---
title: "Aftrek, Werkelijke verrichting · Hof van beroep te Gent, 22 november 2000"
description: "Aftrek, Werkelijke verrichting, Goede trouw van de afnemer. Hof van beroep te Gent (België), 22 november 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-werkelijke-verrichting-goede-trouw-hof-van-beroep-gent-2000-11-22-9fb4"
lang: "nl"
---

# Aftrek, Werkelijke verrichting, Goede trouw van de afnemer · Aftrek,Werkelijke verrichting,Goede trouw van de afnemer,Boete

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

22 november 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

109 paragrafen

### Tekst van de beslissing

**ARREST G 00/2**

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 22.11.2000**

**FJF 2001/145**

*Aftrek - Werkelijke verrichting - Goede trouw van de afnemer - Boete*

Het enkele feit dat een B.T.W.-schuld is ontstaan in hoofde van de ene partij, betekent niet dat een recht van aftrek zou ontstaan in hoofde van de andere partij, ook al is deze een B.T.W.-plichtige. Artikel 45 van het W.B.T.W. vereist immers de levering, wat niet het geval is voor artikel 54 van het W.B.T.W. (oud). Beide artikelen kunnen bijgevolg niet als complementair worden beschouwd. Aangezien in casu niet wordt betwist dat er geen levering is geschied, werd de aftrek terecht verworpen. Het al dan niet bestaan van de goede trouw in hoofde van de appellante is daarbij zonder invloed, daar enkel het al dan niet bestaan van de levering relevant is.

De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de opgelegde geldboete. Wanneer de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt niet vermoed en wordt in casu ook niet bewezen) maar voor een fout welke te wijten is aan de weliswaar verregaande onvoorzichtigheid van de appellante (in casu de betrokkenheid bij een B.T.W.-carrousel), wordt het opleggen van een geldboete gelijk aan het dubbele van de ten onrechte afgetrokken belasting als niet gepast beschouwd. De geldboete moet worden verminderd tot 25 % van deze ten onrechte toegepaste aftrek.

Alleenrechtsprekend Kamervoorzitter : M. Gallet

Advocaten : Mr. Gheysens, Mr. Decordier

T. B.V.B.A.

tegen

de Belgische Staat, administratie van de B.T.W., registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

Velt het Hof het volgend arrest :

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 12 december 1997 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 1 september 1997 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

De administratie heeft geen consignatie gevraagd van de verschuldigde bedragen, omdat de appellante op 31 december 1887 afstand heeft gedaan van de procedure van verzet, aanhangig voor de beslagrechter, tegen de inhouding van de B.T.W.-tegoeden.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

## De feiten :

De appellante ontkent de feiten niet welke aanleiding hebben gegeven tot de heffing van de B.T.W.

Zij stelt :

\- dat zij in de maand februari 1992 meerdere (32) exclusieve wagens kocht van een zekere M., die handel dreef onder de benaming «N. and U.C.B.» en deze wagens tegelijkertijd doorverkocht aan een vennootschap naar Italiaans recht, A.M.M., waarvan een zekere M. de zaakvoerder was;

\- dat zij deze wagens nooit heeft gezien;

\- dat door deze beide personen was voorgesteld dat de appellante enkel de B.T.W. op de verkoopfacturen aan M. zou betalen en dat zij (d.i. M. en M.) de verkoopprijs onder elkaar zouden regelen;

\- dat zij een commissieloon kreeg van 4 %;

\- dat achteraf is gebleken dat M. en M. het er alleen maar om te doen was om de B.T.W., die zij (d.i. de appellante) aan M. betaalde, op zak te steken, zodat zij het slachtoffer is geweest van een enorme oplichting;

\- dat zij in dat avontuur is terechtgekomen door bemiddeling van een zekere R.C., in wie zij vertrouwen stelde omdat deze reeds vroeger voor haar was tussengekomen.

De appellante erkent dat naar aanleiding van een B.T.W.-onderzoek is gebleken dat de wagens niet werden uitgevoerd en zij zelfs niet bestonden. Nochtans had de appellante wel de nodige uitvoerdocumenten ontvangen, maar deze bleken vervalst te zijn.

De appellante heeft klacht neergelegd wegens oplichting door M., M. en C.

Omdat de door de appellante gedane aftrek van B.T.W. en luxetaks onterecht werd bevonden omwille van het fictief karakter van de beweerde transacties, werd deze aftrek verworpen.

Op 19 oktober 1992 werd aan de appellante een betalingsbericht (invorderingsorder) toegestuurd waarbij betaling werd gevraagd van 12 683 880 fr. B.T.W., 710 248 fr. interest (tot 20 december 1992) en 25 367 760 fr. boete, hetzij samen 38 761 888 fr.; dit bedrag diende betaald te worden voor 19 november 1992.

Op 9 november 1992 werd aan de appellante een betalingsbericht - saldobericht gestuurd waarbij betaling werd gevraagd van 12 683 880 fr. B.T.W., 710 248 fr. interest en 12 904 124 fr. boete, samen 26 298 252 fr.; betaling werd gevraagd voor 9 december 1992. Dit saldobericht hield dus reeds rekening met de blokkering van het belastingkrediet ingevolge het uitvoerend beslag dat pas werd betekend op 8 december 1992.

Omdat niet werd betaald binnen de gestelde termijn, werd op 7 december 1992 een dwangbevel d.d. 13 november 1992 (dat behoorlijk geviseerd en uitvoerbaar verklaard was) aan de appellante betekend; daarbij werd betaling gevorderd van 12 683 880 fr. B.T.W. en 25 367 760 fr. geldboete, te vermeerderen met de interesten en de kosten. Op 8 december 1992 werd dan uitvoerend beslag onder derden gelegd, te weten in eigen handen, op het geblokkeerd B.T.W.-tegoed van 12 565 100 fr. Dit beslag werd op 9 december 1992 aangezegd.

Op 10 december 1992 werd aan de appellante een herinneringsschrijven gestuurd waarbij, als saldo, betaling werd gevorderd van 12 683 880 fr. B.T.W., 12 904 124 fr. boete en 811 712 fr., hetzij samen 26 399 716 fr., te betalen voor 24 december 1992.

De appellante tekende op 21 december 1992 verzet aan tegen het dwangbevel met dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg en op dezelfde dag tekende zij ook verzet aan tegen het uitvoerend beslag, met dagvaarding voor de beslagrechter.

## De vordering :

De appellante vorderde de vernietiging van het dwangbevel, te zeggen voor recht dat zij de gevorderde bedragen niet verschuldigd was en de teruggave te bevelen van het ingehouden bedrag. Subsidiair vorderde zij de geldboete te verminderen. De appellante stelde dat het dwangbevel onregelmatig was omdat het werd betekend voor het verstrijken van de termijn, gesteld voor vrijwillige betaling.

De geïntimeerde bestreed de stelling van de appellante en vroeg de afwijzing van de vordering.

## Het bestreden vonnis :

Er werd geoordeeld :

\- dat het invorderingsorder d.d. 9 november 1992 in de eerste plaats een saldobericht was dat anticipeerde op de in het vooruitzicht gestelde toerekening van het belastingkrediet van 12 565 100 fr. en in de tweede plaats een herinnering aan de openstaande schuld;

\- dat de B.T.W.-schuld ontstaat en opeisbaar wordt wanneer aan de toepasselijke bepalingen is voldaan en dat de B.T.W.-overtredingen en feiten waaruit de B.T.W.-schuld kan voortvloeien, door de administratie bewezen worden overeenkomstig art. 59 § 1, eerste lid B.T.W.-wetboek, met alle middelen van recht, uitgezonderde de eed, en ook door processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën;

\- dat reeds op 15 oktober 1992 een proces-verbaal werd opgemaakt dat, samen met de bijlagen die er deel van uitmaakten, een geheel van ernstige en samenhangende vermoedens en/of bewijzen uitmaakte inzake het bestaan van de B.T.W.-schuld ingevolge onwettige aftrek;

\- dat uit dit proces-verbaal ook blijkt (wat niet wordt betwist) dat de appellante verzeild was geraakt in een B.T.W.-carrousel met facturen voor dure wagens, die zelfs niet bestonden;

\- dat uit niets bleek dat de appellante het voornemen heeft gehad te betalen, zelfs niet onder voorbehoud;

\- dat de appellante haar schuld heeft betwist door haar rol in de B.T.W.-carrousel te minimaliseren en zich te beroepen op haar goede trouw;

\- dat een B.T.W.-dwangbevel dat werd verzonden nadat de schuld was ontstaan en opeisbaar was geworden, maar vooraleer de termijn voor vrijwillige betaling was verstreken, niet nietig was;

\- dat betaling binnen de gestelde termijn wel tot gevolg kon hebben dat de kosten van het dwangbevel als nutteloze kosten ten laste zouden vallen van de administratie;

\- dat de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en het gewekt vertrouwen niet nuttig konden ingeroepen worden;

\- dat de appellante het bewijs diende te leveren dat het door haar uitgeoefende recht van aftrek werkelijk bestond;

\- dat de belastingplichtige daartoe facturen kan voorleggen, maar dat de administratie mag bewijzen dat het fictieve facturen betreft en dat de erop vermelde handelingen niet hebben plaatsgevonden;

\- dat, mede gelet op de bekentenissen van de appellante, vaststond dat de facturen fictieve transacties vermelden;

\- dat sinds jaren herhaaldelijk en uitvoerig werd bericht over B.T.W.-carrouselfraudes met dure auto's, zodat zeker professionele handelaars (zoals de appellante) daarvan op de hoogte moeten geweest zijn;

\- dat van een handelaar in auto's, hoe dan ook, een zekere zorgvuldigheidsplicht en controleplicht moet worden verwacht;

\- dat de appellante bijzonder lichtzinnig was geweest door het aanbod van malafide handelaars te aanvaarden tegen betaling van een commissieloon van 4 %;

\- dat de goede trouw waarop de appellante zich beriep enkel kon toegeschreven worden aan haar eigen passiviteit en lichtzinnigheid welke niet passen voor een normaal voorzichtig handelaar;

\- dat de appellante dan ook geen aanspraak kon maken op een vermindering van de proportionele fiscale geldboete;

\- dat de boetes wettelijk waren en dat de rechtbanken niet bevoegd zijn om te oordelen over de administratieve geldboeten.

Het verzet tegen het dwangbevel werd om deze redenen ongegrond verklaard.

## Het hoger beroep :

## 1. Standpunten van de appellante :

### 1.1 Het dwangbevel is nietig :

De appellante voert aan dat het dwangbevel nietig is omdat, krachtens art. 85 van het B.T.W.-wetboek, een dwangbevel slechts kan uitgevaardigd worden «bij gebreke aan voldoening van de belasting» en dat zulks pas kan nadat de termijn voor vrijwillige betaling verstreken is. Zij stelt dat het voormeld art. 85 een bevestiging is van het adagium «qui a terme ne doit pas» : wanneer de vervaldag voor de betaling van de belasting nog niet verstreken is, kan - aldus de appellante - de administratie zich geen uitvoerbare titel scheppen door het uitvaardigen van een dwangbevel.

Niet het ogenblik van betekening, maar wel het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel, moet in aanmerking genomen worden.

Het dwangbevel werd weliswaar maar geviseerd op 4 december 1992 en betekend op 7 december, maar het werd reeds uitgevaardigd op 13 november 1992, d.i. voor het verstrijken van de eerste termijn gesteld voor vrijwillige betaling. Deze termijn werd bovendien nog verlengd tot 24 december 1992, zodat de termijn van betaling zelfs nog niet verstreken was op het ogenblik van betekening van het dwangbevel.

Het feit dat de appellante niet de intentie had te betalen is zonder belang.

Het versturen van het dwangbevel wordt dan ook geacht een schending uit te maken van de regels van behoorlijk bestuur, inzonderheid het beginsel van rechtszekerheid, redelijkheid en voorzichtigheid, en derhalve nietig.

### 1.2 De appellante genoot het recht op aftrek :

De appellante beweert dat in een ABC-transactie - welke volledig legaal wordt genoemd - de Belgische koper-verkoper (B) zijn recht op aftrek van de voorgefinancierde B.T.W. behoudt wanneer hij te goeder trouw was.

De appellante stelt ook dat art. 54 (oud) van het B.T.W.-wetboek eenieder schuldenaar verklaart voor de B.T.W. op de door hem uitgereikte facturen, zelfs wanneer geen levering heeft plaatsgevonden, zodat het uitreiken van facturen wordt gelijkgesteld met de levering. Dit houdt in dat M. de schuldenaar is geworden van de B.T.W. vermeld op de door hem uitgereikte facturen.

En wie te goeder trouw een factuur ontvangt, en dus van mening is dat de factuur een levering dekt, geniet (aldus steeds de appellante), overeenkomstig art. 45 van hetzelfde wetboek, het recht van aftrek op grond van het vermoeden van de bestemming van de goederen. De appellante houdt voor dat zij te goeder trouw was, dat haar steeds de nodige uitvoerdocumenten werden afgeleverd, voorzien van «officiële» douanestempels waarvan zij de valsheid niet kon detecteren. En haar goede trouw wordt door de administratie niet betwist maar zelfs uitdrukkelijk erkend, stelt zij. Zij beweert ook dat een onvoorzichtigheid geen kwade trouw bewijst.

Ook meent de appellante dat de eerste rechter is voorbijgegaan aan het feit dat in art. 45 B.T.W.-wetboek sprake is van «geheven» belasting en niet van «verschuldigde» belasting en dat «geheven» belasting ook de ten onrechte gefactureerde B.T.W. omvat. Dit zou voor gevolg hebben dat de appellante de B.T.W. mag aftrekken die haar werd gefactureerd door M.

De appellante meent dat de administratie ten onrechte van oordeel is dat het recht op aftrek met terugwerkende kracht (zodat ook interesten en boeten kunnen geheven worden) moet ingetrokken worden als de goederen en diensten waarvoor de aftrek is toegestaan, nooit zijn gebruikt voor het stellen van belastbare handelingen.

De appellante stelt dat deze gegevens aantonen dat haar verzet tegen het dwangbevel gegrond is. Zij vraagt de vernietiging ervan omdat het onregelmatig, nietig en onbestaande zou zijn, zodat het geen effect kan sorteren en de teruggave van de onterecht ingehouden B.T.W. ten bedrage van 12 666 100 fr.

### 1.3 Inzake de boeten :

De appellante houdt voor dat de vermindering overeenkomstig [art. 1 van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 moet toegekend worden en dat de boete derhalve niet wettelijk is. Ook stelt zij dat de eerste rechter blijkbaar geen onderscheid heeft gemaakt tussen de vermindering van de boete en de kwijtschelding ervan, overeenkomstig art. 84, 2º B.T.W.-wetboek.

In conclusie verwijst de appellante ook naar het arrest d.d. 24 februari 1999 van het Arbitragehof, waarbij werd gesteld dat de rechter ook de opportuniteit van de administratieve geldboete kan beoordelen en deze kan verminderen of opheffen.

## 2. Standpunten van de administratie :

### 2.1 Inzake de beweerde nietigheid van het dwangbevel :

De betalingstermijn, toegestaan in het bericht van 19 oktober 1992, was verstreken op 19 november 1992, d.i. voor de betekening van het dwangbevel. Het bericht d.d. 10 december 1992 was een «rappel» wegens niet-betaling.

Alleen de datum van betekening van het dwangbevel moet in aanmerking genomen worden en niet de datum waarop het werd uitgevaardigd door de ambtenaar. En de kennisgeving gebeurde na het verstrijken van de aanvankelijke betalingstermijn.

Hoe dan ook, de B.T.W.-schuld was ontstaan en was opeisbaar en de appellante heeft nooit de intentie gehad deze schuld te betalen, zelfs niet onder voorbehoud.

Het feit dat een termijn van betaling werd verleend van één maand, maakt van de schuld geen schuld onder termijnbepaling welke slechts opeisbaar zou worden na het verstrijken van deze termijn. Dat het dwangbevel zou uitgevaardigd zijn voor het verstrijken van de verleende termijn voor betaling, is wel ongewoon, doch maakt het bevel niet onwettig.

De appellante voegt aan art. 85 B.T.W.-wetboek een voorwaarde toe wanneer zij stelt dat het dwangbevel «slechts» kan uitgevaardigd worden bij gebreke aan voldoening van de belasting : in dringende gevallen, zoals om de verjaring te stuiten of, zoals te dezen, om bewarend beslag onder derden in eigen handen te kunnen leggen, belet niets dat het dwangbevel wordt uitgevaardigd vooraleer de vergunde betalingstermijn verstreken is.

Het dwangbevel is derhalve niet nietig.

### 2.2 Inzake het recht op aftrek :

Art. 54 (oud) van het B.T.W.-wetboek maakt de B.T.W. opeisbaar in hoofde van de uitreiker van de factuur met aanrekening van de B.T.W., zelfs wanneer geen levering heeft plaatsgevonden. Dit betekent evenwel niet dat de factuur gelijkgesteld wordt met de levering. Het art. 54 (oud) maakt immers deel uit van Hoofdstuk VIII inzake de «regeling voor de voldoening van de belasting», terwijl art. 45 de aftrek van de belasting koppelt aan bepaalde voorwaarden, zoals de levering; in hoofde van de belastingplichtige die de B.T.W. wenst af te trekken, staat de factuur niet gelijk met een levering.

Rekening houdende met het bestemmingsprincipe, mag de afnemer-belastingplichtige de voorbelasting in aftrek brengen zonder eerst te moeten bewijzen dat de factuur reeds werd voldaan aan de leverancier of dienstverstrekker. Dit houdt evenwel niet in dat de belastingplichtige alle B.T.W. in aftrek mag brengen die hem effectief werd gefactureerd : hij moet de oprechtheid van de facturen kunnen aantonen.

Art. 45 B.T.W.-wetboek gaat wel over «geheven» belastingen, zoals de appellante voorhoudt, maar het artikel stelt als voorwaarde dat de goederen of diensten moeten geleverd worden; en deze levering moet dan ook bewezen worden.

De eerste rechter heeft geoordeeld dat de beweerde goede trouw van de appellante slechts het gevolg was van haar passiviteit en lichtzinnigheid en dit niet alleen omdat zij de douanestempels niet zou gecontroleerd hebben, maar omwille van het feit dat het bestaan van B.T.W.-carrousels voldoende bekend was, van de algemene zorgvuldigheids- en controleplicht van garagisten, van het feit dat de appellante de wagens nooit zag, van het aannemen van een commissieloon en van het handelen met personen welke haar onbekend waren terwijl ABC-transacties meestal plaatsvinden tussen gelieerde of verwante ondernemingen.

Ook werd gesteld dat de aftrek niet werd verworpen omdat de douanestempels niet voldeden (wat betrekking zou hebben op de verkoop door de appellante), maar wel omdat geen levering was geschied aan de appellante.

### 2.3 Inzake de geldboeten :

De administratie stelde dat het K.B. nr 41 niet kan ingeroepen worden voor overtredingen welke werden begaan met het oogmerk belastingontduiking mogelijk te maken, dat de Minister van Financiën, op grond van art. 84 de boete kan kwijtschelden en/of verminderen maar dat de rechter enkel de rechtmatigheid van de boete kan onderzoeken, maar zijn beslissing niet kan gronden op redenen van billijkheid.

## Beoordeling :

## 1. Inzake de beweerde nietigheid van het dwangbevel :

Het feit dat door de administratie een termijn van een maand werd toegestaan om de B.T.W.-schuld te betalen, heeft geen invloed op de eisbaarheid van de schuld : de schuld was ook eisbaar voor het verstrijken van deze termijn.

Het dwangbevel moet geviseerd en uitvoerbaar verklaard worden door de Gewestelijke directeur of een door hem aangewezen ambtenaar - wat gebeurde op 4 december 1992 - en krijgt slechts dan uitvoerbare kracht. Op het ogenblik waarop het dwangbevel werd geviseerd, en uiteraard ook op het ogenblik van de betekening ervan, was de termijn van één maand, gesteld in het betalingsbericht d.d. 10 oktober 1992, verstreken. De omstandigheid dat toch nog een bijkomende termijn tot 24 december 1992 werd toegestaan, heeft geen invloed op de uitvoerbare kracht van het dwangbevel.

Overigens verbiedt geen enkele wetsbepaling dat een dwangbevel uitvoerbaar wordt verklaard en wordt be tekend voor het verstrijken van de termijn, welke werd gesteld voor vrijwillige betaling.

Het betekenen van het dwangbevel is ook geen schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

Het dwangbevel is derhalve niet nietig.

## 2. Inzake het recht op aftrek :

De appellante houdt ten onrechte voor dat de artikelen 54 (oud) en 45 B.T.W.-wetboek complementair zouden zijn : geen enkele wetsbepaling laat deze interpretatie toe. Art. 54 (oud) heeft enkel betrekking op de voldoening van de belasting en beoogt klaarblijkelijk het scheppen van een zekerheid inzake het ontstaan van de B.T.W.-schuld. Het enkel feit dat een B.T.W.-schuld is ontstaan in hoofde van de ene partij, betekent echter niet dat een recht van aftrek zou ontstaan in hoofde van de andere partij, ook al is deze een B.T.W.-plichtige. Art. 45 vereist immers de levering, wat niet het geval is voor art. 54 (oud).

Nu niet wordt betwist dat geen levering geschiedde, werd de aftrek terecht verworpen. Het al dan niet bestaan van de goede trouw in hoofde van de appellante is zonder invloed, daar enkel het al dan niet bestaan van de levering relevant is.

De aftrek werd derhalve terecht verworpen.

## 3. Inzake de boeten :

Ingevolge het arrest d.d. 24 februari 1999 van het Arbitragehof (R.W. 98-99, 1346 en FJF 99/181) moet aangenomen worden dat de rechter met volle rechtsmacht kan oordelen over de opgelegde geldboete.

Nu de geldboete werd opgelegd voor een niet-intentioneel begane fout (kwade trouw wordt niet vermoed en wordt te dezen ook niet bewezen) maar voor een fout welke te wijten is aan de weliswaar verregaande onvoorzichtigheid van de appellante - zie de redenen welke de eerste rechter heeft aangehaald - komt het opleggen van een geldboete gelijk aan het dubbele van de ten onrechte afgetrokken belasting niet gepast voor. De geldboete moet worden verminderd tot 25 % van deze ten onrechte toegepaste aftrek.

### Beschikkend gedeelte

Op deze gronden, het Hof,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het slechts ten dele gegrond, te weten waar het betrekking heeft op de omvang van de geldboete; bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis met dien verstande dat de geldboete wordt verminderd tot 25 % van de ten onrechte toegepaste aftrek, hetzij tot (12 683 880 : 4 =) 3 170 970 fr. en zegt dat de interesten zullen berekend worden in functie van de aldus bepaalde schuld.

En gelet op het gedeeltelijk gelijk en ongelijk, zegt dat elke partij de eigen kosten van de aanleg dient te dragen, zodat het niet nuttig is de kosten te begroten.

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen
