---
title: "Aftrekbaarheid, Verwerping · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 29 september 2025"
description: "Aftrekbaarheid, Verwerping, Correctieopgave, Verhuur vakantiewoningen, regularisatieopgave. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 29 september 2025."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrekbaarheid-verwerping-correctieopgave-verhuur-vakantiewoningen-rechtbank-brugge-2025-09-29-d1d1"
lang: "nl"
---

# Aftrekbaarheid, Verwerping, Correctieopgave, Verhuur vakantiewoningen, regularisatieopgave, onroerende verhuur

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

29 september 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

71 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 29.09.2025

\[ Ongunstig \]

BTW – Aftrekbaarheid – Verwerping – Correctieopgave – Verhuur vakantiewoningen

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

**Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge d.d. 29.09.2025**

**(23/2094/A)**

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer B.10, heeft het volgend vonnis verleend:

**In de zaak : 23/ 2094/A**

## Hoofdzaak :

**X. (KBO: …),** maatschappelijke zetel te …,

**eisende partij,**

hebbende als raadsman meester L.S. en meester B.T., beiden advocaat te …

tegen :

**de BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIEN (KBO: 0308.357.159),** in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, Directeur van het MO Centrum KORTRIJK, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

**verwerende partij,**

voor wie optreedt mevrouw D.J., attaché (ref.…. )

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 20 juli 2023.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord op de zitting van 1 september 2025.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor de activiteit van "gites, vakantiewoningen en -appartementen" en voor de nevenactiviteit van "elektrotechnische installatiewerken aan gebouwen". Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Eiseres heeft in eigendom een perceel met gebouwen gelegen te ... Het gebouw wordt gedeeltelijk gebruikt als woning door de bestuurder van eiseres. Het andere gedeelte van het gebouw wordt verhuurd als vakantiewoning.

Op 9 juli 2021 wordt door N.P., attaché bij de algemene administratie van de fiscaliteit, verbonden aan het centrum KMO te Kortrijk, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode vanaf 1 januari 2018 tot en met 31 december 2020.

Op 26 oktober 2021 worden de bevindingen opgenomen in correctieopgaven door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie dient de aftrek van BTW verworpen te worden wat betreft o.a. de vakantiewoning en 2 wagens. Eiseres gaat niet akkoord wat betreft vermelde wijzigingen. Op 23 november 2021 (periode 1 januari 2018 tot 31 december 2018) en 15 december 2022 (periode 1 januari 2019 tot 31 december 2020) worden door voormelde ambtenaar processen-verbaal opgemaakt met de reeds vermelde vaststellingen. In de processen-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 7.328,86 EUR, als geldboete 730 EUR en intresten vanaf 21 januari 2021 op het BTW-bedrag voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2018 en als BTW 51.610,64 EUR, als geldboete 5.060 EUR en intresten vanaf 21 januari 2021 op het BTW-bedrag voor de periode van 1 januari 2019 tot 31 december 2020.

De schulden worden opgenomen in innings- en invorderingsregisters op 28 december 2021 (periode 1 januari 2018 tot 31 december 2018) en 27 december 2022 (periode 1 januari 2019 tot 31 december 2020). Door eiseres worden op 1 februari 2022 en op 18 januari 2023 bezwaarschriften ingediend. Er wordt een akkoord afgesloten wat betreft de aftrek van BTW voor de 2 wagens. De bezwaarschriften worden voor het overige afgewezen bij beslissing d.d. 2 mei 2023.

Op 20 juli 2023 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd.

2\. Eiseres vraagt dat:

 de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

de processen-verbaal worden herzien in de mate dat voor het jaar 2018 een BTW-bedrag van 4.290,90 EUR en een geldboete van 429 EUR als verschuldigd worden aangemerkt, en voor de jaren 2019 en 2020 een BTW-bedrag van 41.009,48 EUR en een proportionele geldboete als verschuldigd worden aangemerkt;

het innings- en invorderingsregister met schuldnummer … wordt vernietigd in de mate dat het betrekking heeft op het jaar 2020;

 verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling aan eiseres van alle betaalde en ingehouden bedragen, te vermeerderen met moratoriumintresten;

 verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijdrage fonds juridische tweedelijnsbijstand t.bv. 24,00 EUR.

3\. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en eiseres veroordeeld wordt tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

A.Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B.Betreffende de grond

### 1. Artikel 85 §1, derde lid W.BTW

Conform artikel 85 §1, derde lid W.BTW moet de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk 1 maand voor de opname ervan in een innings- en invorderingsregister ter kennis worden gebracht van de belastingschuldige, behalve indien de rechten van de Schatkist in gedrang komen. In dat Iaatste geval moet zij ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen aan de belastingschuldige ter kennis worden gebracht.

Er wordt een correctieopgave op 26 oktober 2021 verzonden wat betreft het jaar 2020, door eiseres wordt hierop geantwoord met een gedeeltelijk niet-akkoord, en wordt een proces-verbaal opgesteld verzonden aan eiseres op 15 december 2022. Een innings- en invorderingsbericht wordt verzonden op 12 januari 2023 en uit dit bericht blijkt dat de belastingschuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 27 december 2022 welk uitvoerbaar werd verklaard op 28 december 2022.

De rechtbank stelt vast dat in artikel 85 §1, derde lid W.BTW niet is bepaald op welke wijze de verantwoording van de belastingschuld aan de belastingplichtige moet worden ter kennis gebracht. In de bepaling is zeker niet opgenomen dat deze kennisgeving dient te gebeuren door een proces-verbaal. De rechtbank is van oordeel dat de verantwoording van de belastingschuld kan gebeuren via een correctieopgave. De correctieopgave werd op 26 oktober 2021 verzonden. In deze opgave is opgenomen het bedrag van de BTW die verschuldigd is en de reden waarom. In de correctieopgave is vermeld dat door ondertekening van de opgave wordt geacht dat eiseres kennis heeft gekregen van de verantwoording van de schuld in de zin van [artikel 85 §1, derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85). Eiseres is gedeeltelijk akkoord gegaan met de vaststellingen.

De wachttermijn van een maand tussen de kennisgeving van verantwoording van de schuld en de opname in het innings- en invorderingsregister is er op gericht om de belastingplichtige toe te laten de aangekondigde schuld te onderzoeken, er zijn visie over te vormen en er zijn opmerkingen over te laten kennen. Uit de stukken blijkt dat die termijn werd gerespecteerd en eiseres voldoende tijd heeft gehad om opmerkingen te formuleren.

Dat in het schrijven bij de kennisgeving van het proces-verbaal van 15 december 2022 wordt vermeld dat het schrijven geldt als kennisgeving in de zin van [artikel 85 §1, derde lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85), is niet relevant. Uit de feiten blijkt dat eiseres al veel eerder kennis had van de verantwoording van de BTW-schuld.

De rechtbank stelt vast dat artikel 85 §1, derde lid W.BTW niet werd geschonden.

### 2. Verhuur vakantiewoning

De betwisting tussen partijen gaat over het feit of de verhuring van de vakantiewoning als een onroerende verhuur dient te worden gekwalificeerd waarop de vrijstelling van artikel 44 §3, 2° W.BTW van toepassing is (standpunt van verweerder) of als een verhuring bedoeld in artikel 44 §3, 2° a) derde gedachtestreepje W.BTW (standpunt van eiseres).

Overeenkomstig artikel 44 §3, 2° W.BTW (zoals van toepassing voor 1 juli 2022) zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19 §1 W.BTW met uitzondering van (o.a.) het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motel, en in inrichtingen waar betalende gasten onderdak wordt verleend. Conform artikel 18 §1, tweede lid, 10° W.BTW is het verschaffen van gemeubeld logies alsook de terbeschikkingstelling van een plaats om te kamperen een belastbare dienst.

De vrijstellingsregeling voor onroerende verhuur vindt zijn oorsprong in de Zesde Richtlijn (Richtlijn nr. 77/388/EG) van 17 mei 1997 en de Richtlijn 2006/112/EU. De Richtlijn stelt dat Lidstaten vrijstelling van belasting kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen, maar dat de accommodatie in het hotelbedrijf of in sectoren met een soortgelijke functie is uitgesloten van de vrijstelling. Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan de vrijstelling enkel worden toegepast bij onroerende verhuur sensu stricto.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat een overeenkomst als verhuur van onroerende goederen wordt beschouwd indien een verhuurder aan een huurder, voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel, het recht verleent een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (H.v.J. 12 juni 2003, Sinclair Collis, [C-275/01](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-275-01-arrest); H.v.J. 18 november 2004, Temco Europe, [C-284/03](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-arrest)). De vergoeding die strikt verband houdt met de duur van het gebruik van het goed, lijkt best het passieve karakter van de verhuur weer te geven. Dit betekent evenwel niet dat een vergoeding waarbij ook met andere elementen wordt rekening gehouden, de kwalificatie als verhuur van onroerende goederen noodzakelijk zou uitsluiten, wanneer de andere elementen waarmee rekening wordt gehouden een kennelijk bijkomstig karakter hebben t.o.v. het deel van de vergoeding dat met het tijdsverloop verband houdt of geen vergoeding vormen voor een andere prestatie dan enkel de terbeschikkingstelling van een goed (H.v.J. 18 november 2004, Temco Europe, [C-284/03](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-arrest)).

De rechtbank stelt op basis van de gegevens van het dossier vast dat eiseres een gemeubelde woning voor telkens een korte periode ter beschikking stelt. Daarbij levert eiseres bijkomende diensten aan de gasten (onthaal met rondleiding, eindschoonmaak, bedlinnen, nutsvoorzieningen, meubilair en uitrustingen, schoonmaak zwembad en jacuzzi). Verder is eiseres beschikbaar voor vragen van de gasten. De (verplicht te nemen) prestaties overschrijden de louter passieve verhuur van een onroerend goed uit zijn aard, vermits deze zich niet beperken tot het laten gebruiken van het goed gedurende een bepaalde periode.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de terbeschikkingstelling door eiseres van de gemeubelde vakantiewoning dient aangemerkt te worden als het verschaffen van gemeubelde logies waar betalende gasten geherbergd worden (artikel 18 §1, tweede lid, 10° en artikel 44 §3, 2°, a) derde gedachtestreepje W.BTW).

Met ingang van 1 juli 2022 werd artikel 44 §3, 2° W.BTW gewijzigd (artikel 4 wet van 27 december 2021), doch deze wijziging is niet van toepassing op huidig geschil.

Gelet op het voorgaande is de BTW op verwarming en elektriciteit ook voor 100% aftrekbaar.

Gelet op het voorgaande is ook geen proportionele geldboete verschuldigd.

C. Betreffende de kosten

Gezien verweerder in het ongelijk wordt gesteld, moet hij de gerechtskosten dragen.

De eis is in geld waardeerbaar. De waarde van de eis situeert zich tussen 40.000 en 60.000,00 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 3.924,42 EUR (geïndexeerd) bedraagt.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar en gegrond in volgende mate.

Vernietigt de schuld met artikelnummer 500.248.225.497 op naam van eiseres opgenomen in het innings-en invorderingsregister op 28 december 2021 wat betreft het BTW-bedrag van 4.290,90 EUR en de proportionele geldboete van 429,00 EUR.

Vernietigt de schuld met artikelnummer 500.265.163.115 op naam van eiseres opgenomen in het innings-en invorderingsregister op 27 december 2022 en uitvoerbaar verklaard op 28 december 2028 wat betreft het BTW-bedrag van 41.009,48 EUR en de proportionele geldboete van 4.100 EUR.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van de bedragen die werden aangerekend op de aldus vernietigde schuld, te vermeerderen met moratoriumintresten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en in hoofde van eiseres begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.924,42 EUR en de bijdrage fonds juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. 24 EUR.

---

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op maandag negenentwintig september tweeduizend vijfentwintig waar zitting hadden:

L.D., rechter

J.T., griffier

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 2 voorkomens

[C-284/03, arrest van 18 november 2004](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-arrest) 2 voorkomens

[C-275/01, arrest van 12 juni 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-275-01-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Regularisatieopgave, Handtekening voor akkoord -Vertegenwoordigingsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-handtekening-akkoord-hof-van-beroep-brussel-2021-01-21-0c02) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Procedure, Dwangbevel, Handtekeningsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-dwangbevel-handtekeningsbevoegdheid-artikel-85-cassatie-brussel-2020-12-04-34b9) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Innings- en invorderingsregister, voorafgaande kennisgeving verantwoording belastingschuld, termijn, betalingstermijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/innings-invorderingsregister-kennisgeving-verantwoording-rechtbank-hasselt-2022-10-13-5d10) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Overeenstemming met het unierecht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-overeenstemming-unierecht-rechtbank-brussel-2022-12-21-5d36) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Uitvoer, Bewijs, Geldigheid van het dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-uitvoer-omzet-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2020-12-15-9f0f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van de omzet, Bewijs door vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzet-bewijs-vermoedens-geen-hof-van-beroep-brussel-2023-02-a664) 1 gemeenschappelijke bepalingen
