---
title: "e3404b41 · 24 januari 2002 · Administratieve sancties met repressief karakter · Hof van Cassatie van België"
description: "Administratieve sancties met repressief karakter, Wettelijkheid van de sanctie, Bevoegdheid van de rechter. Hof van Cassatie van België, 24 januari 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2002-01-24-e340"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/sanctions-administratives-caractere-repressif-legalite-cassation-bruxelles-2002-01-24-e86a"
---

# Administratieve sancties met repressief karakter, Wettelijkheid van de sanctie

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Datum**

24 januari 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

118 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 24.01.2002 (C.00.0234.N & C.00.0442.N)

*Administratieve sancties met repressief karakter - Wettelijkheid van de sanctie - Bevoegdheid van de rechter*

## Wettelijke bepalingen

Art. 6 E.V.R.M.

Artt. 70, § 1bis, 72 en 84, W.BTW

## Samenvatting

De rechter mag bij de toetsing van een administratieve sanctie, die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 E.V.R.M., de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen of van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; hij mag hierbij krachtens het Belgisch strafrechtstelsel eerder uitgesproken strafsancties die in verband met dezelfde inbreuk zouden zijn opgelegd, in zijn beoordeling betrekken.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 E.V.R.M., mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen: dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van administratieve geldboete van zodanige omvang: hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 24.01.2002**

### (C.00.0234.N & C.00.0442.N)

### C.00.0442.N

S., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te ..., ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen, nummer ..., eiseres, vertegenwoordigd door mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de Administratie van de Belasting op de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, gewestelijke directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige-Ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, met kantoor te Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

### C.00.0234.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, op benaarstiging van de Administratie van de Belasting op de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, gewestelijke directeur van de BTW, Registratie en Domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Rekenplichtige-Ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4, eiser, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

S., naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te ..., verweerster, vertegenwoordigd door mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

## I. Bestreden uitspraak

De voorzieningen nrs. C.00.0442.N en C.00.0234.N zijn gericht tegen een arrest van 10 januari 2000 van het Hof van Beroep te Antwerpen.

Er bestaat grond tot voeging.

## II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Philippe Goeminne heeft geconcludeerd.

## III. Middelen

*A. In de voorziening nr. C.00.0442.N*

Eiseres voert een middel aan. Dit middel is gesteld als volgt :

*Geschonden wetsbepalingen*

\- de artikelen 14.1 en 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981,

\- artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955.

*Aangevochten beslissing*

Het Hof van Beroep te Antwerpen, rechtdoende op eiseres' hoger beroep verklaart dit gegrond, doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende, verklaart het ingestelde verzet ten dele gegrond in die zin dat de in het dwangbevel van 4 maart 1994 opgelegde administratieve geldboete in hoofdsom tot 4.602.040 BEF wordt herleid, na evenwel het door eiseres aangevoerde middel verband houdende met het non bis in idem-beginsel, geput uit artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, op volgende gronden te hebben verworpen:

> "(Eiseres) stelt vervolgens dat bij toepassing van artikel 14.7 van het BUPO-Verdrag (het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, ondertekend te New York op 19 december 1966 en toepasselijk in België krachtens de wet van 15 mei 1981) - artikel dat in vertaling luidt : 'Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of bestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken' - de litigieuze geldboete, die een repressief karakter zou hebben, niet mag opgelegd worden na een definitief geworden strafrechtelijke sanctie over hetzelfde misdrijf (in casu uitgesproken door het hoger vermeld vonnis van 14 oktober 1994 van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen).
>
> Bij afweging van voormelde elementen dient alleszins besloten dat in casu de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, zodat de litigieuze administratieve geldboete als een strafsanctie in de zin van artikel 14 BUPO-Verdrag moet beschouwd worden.
>
> De strafrechtelijk verantwoordelijke van (eiseres) is in casu door het vonnis van 14 oktober 1994 van de correctionele rechtbank te Antwerpen in naam van een rechtspersoon, (eiseres) - die de misdrijven beging - gestraft en dit omdat deze rechtspersoon op het ogenblik van de feiten (en de uitspraak van het eindvonnis) naar Belgisch recht niet kon gestraft worden. De feiten die aan deze strafrechtelijke veroordeling ten grondslag lagen zijn dezelfde als deze die ten grondslag liggen aan de litigieuze administratieve sanctie die een strafsanctie is in de zin van artikel 14 BUPO-Verdrag.
>
> Voormeld artikel 14 belet weliswaar niet dat de Belgische wetgever voor eenzelfde inbreuk op de fiscale wetgeving administratieve sancties (ook al zou die administratieve sanctie een strafrechtelijke aard hebben in de zin van artikel 14 BUPO-Verdrag) en strafrechtelijke sancties bepaalt, doch belet wel dat men zulke administratieve bestraffing (die dan een strafvervolging in de zin van het BUPO-Verdrag is) nog kan toepassen nadat eerder de strafrechter al een straf heeft opgelegd.
>
> In casu dient echter vastgesteld te worden dat de administratieve bestraffing op 4 maart 1994, d.i. vóór enige strafrechtelijke uitspraak, werd toegepast en nagevorderd, zodat (eiseres) vergeefs beroep doet op artikel 14.7 BUPO-Verdrag of het 'non bis in idem' beginsel om de rechtsgeldigheid van de gevorderde administratieve boete na te vorderen.
>
> Deze rechtsmiddelen konden wel ingeroepen worden voor de strafrechter die op 14 oktober 1994 oordeelde over de strafvordering, doch in casu werd een in kracht van gewijsde getreden vonnis uitgesproken dat niet meer ter beoordeling aan dit hof staat".

*Grieven*

Enerzijds, blijkens artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, mag niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

Bij toepassing van deze regel kan derhalve voor dezelfde feiten, waarvoor reeds een eerste strafrechtelijke geldboete of gevangenisstraf werd uitgesproken, geen tweede straf meer worden opgelegd.

Deze regel geldt evenzeer ten aanzien van fiscale administratieve geldboetes, waarvan aangenomen wordt dat zij, gelet op hun bijzondere aard, een strafrechtelijk karakter in de zin van het verdrag vertonen.

Anderzijds, ingevolge de artikelen 14.1 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten en 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, heeft eenieder die strafrechtelijk wordt vervolgd recht op een onderzoek van zijn zaak door een onafhankelijk rechterlijke instantie met volle rechtsmacht.

Er bijgevolg slechts sprake zal zijn van een eindbeslissing in de zin van artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten op het ogenblik waarop dergelijke rechterlijke instantie uitspraak heeft gedaan bij een eindbeslissing over de aan de betrokkene op te leggen sancties van strafrechtelijke aard.

Bij toepassing van deze bepaling zal derhalve de fiscale administratieve geldboete, die een strafrechtelijk karakter in de zin van voornoemde bepalingen vertoont, slechts geacht worden te zijn opgelegd bij een eindbeslissing in de zin van artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten op het ogenblik waarop een rechterlijke instantie met volle rechtsmacht uitspraak heeft gedaan bij een eindbeslissing over de wettelijkheid en het aangepast karakter van dergelijke sanctie, zelfs zo deze eerder het voorwerp van een dwangbevel vanwege de fiscale administratie uitmaakte.

Te dezen weliswaar uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat nog vooraleer zowel de eerste rechter als het hof van beroep uitspraak deden over de wettelijkheid en het adequaat karakter van de fiscale boete die het voorwerp uitmaakte van een dwangbevel van 4 maart 1994, reeds bij vonnis van 14 ok-tober 1994 door de Correctionele Rechtbank van Antwerpen, definitief uitspraak gedaan werd aangaande dezelfde feiten en een strafrechtelijke sanctie opgelegd.

Bij toepassing van artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten de fiscale rechter derhalve bij het bestreden arrest niet meer vermocht te beslissen dat er reden was tot het opleggen van dergelijke fiscale boete, zij het herleid tot de helft,

zodat het bestreden arrest dat oordeelt, dat, gelet op de administratieve bestraffing van 4 maart 1994, eiseres zich vergeefs beriep op artikel 14.7 van het Internationaal Verdrag van 16 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, nu het dwangbevel aan de correctionele bestraffing voorafging, zonder dat uit de gedane vaststellingen evenwel blijkt dat er een eindbeslissing van vroegere datum van een rechterlijke instantie in de zin van artikelen 14.1 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten en 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voorlag, niet naar recht is verantwoord (schending van de artikelen 14.1 en 14.7 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981, en 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955).

*B. In de voorziening C.00.0234.N*

Eiser voert een middel aan. Dit middel is gesteld als volgt :

*Geschonden wetsbepalingen*

\- de artikelen [70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), [72](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-72) en [84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW-Wetboek), inzonderheid het artikel 70, §1bis, zoals ingevoegd bij de wet van 27 december 1977 en het artikel 84, derde lid, zoals ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1986,

\- artikel 1, inzonderheid het laatste lid, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 21 oktober 1993, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde,

\- Tabel B in de bij dit koninklijk besluit nr. 41 aangehechte bijlage.

*Aangevochten beslissing*

Het arrest, na beoordeling van de verschillende grieven van verweerster betreffende de vaststelling en de invordering van de bestreden fiscale schuld, zijnde de vordering tot terugbetaling van ten onrechte afgetrokken BTW, wijst deze grieven af-, waarbij onder meer vastgesteld wordt :

\- dat geen betwisting bestaat over het feit dat de gedelegeerd bestuurder van verweerster, als strafrechtelijk verantwoordelijk voor verweerster, bij vonnis van 14 oktober 1994 van de Correctionele Rechtbank te Antwerpen veroordeeld werd uit hoofde van ten onrechte verrichte aftrek van BTW op basis van valse (fictieve) facturen, met BTW daarop van 4.602.040 BEF in de periode tussen februari 1989 en december 1992,

\- dat deze frauduleuse aftrek de feitelijke grondslag vormt van de bij dwangbevel van 4 maart 1994 gevorderde administratieve geldboete van 200 pct.,

\- dat het dwangbevel rechtsgeldig gemotiveerd is, en de redelijke termijn voor het behandelen van de procedure niet overschreden werd,

\- dat de opgelegde sanctie niet onevenredig is met enige doelstelling van EG-recht, en verweerster vergeefs beroep doet op artikel 14.7, van het BUPO-Verdrag of van het "non bis in idem" beginsel,

doch overweegt nadien, wat de toepasselijke fiscale boete betreft :

"De artikelen 70, 72 en 84, tweede en derde, lid BTW-Wetboek staan er niet aan in de weg dat de persoon die door een administratieve geldboete inzake BTW getroffen wordt de mogelijkheid heeft een rechtsmiddel in te stellen dat hem er toe in staat stelt door een rechter te laten toetsen of een administratieve beslissing met repressief karakter verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, die de administratie in acht moet nemen, eerbiedigt (cfr. arrest nr. 22/29 dd. 24 februari 1999 van het Arbitragehof).

In casu is (het hof van beroep), gelet op de belangrijke omvang van de fiscale fraude enerzijds en de door (verweerster) doorgevoerde regularisatie van de ten onrechte afgetrokken BTW en de reeds door de strafrechter opgelegde straffen anderzijds, van oordeel dat een administratieve geldboete van 100 pct. of 4.602.040 BEF (vermeerderd met de wettelijke moratoire rente) een aangepaste en adequate sanctionering van de door (verweerster) gepleegde feiten is, zodat het hoger beroep in die mate gegrond verklaard wordt", en verklaart op die motivering het ingesteld verzet tegen het dwangbevel ten dele gegrond, en herleidt de administratieve geldboete in hoofdsom tot 4.602.040 BEF.

*Grieven*

a. [Artikel 70, § 1bis, BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), schrijft voor dat ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geld-boete verbeurt gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid, welke beperking niet relevant is in de onderhavige zaak.

In toepassing van [artikel 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) van hetzelfde wetboek, worden de moeilijkheden inzake de heffing van de belasting die voor het inleiden van een rechtsgeding ontstaan door de minister van Financiën opgelost; verder wordt bij dit artikel gesteld dat de in hetzelfde wetboek vastgestelde proportionele fiscale boetes bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

In uitvoering van deze wetsbepaling wordt een schaal van verminderde geldboetes vastgesteld bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 juni 1987, met dien verstande dat, overeenkomstig het laatste lid van [artikel 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van dit besluit, de in de tabellen A tot J van de vermelde schaal niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontdui-ken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Uit deze voorschriften is derhalve af te leiden : (a) dat de verminderde boete van rechtswege toepasselijk is in gevallen zoals bedoeld in artikel 1, laatste lid, van het koninklijk be-sluit nr. 41; (b) dat de wettelijke boete, ten bedrage van het dubbel van de onrechtmatig verrichte aftrek, eveneens van rechtswege toepasselijk is in de andere gevallen.

Deze regeling laat bijgevolg geen enkele plaats voor andere verminderingen van de opgelegde boete, zij het in toepassing van een door de rechter te beoordelen evenredigheidsbeginsel, of om redenen van verzachtende omstandigheden of van een subjectieve beoordeling van de plichtigheid van de belastingplichtige.

b. De in het arrest aangehaalde uitspraak van het Arbitragehof levert geen grond op om van de toepassing van dit wettelijk stelsel af te wijken.

In dit arrest wordt met name gesteld dat de toepassing van [artikel 70, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt in zoverre het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter bij wie een verzet tegen dwangbevel aanhangig is, toe-staat op de beslissing een fiscale boete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.

Een "controle met volle rechtsmacht" betekent dat indien de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen.

De toepassing van het grondwettelijk gelijkheidsvoorschrift betekent aldus dat de beoordelingsbevoegdheid van de rechter even ver moet gaan als die van de administratie; niet, dat ze verder moeten reiken.

c. Enerzijds blijkt uit de hierboven voorgestelde ontleding van de toepasselijke voorschriften dat de wettelijke boete, zonder mogelijke vermindering, terzake van rechtswege toepasselijk is indien de overtreding begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Het BTW-Wetboek voorziet niet in enige rechtvaardigings- of verschoningsgrond of verzachtende omstandigheid buiten de afwezigheid van frauduleus inzicht welke aanleiding geeft tot toepassing van het K.B. nr. 41.

Anderzijds wordt het bestaan van opzettelijke frauduleuze praktijken uitdrukkelijk in het arrest vastgesteld.

Het arrest stelt bovendien ook uitdrukkelijk vast dat de krachtens de wet opgelegde sanctie, zijnde een boete van 200 pct. van de ten onrechte afgetrokken BTW, niet onevenredig is met enige doelstelling van EG-recht,

waaruit blijkt dat de beschikking van het arrest, die de aan verweerster opgelegde fiscale boete herleidt tot 100 pct. of 4.602.040 BEF met de daaraan verbonden interest, onverenigbaar is met de wettelijke bepalingen waarbij de fiscale boete wordt opgelegd (schending van al de in de aanhef van het middel aan-geduide wetsbepalingen).

## IV. Beslissing van het Hof

*A. In de zaak C.00.0442.N*

Overwegende dat het middel, dat schending aanvoert van de artikelen 14.1 en 14.7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, hierna IVBPR, en van artikel 6 EVRM, het arrest bekritiseert in zoverre dit oordeelt dat het beginsel "non bis in idem" vervat in artikel 14.7 IVBPR geen toepassing vindt om reden dat het dwangbevel aan de correctionele bestraffing van de afgevaardigd-bestuurder van eiseres voorafging zonder dat uit de vaststel-lingen van de appèlrechters blijkt dat er een eindbeslissing van vroegere datum van een gerechtelijke instantie voorlag;

Overwegende dat het bestreden arrest vaststelt dat :

1\. de afgevaardigd-bestuurder van eiseres wegens het opmaken van valse facturen bij vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen van 14 oktober 1994 strafrechtelijk veroordeeld werd;

2\. de vastgestelde fiscale schuld van eiseres werd opgenomen in een dwangbevel, opgemaakt op 4 maart 1994 en uitvoerbaar verklaard op 9 maart 1994, en dat het gevorderde bedrag dat bestaat uit de verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde ten belope van 4.602.040 BEF en een boete van 9.204.000 BEF, verschuldigd is op grond van [artikel 70 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70);

Overwegende dat, krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en krachtens artikel 14.7 IVBPR niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken;

Dat zulks niet belet dat de Belgische overheid sancties van uiteenlopende aard mag bepalen voor eenzelfde inbreuk, de ene onderworpen aan het nationale strafrechtsstelsel, de andere onderworpen aan het stelsel van de administratieve sanctie, ook al zouden die administratieve sancties een strafrechtelijke aard hebben in de zin van artikel 6 EVRM;

Dat dit evenmin belet dat de rechter, aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken en in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen of van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen;

Dat die rechter hierbij, krachtens het Belgische strafrechtsstelsel, eerder uitgesproken strafsancties die in verband met dezelfde inbreuk zouden zijn opgelegd, in zijn beoordeling mag betrekken;

Overwegende dat het middel steunt op de veronderstelling dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem en artikel 14.7 IVBPR, zich verzetten tegen een cumulatie tussen een strafsanctie en een fiscale administratieve sanctie die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van het verdrag;

Dat het middel niet kan worden aangenomen;

*B. In de zaak C.00.0234.N*

Overwegende dat, krachtens [artikel 70,§1bis, BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), ieder die onrechtmatig aftrek van belasting heeft genoten, een geldboete verbeurt gelijk aan het dubbel van de be-lasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1,lid 1, van hetzelfde artikel;

Dat, krachtens [artikel 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) van dat wetboek, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald wordt volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld;

Dat, krachtens [artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken;

Overwegende dat belastingschuldigen tegen een dwangbevel van de invorderingsambtenaar verzet kunnen doen;

Dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken; dat hij in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdra-gen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen;

Dat dit toetsingsrecht in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administra-tieve geldboete van zodanige omvang; dat hij hierbij inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld;

Overwegende dat het arrest dat op dat punt niet wordt bekritiseerd, aanneemt dat de litigieuze sanctie als een strafsanctie moet beschouwd worden onder meer in de zin van artikel 14 IVBPR;

Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat de afgevaardigd- bestuurder van eiseres als strafrechtelijk verantwoordelijke correctioneel veroordeeld werd voor de ten onrechte verrichte aftrek van BTW op basis van valse facturen, en dus aannemen dat de overtredingen begaan werden met het oog op het ontduiken van de BTW;

Overwegende dat de appèlrechters oordelen dat de artikelen 70, 72 en 84, tweede en derde lid, van het BTW-Wetboek er niet aan de in de weg staan dat de persoon die door een administratieve geldboete inzake BTW getroffen wordt, de mogelijkheid heeft een rechtsmiddel in te stellen dat hem er toe in staat stelt door een rechter te laten toetsen of een administratieve beslissing met repressief karakter verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en de algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, die de administratie in acht moet nemen, eerbiedigt;

Dat de appèlrechters ook oordelen "dat gelet op de belangrijke omvang van de fiscale fraude enerzijds en de door (ver-weerster) doorgevoerde regularisatie van de ten onrechte afgetrokken BTW en de reeds door de strafrechter aan de gedele-geerd-bestuurder van verweerster opgelegde straffen anderzijds, (...) de administratieve geldboete van 100 procent of 4.602.040 BEF (vermeerderd met de wettelijke moratoire rente) een aangepaste en adequate sanctionering van de door (verweer-ster) gepleegde feiten is, zodat het hoger beroep in die mate gegrond wordt verklaard";

Dat de appèlrechters uit die gegevens alleen niet konden afleiden dat de door het bestuur opgelegde boete onevenredig was;

Dat het middel gegrond is;

**HET HOF,**

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

Voegt de zaken C.00.0234.N en C.00.0442.N;

Verwerpt de voorziening inzake C.00.0442;

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het bedrag van de administratieve boete bepaalt;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Veroordeelt de NV Setime in de kosten van haar voorziening;

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het Hof van Beroep te Brussel.

De kosten in de zaak C.00.0234.N begroot op de som van honderd zesenzestig euro achtenzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd tweeënveertig euro negenenveertig cent jegens de verwerende partij.

De kosten in de zaak C.00.0442.N begroot op de som van honderd eenendertig euro achtendertig cent jegens de eisende partij en op de som van tweehonderd vierendertig euro zesennegentig cent jegens de verwerende partij.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter ...

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 5 voorkomens

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 3 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 2 voorkomens

[WBTW art. 72](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-72) 1 voorkomen

## Rechtspraak

6

### België

6

Hof van Cassatie 13.02.2009

#### [Fiscale boete, vermindering van de fiscale boetes](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-boete-vermindering-boetes-kwijtschelding-cassatie-brussel-2009-02-13-05d6)

Hof van beroep te Bergen 2014/RG/694 16.03.2016

#### [Recht op aftrek, Fiscale fraude, Fictieve facturen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-fiscale-fraude-fictieve-hof-van-beroep-bergen-2016-03-16-b588)

Hof van beroep te Antwerpen 09.02.2010

#### [Administratieve geldboete, werkingssfeer, intracommunautaire verwerving van goederen, strafbepaling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-geldboete-werkingssfeer-intracommunautaire-hof-van-beroep-antwerpen-2010-02-09-8c79)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Verwerping van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-verwerping-diensten-transportdiensten-rechtbank-brussel-2020-04-10-a057) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Administratieve geldboeten, Beginsel non bis in idem](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-geldboeten-beginsel-non-bis-grondwettelijk-hof-brussel-2021-10-07-dcab) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale geldboeten, Motivering van bestuurshandelingen, Gebonden bevoegdheid, Legaliteitsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-motivering-bestuurshandelingen-gebonden-cassatie-brussel-2011-04-08-1d66) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale geldboeten, Controlebevoegdheid van de rechter, Opportuniteitsbeoordeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-controlebevoegdheid-rechter-cassatie-brussel-2006-11-30-75bf) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Volle rechtsmacht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/volle-rechtsmacht-grondwettelijk-hof-all-constit-2008-05-15-79f7) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Besluit van de Regent van 18 maart 1831](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regent-maart-uitsluiting-bevoegdheid-prejudiciele-grondwettelijk-hof-all-2008-05-15-e36b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Voldoening van de belasting, Dwangbevel, Bestuurshandeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-dwangbevel-bestuurshandeling-betaling-cassatie-brussel-2005-12-01-11ea) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel, Verzet, Strafrechtelijke vervolging, Opschorting van de behandeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-verzet-strafrechtelijke-vervolging-opschorting-cassatie-brussel-2008-12-16d2) 3 gemeenschappelijke bepalingen
