dat de nakende verjaring ervan de rechten van de Schatkist in gevaar brengt, overeenkomstig art. 85, §1, 3de lid, W.BTW.. De schuld werd in dit geval in minder dan een maand opgenomen in het innings- en invorderingsregister (opname in dit register op 15/12/2020 en uitvoerbaarverklaring op 17/12/2020). De belastingplichtige dient inhoudelijk administratief bezwaar in op datum van 17/12/2020 en meent dat de administratie de termijn van één maand voorzien in artikel 85, §1, derde lid W.BTW. geschonden heeft.

De rechter oordeelt dat de wet inzake btw (art. 85, §1, derde lid W.BTW.) de dreigende verjaring niet uitsluit. In de memorie van toelichting staat uitdrukkelijk opgenomen dat dreigende verjaring een oorzaak kan zijn voor een versnelde opname in het innings- en invorderingsregister.

Op basis van het overleg op 23/11/2020 en 1/12/2020 met de belastingplichtige en de motivering in het proces-verbaal oordeelt de rechter dat er geen sprake is van misbruik van de mogelijkheid van dreigende verjaring en de rechten van de schatkist in gevaar zijn. De rechter oordeelt dat de rechten van verdediging niet zijn geschonden omdat de belastingplichtige over afdoende rechtsmiddelen beschikte wat blijkt uit het inhoudelijk gemotiveerde bezwaar dat al 7 dagen na de verzending van het proces-verbaal werd ingediend. Verder wijst de rechter erop dat een versnelde opname wegens dreigende verjaring in de inkomstenbelasting uitdrukkelijk bij wet is uitgesloten. Aangezien de btw-schuld reeds is gevestigd krachtens de wet zelf, strekt de voorafgaande kennisgeving ertoe de belastingplichtige afdoende te motiveren over de feitelijke en wettelijke grondslag van die schuld om eventueel een rechtsmiddel in te stellen. Hieraan werd voldaan door de administratie.

2\. Het arrest van het Grondwettelijk Hof

Het Hof onderzocht of [artikel 85, § 1, derde lid Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) verenigbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat het de rechten van de schatkist vrijwaart bij dreigende verjaring, ook wanneer die het gevolg is van een fout of nalatigheid van de administratie.

Door het stellen van de aan de btw onderworpen handeling wordt de btw opeisbaar en ontstaat de btw schuld dus krachtens de wet en dit zonder enig optreden van de fiscale administratie. Artikel 85 W.BTW. is pas van toepassing als de btw niet via de btw-aangifte wordt aangegeven en betaald.

Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op de uitvoerbare titel voor de invordering van de belastingschuld en heeft geen invloed op de verschuldigdheid ervan. Zij beïnvloedt enkel de verjaringstermijn voor de invordering, niet de aanslagtermijn.

Het is dus redelijk verantwoord dat de wetgever niet heeft bepaald dat een fout of nalatigheid van de administratie verhindert dat de uitzondering op de voorafgaande kennisgeving wordt toegepast wanneer een nakende verjaring de rechten van de Schatkist bedreigt.

Daarnaast is de rechter nagegaan of de rechten van de belastingplichtige niet onevenredig worden beperkt. Hoewel de motivering van de belastingschuld (in rechte en in feite) in een proces-verbaal, aanslag van ambtswege of bijzondere rekening dient te worden opgenomen, kan deze motivering ook eerder worden meegedeeld zoals in een regularisatie opgave of in het kader van een overleg met de belastingplichtige. Het Hof acht de rechten van de belastingplichtige niet onevenredig beperkt, gelet op de beschikbare administratieve en gerechtelijke beroepsmogelijkheden.

Het Hof benadrukt dat de uitzondering op de termijn van één maand tussen de kennisgeving en de uitvoerbare titel restrictief moet worden toegepast!

3\. Hoger beroep

Na het arrest van het Grondwettelijk Hof brengt de belastingplichtige geen concrete grieven meer aan maar verzoekt deze om een minimale rechtsplegingsvergoeding toe te kennen, zonder verdere motivering. Aangezien in hoger beroep een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof werd voorgelegd, kan door het Hof niet worden gesteld dat de zaak weinig complex is of dat er sprake is van een kennelijk onredelijke situatie en werd de normale rechtsplegingsvergoeding toegekend.

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d.17.03.2026 (2022/AR/1704)**

**cie1,** ON ..., volgens conclusie met zetel te ... doch die volgens de KBO gevestigd is te ...

eiseres in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. VANDEBERGH Henri, advocaat te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Pater

Beckersstraat 12 (ref.: C.21O13\_C7/HV)

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling

Hasselt van 13 oktober 2022, gekend onder rolnummer 21/861/A

tegen

**BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN,** ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de **ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT,** ON 0308.357.159, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,

verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. BONGAERTS Bert, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gounodstraat

2A bus 29 (ref.: 4011)

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 13 oktober 2022, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 oktober 2022, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;

Gelet op het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2024, verbeterd bij arrest van 20 februari 2024;

Gelet op het arrest nr. 146/2024 van het Grondwettelijk Hof van 28 november 2024;

## I. Feiten en procedure

1Bij tussenarrest van 6 februari 2024 werd een uiteenzetting gegeven van de feiten en

voorgaanden, die voor zoveel als nodig als herhaald dienen te worden beschouwd.

2 Bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 6 februari 2024, verbeterd bij arrest van het hof van beroep van 20 november 2024, werd het hoger beroep ontvankelijk verklaard en stelde het hof, alvorens verder recht te doen, volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof:

> *"Schendt* [*artikel 85 § 1 derde lid Btw-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) *de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat de rechten van de schatkist in het gedrang komen ingeval van dreigende verjaring, ongeacht of de dreigende verjaring het gevolg is van een fout/nalatigheid in hoofde van de fiscus dan wel het gevolg is van omstandigheden die niet te wijten zijn aan de fiscus?".*

3 Bij arrest nr. 146/2024 van 28 november 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet schendt. Het Hof oordeelde dat het redelijk verantwoord is dat de wetgever niet uitdrukkelijk heeft bepaald dat de uitzondering op de verplichting tot voorafgaande kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld aan de belastingplichtige niet kan worden toegepast wanneer de bedreiging van de rechten van de Schatkist door een nakende verjaring van de belastingschuld het gevolg is van een fout of nalatigheid van de administratie. Het Hof was verder van oordeel dat [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) de rechten van de belastingplichtige niet op een onevenredige wijze beperkt.

4 Eiseres in hoger beroep stelt thans in besluiten na arrest van het Grondwettelijk Hof zich naar de wijsheid van het hof te gedragen. Ze stelt verder in die omstandigheden aan te dringen op een minimale rechtsplegingsvergoeding.

5 De Belgische Staat verzoekt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. Hij verzoekt voor recht te zeggen dat het proces-verbaal d.d. 10 december 2020 en de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister niet nietig zijn. Hij verzoekt voor recht te zeggen dat er geen sprake kan zijn van een terugbetaling van de reeds geïnde bedragen. Hij verzoekt eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.

## Il. Beoordeling

1Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep na het arrest van het Grondwettelijk

Hof van 28 november 2024 geen concrete grieven meer aanhaalt tegen het bestreden vonnis.

De eerder in de procedure door eiseres in hoger beroep aangehaalde grieven hadden betrekking op [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) (dat bepaalt dat de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk een maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingregister dient ter kennis te worden gebracht, behalve indien de rechten van de schatkist in het gedrang komen) en het feit dat volgens eiseres in hoger beroep de nalatigheid van de administratie aan de oorzaak zou gelegen hebben van het in het gedrang zijn van de rechten van de schatkist in de zin van [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) waardoor de termijn van een maand niet diende gerespecteerd te worden. Ze stelde dat er dienaangaande sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Dit leidde ertoe dat het hof een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof stelde aangezien [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) geen onderscheid maakt tussen de situatie waarbij de dreigende verjaring het gevolg is van een fout/nalatigheid in hoofde van de fiscus dan wel de situatie waarbij de dreigende verjaring het gevolg is van omstandigheden die niet te wijten zijn aan de fiscus. In beide gevallen kan volgens [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) de termijn verkort worden wegens het in het gedrang komen van de rechten van de schatkist.

Bij arrest van 28 november 2024 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet schendt. Het hof oordeelde dat het redelijk verantwoord is dat de wetgever niet uitdrukkelijk heeft bepaald dat de uitzondering op de verplichting tot voorafgaande kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld aan de belastingplichtige niet kan worden toegepast wanneer de bedreiging van de rechten van de Schatkist door een nakende verjaring van de belastingschuld het gevolg is van een fout of nalatigheid van de administratie. Het hof was verder van oordeel dat [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) de rechten van de belastingplichtige niet op een onevenredige wijze beperkt.

Gelet op de wettekst van [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) en het arrest van het Grondwettelijk Hof van 28 november 2024 is het feit of er al dan niet enige fout of nalatigheid van de fiscus aan de oorzaak zou liggen van de bedreiging van de rechten van de schatkist (in het kader van dreigende verjaring) dan ook niet relevant in het kader van de beoordeling van de al dan niet correcte toepassing van [artikel 85 § 1, derde lid btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85).

Door eiseres in hoger beroep worden geen concrete grieven meer aangehaald tegen het bestreden vonnis.

Het hoger beroep vanwege eiseres in hoger beroep dient dan ook afgewezen te worden als ongegrond.

2Rekening houdende met het ongelijk in hoofde van eiseres in hoger beroep dient

deze veroordeeld te worden tot de kosten met betrekking tot de procedure in hoger beroep. Deze dienen in hoofde van eiseres in hoger beroep niet begroot te worden aangezien ze te haren laste blijven. In hoofde van verweerder in hoger beroep worden deze begroot op 1.412,79 euro.

Het hof gaat niet in op het verzoek van eiseres in hoger beroep om slechts de minimale rechtsplegingsvergoeding toe te kennen. Dit verzoek van eiseres in hoger beroep wordt niet gemotiveerd. Het hof is van oordeel dat er in casu niet voldaan is aan één van de criteria zoals opgesomd in artikel 1022, derde lid Ger.W. die zouden verantwoorden dat in voorliggend geval slechts een minimale rechtsplegingsvergoeding zou worden toegekend. Het feit dat eiseres in hoger beroep na het arrest van het Grondwettelijk Hof geen concrete grieven meer formuleert, doet er niet toe besluiten dat er sprake is van een gebrek aan complexiteit van de voorliggende betwisting noch van een kennelijk onredelijk karakter van de situatie die zou verantwoorden dat slechts de minimale rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend. Dit is des te meer het geval gelet op het feit dat tijdens de procedure in hoger beroep na het uitwisselen van conclusies tussen partijen een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof werd gesteld.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

### Beschikkend gedeelte

## III. Uitspraak

Het hof doet uitspraak bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

De tussenarresten van 6 februari 2024 en 20 februari 2024 verder uitwerkend.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof zegt voor recht dat het proces-verbaal d.d. 10 december 2020 en de schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister niet nietig zijn en dat er dienaangaande geen sprake kan zijn van een terugbetaling van de reeds geïnde bedragen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten met betrekking tot procedure in hoger beroep. Deze worden in hoofde van eiseres in hoger beroep niet begroot aangezien ze te haren laste blijven. In hoofde van verweerder in hoger beroep worden deze begroot 1.412,79 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 maart 2026 door:

C. PRINSEN

E. DE BRAUWER

K. LEYSEN

E. CLEYMANS

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 13 voorkomens

## Rechtspraak

2

### België

2

Grondwettelijk Hof 28.11.2024

#### [Belastingschuld, Inning, Opneming in een innings- en invorderingsregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingschuld-inning-opneming-in-innings-grondwettelijk-hof-brussel-2024-11-28-0d4d)

Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt 13.10.2022

#### [Innings- en invorderingsregister, voorafgaande kennisgeving verantwoording belastingschuld, termijn, betalingstermijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/innings-invorderingsregister-kennisgeving-verantwoording-rechtbank-hasselt-2022-10-13-5d10)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Regularisatieopgave, Handtekening voor akkoord -Vertegenwoordigingsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-handtekening-akkoord-hof-van-beroep-brussel-2021-01-21-0c02) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Procedure, Dwangbevel, Handtekeningsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-dwangbevel-handtekeningsbevoegdheid-artikel-85-cassatie-brussel-2020-12-04-34b9) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Innings- en invorderingsregister, voorafgaande kennisgeving verantwoording belastingschuld, termijn, betalingstermijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/innings-invorderingsregister-kennisgeving-verantwoording-rechtbank-hasselt-2022-10-13-5d10) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Overeenstemming met het unierecht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-overeenstemming-unierecht-rechtbank-brussel-2022-12-21-5d36) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Uitvoer, Bewijs, Geldigheid van het dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-uitvoer-omzet-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2020-12-15-9f0f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van de omzet, Bewijs door vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzet-bewijs-vermoedens-geen-hof-van-beroep-brussel-2023-02-a664) 1 gemeenschappelijke bepalingen
