---
title: "Aftrek van voorbelasting;regelmatige factuur;zelfstandige economische activiteit · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 18 juni 2002"
description: "Aftrek van voorbelasting;regelmatige factuur;zelfstandige economische activiteit. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 18 juni 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-voorbelasting-regelmatige-factuur-zelfstandige-rechtbank-brugge-2002-06-18-c88a"
lang: "nl"
---

# Aftrek van voorbelasting;regelmatige factuur;zelfstandige economische activiteit

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

18 juni 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

109 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 18.06.2002, Zaak** **00/1020/a – Zaak 01/1138/A**

De Fiscale Koerier 2002/517

*Aftrek van voorbelasting.*

*Regelmatige factuur.*

*Zelfstandige economische activiteit.*

## Samenvatting

Een bouwonderneming doet beroep op een zelfstandige onderaannemer. De onderaannemer factureert op regelmatige basis zijn prestaties aan de bouwonderneming.

Na een onderzoek komt de Sociale Inspectie tot het besluit dat de zelfstandige onderaannemer *de facto* onder gezag, leiding en toezicht werkt.

De bouwonderneming betwist de conclusies van de Sociale Inspectie. Na een procedure voor de arbeidsrechtbank en het arbeidshof wordt de vordering van de bouwonderneming afgewezen.

Deze uitspraken zijn voor de B.T.W.-Administratie de aanleiding om de bouwonderneming aan een fiscaal onderzoek te onderwerpen. De B.T.W.-Administratie stelt vast dat de onderaannemer ook voor de gecontroleerde jaren diensten heeft gefactureerd en dat de B.T.W. op de uitgereikte facturen in aftrek werd gebracht.

De B.T.W.-Administratie verwerpt deze aftrek. Volgens de controlediensten is uit de procedure in arbeidszaken voldoende gebleken dat de onderaannemer niet op zelfstandige basis werkt en dat zijn diensten niet kaderen in een "zelfstandige economische activiteit". Bovendien zouden de facturen die door de onderaannemer zijn uitgereikt te algemeen en onnauwkeurig zijn zodat ze niet controleerbaar zijn.

De rechtbank volgt het standpunt van de belastingplichtige. Volgens de rechtbank kan de Administratie niet volstaan met te verwijzen naar de conclusies van een vroegere sociaal-rechtelijke procedure om te besluiten dat de onderaannemer ook voor latere jaren onder gezag, leiding en toezicht heeft gewerkt.

Inzake de vermeldingen op de facturen stelt de rechtbank vast dat de betwiste stukken weinig of geen details bevatten van de geleverde prestaties. Nochtans is de rechtbank van oordeel dat de vermeldingen die op de facturen zijn aangebracht ("kuisen van stenen") volstaan om de aard van de prestaties en het toepasselijk B.T.W.-tarief te controleren.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VIERDE KAMER, HEEFT HET HIERNAVOLGEND VONNIS VERLEEND:

in de zaken AR .nrs. 00/1020/a en 01/1138/A:

de heer D, handelaar in recuperatiebouwmaterialen, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Brugge onder nummer …,

eiser,

vertegenwoordigd door meester V en G, advocaten te ….

tegen:

de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8800 Roeselare, Rondekomstraat nr.30,

verweerder,

vertegenwoordigd door meester D, advocaat te ….

---

I. PROCEDURE

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 21 mei 2002, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaken in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtzaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

in de zaak A.R. nr. 00/1020/A:

1\. het gedinginleidend verzoekschrift van 3 april 2000 met in bijlage een kopie van het dwangbevel van 24 maart 2000;

2\. de conclusie voor verweerder van 11 mei 2000;

3\. de conclusie voor verweerder van 6 april 2001;

4\. de conclusie voor eiser van 4 oktober 2001;

5\. de conclusie voor verweerder van 14 december 2001;

6\. de conclusie voor eiser van 5 februari 2002 en

7\. de conclusie voor verweerder van 19 maart 2002.

In de zaak A.R. nr. 00/1138/A:

1\. het gedinginleidend exploot, verzetsakte met dagvaarding, met in bijlage een kopie van het dwangbevel van 24 maart 2000;

2\. de conclusie voor eiser van 4 oktober 2001;

3\. de conclusie voor eiser van 5 februari 2002 en

4\. de conclusie voor verweerder van 19 maart 2002.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. DE BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1\. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiser is een onderneming die actief is in de bouwsector. In de periode van 1989 tot 1996 heeft een zekere R in opdracht van eiser oude stenen schoongemaakt. Die R was als zelfstandige ingeschreven in het handelsregister als drukker. Hij wat tot vóór 1989 ook aangesloten als zelfstandige bij het Sociaal Statuut van de Zelfstandigen en hij had een BTW-nummer. Hij factureerde zijn prestaties aan eiser. Op basis van vaststellingen vanaf november 1991 en ondervragingen van de betrokkenen had een sociaal inspecteur geoordeeld dat R onder het gezag van eiser werkte en derhalve als een werknemer van eiser moest worden beschouwd. R liet begin maart 1992 zich opnieuw aansluiten bij de sociale verzekeringskas Z.A.B. in het statuut van de zelfstandigen en op 2 maart 1992 breidde hij zijn inschrijving in het handelsregister uit met de activiteit "onderneming voor het reinigen van recuperatie-bouwmaterialen". De sociale inspectie stelde proces-verbaal op en stuurde voor de vier kwartalen van 1991 aan eiser een bericht van wijziging van de bijdragen op voor een bedrag van 154.987 frank (3.842,03 euro). Eiser betwistte dat bedrag verschuldigd te zijn. Uiteindelijk betaalde hij die bijdragen, verhoogd met bijdrageopslagen en interest en liet tegelijk weten dat hij ze onmiddelijk zou terugvorderen.

Eiser leidde een vordering tot terugbetaling in voor de Arbeidsrechtbank van Brugge. Bij vonnis van 13 maart 1996 werd zijn vordering afgewezen. In zijn arrest van 4 december 1997 wees het Arbeidshof van Gent, afdeling Brugge, het hoger beroep van eiser af.

Op basis van de uitspraken van de Arbeidsrechtbank en het Arbeidshof, stelde de BTW-inspectie een onderzoek in naar de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1996. De BTW-inspectie oordeelde dat uit het arrest van het Arbeidshof kon afgeleid worden dat R sedert 1991 en dit onafgebroken tot eind 1996, zonder dat enige wijziging in die toestand was waar te nemen, onder het gezag van eiser oude stenen had schoongemaakt.

De prestaties van R werden volgens de BTW-inspectie niet geleverd in de uitoefening van een zelfstandige economische activiteit. Bovendien was de BTW-inspectie van oordeel dat de facturen van R slechts zeer algemeen, onnauwkeurig en niet controleerbaar (uren niet achterhaalbaar) waren.

Om die redenen achtte de BTS-inspectie de facturen van R niet in overeenstemming met de wet.

Aldus werd eiser het recht op aftrek van de BTW op die facturen door de BTS-inspectie ontzegd.

De afgetrokken BTW, opgenomen in facturen van R van april 1995 tot december 1996, vertegenwoordigde een bedrag van 126.915 frank (3.146,14 euro). Dat bedrag werd als verschuldigd geacht, verhoogd met een boete van 297,47 euro (12.000 frank), en met de interest overeenkomstig [artikel 91 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf 21 januari 1997.

De weergave van dat standpunt en die vordering maakt het voorwerp uit van het proces-verbaal van 10 november 1999. Het werd opgesteld nadat eiser niet akkoord kon gaan met een correctieopgave.

Op 22 maart 2000 werd een dwangbevel uitgevaardigd voor dezelfde bedragen als deze vermeld in dat proces-verbaal. Het dwangbevel werd op 23 maart 2000 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en met een aangetekende brief van 24 maart 2000 aan eiser ter kennis gebracht.

Met een verzoekschrift van 3 april 2000 stelde eiser zijn eerste vordering in (A.R. nr. 00/1020/A). Hij herhaalde dezelfde vordering bij gerechtsdeurwaardersexploot dat aan verweerder betekend werd op 5 april 2000.

2\. De vorderingen van de partijen

Eiser vordert de voeging van de beide zaken.

Telkens vordert hij dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de titel en de invordering van verweerder ongeldig zijn en dat de vordering tot betaling van 3.146,14 euro BTW, 297,47 euro boete en de interesten, ongegrond zijn.

Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder verzet zich niet tegen de voeging van de zaken en vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als onontvankelijk in zoverre ze bij verzoekschrift werd ingeleid en dat voor het overige de vordering als ongegrond zou afgewezen worden en da(t eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. BEOORDELING

1\. De voeging van de zaken

De twee zaken hebben precies hetzelfde voorwerp en omvatten dezelfde vordering. De zaken worden daarom, bij toepassing van artikel 30 Ger.Wb. gevoegd.

2\. De ontvankelijkheid van de vordering

De partijen zijn het erover eens dat de vordering betrekking heeft op een schuld waarvan de oorzaak van opeisbaarheid gesitueerd is vóór 1 januari 1999 en dat in dat geval de oude regeling van het tweede lid van [artikel 89 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-89) geldt. De zaak moest derhalve ingeleid worden met een verzet met dagvaarding. De partijen beschouwen de vordering die werd ingeleid bij verzoekschrift dan ook onontvankelijk. De rechtbank treedt dat standpunt bij.

Verweerder voert verder geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering, ingeleid bij dagvaarding, ontvankelijk.

2\. De grond van de vordering

2.1 Stelling van eiser

Eiser stelt dat het arrest van het Arbeidshof van 4 december 1997 slecht gezag van gewijsde heeft voor het jaar 1991. Verweerder leest naar het oordeel van eiser het arrest verkeerd. Volgens eiser is de situatie waarin R voor hem werkte vanaf maart 1992 wel degelijk veranderd. Hij wijst op de aanpassing van de inschrijving in het handelsregister en op het feit dat R zich vanaf diezelfde maand opnieuw aansloot bij een sociale kas voor de verzekering van zelfstandigen. Eiser benadrukt ook dat R in 1995 en 1996 niet alleen aan hem factureerde. Eiser stelt dat nergens enig onderzoek door verweerder wordt voorgelegd waaruit zou blijken dat de omstandigheden waarin R voor eiser werkte, in 1995 en 1996 dezelfde zouden geweest zijn als in 1991.

Volgens eiser toont verweerder niet concreet aan welke vermeldingen op de facturen zouden ontbreken om te beantwoorden aan de vereisten van [artikel 5 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa). Integendeel, zo stelt eiser, heeft verweerder steeds de indruk gewekt dat de facturen in orde waren en recht gaven op aftrek. Eiser vraagt zich trouwens af of verweerder ook de aftrek van BTW verwerpt bij de andere afnemers van R.

Verweerder duidt volgens eiser ook zijn rechtsgrond niet aan.

Eiser stelt ook dat verweerder niet bewijst dat R de BTW op de facturen niet zou hebben aangegeven, noch zou hebben betaald. Zowel het proces-verbaal van 10 november 1999 als het bestreden dwangbevel zijn naar het oordeel van eiser onwettig omdat niet voldaan is aan de motiveringsplicht voorzien in artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 op de motivering van bestuurshandelingen, minstens wegens schending van de beginselen van behoorlijk bestuur.

2.2 Stelling van verweerder

Verweerder roept twee argumenten in.

Verweerder bevestigt vooreerst dat hij zich baseert op het arrest van het Arbeidshof van 4 december 1997, maar stelt dat hij het niet kon helpen dat de uitspraak pas toen viel.

Volgens hem staat niet alleen vast dat R in 1991 onder het gezag van eiser werkte, maar er is sedertdien feitelijk niets veranderd in de wijze waarop R voor eiser factureerde, zowel wat betreft de aard van de prestaties, de periodiciteit van de afrekening, de vermeldingen op de afrekeningen en de hoogte van de aangerekende sommen.

Naar het oordeel van verweerder is de wijziging in de inschrijving in het handelsregister slechts een deelaspect, terwijl de handeling ten gronde moet worden bekeken.

Wat de voorgelegde bewijzen van facturatie door R aangaat, wijst verweerder op een factuur een zekere Sioen die geen BTW-belstingplichtige is en voor het overige stelt verweerder vast dat eiser meer informatie van de heer Gevaert kan bemachtigen dan verweerder zelf. Om te kunnen aantonen dat de heer Gevaert werkelijk slechts die voorgelgde facturen uitreikte aan derden, suggereert verweerder de voorlegging van de BTW-listing van de heer Gevaert.

Eenzelfde suggestie formuleert verweerder met betrekking tot het bewijs dat R zijn BTW zelden of nooit betaald heeft.

Volgens verweerder heeft hij wel degelijk zijn proces-verbaal en het dwangbevel gemotiveerd. Hij verwijst naar die documenten voor de rechtsgrond waarop hij zich beroept.

Het tweede argument van verweerder is gebaseerd op artikel 5, 6 KB nr.1 van 23 juli 1969. In bijzonder stelt verweerder dat de facturen van R onnauwkeurig en niet controleerbaar zijn en dat de gepresteerde uren niet kunnen achterhaald worden. De facturen zouden niet afdoende de vermeldingen bevatten die toelaten om de handeling te determineren en het voorwerp van de diensten te bepalen. Het bepalen van het tarief en de aard van de dienstprestatie zou daardoor niet mogelijk zijn waardoor de BTW-aftrek terecht werd verworpen volgens verweerder.

2.3 Beoordeling

2.3.1 R: loontrekkende of zelfstandige

Verweerder moet bewijzen dat R geen zelfstandige activiteit had, spijts hij een BTW-inschrijving had, ingeschreven was in het handelsregister voor de schoonmaak van recuperatiematerialen en als zelfstandige verzekerd was in het sociaal zekerheidstelsel. Terecht merkt eiser op dat verweerder geen enkel onderzoek gevoerd heeft in dat verband. In elk geval legt verweerder daarvan geen stukken neer. Met eiser moet worden vastgesteld dat het Arbeidshof alleen uitspraak gedaan heeft over de toestand in 1991. Er was in dat jaar geen facturatie aan derden en dat was voor het Arbeidshof een factor om vast te stellen dat er sprake was van werken onder het gezag van eiser. Het Arbeidshof heeft zich voor het antwoord op de vraag kunnen beroepen op vaststellingen door de sociale inspectie en op verklaringen van alle betrokkenen. Verweerder kan bezwaarlijk van de rechtbank verwachten dat hij aanneemt dat R in 1995 en 1996 nog steeds in dezelfde omstandigheden voor eiser heeft gewerkt als in 1991 wanneer er geen concrete, tastbare gegevens worden voorgelegd waaruit de vergelijking kan gemaakt worden. Het is inderdaad op basis van de werkelijke, feitelijke toestand dat moet nagegaan worden of iemand al dan niet geregeld een zelfstandige economische activiteit exploiteert in de zin van [artikel 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4). Het louter bestaan van een inschrijving in het handelsregister voor de betreffende activiteit en de aansluiting bij de sociale kas voor de verzekering als zelfstandige zijn slechts deelaspecten en sluiten een band van ondergeschiktheid niet noodzakelijk uit. Toch weerlegt verweerder niet dat R in 1995 en 1996 naast facturen aan eiser, ook enkele facturen aan derden uitreikte. Om na te gaan of er al dan niet een band van ondergeschiktheid is en er dus al dan niet een gezagsrelatie bestond, zou het nodig zijn te kunnen nagaan of R zijn werk zelf mocht plannen, of hij vaste uren moest respecteren, mocht werken waar hij wilde, een bepaald tempo moest volgen, beperkt was in het nemen van verlof zowel que aantal dagen als qua moment enz. Uit het enkel feit dat de facturatie in periodiciteit en omvang in 1995 en 1996 nauwelijks zou verschillen van in 1991, kan over die facetten van de gezagsrelatie weinig worden opgemaakt. Wat de periodiciteit van de facturatie in 1991 aangaat, kan de rechtbank uit het arrest van het Arbeidshof alleen opmaken dat er meestal twee keer per maand werd gefactureerd. Dat is - blijkens het overzicht in het proces-verbaal van 10 november 1999 - in 1995 en 1996 minder het geval. Er zijn zelfs maanden - andere dan maanden van het bouwverlof - waarin niet gefactureerd werd.

Bij gebrek aan andere en meer specifieke gegevens, kan de rechtbank verweerder niet volgen in zijn standpunt dat R in 1995 en 1996 als loontrekkende zou gewerkt hebben.

2.3.2. Onregelmatige facturatie

De rechtbank stelt inderdaad vast dat de facturen van R - althans deze die voorliggen, namelijk geadresseerd aan anderen dan eiseres - weinig of geen details bevatten met betrekking tot de geleverde prestaties. Toch volstaat de vermelding "kuisen van stenen" om de aard van de prestatie (dienst) en het tarief te kunnen controleren. Dat de uren niet vermeld staan, is op zich geen beletsel. De hoeveelheid van een prestatie kan ook forfaitair of anders dan in uren worden uitgedrukt.

De facturen die R in de betreffende periode aan eiser uitreikte, liggen niet voor.

Zelfs wanneer de facturen slechts de vermelding "voor geleverde prestaties" bevatten en al kan dat op zich niet volstaan om te beantwoorden aan artikel 5, 6 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969, toch is een al te grote strengheid op dat punt niet gepast, in het bijzonder wanneer de belastingplichtige die de aftrek wilde uitoefenen of (zoals hier) gewoon was uit te oefenen, te goeder trouw was (Cass. 27 maart 1992, R.W., 1991-1992, 1466; Antwerpen, 18 januari 1994, F.J.F., 94/126; Antwerpen, 29 november 1988, Fisc. Koerier, 89/362; Rb. Tongeren, 19 december 1996, Fisc. Koerier, 97/206; Rb. Antwerpen, 23 januari 1986, F.J.F. 86/208; Rb. Antwerpen, 23 april 1986, F.J.F., 88/16; Rb. Mechelen, 2 maart 1989, F.J.F., 90/229).

Terecht laat eiser in dat opzicht merken, dat hij voorheen nooit erop gewezen werd dat zijn recht op aftrek in het gedrang kwam omdat de omschrijvingen op de facturen te algemeen waren. Eiser kan zich op dat punt beroepen op zijn goede trouw.

2.3.3. Conclusie

In de gegeven omstandigheden is er geen reden om de aftrek van BTW die eiser betaalde aan R op basis van diens facturatie in 1995 en 1996 te weigeren.

Het dwangbevel van 22 maart 2000 is derhalve ongegrond en moet zonder uitwerking blijven.

3\. De gerechtskosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet hij de gerechtskosten dragen. Het rolrecht is inbegrepen in de kosten van dagvaarding.

4\. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Toch toont eiser niet aan dat er reden is om af te wijken van de regel uit artikel 92bis W.B.T.W. De voorlopige tenuitvoerlegging wordt daarom niet toegestaan.

### Beschikkend gedeelte

IV. UITSPRAAK

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank voegt de zaken A.R. nrs. 00/1020/A en 00/1138/A.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ingeleid onder nr. 00/1020/A van de algemene rol onontvankelijk, maar verklaart de vordering ingeleid onder nr. 00/1138/A van de algemene rol ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank verklaart daarom het dwangbevel dat door verweerder ten nadele van eiser werd uitgevaardigd op 22 maart 2000 en op 23 maart werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, gekend onder RCIV nr. 400.0321.05221 ongegrond. De rechtbank zegt voor recht dat het genoemde dwangbevel geen enkel gevolg mag krijgen.

De rechtbank verwijst verweerder in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:

aan de zijde van eiser:

\- dagvaardingsexploot (verzet).........................217,70 euro

\- rechtsplegingsvergoeding...............................334,66 euro

terwijl de kosten aan de zijde van verweerder niet moeten vastgesteld worden vermits ze door hem zelf moeten gedragen worden.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op achttien juni tweeduizend en twee.

De rechtbank is als volgt samengesteld:

Dries Vandeputte, alleenrechtsprekend rechter

Annick Vandenabeele, griffier.

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[WBTW art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-4) 1 voorkomen

[WBTW art. 89](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-89) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hof van beroep te Gent, 28 maart 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2002-03-28-7412) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-weigering-boekhoudkundige-stukken-rechtbank-luxemburg-2024-12-18-ffcb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek van de voorbelasting, Bewijslast, Diensten, Management-fees, Wederkerig contract](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-voorbelasting-bewijslast-diensten-management-rechtbank-2020-11-30-1f06) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 2 gemeenschappelijke bepalingen
