Art. 39 bis W.BTW, vrijstelling art. 39bis · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Brussel 23 september 2025

Zoeken

Art. 39 bis W.BTW, vrijstelling art. 39bis

https://juriel.be/nl/rechtspraak/art-39-bis-btw-vrijstelling-hof-van-beroep-brussel-2025-09-23-30e2

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Brussel
Datum
23 september 2025

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

145 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 23.09.2025

WF 54289417/01

[ Gunstig arrest ]

BTW – Art. 39 bis W.BTW

Volledige tekst:

Tekst van de beslissing

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 23.09.2025

(2020/AF/367)

X., ON …, met maatschappelijke zetel te …,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. L.A. en Mr. S;M., advocaten te …

tegen

1.DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in deze vertegenwoordigd door de adviseur BBI, 5de DIRECTIE, ON 0308.357.159, met kantoren te 9050 GENT, Gaston Crommenlaan 6 bus 801,

2.DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financier), met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in deze vertegenwoordigd door de adviseur TEAM INVORDERING RP VILVOORDE, ON 0308.357.159, met kantoren te 3001 HEVERLEE, Philipssite 3A bus 2,

hierna samen genoemd geïntimeerden,

die in persoon verschijnen, door tussenkomst van een ambtenaar, V.I., adviseur.


Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder :

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 10 april 2020, waarvan geen

betekeningsakte voorligt;

 het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 15 september 2020;

 de conclusies en syntheseconclusies van appellante, neergelegd ter griffie op 20 april 2021 en 19 oktober 2021;

 de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 4 januari 2021, 6 juli 2021 en 17 januari 2022;

 de stukken van appellante, elektronisch neergelegd op 19 oktober 2021 en ter terechtzitting op 2 september 2025;

 de stukken van geïntimeerden, neergelegd ter terechtzitting op 2 september 2025.

1. Relevante feiten en voorgaanden

Appellante is een btw-belastingplichtige in het kader van haar activiteit als handelaar van tweedehands wagens en lichte bestelwagens.

De Bijzondere Belastinginspectie Gent voerde een btw-controle uit voor de periode 2012­2015 en in het bijzonder wat betreft de door appellante aangegeven intracommunautaire leveringen.

Op 21 augustus 2017 werd een proces-verbaal opgesteld en stelde de btw-administratie dat de door appellante aangegeven intracommunautaire leveringen aan de in het proces-verbaal vermelde Bulgaarse klanten niet waren bewezen en dat een bedrag van 1.898.154,30 euro btw was verschuldigd. Tevens werd verwezen naar een geldboete t.b.v. 3.796.308,60 euro, maar werd gesteld dat de vermelde geldboete, hoewel van toepassing, niet effectief door de administratie gevorderd wordt en dat de sanctionering integraal en exclusief wordt overgelaten aan het ambt van de procureur des Konings en de strafgerechten in het kader van het non bis in idem beginsel. De nalatigheidsinteresten werden wel berekend op het bedrag van de verschuldigde belasting te rekenen vanaf 21 januari 2016 (stuk B.1 van geïntimeerden).

Op 14 september 2017 werd een bevel tot betaling uitgevaardigd (artikelnummer 500/1853/08166) waarin wordt verwezen naar het btw-bedrag t.b.v. 1.898.154,30 euro vermeerderd met interesten. Het hof stelt vast dat er in dit bevel geen boete wordt gevorderd (stuk A.1 van geïntimeerden).

Appellante verwijst naar het `aria via' overleg, overeenkomstig artikel 29, 3de alinea Sv zoals te dezen van toepassing, dat heeft plaatsgevonden tussen de fiscale administratie en het openbaar ministerie. Op 24 oktober 2017 deelde de onderzoeksrechter het dossier mede aan de procureur des Konings voor eindvordering, waarna de procureur des Konings de buitenvervolgingstelling vorderde. Bij beschikking van 11 mei 2018 oordeelde de raadkamer dat er geen reden tot vervolging is ten aanzien van appellante (stukken 1.1- 1.5 van appellante).

2. Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 1 februari 2018 stelde appellante een vordering in rechte in tegen deze btw-vordering.

Appellante verzocht de rechtbank om:

 het proces-verbaal d.d. 21 augustus 2017 te vernietigen, minstens ongegrond

te verklaren;

 de administratie te veroordelen tot opheffing van de btw-vordering onder artikelnummer 500/1853/08166 en voor recht te zeggen dat de daarin gevorderde sommen niet verschuldigd zijn door appellante;

 de administratie te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.

Geïntimeerden verzochten de rechtbank om het verzet van appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren.

In het bestreden vonnis verklaarde de rechtbank de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellante tot de betaling van de gerechtskosten, begroot op 0,00 euro.

De rechtbank oordeelde dat appellante principieel voldeed aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 39bis, 1° W.BTW, maar dat appellante wist of had moeten weten dat de door haar verrichte handelingen met de vermelde Bulgaarse vennootschappen deel uitmaakten van een systeem van btw-fraude en dat appellante niet alle haar ter beschikking staande redelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat zij zelf bij deze fraude betrokken raakte. De rechtbank oordeelde dat appellante wetens en willens een passieve en lakse houding heeft aangenomen, niet te goeder trouw heeft gehandeld en dat de btw-administratie aldus terecht de vrijstelling van btw heeft geweigerd aan appellante voor de verkopen/leveringen van tweedehands voertuigen aan deze Bulgaarse vennootschappen. De rechtbank oordeelde dat de opgelegde fiscale geldboete van 3.796.300,00 euro correct in overeenstemming met de wettelijke bepalingen werd begroot en dat de rechtbank niet de bevoegdheid heeft om kwijtschelding of vermindering van de geldboete te verlenen.

Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan bij het voormelde verzoekschrift tot hoger beroep.

3. Procedure voor het hof van beroep

Appellante verzoekt het hof om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende:

in hoofdorde: de oorspronkelijke vordering van appellante gegrond te verklaren, dienvolgens, het proces-verbaal d.d. 21 augustus 2017 te vernietigen, minstens ongegrond te verklaren, de administratie te veroordelen tot opheffing van de btw-vordering met artikelnummer 500/1853/08166 en voor recht te zeggen dat de hierin gevorderde btw-sommen, boete en interesten niet verschuldigd zijn;

in ondergeschikte orde: de hierna vermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie;

in ieder geval: geïntimeerden te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen.

De prejudiciële vraag voorgesteld door appellante luidt als voegt.

"Wordt artikel 28quater A, a van de Zesde Richtlijn (77/388) niet geschonden in zoverre de fiscale Administratie van een Lidstaat kan bepalen dat voldaan is aan de voorwaarden voor de toepassing van de btw-vrijstelling ex artikel 39b1s WBTW, doch dat de BTW- vrijstelling niet wordt toegekend op intracommunautaire goederenleveringen indien de belastingplichtige wordt verweten wetens en willens een passieve en lakse houding te hebben aangenomen en dus niet te goeder trouw zou hebben gehandeld zonder dat er evenwel fraude in hoofde van de belastingplichtige wordt verweten?"

Appellante voert hiertoe de volgende middelen aan:

 een gebrek aan bewijskracht van het proces-verbaal, de erin gedane vaststellingen zijn onjuist, het proces-verbaal is gesteund op een willekeurige bewijsvoering, zodat de navordering niet bewezen wordt, bovendien is er een lange tijd verstreken tussen de (feitelijke) vaststellingen en de opneming ervan in een proces-verbaal;

 wat betreft het vervoer van de wagens, stond de koper in voor het vervoer van de wagens naar Bulgarije, appellante legt de nodige handelsstukken voor die de verzending en het vervoer naar een andere lidstaat van de EU aantonen (stukken 9-15 van appellante), appellante heeft er alles aan gedaan teneinde een vrijgestelde intracommunautaire levering te verrichten, zij heeft te goeder trouw gehandeld;

 appellante heeft aangetoond dat de Bulgaarse afnemers effectief de hoedanigheid van btw-belastingplichtige hadden, dat het btw-nummer van de afnemers later zou zijn geschrapt, doet niets of aan de geldigheid ervan op het moment dat appellante werd geacht de btw-hoedanigheid van haar afnemer te controleren;

 het kan niet betwist worden dat appellante voldaan heeft aan de twee materiele voorwaarden teneinde te genieten van de btw-vrijstelling, de btw-administratie voegt voorwaarden toe aan de wet en miskent het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel door een overdreven formalisme te hanteren;

 de btw-administratie neemt een willekeurige houding aan;

 appellante was op geen enkele wijze op de hoogte dat bepaalde wagens zouden zijn vervoerd naar het Verenigd Koninkrijk;

 appellante is te goeder trouw, in ondergeschikte orde verzoekt appellante om de hoger vermelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie;

 er is geen reden om een boete van 200% op te leggen, de btw-administratie faalt in haar bewijslast dat er sprake is van kwade trouw, appellante verzoekt het hof om deze boete kwijt te schelden minstens te verminderen tot 10%;

 aangezien de btw-administratie niet heeft gehandeld zoals zij dit in het kader van behoorlijk bestuur had moeten doen en appellante meer dan twee jaar heeft moeten wachten vooraleer zij volledig werd ingelicht over het exacte voorwerp van het onderzoek, heeft appellante een subjectief recht om vrijstelling van interesten te vragen.

Geïntimeerden verzoeken het hof om het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en het bevel d.d. 14 september 2017 met bijgevoegd proces-verbaal van 21 augustus 2017 te bevestigen.

Geïntimeerden voeren hiertoe de volgende middelen aan:

 geïntimeerden waren geen partij in de strafzaak;

 opdat de leveringen vrijgesteld zijn van btw, dient appellante te bewijzen dat aan alle materiele en formele voorwaarden werd voldaan, rekening houdende met het 'substance over form' — principe, in onderhavige betwisting faalt appellante volledig in het leveren van enig zeker bewijs, de administratie verwijst dienaangaande naar de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal, met name o.a. de informatie verkregen uit Bulgarije, de wijze van betalingen via stortingen bij de Bank van de Post, de wijze van vervoer van de wagens en de informatie verkregen van de Britse administratie aangaande de 'missing trader';

 er is geen sprake van enige schending van de beginselen van behoorlijk bestuur;

appellante heeft niet te goeder trouw gehandeld en zij heeft niet alles gedaan wat redelijkerwijze binnen haar mogelijkheden lag om te vermijden dat zij bij de btw-fraude betrokken raakte;

de inbreuken zijn gepleegd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, de btw-boete van 200% is verantwoord en evenredig met de ernst en de omvang van de begane overtredingen;

 de nalatigheidsinteresten zijn van rechtswege verschuldigd en er werd geen verzoek overeenkomstig artikel 84bis W.BTW ingediend.

De zaak werd behandeld in openbare terechtzitting van 2 september 2025, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist door geïntimeerden. Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn, is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.

4.2. Inzake het 'una via' overleg

Alhoewel geïntimeerden weinig toelichting geven aan het hof over het gevoerde 'una via' overleg tussen de fiscale administratie en het openbaar ministerie, staat het vast dat dit overleg plaats heeft gevonden. Dit blijkt ook uit de tekst van het proces-verbaal waarin uitdrukkelijk door de fiscale administratie wordt gesteld dat de sanctionering integraal en exclusief aan het openbaar ministerie wordt overgelaten.

In tegenstelling tot hetgeen appellante evenwel tracht te laten uitschijnen, heeft deze beschikking tot buitenvervolgingstelling van appellante door de raadkamer niet tot gevolg dat het hof niet meer dient te beoordelen of appellante recht heeft op de btw-vrijstelling van artikel 39bis W.BTW op de geviseerde leveringen. De beschikking van de raadkamer tot buitenvervolgingstelling d.d. 11 mei 2018 heeft geen gezag van gewijsde ten aanzien van de burgerlijke rechter, immers werd er geen onherroepelijke beslissing ten gronde over het voorwerp van de strafvordering uitspraak gedaan en oordeelt de raadkamer enkel over 'bezwaren' en niet over bewijzen (vgl. Cass. 16 februari 2005, P.04.1428.F en Cass. 2 april 2003, P.03.0040.F, zie eveneens DECLERCQ R., Beginselen van strafrechtspleging: De raadkamer, Kluwer, 2014, 383). Bovendien is het 'una via'- principe op de btw zelf, die geen straf betreft, in geen geval van toepassing.

Het hof dient aldus op basis van de voorgelegde stukken en middelen zelf te beoordelen of appellante recht heeft op de btw-vrijstelling.

4.3. Inzake de bewijswaarde van het proces-verbaal

Volgens appellante ontbreken in het proces-verbaal werkelijke vaststellingen, minstens zijn de gedane vaststellingen onjuist en kunnen de in het proces-verbaal opgesomde vaststellingen niet dienen als bewijs van de btw-navordering. Volgens appellante is het proces-verbaal gesteund op een willekeurige bewijsvoering. Tenslotte stelt appellante dat er een te lange tijd is verstreken tussen de (feitelijke) vaststellingen en de opname ervan in het proces-verbaal opgesteld op 21 augustus 2017. Volgens appellante bezat de administratie reeds midden 2015 alle gegevens, maar kreeg zij slechts op 21 augustus 2017 voor de eerste maal kennis van de resultaten van het fiscaal onderzoek, zijnde twee jaar en acht maanden na de aanvang van de fiscale controle. Appellante besluit dat de administratie aldus niet het bewijs levert van de btw-vordering.

In toepassing van artikel 59, §1 W.BTW kan iedere overtreding van het W.BTW door de administratie worden bewezen door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door processen-verbaal die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen. Deze bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal blijft beperkt tot de vaststellingen die erin zijn opgenomen en strekt zich niet uit tot de gevolgtrekkingen die de verbalisant uit de vaststellingen afleidt.

Het hof wijst er vooreerst op dat de wetgeving geen termijn bepaalt waarbinnen het in artikel 59 W.BTW bedoelde proces-verbaal dient te worden opgesteld en dient te worden medegedeeld aan de belastingplichtige. De bijzondere bewijskracht van een proces-verbaal kan wel worden aangetast wanneer een onredelijk lange termijn verstrijkt tussen de vaststellingen en de redactie van het uiteindelijk proces-verbaal. Het proces-verbaal is immers bedoeld om bepaalde vaststellingen of feiten vast te leggen en om aan deze vaststellingen een karakter van waarheid te geven, tot bewijs van het tegendeel. Het tijdsverloop tussen de controle en het opstellen van het proces-verbaal kan onder omstandigheden de rechten van verdediging aantasten van de belastingplichtige (vgl. Cass. 10 juni 2010, Fisc. 2010, afl. 1222, 11).

Het hof oordeelt dat appellante niet in concreto aantoont dat haar rechten van verdediging zouden zijn miskend.

In onderhavige betwisting dient immers rekening te worden gehouden met het 'una via' overleg dat in 2016 heeft plaatsgevonden en aldus ook tijd in beslag heeft genomen. Appellante bevestigt bovendien dat haar zaakvoerders ook werden ondervraagd in het kader van het gerechtelijk onderzoek, zodoende dat appellante duidelijk op de hoogte was van de btw-problematiek en alle mogelijkheden heeft gehad om haar rechten van verdediging te vrijwaren. Ook werden door de btw-administratie verschillende vragen aan buitenlandse administraties gesteld zodoende dat deze ook enige tijd in beslag hebben genomen.

Het hof oordeelt dat er geen schending van de rechten van verdediging door appellante wordt aangetoond en dat de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal niet wordt aangetast doordat de administratie enige tijd heeft gewacht voor het opstellen van het proces-verbaal. Wat betreft de bewijswaarde van de vaststellingen van de verbalisanten opgenomen in het proces-verbaal, die door appellante wordt betwist, zal het hof dit ten gronde beoordelen in het kader van de toepassing van artikel 39bis W.BTW, rekening houdende met het feit dat de bewijslast dienaangaande rust op appellante.

4.4. Inzake de intracommunautaire leveringen — artikel 39bis W.BTW

Relevante bepalingen en rechtspraak van het Hof van Justitie

Artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper (andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, §2), door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België, maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet — belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, §4.

De bewijselementen teneinde te genieten van deze vrijstelling zijn opgenomen in het Koninklijk Besluit nr. 52 van 29 december 1992, zoals te dezen van toepassing voor de opheffing ervan met ingang van 1 januari 2020, en luiden als volgt:

 artikel 1: het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap;

 artikel 2: het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet—belastingplichtige rechtspersoon die voor de belasting over de toegevoegde waarde is geïdentificeerd in een andere lidstaat;

 artikel 3: de verkoper moet te alien tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt en moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren kunnen overleggen, die stukken betreffen onder meer de contracten, de bestelbonnen, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

De bewijslast teneinde te kunnen genieten van deze vrijstelling ligt bij appellante. Appellante moet het recht op de vrijstelling bewijzen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelsstukken, zoals bestelbonnen, facturen van de vervoerder, vervoersbewijzen, betalingsstukken, contracten, ontvangsten van betaling enz. Het hof stelt vast dat geïntimeerden niet betwisten dat bij de beoordeling van deze vrijstelling rekening dient gehouden te worden met het `substance over form'-principe (inhoud boven vorm), met name dat indien de belastingplichtige aantoont dat aan de materiele voorwaarden teneinde te kunnen genieten van de vrijstelling is voldaan, de btw-vrijstelling kan worden toegekend, zelfs indien niet zou zijn voldaan aan bepaalde formele vereisten (vgl. HvJ 9 februari 2017, C-21/16). Evenwel voeren geïntimeerden terecht aan dat dit principe ook in de andere richting werkt. Net zoals het ontbreken van de juiste formaliteiten geen afbreuk kan doen aan de realiteit, kunnen louter formaliteiten het gebrek aan realiteit niet toedekken. Dit geldt des te meer indien er sprake is van fraude. Ingevolge de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie kan niemand in geval van bedrog of misbruik aanspraak maken op enige rechtsregel in zijn voordeel, zoals een vrijstelling (vgl. HvJ 18 december 2014, Italmoda, C-131/13, C-163/13, C-164/13, stuk B.29 van geïntimeerden). Geïntimeerden stellen dan ook terecht dat een belastingplichtige zich niet zonder meer kan beroepen op het nakomen van bepaalde formele voorwaarden of het vervuld zijn van materiele voorwaarden indien blijkt dat hij betrokken is bij btw-fraude.

Een leverancier die evenwel te goeder trouw heeft gehandeld en bewijzen heeft aangeboden waardoor zijn recht op vrijstelling voor een intracommunautaire levering van goederen op het eerste gezicht wordt gestaafd, kan niet worden verplicht tot nabetaling van de over deze goederen verschuldigde btw, wanneer die bewijzen vals blijken, zonder dat evenwel is aangetoond dat deze leverancier bij de belastingfraude is betrokken, voor zover hij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt om te zorgen dat hij door de intracommunautaire levering die hij verricht niet bij dergelijke fraude betrokken geraakt (vgl. HvJ 27 september 2007, Teleos e.a., C-409/04).

Standpunt partijen

In onderhavige betwisting stellen geïntimeerden dat appellante volledig faalt in het leveren van enig zeker bewijs en verwijzen dienaangaande naar de vaststellingen in het proces-verbaal.

Appellante daarentegen stelt dat voor de betwiste verkopen de koper instond voor het vervoer van de goederen naar Bulgarije maar dat zij de nodige handelsstukken heeft bijgehouden die de verzending en het vervoer aantonen naar een andere lidstaat van de Europese Unie. Appellante verwijst dienaangaande naar haar stukken 6 tot en met 15, met name de identificatiegegevens van de Bulgaarse vennootschappen, de bestelbonnen, de facturen met bijlagen en betalingsbewijzen, de VIES-bestanden en de CMR-transportdocumenten. Tevens stelt appellante dat zij afdoende heeft aangetoond dat de Bulgaarse vennootschappen effectief de hoedanigheid van btw-belastingplichtige hadden en verwijst dienaangaande naar het feit dat zij de btw-nummers heeft gecontroleerd via het VIES-systeem en de nodige identificatiedocumenten heeft opgevraagd (de oprichtingsaktes, de identiteitsgegevens van de zaakvoerder en van de wettelijk vertegenwoordiger van de vennootschappen, de ondertekende volmachten en e-mailverkeer). Dat mogelijk achteraf het btw-nummer van deze Bulgaarse vennootschappen zou zijn geschrapt, doet, volgens appellante, niets of aan de geldigheid ervan op het moment dat appellante werd geacht de btw-hoedanigheid van haar afnemer te checken, en betreft informatie waarvan appellante geen kennis had. Appellante benadrukt dat zij te goeder trouw heeft gehandeld en dat zij aantoont dat zij voldoet aan de twee materiele voorwaarden voor de vrijstelling, met name (1) de goederen zijn verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat en (2) door of voor rekening van een btw-belastingplichtige die ais zodanig handelt. Volgens appellante kan door het louter gebrek aan bepaalde formaliteiten, die door de administratie worden aangehaald, gelet op het `substance over form'- principe, haar de vrijstelling niet geweigerd worden.

Beoordeling

Uit het geheel van de volgende vastgestelde en overeenstemmende objectieve elementen oordeelt het hof dat appellante faalt in de op haar rustende bewijslast en dat geïntimeerden terecht de btw-vrijstelling op de geviseerde verrichtingen hebben geweigerd. Geïntimeerden voeren terecht aan dat appellante niet te goeder trouw heeft gehandeld en alleszins niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijze in haar mogelijkheid lag om te vermijden dat zij bij de btw-fraude betrokken raakte.

- De aanzienlijke omzetstijging m.b.t. intracommunautaire leveringen

De btw-administratie verwijst naar een aanzienlijke plotse omzetstijging in het kader van intracommunautaire leveringen met Bulgaarse afnemers in de periode 2012-2015 ten aanzien van 2011 (0,38% in 2011, 10,75% in 2012, 28,51% in 2013, 33,45% in 2014, 52,16% in eerste kwartaal 2015, 34,21% in 2015).

Uit nazicht bleek dat er sprake was van 7 Bulgaarse afnemers die voor 9.038.830,00 euro wagens aankochten met toepassing van de btw-vrijstelling voor intracommunautaire leveringen. Uit nazicht door de btw-administratie bleek dat de btw-nummers van deze Bulgaarse afnemers, korte tijd nadat deze wagens bij appellante hadden aangekocht, geschrapt werden. Het hof verwijst naar het schematisch overzicht opgesteld door geïntimeerden in hun laatste conclusie (pagina 11) waaruit blijkt dat de verschillende Bulgaarse afnemers gedurende een korte tijd wagens aankochten bij appellante en elkaar vervolgens opvolgden als nieuwe afnemer van appellante, waarbij voor zes vennootschappen steeds dezelfde persoon optrad. Ook de zevende vennootschap werd bij appellante aangebracht door diezelfde persoon.

De door appellante voorgelegde volmachten

Voor zes Bulgaarse vennootschappen trad steeds dezelfde persoon op als vertegenwoordiger, dhr. B.I., en waarbij de lay-out van de voorgelegde volmachten identiek is (stuk 20 van geïntimeerden). De zaakvoerster van appellante verklaarde dat deze persoon de contactpersoon was voor de verschillende Bulgaarse vennootschappen en dat er geen contact was met de eigenaars van deze vennootschappen.

De werkwijze

Er worden geen contracten met deze Bulgaarse vennootschappen voorgelegd. Volgens verklaringen van de zaakvoerders van appellante komen B.I. (namens 6 Bulgaarse vennootschappen) en S.G. namens de Bulgaarse vennootschap P.A. ter plaatse de wagens bekijken, waarna bestelbonnen en verkoopfacturen worden opgesteld.

Er werden door appellante CMR's voorgelegd, evenwel zonder een duidelijk en concreet Ieveringsadres (stuk 21 van geïntimeerden — vak 3 van het document).

De betalingen

De zaakvoerster van appellante verklaart dat de klant cash geld mee heeft en indien er een akkoord is over de aankoop van de wagen, dit cash geld wordt gestort bij een kantoor van de Bank van de Post op naam van B.I. of S.G., waarna het geld wordt overgeschreven door een bankbediende op rekening van appellante. De bank rekende steeds een kost van 2,80 euro per opdracht. Tevens verklaart de zaakvoerster, en bevestigt appellante dit ook in de conclusies, dat iemand van appellante steeds meeging naar de bank. Appellante laat dan ook ten onrechte uitschijnen dat de betalingen via overschrijvingen vanuit de Bulgaarse vennootschap gebeurden. Uit het overzicht van de cashstortingen per dag blijkt dat er aanzienlijke cashbedragen worden gestort gaande van ongeveer 10.000,00 euro tot 280.000,00 euro (overzicht laatste conclusies geïntimeerden p. 28-30). Ter illustratie verwijst het hof naar de volgende cashstortingen:

01.09.2015: 250.950,00 euro

02.09.2015: 165.550,00 euro

04.09.2015: 91.200,00 euro

22.09.2015: 72.950,00 euro

23.09.2015: 10.500,00 euro

Uit de door appellante voorgelegde betalingsbewijzen, zijnde genoemd 'Poststorting op rekening van derden (Ontvangstbewijs)', blijkt dat bijvoorbeeld de opdrachtgever B.I. is en er nergens een verwijzing is naar de Bulgaarse vennootschap die beweerdelijk optrad als koper (vb. stuk 11 b van appellante verwijst naar B.I. en niet naar de vermeende koper van de wagen zoals blijkt uit de factuur Smart Finance AD, met een ander adres).

- De informatie verkregen van de Bulgaarse en Britse administratie

Naar aanleiding van vragen gesteld door de administratie antwoordt de Bulgaarse administratie dat de Bulgaarse afnemers of hun vertegenwoordiger niet terug te vinden zijn, er geen intracommunautaire verwervingen werden aangegeven door deze Bulgaarse vennootschappen en de btw-nummers op initiatief van de Bulgaarse administratie werden geschrapt.

Wat betreft de Bulgaarse afnemer Proper Auto deelt de Bulgaarse administratie mede dat de aankopen werden aangegeven als tussenliggende vennootschap in het kader van driehoeksverkeer en dat deze afnemer heeft verklaard dat de wagens werden geleverd in Londen bij T.T. Ltd., waarvan de Britse administratie meedeelt dat dit een 'missing trader' blijkt te zijn, eveneens uitgeschreven voor btw-doeleinden. Appellante stelt dat zij hiervan niet op de hoogte was en dat zij meende dat de goederen naar Bulgarije werden verzonden aangezien de verkopen met Proper Auto op dezelfde manier verliepen als met de andere 6 Bulgaarse vennootschappen. Deze stelling van appellante bevestigt dat appellante weinig aandacht schonk aan de werkelijkheid van de verrichtingen.

- Besluit

Op basis van het geheel van deze overeenstemmende objectieve elementen staat het vast dat appellante wetens en willens haar medewerking heeft verleend aan het frauduleus opgezet btw-systeem. Van enige goede trouw in hoofde van appellante is geen sprake. Ten onrechte beweert appellante dat zij de nodige voorzorgsmaatregelen heeft getroffen, immers blijkt duidelijk dat appellante de wagens heeft laten vertrekken zonder ook maar te weten naar welk concreet adres deze zouden vervoerd worden en liet zij toe dat er personen met aanzienlijke bedragen cashgeld ter plaatse kwamen. Appellante liet deze werkwijze toe op herhaalde en veelvuldige basis gedurende verschillende jaren. Nochtans blijkt uit de eigen website van appellante dat zij zeer goed op de hoogte is van de mogelijke btw-risico's van intracommunautaire leveringen, aangezien zij op haar website vermeldt 'indien nodig hebben wij tevens het recht het bewijs van de betaling van de BTW op de intracommunautaire aankoop op de wagen op te vragen of de aangifte van de intracommunautaire verwerving in de (buitenlandse) BTW-aangifte van de koper' (stuk 6.25 van geïntimeerden — afprint van de website d.d. 16.06.2015). In haar nochtans veelvuldige contacten met de Bulgaarse afnemers heeft zij op geen enkel ogenblik enige navraag gedaan naar de btw-aangiftes in Bulgarije of de btw-betalingen in Bulgarije.

De aanzienlijke cashgelden waarvan appellante op de hoogte was, de hoegrootheid van de bedragen en de cascade van Bulgaarse vennootschappen waarmee appellante gedurende jaren handel dreef, tonen aan dat appellante actief haar medewerking heeft verleend. In tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank kan er aldus niet louter sprake zijn van een passieve en lakse houding van appellante, appellante heeft wet degelijk een actieve rot gespeeld en was een onmisbare schakel in het fraudesysteem. Gelet op het oordeel van het hof, met name de vaststelling dat er wet degelijk sprake is van fraude in hoofde van appellante, is er dan ook geen enkele grond om de door appellante voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

Appellante kan zich niet verschuilen achter (enkele en beperkte) louter formele documenten of op enige voorafgaande raadpleging van het VIES-systeem. Geïntimeerden verwijzen terecht naar de vermelding op de VIES-website dat een loutere raadpleging van de website op zich niet het recht op vrijstelling verleent (stuk B.10 van geïntimeerden). Gelet op haar eigen handelswijze, kan appellante bezwaarlijk stellen dat zij alles gedaan heeft wat redelijkerwijze in haar mogelijkheden lag om te vermijden dat zij bij dergelijke fraude betrokken is geraakt. De diverse overige aanvoeringen van appellante zijn niet van die aard dat zij afbreuk kunnen doen aan voormelde gegevens van het dossier op basis waarvan onomstotelijk vaststaat dat er sprake is van actieve medewerking door appellante aan het fraudesysteem.

Van enige willekeurige bewijsvoering door de btw-administratie is geen sprake. Evenmin voegt de btw-administratie voorwaarden toe aan de wettelijke regelgeving of miskent zij het evenredigheids- of rechtszekerheidsbeginsel.

Het door de btw-administratie uitgebreide onderzoek en uitvoerig opgesteld proces-verbaal bewijzen de medewerking van appellante aan de btw-fraude en appellante faalt in de op haar rustende bewijslast dat werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 39bis W.BTW. Dienvolgens hebben geïntimeerden terecht de btw-vrijstelling geweigerd. Het hoger beroep van appellante is ongegrond.

4.5. Inzake de geldboete

Het hof stelt vast dat partijen verwijzen naar `een opgelegde geldboete van 200%. Nochtans wordt in het proces-verbaal d.d. 21 augustus 2017 duidelijk gesteld dat de btw-boete niet effectief door de administratie gevorderd wordt bij het vestigen van de taxatie. In het bevel tot betaling wordt evenmin verwezen naar enige btw-boete (stuk A.1 van geïntimeerden).

Dienaangaande partijen hierdoor door het hof bevraagd, bevestigt mevr. V. namens geïntimeerden ter terechtzitting dat er geen btw-boete wordt geïnd, zoals dit ook blijkt uit het innings-en invorderingsbericht inzake btw d.d. 11 december 2019 met artikelnummer 500/1853/08166 neergelegd ter terechtzitting, waarin evenmin wordt verwezen naar een boete.

In de mate dat appellante het hof aldus verzoekt om voor recht te zeggen dat appellante de in het artikelnummer 500/1853/08166 gevorderde boete niet verschuldigd is, is deze vordering zonder voorwerp.

In de mate dat appellante het hof verzoekt om het proces-verbaal d.d. 21 augustus 2017 te vernietigen wat betreft de `motivering' van de boete (pagina 78 van het proces-verbaal), met name dat volgens de administratie blijkt dat de vastgestelde overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (onder meer door gebruik te maken van het ten onrechte inroepen van de vrijstelling, het ontvangen van contante betalingen, het opmaken van intracommunautaire opgaven waarin intracommunautaire leveringen worden vermeld waarvan zij wist of had moeten weten dat zij niet verworven gingen worden door de ontvanger van de goederen, het feit dat zij had moeten weten dat de verwerving door de klanten niet zou worden aangegeven) oordeelt het hof dat gelet op hetgeen hoger geoordeeld, zijnde de actieve medewerking van appellante aan het fraudesysteem, de btw-administratie terecht verwijst naar de geldboete van 200%. In die mate is het hoger beroep van appellante eveneens ongegrond.

4.6. Inzake de nalatigheidsinteresten

Appellante verzoekt vrijstelling van nalatigheidsinteresten omdat, volgens appellante, de administratie niet tegemoet is gekomen aan haar schadebeperkingsplicht, door meer dan twee jaren of te wachten vooraleer zij volledig werd ingelicht over het exacte voorwerp van het onderzoek.

Het hof oordeelt dat geïntimeerden terecht verwijzen naar artikel 84bis W.BTW, zoals te dezen van toepassing (huidig artikel 70 WMGI), dat bepaalde dat in bijzondere gevallen de bevoegde adviseur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling mag verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan. De mogelijkheid om een dergelijke vrijstelling te bekomen is een gunstmaatregel die tot de discretionaire bevoegdheid van de adviseur-generaal behoort. Wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de adviseur-generaal een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing mag de rechtbank niet in zijn plaats treden (vergelijk Cassatie, 4 maart 2004, C.03.0346.N, C.03.0448.N en C.03.0449.N).

In onderhavige betwisting heeft appellante dergelijk verzoek nooit voorgelegd aan de bevoegde adviseur-generaal, er is dan ook geen reden om de interesten, die wettelijk verschuldigd zijn, kwijt te schelden of te verminderen. Ook op dit middel is het hoger beroep van appellante ongegrond.

4.7. Gerechtskosten

Appellante, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld te worden tot betaling van de gerechtskosten van het geding in hoger beroep. De bijzondere bijdrage betaald door appellante blijft ten haren laste.

Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 40 en 2791 Wb.Reg.).

Aangezien geïntimeerden niet werden vertegenwoordigd door een advocaat dient geen rechtsplegingsvergoeding begroot te worden.

Derhalve worden de kosten van de procedure vereffend zoals hierna uiteen gezet.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk maar ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis, doch op basis van een andere motivering,

Veroordeelt appellante tot de betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, door geïntimeerden begroot op en door het hof vereffend op 0,00 euro.

Het hof Iaat de bijzondere bijdrage voor het begrotingsfonds ten laste van appellante.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 23 SEPTEMBER 2025

waar aanwezig waren :

A.B., raadsheer

J.V., griffier

Aangehaalde teksten

3